Ik ben strandevoerder, en ik moet alle soorten kabels maken, wat er kan gebeuren op die machine. Dikke, dunne, rond en puntig, alles wat maar gevraagd wordt. Wat we via de kaarten opkrijgen moeten we uit die machine zien te halen, daar staat op wat voor type kabel je moet maken en wat voor dikte koper je moet hebben. Nou ik moet die machine vullen. Dus kijk ik op de kaart, bij wijze van spreken: negentien haspeltjes, dan moet ik negentien haspeltjes in de machine doen, die moet ik via de hijskraan, moet ik die zo erin zetten en dan doorrijgen, zodat die draden bij elkaar komen.
We beginnen 's morgens om half acht, als we dagdienst hebben tot vier uur. En dan de week daarop hebben we van twaalf uur tot half acht en die week daarop dan zitten we van vier tot twaalf uur. Dat is drie ploegen. Nou voor de rest gaat het wel, alleen die nachtdienst die is zo lang hè, want je begint 's zondagsavonds tot zaterdag 's morgens zes uur. Die andere diensten heb je eigenlijk veel minder last van als deze. Je bent ongeregeld hè; want je komt thuis 's morgens om half acht en dan eet je een sneetje brood en je drinkt een beetje thee of wat anders en dan ga je slapen en dan is het een uur of zes, nou en dan ga je eten, nou en voor de rest eet je niet meer als 's nachts om drie uur; dus geregeld is het helemaal niet, want je raakt toch ergens wel uit je slag vandaan.
Ik zit hier vanaf '62. Ik heb ook van alles gedaan; eerst ben ik begonnen als jonge jongen, als inpakker en zo, een beetje in het magazijn werken, toen ben ik bij die, hoe noem je dat, die bedrijfsschool geweest, die hebben ze dan ook. Een beetje leren, dan weer aan die machine en dan weer aan die machine. Toen ben ik in militaire dienst gegaan. Daarna ben ik weer teruggegaan; heb ik zelf gevraagd of ik weer naar die samenslag mocht, dat ik dat de fijnste afdeling vond van al die anderen want de samenwerking is daar ook wel leuk op die afdeling.Wij staan met z'n zessen, met drie strandevoerders, dus daar ben ik ook bij, en dan hebben we nog drie winders, dus bij elke ploeg zit een winder. We regelen het zo'n beetje met z'n drieën. Als we denken: 'Die kabel kan beter daar achter komen,'dan kunnen we dat doen. Daar zal de chef ook niks van zeggen. Het is alleen, kijk es, wij moeten zorgen dat die kabel op tijd wegkomt bij ons want er staat een bepaalde levertijd voor. De datum staat meestal op die kaarten en in die week moet ie klaar wezen. Dat kan nog wel eens een week verschillen, maar ik bedoel: wij zorgen er altijd voordat ie op tijd bij ons wegkomt. Kijk het kan altijd wel dat er stagnatie optreedt, dat er koper niet is of zo, daar kunnen wij niks aan doen, maar meestal zorgen we ervoor dat ie altijd op tijd bij ons weggaat.
Als we nou gewone ronde kabels draaien dan staan we wel op een soort tarief, maar zo gauw we kabels draaien met walsen erin of zo, verdichtingswals of puntsectorkabel, dan hebben we geen tarief. Dat kan niet, want de ene keer ben je in tweeënhalf uur, drie uur klaar met zo'n ding als alles meeloopt, maar daarentegen kan het ook wel eens zijn dat je er een halve dag aan bezig bent. Dat het niet lukt of zo, dat er iets niet gaat. Kijk daar kan je niets aan doen dat het effe tegenzit.
Met gewone kabels zit ik op een soort tarief. Als het zacht koper is dan krijgen we daar drie minuten zes voor of zoiets, is het hard koper dan krijgen we er vijf minuten één voor. Dus dat is met in de machine zetten en aanlassen van de draden die nog in de machine zitten. We draaien nooit helemaal leeg, dus er blijft altijd nog een stukje in zitten en dan kan je dat zo aanlassen.
Dat duurt drie minuten en zes seconden... dat hebben ze op het tariefbureau uitgerekend. Een ervaren man die kan het wel redden. Maar iemand die er aan het begin staat natuurlijk niet. Die heeft zeker een week of acht nodig om op tempo te komen. Want ik heb er zelf een halfjaar gezeten om het echt goed onder de duim te krijgen.
Alles is vastgesteld. Wij hebben een kaartje aan de machine hangen en daar staat op van: haspel inzetten: drie minuten, zacht koper, als het hard koper is vijf minuten één en dan krijg je oploophaspel verwisselen, dat is dertien en een halve minuut. Dat is allemaal van te voren berekend. En het instellen van de machine . . . heb je veel draden erin dan krijg je veertig minuten, bijvoorbeeld als je zevenendertig draden op een andere kabel moet overzetten dan krijg je veertig minuten. Dan heb je ook dertig minuten voor verwisselen en zo. Ja, daar zit zo'n beetje alles in: tandwielen verwisselen, handels omzetten op de machine.Dat is allemaal uitgerekend op het tariefbureau. Ze hebben er ook aangestaan en toen zouden ze komen om de tijd op te nemen dan. Staan ze te kijken hoe lang je er over doet, met zo'n klokkie, weet ik veel. En dan later krijg je dat papier van: daar kan je zolang over doen en daar kan je zolang over doen. Daar moet je je eigen natuurlijk aan houden om een beetje aan je geld te komen natuurlijk. Als je het vlugger doet, dan ben je vlugger klaar, maar je verdient niks. Je verdient niet meer, nee. Dat kan ook ergens niet, want als je nou vlugger gaat werken als zij die tijd stellen, bij wijze van spreken, dan zeggen zij op hun beurt: 'Ja dan kunnen ze meer draaien ook.' Dan zeggen ze: 'Er kan nog wel meer uit die machine komen.'
Kijk je moet gewoon werken hè. Je gewone tempo moet je werken en niet gaan zeggen van: 'Daar heb je die man, van ik zal eens effe rustig aan doen.' Kijk dat kan altijd wel, maar ik bedoel als je een tijd verderop bent dan kom je je eigen ergens wel weer tegen want als er dan een ander aankomt en die zegt: 'Dat gaat effe gemakkelijk hier' en 'Ik zal 's effe hard werken.' De ene draait bij wijze van spreken een kilometer of drieëntwintig, maar de ander die gaat er wel dertig draaien en dan blijf je nergens, want dan zeggen ze ook op het tariefbureau: 'Moet je eens effe kijken die draait er dertig uit dezelfde machine waar die ander twintig uit draait. En dan gaan ze dat tarief weer veranderen want dan kloppen de tarieven niet, volgens hun dan. Maar daar trekken ze zich niks van aan, ze zeggen gewoon: 'Dan had je 'moeten draaien.' Want ze nemen geeneens tijd om te eten, dat is allemaal onder het werk door.
Ze nemen geeneens, bij wijze van spreken een kwartiertje om een kopje koffie te drinken of om een boterhammetje te eten, dat kan er niet vanaf. Hij denkt, volgens mij: 'Hoe meer hij draait eigenlijk, des te meer hij verdient.' Nou dat gaat mooi niet op, natuurlijk want daarvoor hebben ze die tijden uitgezet. Hij zet 'm aan, bij wijze van spreken om middernacht en we stoppen om een uur of zeven 's morgens. Nou dan heeft ie een kilometer of vijf zes meer als die anderen. Hij heeft er helemaal geen voordeel van. Ja, wie er voordeel van heeft dat is de afdelingschef, die heeft er ergens voordeel van, want hoe hoger de productie ligt des te beter komt die chef er ook in. Daar bedoel ik mee, daar verdient hij ook mee: die chefs worden gemeten naar de prestaties van hun afdeling. Dus hoe beter eigenlijk die chef met een afdeling om kan gaan en zorgen dat alles zo lang mogelijk blijft draaien en dat alles goed is en minder afval des te meer waardering krijgt ie dan. Op het ogenblik is de 'samenslag' de beste afdeling wat samenwerking betreft. Alles wat meer gedraaid wordt is gewoon meegenomen. Daar hebben wij eigenlijk geen profijt van. Wij weten precies elkaar een beetje op te vangen en zo. Hoe zal ik 't zeggen, wij verstaan elkaar ergens goed met z'n drieën aan die machine. Als we eens een keer hard moeten werken, dat gebeurt wel es als je veel draden hebt, datje hard moet werken, dan moet je effe opvangen met z'n drieën. Kijk en je hebt er ook wel eens een bij die machines, die staan een beetje, volgens mij iets te hoog wat het tarief betreft. Ik bedoel dan moet je echt goed er tegenaan de hele dag om je tarief te halen.
Dat zeg ik: Je hebt er ook altijd mensen bij, die denken: 'Zonder tarief dan kunnen we altijd wel een paar kilometer minder maken.' Kijk, dat kan dan één of twee dagen gebeuren, het kan altijd dat je je dagje niet hebt, maar het kan ook wezen dat ze het expres gaan doen. Dan schiet het bedrijf er ergens niet mee op. Als je elke keer je tarief haalt, dan zit je steeds bij een bepaald bedrag, anders minder. Wel een beetje bekijken hè. Kijk, want geld meebrengen kan ik natuurlijk altijd, maar ik kom voor het verdienen dus nou, bij mij is 't zeg maar nooit gebeurd dat ik eronder zat. Op elke afdeling heb je er die onder het tarief blijven en het is hoofdzakelijk de werkwijze van de mensen.dat ze te eigenwijs zijn, of weet ik veel. Als jij zegt van: 'Je moet het zo doen dan gaat het beter,' dan gaan hun de andere kant uitkijken en dan kan je wel tachtig keer zeggen... Kijk en dan denk je op het laatst: 'Krijg nou maar de kleren, zoek het zelf maar uit.' Kijk de chef doet wat voor ons en wij doen wat voor hem. Want als hij bij ons zegt van: 'Je moet zaterdag een keertje overwerken, want we zitten erg hoog,' dan zijn er niet veel die nee zeggen. En dat komt enkelt maar omdat wij goed met elkaar kunnen opschieten, Trouwens, ik wil niet zeggen iedereen, maar de meesten.Nou wordt dat knap geregeld, zal ik maar zeggen. Dus je komt meestal wel aan je centen. En als je dat niet hebt dan blijf je nergens.
De chef moet zich natuurlijk wel houden aan de regels van het bedrijf, daar komt ie niet onder uit. Maar zo gauw als hij denkt: 'Nou, ik kan de mensen helpen,' dan doet hij dat. Het kan met een klein lullig dingetje wezen, het kan ook ergens anders mee wezen. Dat vind ik wel fijn, hij probeert altijd op de afdeling te helpen als er moeilijkheden zijn of zo. Je kan altijd naar hem toe gaan om met hem te praten, dat is wel fijn. Je kunt met ieder probleem bij die vent komen, hij maakt altijd tijd voor je. En je hoeft nooit bij hem te komen dat ie zegt: 'Nee hoor, ik heb geen tijd voor je,' of 'kom een andere keer maar terug.' Nee als je bij hem komt en zegt: 'Nou ik heb moeilijkheden of zo,' dan zitten we zo even te praten, dat kan altijd.
Want ik bedoel, het is niet alleen draaien en zo, maar je moet ook es een geintje kunnen maken met de chef en dat kan je bij ons doen. Als je bij ons tegen die chef een geintje maakt en die maakt op zijn beurt een geintje tegen jou, want hij weet precies hoe ie je aan kan pakken; dat zeg ik eerlijk, hij heeft verschrikkelijk veel mensenkennis, die chef bij ons. Nou en hij weet precies van, met hem kan ik op zo'n manier een geintje maken, met die kan ik op zo'n manier een geintje maken. Kijk en daar wint ie al een heleboel mee.
Kijk, je stoeit wel eens even met elkaar, maar je moet altijd oppassen. Bij een machine kan je haast niet wild wezen. Je kan altijd een geintje maken, je geeft de één misschien een klap voor z'n kop of een schop onder z'n kont en het andere moment doet ie 't jou weer terug. Dat bedoel ik een beetje met gein maken. Je moet toch een beetje sfeer houden. Want als je daar gaat zitten als dooie piet dan komt je avond helemaal niet om.
Er zitten altijd gevaarlijke kanten aan die machine, of aan die machine: aan het werk. Je moet natuurlijk altijd zorgen datje die haspels er goed op doet en dat ze goed vergrendeld worden. Dat is mijn principe: zolang je aan het werk bent, moet je altijd aan het werk blijven. Kijk, en dan kun je er tussendoor eens een sigaretje gaan roken maar dan moet je de machine helemaal inzetten en voor de secuurheid alles even nalopen. Je kan zelf beoordelen: 't is goed, of't is niet goed. Anders moet je hier en daar nog wat aan veranderen. Het is natuurlijk geen persoonlijk product. Het is een product dat je met z'n drieën maakt. Ik bedoel: als ie bij ons de machine afgaat, weet ik dat ie goed is. Er kan natuurlijk altijd wel wat gebeuren, dat kan je nooit vóór wezen.
Die chef bij ons haalt nog wel eens een stukje en als je dan boven komt zit ie te kijken en dan legt ie wel eens uit waarvoor 't is en waar 't naartoe gaat. En dat interesseert me ook wel, omdat je dat zelfgemaakt hebt.
De meeste zijn grondkabels die naar die huisjes gaan. We maken ook kabels die hoogspanningsleidingen worden, als je er dan onder rijdt langs de weg denk je bij je eigen: 'Dat kan er best eens één van ons wezen.' Niet dat ik thuis de hele dag aan m'n werk denk, dat niet. Want zo gauw als ik de poort uitkom, ben ik alles vergeten. Maar als ik de poort weer binnenkom, zo gauw als je bij de machine komt, moetje weer serieus wezen. Je moet zorgen dat 't goed wegkomt. Kijkje hebt er kabels bij dat je zit te denken: 'God, dat wordt een leuke dikke.' Ik vind persoonlijk die dikke kabels wel leuk, hoe dikker hoe leuker. Dus dat je meer handwerk hebt, dat je meer eraan moet doen. Dan zie je vanzelf dat je een mooie dikke kabel krijgt, dat vind ik wel leuk werk. Niet elke dag, dat kan natuurlijk niet. Maar één keer in de zoveel tijd vind ik het hardstikke leuk werk.ledereen heeft z'n eigen vak, ik bedoel: je kan er niet iedereen aanzetten. Kijk je hebt sommige dingen dat je zegt: 'Ga d'r maar eens effe aanstaan,' maar dat kan niet. Je hebt ook zat mensen die van een andere afdeling komen en daar bij wijze van spreken hardstikke goed zijn met die soort machines waar ze daar mee werken en als ze dan bij ons komen brengen ze er niks van terecht. En daarentegen wij brengen er ook niks van terecht op een andere afdeling. Je wordt ergens gespecialiseerd. Ze proberen althans dat je met al die machines op die afdeling kan werken. Ik kan zeker de helft die op die afdeling staan, daar kan ik wel mee werken. Ik heb al gezegd dat ik het werk dat ik nou doe, met plezier doe. Als ik naar m'n werk ga zeg ik niet: 'Ha, ik moet fijn werken.'Kijk de ene keer draai je gewone kabels en de andere keer moet je die machien omstellen en dan walsen erin. En dat is allemaal leuk werk om te doen, afwisselend. Je hebt dunne en dikke kabels. Ik houd niet zo erg van dat eentonige werk, 't moet een beetje afwisselend zijn en bij die machien is dat wel, bij die machien kan ik me lekker uitleven. Je hebt natuurlijk wel de verantwoording voor die machien en dat moet je altijd beseffen.
Je kan altijd wel eens een geintje maken, maar je moet altijd beseffen: als er wat gebeurt ben jij verantwoordelijk. Dat weet ik wel, want anders nemen ze je niet, dat zien ze gauw genoeg. Als je niet verantwoording durft te nemen kun je beter zeggen: 'Geef 't maar aan een ander.' Nou krijgen we binnenkort eenzelfde model machine, maar groter, en die zou ik ook wel willen leren. Hoe meer tierelantijntjes eraan, hoe beter het is.Ik zit niet bij een bond. Je kunt er misschien wel bij gaan. Ik bedoel je ken evengoed wel bij die man terecht als je wat hebt of zo. We hebben hier hoe heet dat nou, hoe heet die bond nou, de NKV of zoiets. NVV of zo. Kijk er zit ook een man van die bond dus als je problemen hebt of zo dan ga je naar hem toe, die doet ook, al ben je niet lid van de bond, hij probeert evengoed iets voor je te doen. Dat is wel leuk evengoed. Het kan verder misschien wel goed wezen, maar ik zie het nou niet zo erg. Ze vliegen mekaar in de haren, je moet er altijd maar tussendoor zwemmen een beetje.
Je hebt wel eens bepaalde dingen en zo, en dan ga je naar één van die ondernemingsraad en dan zegje van nou zus of zo, of weet ik veel. 'Dat moet anders,' 'Kan je daar niet es over praten? ' Kijk er wordt over gepraat en wat hun dan besproken hebben, dat zien wij dan op die publicatieborden, die wij op de afdeling hebben hangen. Ze kunnen gewoon hun mening zeggen, dacht ik. Er wordt natuurlijk niet altijd geluisterd, omdat het wel eens onmogelijk is. Maar als het even redelijk is wat het bedrijf ook ten gunste komt, dan luisteren ze. Er zijn ook dingen waar ze niet op in kunnen gaan, dat is ergens logisch, dat heb je overal. Maar als 't effe gunstig is, gaan ze het wel uitzoeken en misschien rekenen ze nog even: 'Nou dat is toch wel ergens goed voor het bedrijf en voor de mensen zelf ook.' Dat doen ze wel. Je moet natuurlijk altijd op de hoogte blijven. Het afgelopen jaar zijn we beter op de hoogte gesteld van de zaken in het bedrijf door het publicatiebord. Vroeger werd er wel eens gesproken en dan hoorde je niks meer en tegenwoordig als er iets besproken is, wordt 't altijd wel opgehangen. Dan lees ik 't ook wel. Want 't is voor de arbeiders zelf misschien wel van belang. Meestal is het wel belangrijk wat ze gepraat hebben, je steekt er natuurlijk altijd wat van op.
Maar als het bedrij f nou verkocht wordt, zoals net gebeurd is, of als er belangrijke zaken zijn?
Dat wordt ook op het publicatiebord geschreven. Dan onderhandelen ze en zo met Philips. Ja, daar zijn ze wel gauw bij natuurlijk. Dat moet ook wel want anders zie je het 's morgens in de krant en denk je: 'Verrek, hoe kan dat? ' Met zulke dingen moeten ze er wel gauw bij zijn want anders denken de werknemers: 'Nou dat is ook mooi, wij staan er weer mooi buiten en weten van niks.' Daar zijn ze eerlijk wel gauw bij, bij zulke dingen. De leiding is vlug met het op de hoogte stellen van de werknemers als er wat besproken is. Maar daar hebben wij natuurlijk niks over te zeggen. Dat bespreken de hoge heren allemaal, of 't verkocht zal worden daar bemoeien we ons eigenlijk niet mee. Wij zorgen dat de zaak blijft lopen. Verder komen wij er niet aan te pas, dat horen wij weer later. En misschien dat 't wel besproken wordt in de ondernemingsraad. Dat die bij elkaar geroepen wordt of zo. Dat bespreken ze en naderhand als de mensen denken: 'Dat is het beste voor de arbeiders,' dan krijgt de ondernemingsraad van het bedrijf, een brief thuis dat er vergadering is. Dan krijgen ze de standpunten die de directie besproken heeft ook te horen. Dus zij horen dat eigenlijk voor het hele bedrijf. Als het hele bedrijf op zo'n vergadering komt, dat kan natuurlijk niet, dat is ergens logisch ook. Daarvoor zijn die mensen. Omdat wijzelf die mensen hebben gekozen. Ik heb op geen één gekozen, ik was er toen niet. Ik zat in de nachtdienst. Ik kon eigenlijk niet.
Ik was een jaar of vijftien toen ben ik naar de fabriek gegaan, Ik had er eigenlijk geen zin in, in school. Ik heb liever wat om handen, dat leren, ik ben geen goede en geen slechte, ik zit er tussenin. Wat werken betreft kan ik aardig goed m'n handen roeren, ik kom niet veel problemen tegen. Dat rommelt allemaal wel.
Er was hier een school voor kabelvakman. Ik denk: 'Kijk alles wat je nog leert is meegenomen.' Toen vroegen ze of ik op die school wou. Die duurt twee jaar en dan krijg je gewoon leren: Nederlandse taal, rekenen, algebra en al dat soort dingen. Dan ga je een dag of een halve dag de fabriek in, dan ga je eens bij die machine staan of zo. Maar ik bedoel met die kennis, daar kun je nergens mee naar toe, alleen op het bedrijf zelf dan. Je hebt ook wel jongens die eruit springen, dat moet ik wel toegeven. Die meneer die voor de klas staat en die ziet dat zo'n jongen eruit springt, zegt: 'Jongen waarom zit jij op zo'n fabriekje bent goed voor kantoor.' Kijk, dat zoeken ze ook weer uit. Want als ze gauw in de smiezen krijgen dat zo'n jongen goed kan leren, dan zeggen ze: 'Nou je kan op kantoor komen bij ons.' Dat doen ze wel. Maar daar houd ik niet van. Ik ben een jongen van de vrijheid. Het werk wat ik nou doe, ik ben natuurlijk wel aan regels gebonden, maar zo gauw als ik aan de machine zit ben ik eigen baas. Dus ik kan zeggen: ik kan die eens nemen, dat is gemakkelijker als die machine blijft draaien want dan hoefje dat spoel niet te verwisselen. Kijk, dat kan ik zelf uitmaken.
Mijn vader werkte op een fabriek. In het begin zei die altijd: 'Je moet goed bij een baas blijven en zo.' Wij namen dat nogal aan, we kunnen allemaal goed met onze ouders opschieten, dus wij namen dat aan. Toen zei hij: 'Bij een baas blijven, goed je best doen.' Maar 't kwam hier op neer: hij werkte zich de klere en dan wordt er ineens na vijftien jaar gezegd, ze komen 's morgens op het werk en 's middags om twaalf uur was hij weer thuis. Toen hadden ze het bedrijf gesloten. Nou die man heeft er goed van moeten leren. Ze komen 's morgens op het werk en zo ineens: het bedrijf gaat dicht. 'Hier hebben jullie zoveel geld. Jullie zoeken het maar uit.' Hij was gewoon als werkman gekomen, maar die heeft wel veel moeten leren. Hij is geloof ik afdelingschef geworden. Maar hij heeft iedere avond ervoor moeten leren: kennis van rubber en zo. Dat moest hij allemaal kennen op dat bedrijf. Hij zat bij de General, die bandenfabriek. Dat werd opeens gesloten en ze stonden op straat. Ik denk een jaar of drie terug.
Je denkt er natuurlijk wel eens aan, dat je bij je eigen denkt: 'Dat kan ons ook wel eens overkomen.' Maar ik ben niet zo'n jongen, ik blijf er niet bij stilstaan. Als 't bij wijze van spreken dicht gaat, ik hoop het natuurlijk niet, maar ik kom evengoed wel uit de voeten. Ze kunnen mij overal voor gebruiken, niet natuurlijk voor klungeldingetjes, maar ik bedoel voor mij is er altijd wel werk. Als er iets met het bedrijf gebeurt, want ze vliegen dicht tegenwoordig, maar dan stap ik op een vrachtwagen, dat doet me niets. Ik zit net zo lief op zo'n ding als hier, als het maar geld opbrengt.
Het wordt van het jaar twee jaar dat ik getrouwd ben. Ik ben nou vierentwintig. Ik heb één zoon, die is in maart geboren. Alles wat ik hebben wil dat heb ik. Kan ik 't niet kopen dan wacht ik een tijdje, dan spaar ik ervoor. Ik ga niets kopen waar ik maanden voor krom moet liggen, daar begin ik niet aan. Alles wat ik hebben wil, het kan wel dat ik zeg: 'Nou dat wil ik nog hebben.' Dan zeg ik tegen m'n vrouw: 'We gaan daar voor sparen.' En dan komt het er ook wel. Het kan misschien wel een halfjaar duren, maar het kan ook dat je het eerder hebt. Mijn vrouw werkt niet. Ze heeft op een atelier gezeten, hoe noem je dat, modinette is ze, geloof ik. Ze moet nou op het kind passen. Ze is gewoon thuis.
Laat ik het zo zeggen: wat je verdient is eigenlijk nooit genoeg hè! Je moet altijd kijken dat je meer kan verdienen. Nou goed betaald, het kan natuurlijk altijd beter. Slecht betalen doet het ook niet. Ik verdien zo'n achthonderdvijftig in de maand, schoon. Daar zit ploegentoeslag bij en de premie. Ja, je staat allemaal te werken om meer centen te verdienen, dus als ik hogerop kan, waarom zou ik niet hogerop gaan! Ik zou het om het geld doen hè, want ik ben gek op geld. Daar kan je dan nog eens een dingetje voor kopen, watje eens zo ziet en wat je wilt hebben. Nou, een aardige motorboot, zou ik nog wel willen hebben, en dat kan ik nou wel, maar ik moet er nou langer over sparen en als ik een beetje hogerop ga, ga ik meer verdienen dus dan duurt het weer korter. Die motorboot, nou dan ben ik er wel zo'n beetje. Ik heb al een auto. Misschien nog een nieuwe auto.Maar als er iets kon veranderen zou ik toch zeggen: werktijd maar verkorten, als je de nachtdienst hebt dat is wel een heel verschrikkelijk eind. Die anderen staan overdag en die maken wel langere uren, maar wij staan er meer dagen voor. Wij beginnen al 's zondags avonds en scheiden er 's zaterdags 's morgens mee uit en die anderen beginnen 's maandags 's morgens en scheiden vrijdagsavonds uit. Wij zijn dus ergens nog langer in de weer als die anderen.
Als je met die lonen aan de gang blijft, dus steeds omhoog gooien, dat schiet ook niks op. Want ik bedoel: als alle lonen omhoog gaan, dan gaan de prijzen in de winkels ook omhoog, dus daar heb je eigenlijk ook geen baat bij. Dus ik zou liever zeggen: 'Ik werk misschien een half uurtje korter of een kwartiertje' dan zeggen: 'Nou die lonen weer omhoog.' Kijk dat is natuurlijk altijd meegenomen als het omhoog gaat, maar ergens schiet je er niks mee op want de rest gaat ook omhoog.
En ik dacht toch ook wel, dat sommigen niet omhoog konden wat loongroep betreft. Je kunt een winder natuurlijk niet zeggen: 'Jij werkt zo hard, jij gaat in dezelfde loongroep als de strandevoerder.' Dat kan natuurlijk niet. En je kan natuurlijk ook niet een te groot verschil maken. Want dan denken de jongens: 'Daar sta ik me eigen een beroerte voor te werken en hij heeft zoveel meer dan ik.' Hij moet ook leveren anders kunnen wij niet draaien.
Ik wil niet zeggen dat ik me naar baas toewerk. Maar je doet altijd zo goed mogelijk je best om toch weer hogerop te komen. Misschien duurt 't wel tot je vijftig bent voor ze je baas maken, maar je moet toch eerst die school doorlopen voordat je baas kan worden. Maar niet iedereen kan baas worden, want die hebben er bij wijze van spreken niet 't karakter voor. Die is misschien te agressief of kan niet met de mensen opschieten. Dat scheelt, dat is ook een heleboel wat aan je eigen ligt. Zoals 't bij ons in het bedrijf ligt, dacht ik dat ze de mensen te laat baas maken die er wel capaciteiten voor hebben. Niet iedereen heeft die, maar volgens mij kan je jongere mensen ook baas maken. Als je denkt dat ze er de capaciteiten voor hebben, kan dat natuurlijk. En dan hoef je ook niet te wachten tot ze bijna met pensioen gaan. Maar als je een redelijke leeftijd neemt van, zeg maar, in de veertig, die man kan nog een jaar of twintig mee. En dan leer je vanzelf wel met die man werken. Als je er één maakt die nog een jaar of drie moet, dat kan niet. Ik zou Wél baas willen zijn als ik de capaciteiten had. Dat weet ik zelf niet, natuurlijk, dat moetje altijd nog afwachten. Maar als ik de capaciteiten ervoor heb, waarom niet? Het is gewoon een kwestie van goed met de mensen op kunnen schieten en ook zorgen dat je alles kan wat er op je afdeling gebeurt. Kijkje moet me niet chef maken op een afdeling als ik niks kan. Als je dan bij die mensen komt van: 'Je moet 't zo doen,' dan zeggen zij: 'Doe 't effe voor! '
Maar als je baas bent van een fabriek dan moet je je toch aan bepaalde regels houden. Dus dat zal wel moeilijk wezen. En als je baas bent van die fabriek dan heb je het ook niet alleen te vertellen. Je hebt nog meer mensen waar je mee moet varen. Als je directeur bent van die fabriek ook, dan heb je nog wel die nog hoger staan als hij. Als er wat aan de hand is om één of andere reden, zal hij het wel door moeten geven aan de hogere mensen. Want wij draaien wel op ons eigen, maar wij zijn toch ergens nog een onderdeel van Philips. Dus bij Philips zitten wel ergens de hogere jongens.
Philips die heeft 'm toen gekocht. Dus die zal er wel wat over te zeggen hebben, maar ik dacht dat ze toen overeen gekomen waren dat het gewoon zelfstandig bleef draaien, al die fabrieken. Ik meen dat Philips toen al die aandelen opgekocht heeft; dat zal ook wel voor een knap happie geweest zijn. En Philips zal wel van Philips wezen, dat weet ik ook niet. Ik weet niet van wie Philips is, al sla je me dood. Nee, dat weet ik niet. Er wordt wel winst gemaakt. Ik denk dat een gedeelte van die winst onder de arbeiders verdeeld wordt, die er op het bedrijf werken. Het andere gedeelte hebben ze zelf nodig, natuurlijk, voor investering van nieuwe machines, nieuwe proeven voor een nieuw soort kabel. Daar moet je ook even rekening mee houden. De fabriek ging natuurlijk wel goed omhoog met z'n aandelen anders zou Philips 'm niet gekocht hebben. Ze zijn nou weer bezig met een nieuwe fabriek in Indonesië. En dat moet toch ook betaald worden. Ik geloof dat dit bedrijf nog wel in goede handen is. En wat die overige winst betreft, ik geloof dat die er is om het bedrijf in stand te houden. Want je hebt een periode in het bedrijf dat er veel te doen is en je hebt ook een periode dat je minder te doen hebt. Dus je moet altijd zorgen dat 't bedrijf er een beetje tussendoor kan zwemmen, om niet te hoeven zeggen: "t Gaat nou minder, ik zal er even een zootje op straat zetten.' Daarvoor dacht ik dat ze die overige winst vasthielden. Als 't een beetje slechter gaat kunnen ze zeggen: 'We hebben nog zoveel op de bank staan, daar kunnen we die mensen van betalen, zodat ze niet weg hoeven.' Wat een directeur verdient weet ik niet. Maar die heeft er al wat jaren studie op zitten voor dat werk wat hij daar doet. En hij moet ook zorgen dat het bedrijf goed blijft draaien ook. Want als hij niet genoeg verdient, zegt ie bij z'n eigen: 'Laat 't bedrijf 't zelf maar doen.'
Hij moet zorg dragen voor, de meeste mensen in het bedrijf zijn getrouwd, en zeg dat er duizend man werken, dan moet ie zorgen dat die aan het eten blijven. Voor de rest heeft ie er z'n mannetjes voor, die is vertegenwoordiger en die weet kabels te bekijken en die mensen moeten ook allemaal leven.
Met aandeelhouders ben ik eigenlijk nooit mee geconfronteerd, want je ziet die mensen haast nooit, en spreken doe je ze ook haast nooit. Je ziet ze zelden eens een keer door de fabriek heen lopen.
Er lopen natuurlijk mensen rond die hebben ervoor geleerd. En wat ik dan geleerd heb is feitelijk niks. Een jaar of tien hebben ze ervoor geleerd, voor dat werk wat ze doen. En ik zit er misschien twee jaar en dan nog door zelf aan de machine te leren; in de praktijk doen wij 't ergens. En zij hebben er dan al een jaar of tien theoretisch opzitten. Kijk, een verschil is er altijd, want anders zetten ze niet die plaatjes onder die luifel neer voor de directieauto's. Nou zal ik evengoed mijn auto parkeren op die directieparkeerplaats. Als het niet mag dan moeten ze meer parkeerruimte maken hè. Ze willen dat we naar ons werk toe komen, dus ze moeten zorgen dat we onze auto kwijt kunnen ook. Kijk is er andere plaats dan zet ik 'm er natuurlijk niet neer. maar als er geen plaats is dan zet ik 'm er wel neer. Ik heb er nog steeds niks van gehoord, dus dat zal wel goed gaan. Misschien dat er wel een paar mensen rijk worden aan die fabriek. Als ik de kans kreeg, werd ik er ook rijk van. En dat doen zij ook. Ik heb 't ook liever in m'n eigen zak. Maar daar kun je toch niks aan doen. Er zijn een heleboel rijke mensen. Zoals ik in de krant las zijn er wel weer een paar bijgekomen. Misschien door 't een beetje goochemer te bekijken als ik. Ik word er nog steeds niet rijk van, misschien ben ik een domme jongen op dat gebied. Je hebt altijd mensen die van een dubbeltje duizend gulden maken, dat moet je ook kunnen. Ik dacht dat ze eigen baas waren, die een bedrijfje hebben. Die kunnen er wel mee vooruit. Als je een groot bedrijf hebt, word je wel rijk. Maar dan moet je 't ook alleen hebben. Zoals 't nou is met al die aandeelhouders, ze zullen er niet armer op worden, die aandeelhouders. Maar die hebben ook de verantwoording.
Als je een bedrijfje begint moetje altijd zorgen dat je een beetje vooruit kijkt, dat je denkt: 'Dat gaat nog een jaar of dertig mee.' Ik noem maar wat een loodgietersbedrijf. Zodat als 't goed loopt, je in dienst komt bij een groot bedrijf, maar evengoed zelfstandig blijft. Zodat als er wat pech is ze zeggen: 'Ik zal even dat zaakje opbellen, die komen meteen.' Ik heb er natuurlijk wel eens over zitten prakkizeren om zelf te beginnen. Maar voor een jonge man dan moetje toch al een beetje geld hebben, anders begin je niks. Je kan misschien wel wat gaan lenen of zo, maar dan moet je toch weer terugbetalen en dat houdt ook tegen. Loopt 't goed dan heb je geen pijn, maar dat moetje maar afwachten. Je moet een brutale stap nemen en zeggen: 'Ik ga een bedrijfje voor m'n eigen beginnen.' Je moet al een beetje geld hebben anders begin je nog niks. Eigenlijk moet je al een heleboel geld verdienen voor wat te proberen. En met het geld datje nou hebt moetje ook nog van leven. Je kan er wel wat van wegleggen maar voordat je een stapel geld hebt om zelf te beginnen, dan ben je haast tachtig. Meestal gaat het geld daarheen waar al geld zit. Iemand die al geld heeft krijgt er geld bij, dat gaat nou altijd zo. Voorlopig moet ik er nog steeds voor werken. Dus ik moet maar afwachten totdat ik een pool win.
Om nou te zeggen: ik ben voor die partij of die partij ... om nou te zeggen: 'Godverdomme, ik zal effe op die partij stemmen,' nee, dat doet mij niks. Het interesseert me eigenlijk niet zoveel, want dat is toch allemaal één pot nat. Of je nou de één hoort of de ander, ze staan elkaar toch alleen maar zwart te maken in de politiek en daarna geven ze mekaar een hand en zeggen ze: 'Jongens dat hebben we weer goed voor mekaar gebracht.' Ik houd 't evengoed wel in de gaten. Ik kijk wel hoe of wat. Als ik 't zo bekijk van de laatste jaren dan heeft 't ook niet veel ingehouden want in plaats dat er meer woningen gebouwd zijn, zijn er nog minder gebouwd dan in een vorige periode. Dus je moet maar afwachten wat 't wordt. Ze komen hier en daar een paaltje in de grond slaan en voor de rest zie je ze nooit meer.
Wat een ander doet kan me niet schelen, dat interesseert me niet. Wat een ander doet moet ie zelf weten. Ik leef gewoon m'n eigen gangetje. Wat een ander doet daar bemoei ik me niet mee. Je hebt er bij van één dag werken, één dag ziek, dat interesseert me niet. Ik maak er alleen een geintje mee als hij komt, maar om er naar toe te rennen en te zeggen dat ie voor noppes thuis blijft, dat interesseert me niet. Ze kunnen mij misschien wel verraden maar ik zal een ander niet verraden. Daar heb ik geen baat bij en 't interesseert me ook niet. Als ik er nou wat mee kon verdienen, maar ik verdien er ook niks mee. Ik heb nergens mee te maken. Natuurlijk heb ik ergens wel mee te maken omdat ik op dat bedrijf zit. Maar buiten het bedrijf heb ik met niemand wat te maken en doe ik gewoon waar ikzelf zin in heb. De familie, daar heb ik natuurlijk wel wat mee te maken, wij hebben een echte goede familieband. Je houdt je ergens aan de regels van de familie, dus is er éénjarig dan ga je er naar toe. Maar buiten die soort dingen zeg ik: 'Wat ik zelf wil, doe ik.'
't Werk van mij is in het grootmetaal: persen, uit platen producten persen, 't Zijn gewoon allemaal platen die komen over verschillende persen heen. Eerst is er een trekbewerking zodat die profielen er een beetje in komen, de tweede pers maakt een beetje meer profiel erin, de plaat krijgt dan een stempel en dan wordt ie gesneden, 't afval eraf gesneden en 't goeie blijft over, dan krijg je nog nabewerkingen op die grote persen allemaal, 't Is meestal vijf persen, vijf bewerkingen die de plaat krijgt voor ie klaar is.
Mijn werk is dan meestal aan de tweede pers, 't uitpakken. Als de pers weer omhoog gaat, zodat wij met de handen eraan kunnen dat we 't product eruit kunnen trekken.Ik werk met nog één man. Dus met twee man werken we bij 't uitpakken. We pakken telkens de plaat eruit en leggen 'm op de band voor de volgende man. Die leggen 'm dan weer in de volgende pers. Die leggen 'm weer op de transportband voor de volgende pers.
Hoeveel moet U nou per dag maken?
Dat ligt er helemaal aan. We hebben producten daar kunnen we van maken: tweeëndertig honderd per dag, per dienst. D'r zijn er ook bij, daar maken we maar vierentwintig honderd, 't maximum dat ik dan weet is twee-drieëndertig honderd.En wie stelt dat nou vast die aantallen ?
Ja dat is een tijdopnemer. Die komen dan tijd opnemen, die hebben dan een stopwatch in de hand en dan gaan ze opnemen hoeveel je kunt maken per uur dan. Dat gaat allemaal per uur, 't aantal. Dat wordt van bovenaf vastgesteld. Het is zo: dat aantal is wel te halen, maar dan moet alles meezitten. En als er iets tegenzit, als er iets aan een stempel is, dan haal je 't niet. Er zijn producten daar kun je wel meer halen, maar dan moeten we flink van katoen geven. Dus: wat de eerste man doet, dat doen we allemaal. Dus: als de eerste man drieduizend platen in zijn handen heeft gehad, krijgt de tweede, de derde, de vierde man ook. Meestal gaat 't ook wel want de eerste pers is het makkelijkste werk. Tenminste wat ik vind, ik weet niet hoe hun er tegenover staan, 't Is de gemakkelijkste pers, de eerste pers. Dus hij heeft wel ietsje meer verantwoordelijkheid. Want als er iets kapot is, als het product scheurt, dan moet hij weten wat ie moet doen. Meestal is er wel een steller bij die regelt dat dan. Meestal is.'t iets bijstellen. Maar volgens mij heeft hij het gemakkelijkste werk: hij hoeft de plaat maar in te leggen. De tweede pers die heeft 't profiel erin, volgens mij is dat moeilijker om 't in te leggen als bij de eerste. Bij de derde pers, dat is meestal de snijstempel, de snijders, die het schroot eraf snijdt, die moeten maar uitkijken dat ze 't goed erin leggen. Dat is moeilijker dan bij de eerste. Ja, we moeten ons er maar aan aanpassen, aan 't tempo.
Er zijn dingen daar ligt 't veel te hoog en dan zijn ze ook aan 't mopperen de bazen. Dus de productie moest opgevoerd worden. Ik, volgens mij, ik doe altijd goed mijn best. En we willen ook werken en we doen ook moeite ervoor, echt. Want het is wel eens zo: dan is het maximum driehonderdvijfentachtig per uur, dat zijn die binnenzijwandjes, en we hebben 't gedraaid dat we vijfhonderd per uur maakten. Nou, dat gaat goed. De hele dienst houd je dat niet vol. Maar dan zeggen ze: 'Jullie hebben er toen vijfhonderd, nou maak nu nog eens een paar uur van vijfhonderd.' Dat hebben ze nou nog niet gezegd maar dat kunnen ze gaan zeggen. En dan zeg ik maarzo: 'Je kunt eens een uitschieter hebben, een uur datje er honderd meer maakt, ook wel twee uur, drie uur, maar om dat een hele dienst vol te houden, nee dat bestaat nooit. Dat kan er bij mij niet in.' Als ik wielkasten heb, dat is een zwaar product voor mij. Wij moeten die wielkasten uitdraaien, dat zijn grote dingen, dat zijn twee producten aan mekaar. Bij de laatste stempel worden die gesplitst, dan sta je links en rechts. Nou moeten we die eruit trekken met twee man, we moeten die over de kop gooien en dan nog een kwartslag naar voren draaien.
Dus dat is een heel zwaar werk, als je dat een halve dienst hebt gedaan, voel je je armen en ook je rug voel je. Want vroeger heb ik het altijd een hele dienst moeten doen. Pas de laatste drie keer dat we 't gedaan hebben, hebben we geruild met die mensen voorin. Toen heb ik ook gezegd, ik zeg: 'Ik doe dat niet meer.' De hele dienst, dat bestaat niet, daar ga je kapot aan. En nou, die mensen hebben dat goed gevonden. Maar eerst wilden ze nooit ruilen. Ik heb bij de werkmeester gevraagd daarvoor en die heeft met die jongens gesproken en toen hebben ze dan geruild met ons. Dus twee en een half uur voor het schaften gingen zij inleggen en het laatste uur deden wij het inleggen, dus dan valt het wel mee. Want die hebben het mooiste werk, die voorin inleggen, je hoeft maar dat ding op te pakken en te schuiven. Wij moeten 't eruit pakken, over de kop gooien en meteen een slag draaien. En dat zijn nogal zware klungelen.In deze straat kan ik wel met allemaal opschieten. Maar toch zijn er mensen bij die ... je vertrouwt ze niet helemaal. Het zijn vriendjes van bazen. Zo beschouw ik het. Er zijn hier mensen bij, die zijn later begonnen als mij, die hebben meer loon als mij. En dat kan er bij mij nergens in. In het begin ben ik hier gekomen, toen was ik zes weken hier, kreeg ik omscholing die zes weken. Daarna, na de omscholing kreeg ik er vijftien cent per uur bij. Trouwens dat kregen ze allemaal daar. Als je zes weken of twee maanden erbij bent, krijg je er zestien of vijftien cent bij. Dus dan is die omscholing afgelopen. Toen wij daar kwamen zeiden ze: 'Ja jongens 't spijt ons, er zijn te weinig jongens aan de pers.' Dus we moesten direct aan de volle productie. Dus ik kreeg vijftien cent erbij. Toen was het drie maanden daarna toen kreeg ik vier cent erbij. Met een man of vier kregen we vier cent erbij. Sinds dat jaar, sinds die tijd ben ik niet meer omhoog gegaan tot dit jaar januari. Toen hebben ze me zeven cent per uur erbij gegeven. Buiten de landelijke loonsverhoging, de CAO.
We waren met z'n drieën die eerst bij de mijnen zijn geweest. Met z'n drieën stonden we 't laagste in loon, alle drie hetzelfde. En iedere keer als de beoordeling kwam was 't knotteren. En die twee anderen zijn inmiddels verdwenen, hebben ontslag genomen. Eén is bij een slager gaan werken, de ander is bij een grondverzetbedrijf gaan werken. En één die is al weggegaan, was ook veel ziek, is naar een andere afdeling gegaan, ander werk wat hem wel beter bevalt ook weer. Nou is de andere man alleen, nou zitten de bazen allemaal op 'm. En nou, nou kan ik het woord 'jagen' wel gebruiken: 'Toen hebben jullie met z'n tweeën zoveel gedaan, zeg maar met z'n tweeën tweehonderd gedaan per dienst, en nou maak je er maar honderd vijf tig.' Maar daar staat tegenover dat een nieuweling die hij nog moet aanleren bij 'm werkt. Dus dat bestaat niet dat je dan ook dat aantal kunt halen. Die man die kan zich slecht verdedigen. Dan had hij dat aantal niet gehaald en dan kwamen ze bij 'm aan het eind van de dienst en vroegen: 'Hoeveel heb je nou gehaald? ' 'Ik heb er honderdvijftig gemaakt' zegt hij. Nou staat dat ongeveer als maximum. Maar vóór die tijd zijn ze ook zo gek geweest en hebben ze nog teveel gemaakt met z'n tweeën. En nou had hij dan honderdvijftig gemaakt en toen had die man gezegd.
'Nou, je bent lui geweest.' Had hij gezegd: 'Dat laat ik me niet zeggen.' Een beetje herrie over mekaar gehad, komt de grotere baas erbij en aldoor kreeg die man de schuld. Die man heeft gezegd: 'Dan maken we een papier klaar dan kan hij vlug weg.' Maar hij is momenteel ziek, hij heeft twee keer achter mekaar gevierd, en nou heeft hij twee, drie dagen gewerkt, weer last van de maag, is weer ziek en nou heb ik van een andere kameraad gehoord: hij had een maagzweer. De één slaat het op de maag. Het zijn zenuwen volgens mij. Dat vind ik ook juist het gekke hier. Ik ben eerst in een mijnbedrijf geweest en daar hadden we een vertrouwensman. Dus als wij moeilijkheden hadden en we kwamen met de bazen niet klaar dan konden we met die vertrouwensman gaan spreken en die kon dan veel doen. En dat hebben we hier niet, dat moesten ze hier ook hebben. Als wij moeilijkheden hadden moesten die worden opgelost door een persoon die ervoor is aangesteld, die door ons is gekozen uit de werknemers in iedere afdeling. Die zou die man kunnen helpen. Ja je staat machteloos. Als je een beetje, een beetje recht wil spreken, dan lig je d'r helemaal uit. Als je een beetje een grote mond hebt, dus je praat van je af een beetje, dan hoef je helemaal niet te komen. Dan proberen ze je op allerlei manieren te neppen. Achter je rug om, bijvoorbeeld zo, ja ik weet niet of ik het kan zeggen, maar ik zal 't zeggen: Er zijn erbij, de laatste tijd valt 't mee met overwerken . . . je moet overwerken. Om vijf uur ben je klaar, van vijf tot half zes ga je schaften. Warm eten kun je krijgen in de kantine , je gaat iets eten. Van half zes tot half tien moet je dan weer werken. Dan komen ze één, twee, drie keer in de week. Maar er zijn mensen bij die kunnen dat niet, die willen dat niet, want ontzettend veel belasting moet je daarvan betalen. Toen zeiden ze: 'Nou, dat zul je dan wel aan je beoordeling merken.' Dat zit mij toch hoog.
Zo 'n beoordeling, maakt dat iets uit?
Je krijgt punten voor: kwaliteit, kwantiteit, correctheid. Als je een vier hebt is 't voldoende, dus voor kwaliteit, een vier is qua resultaten voldoende, kwantiteit, het verrichte werk, was voldoende, correctheid, zijn gedrag, was voldoende. Hij gedroeg zich in het algemeen naar de geldende regels en normen. 't Is net als een rapport. Daar krijg je de uurloonverhoging dan bij. Naar gelang van die punten krijg je zoveel cent per uur erbij, naar gelang die punten goed zijn.
Ik sta op vijf gulden per uur. Die man die vooraan staat in te leggen staat op vijf gulden vierentwintig. Die man die voor mij aan het inleggen is waar ik aan het uitpakken ben, die staat vijf gulden negen en die man naast hem staat vijf gulden achttien.Waarvoor zijn die verschillen ?
Ja dat zou ik ook wel eens willen weten waarvoor die verschillen zijn. Er zijn erbij die er langer zijn dan mij maar er zijn erbij die later als mij zijn gekomen en die staan op vijf gulden negen. Die hier achter mij staat in te leggen aan de pers, die staat op vijf gulden achttien. Die is gelijk met mij begonnen. In januari heb ik gezegd toen kreeg ik het beoordelingskaartje en toen vroeg de baas: 'Ben je tevreden? ' ik zeg: 'Nee.' Hij zegt: 'Maar ik heb je zeven cent erbij gegeven.' Ik zeg: 'Maar die had ik al een jaar terug moeten hebben, die zeven cent,'ik zeg: 'Hoe kan dat, hij staat vijf gulden achttien en hij is tegelijk met mij begonnen? ' 'Ja maar die is eerste perser' zeiden ze toen. 'Maar die is al een jaar eerste perser,' zeg ik 'en die krijgt steeds centen erbij.' 'Ja maar jij hebt er nou ook zeven centen bij.' 'Maar die heb ik een jaar te laat gekregen.' Dus ik wil maar zeggen, die verschillen moesten ze niet maken. Allemaal hetzelfde werk, waarom dan niet hetzelfde loon? Waarom moet er zoveel verschil in zitten? Ik weet 't niet. Ik voor mij, ik zie het zo: als je een beetje bevriend bent, een beetje spraakzaam bent tegen een baas, datje dan wel een beetje resultaten hebt. Ja op die manier gaan er ook veel lopen hier. Pakken zich ontslag, zoeken zich ander werk. Ik zal 't eerlijk zeggen: ik heb ook al anderhalf jaar uitgekeken naar ander werk. Nou ja, ik zal dit zeggen: als ik vergelijking maak met de andere bedrijven, zoals ik gehoord heb al, dan sta ik niet slecht in het loon. Tenminste omdat ik die nachtdienst maak, want als ik die nachtdienst niet maakte dan verdiende ik ook niks. Die nachtdienst die maakt de lonen. Zesentwintig procent extra voor een week nachtdienst, dus gemiddeld kom ik nou op honderdnegentig gulden per week. Kleine honderdnegentig schoon.Die bazen, staan die aan de kant van het volk of van 't bedrijf?
Sommige bazen staan aan de kant van het bedrijf. Er zijn ook bazen die staan aan onze kant, maar die worden weer opgehitst door andere bazen. En zo kuren ze zich weer op ons uit. Maar als 't goed draait, als wij er vierhonderd vijftig maken terwijl we aan driehonderd genoeg hebben, dan heeft men wel goede zin. Dan hebben we zoveel uur over en de andere dag krijgen we een product dat niet zo goed gaat, wat eigenlijk helemaal niet onze schuld is en dan zegt ie tegen ons: 'Ja maar ik kom niet klaar, ik moet zoveel op de teller hebben staan.' Dan is ie weer tegen ons, dan is ie op ons aan het schelden. Als je soms moeilijkheden zou hebben dan kun je terecht bij de baas en als die je kent zal ie de moeilijkheden oplossen. Maar ja die baas krijgt ook weer van hogerhand z'n opdracht: zo en zo, dus hoe 't precies gebeurt kom je nooit achter.
Ze zijn zo, als je moeilijkheden hebt dan helpen ze je, maar ja op de productie, ik noem 't jagen. Als 't goed loopt is het goed anders hebben ze een lang gezicht en dan is 't maar: ik kom niet klaar, ik moet zoveel producten hebben.' En dan zitten ze in zorgen en ons achter de veren. Als wij 's ochtends om acht uur beginnen en dan tegen een uur of half tien, dan willen we een boterham eten, dat krijg je ook dus je gaat een kopje koffie halen en naar de wc en dan eet je die boterham op. Maar ik heb 't wel gehad dat ik naar de wc was geweest, ik ga zitten, neem de eerste hap en dan kwam de baas al: 'Kom jongens we gaan weer draaien.' Ik zeg: ik heb net een hap gedaan.' Ja, maar dat is maar een gunst die je krijgt om een boterham te eten. Enigszins hebben ze gelijk: we krijgen doorbetaald, maar God als we toch twee uur gedraaid hebben, dan mag je toch tien minuten hebben. Als die tien minuten er niet af kunnen dan weet ik het ook niet meer. Ik heb 't zo gedaan, en dat doen er veel, die krijgen de tijd niet om die boterham te eten, die gaan dan niet naar de wc, die pakken hun koffie en eten hun boterham op. En als ze een halfuur draaien roepen ze de baas: ik moet een man hebben om me af te lossen, ik moet naar de wc'. Maar er zijn tijden dat dat niet gaat, dan roepen ze: 'Je had net naar de wc kunnen gaan.' Dan zegt die man weer: 'Dan heb ik geen tijd om de boterham te eten.'Wie is nou eigenlijk de hoogste baas in zo 'n fabriek ?
Bij ons op de afdeling? Dat is de chef.Van het hele bedrijf?
Van het hele bedrijf, dat is de directeur, die deelt de lakens uit. Het is van een familie, broers. Het zijn twee broers geweest die de fabriek gesticht hebben. Die hebben zich zo opgewerkt en uitgebreid. Ik geloof dat in het bedrijf hier de staatsmijnen ook zitten om de fabriek hier te vestigen en de arbeiders om te scholen.
We krijgen winstdeling, dus daar delen we in mee. Maar wat ze voor winst maken weet ik ook niet. Een deel krijgen we, hoeveel procent is dat nou nog eens? Ik vermoed een honderddertig, honderdveertig gulden krijgen we ervan per jaar.
De rest... Er wordt wel veel bijgebouwd op het ogenblik, ook hier. In België hebben ze een fabriek staan, daar zijn ze ook aan het bijbouwen. In Eindhoven zijn ze ook een beetje aan het uitbreiden. Ik denk dat daar ook wel geld in gaat zitten.Het gaat dus nogal goed?
Ja, ze kunnen 't tenminste niet bijhouden met werk. Dus ze komen altijd een hoop arbeiders tekort ook. Er komen wel veel, maar er gaan er ook veel lopen. Die willen ander werk. Tja, de mentaliteit van die bazen laat ook veel te wensen over.
Er zijn een hoop oude opzichters uit de mijn. Dan was je een beetje ruw in de mijn, en ik vind in zo'n bedrijf moet je wel een beetje rekening houden met hoe de omstandigheden zijn. Die zijn hier heel anders. Dus moet je andere methoden gebruiken, niet die van de mijn. Op de mijn J kon je schelden op mekaar want als je bovengronds kwam was je alles weer vergeten. Op zo'n bedrijf moet dat niet gebeuren. Dat jagen. Dat waren ze op de mijn gewend en dat willen ze daar ook. Dan komen ze opnemen met een stopwatch en dan staan ze een half uur achter die pers. Dan schrijven ze op: zoveel per tien minuten gemaakt en dan vermenigvuldigen ze dat op het uur. En dan zeggen ze hoeveel je per uur kunt halen. Maar ze rekenen er niet bij als je naar de wc moet, of als er pech is. Dus dat tempo moetje de hele dienst draaien, dat bestaat niet.Als U nou zo 'n tijdopnemer ziet aankomen?
Ik zou zeggen: 'Doe 't even rustig aan, gewoon normaal, heel rustig aan.' Maar er zijn er meer als ik alleen aan het werken en de één hitst de ander een beetje op en dan krijg je dat hè. 't Gaat altijd ietsje vlugger als er één bijstaat. Zenuwen en zo. Ze zijn een beetje bang voor die tijdopnemer.Is het gevaarlijk werk?
Ja als je niet oppast wel. Dus je moetje ogen de kost geven. Want je hebt 't zo te pakken, een verkeerde greep en je hebt je handen open. Het is gevaarlijk met snijwonden. Die persen zijn wel driedubbel beveiligd maar je kunt er toch nooit van op aan. Want 't is wel eens gebeurd dat ie door de veiligheid heenging. Zware ongelukken gebeuren er niet. Alleen met snijwonden, misschien een breuk van een hand of vingers, geen grote ongevallen. Het is erg lawaaiig. Je raakt er wel aan gewend, maar toch als je er eens in hebt gezeten heb je veel last van hoofdpijn, tenminste ik wel. En.dat ik duizelig word, zeg maar met bukken. Als ik me buk en weer overeind kom word ik weer duizelig, dan wordt 't me zwart voor de ogen. Dat is maar een moment en dan loopt mijn neus teveel. Dat heb ik sinds ik hier werk. Een keer of zes zeven heb ik dat gehad, om de zoveel tijd komt dat terug. Dan heb ik weken achter mekaar hoofdpijn. En dat heb ik de jongens ook horen vertellen, dat hebben er meer. Volgens mij is 't van het lawaai. Met een man of drie heb ik daarover gesproken, die hebben dat ook gehad. Bij tijden krijg je dat terug. En dan zeggen ze wel: 'Watjes in de oren,' maar daar kan ik helemaal niet tegen. Want dan hoor je dat doffe geluid dat in je zit. Je krijgt ook wel eens een orentest om de zoveel tijd. Ik heb er laatst een gehad. Maar ja, dat zegt niet veel. Want waar je die orentest krijgt, bij het ketelhuis, is veel lawaai. Je krijgt die koptelefoon om en dan moet je je handen opsteken of dichtknijpen, als je wat hoort. Maar je denkt: 'O nee, dat is het ketelhuis,' en dan ben je te laat. Dan zeggen ze: 'Je oren zijn slecht, ze hebben veel geleden in de mijnen,' zeggen ze dan.Ik heb eerst altijd in de mijn gewerkt. Ik heb een half jaar in ‘56, ‘57 in de textiel gewerkt in Arnhem. Daarna ben ik weer naar de mijn gekomen, ben ik ondergronds gegaan. Tot ‘69. Ik heb dertien jaar ondergronds gewerkt. In het begin was 't zwaar, je moest je aanpassen. Ik dacht, dat houd ik nooit vol, maar als je eenmaal houwer bent, valt 't wel weer mee, dan ben je eraan gewend. Als je een goede afdeling hebt, heb je plezier in je werk. Maar als je een slechte afdeling hebt, krijg je er de brui aan. Het verdiende wel goed, maar voor het werk dat je moest doen vond ik 't wat te weinig. Maar daar tegenover, wat ik nou verdien is veel minder. Ik ben eigenlijk wat te vroeg gegaan. Ze hadden me al een paar keer opgeroepen op de mijn voor de omscholing. Ik had al een paar keer geweigerd. Maar ik moest er toch ene keer aan, want ik zat net in de leeftijd dat ik eruit moest. Toen heb ik het maar gedaan. Maar als ik nou even had gewacht had ik misschien een beter aanbod kunnen krijgen. Maar je kunt niet weten, misschien ook slechter.
Is er nou goed gezorgd voor de belangen van de mijnwerker?
Goed gezorgd kan ik niet zeggen. Ze hadden 't beter kunnen doen. Ik heb dertien jaar ondergronds gewerkt, anderen meer, ik heb toch hard moeten werken. Ze hadden 't ons toch wel iets beter kunnen geven, een betere tegemoetkoming. Een jaar heb ik bijbetaling gekregen van om en om de tweehonderd gulden in de maand. En ik heb een extra uitkering gekregen van elfhonderd gulden. Toen waren ze me kwijt, toen waren ze van me af. Nou moet ik m'n eigen boontjes doppen.Had U vermoed dat de mijnen gingen sluiten van te voren ?
Ja in ‘66, toen ging het er wel op lijken, want toen ben ik al geweest voor ander werk.Hadden de mijnwerkers wat te vertellen over wat er zou gebeuren ?
Nee. Die hadden niks te vertellen, die mijnwerkers. Dat kwam van hogerhand af: 'We gaan sluiten.' Daar was 't mee af. En de bonden, die zitten er wel ietskes tussen, maar volgens mij ligt 't allemaal onder ene deken. Mag ik een naam noemen? De NKV of de katholieke mijnwerkersbond, die hebben allemaal onder een deken gelegen volgens mij, met de mijn. Af en toe wat tegenstribbelen, maar dat moet je om een beetje schijn te wekken. Want ik zal U vertellen: er zijn een hoop werkers die hier werken en die zich uit de bond hebben laten schrappen want die zeggen: 'Ze doen toch niks voor je, die hebben ons nou nog in de put geholpen.' Daar ben ik 't mee eens. Ik ben nooit in die bond geweest, ik moet niks van die bond hebben want 't is allemaal huichelarij.U bent boos eigenlijk?
Ja ik wel, ik ben zeker boos. Want als je 't goed nagaat is het een hele grote bond, heel machtig. Je moet zeven gulden contributie betalen, dat is geen kleinigheid. Nu misschien nog wel meer. En als ze dan nog niks voor je kunnen doen, dat vind ik toch wel diep treurig. Als ze willen hebben ze macht, want het is de grootste bond die er is, de NKV. Dat wil niet zeggen dat ze de mijnen open hadden moeten laten, want dat kan toch niet nou dat we gas hebben. Die kolen zijn overbodig. Maar ze hadden het veel beter aan kunnen passen, zo dat we veel beter werk kregen en een veel betere betaling, zodat we niet zoveel schade hadden. Maar dat hebben ze gewoon niet gedaan. Ik zit in het ABW de Algemene Bond van Werknemers. Ik heb nog geen moeilijkheden gehad maar ja, die bond is niet zo groot, dus die is nou ook niet zo machtig. Maar als die mij nou met iets of wat in de steek laat, zou ik er direct uitgaan. Maar ze hebben altijd nog voor ons gesproken, maar ze zijn niet machtig genoeg.Dus zo 'n bond moet vechten ?
Ja die moet vechten, tot het uiterste. Zoals die kartonfabriek in Oost Groningen. Ik vind dat goed werk wat ze daar doen. En dat moet overal gebeuren. In Rotterdam ook, daar is ook goed werk verricht. Ze krijgen 't toch maar voor mekaar dat zie je wel. Ze moeten achter de tafel vechten, de heren van de bond, met de bedrijfsleiding. Niet met de vuist maar met praten. Ze moeten zien dat ze overeen komen met elkaar.
Ja, staken, staken . .. Als er gestaakt moet worden moet het in het voordeel zijn van de arbeiders, en in het nadeel van het bedrijfsleven. Net zoals op de Ford fabrieken in Engeland. Die heeft grote schade gehad, zo moet 't gaan, net zoals laatst dat uur dat we gestaakt hebben, met die loonbeweging. Voor mij hadden ze de hele dag kunnen staken. Toen hebben ze al gedreigd, de werkgevers om dat uur niet te betalen. Want een hoop mensen hebben daarvoor niet gestaakt omdat de fabrieken hebben gedreigd: 'We betalen dat uur niet.' En als de bond nou had gezegd: 'Om dat uur tegemoet te komen of desnoods twee uur, hoeven jullie deze maand geen contributie te betalen,' dan hadden ze veel meer mensen achter zich staan.De mensen zijn een beetje bang ja. Bang voor een beetje onkosten. Daar ben ik helemaal niet bang voor. Al moest ik een week staken, ik ben georganiseerd, als de bond 't uitgeeft: staken, dan krijg ik wel betaald. Nou dan eet ik die week alleen maar aardappelen, die zijn goedkoop, dan maar geen vlees of geen eitje. Dan eten we maar droog brood, daar gaan we heus niet van dood.
En Uw collega's?
Ja, dat is heel wisselvallig. Die praat zo en die praat zo. Je krijgt er eigenlijk geen hoogte van want je moet nog voorzichtig zijn ook. Want ze willen gauw zeggen: 'Dat is een oproerkraaier,'je collega's. Je moet toch oppassen met het over iets te hebben met een arbeider want achteraf wordt 't doorverteld en komt de baas het te weten. Voor jaren terug zat er meer eenheid in als nou. We beginnen iedere keer meer van mekaar te vervreemden, dat zie ik erin. Zo'n man met meer centen wil er ook meer voor doen. Ik ben er kwaad over, want ik moet dat werk ook doen, maar voor die centen minder. Zo krijg je de verschillen, onenigheden met elkaar. Dat houdt ze ook een beetje verdeeld.Gelooft U dat de mensen op het bedrijf ook bang zijn ?
Er zijn erbij, die zijn bang, echt. Dat ze slechter werk zullen krijgen, minder loon misschien, dat ze geen verhoging meer krijgen. Dan kun je wel zeggen: 'Nou, dan ga ik weg,' maar als je een leeftijd hebt bereikt van boven de veertig, dat zijn er een hoop, waar kunnen die nog terecht? Nergens meer. Dus die zijn verplicht om een beetje vastigheid te houden daar. Als ik een goed aanbod kreeg, ging ik direct weg, want daar bereik ik toch niks. Ruim twee jaar ben ik nou hier. Direct van de eerste dag af moest ik er al aan. We zouden omscholing krijgen, zes weken. We kwamen daar, werden gekeurd en konden een rondgang maken door de afdeling waar we kwamen te werken. We hebben met die bazen gesproken. Wij zagen dat werk. Dat was flink hard werken, vlug doen, vlug in- en uitpakken. We begonnen al te zweten toen we dat zagen. Die baas zegt: 'Zo erg is het niet, jullie beginnen rustig aan. Eerst eens een uur uitpakken, een uur laden, een uur doe je smeren, dus rustig aan.' Dat wordt je allemaal verteld. Maar toen we kwamen de eerste dag, weet ik niet meer precies, maar de tweede dag waren we zeker aan de pers, aan de volle productie. Je bent een paar dagen daar dus je weet 't nog niet zo goed. Als je in de lichtstraal staat van die pers, dat is de veiligheid, dan werkt ie niet. Dus dan begonnen ze te schelden, je medearbeiders. Er werd niet gezegd: dat moet je zo doen, hoe je het gemakkelijkst werkt. Daar moet je allemaal zelf zien achter te komen. Ze hebben ons niks verteld hoe je het gemakkelijkst kon werken, 't voordeligste.Ik had ongeveer een jaar lang gewerkt, toen kwam in januari ‘70 de beoordeling. Toen moesten we allemaal bij de baas komen aan een bureautje daar kregen we de beoordelingskaart. Maar ik had al een vermoeden en die twee andere mannen die bij mij aan de pers werkten, waar ik 't toen straks al overhad, ook: 'Wij krijgen niks erbij.' Ik kwam in het kantoortje aan het bureautje en hij zocht de kaart uit van mij, legt die kaart neer en ik had 't al gezien. Ik wou die kaart pakken, hij draait die kaart om. 'Wacht eens even' zegt ie. Hij zegt: 'Wat denk je van je eigen? ' Ik zeg: 'Ja wat denk ik van me eigen, ik denk goed van me eigen. Ik weet niet beter of ik heb altijd m'n best gedaan.' Hij zegt: 'Dat denken anderen er niet over.' 'Wie? ' 'Wij werkmeesters.' Ik zeg: 'Dan weet ik niet wat ik verkeerd heb gedaan.' 'Je bent tegengevallen,' zegt ie toen tegen mij, 'ik had wat anders van je verwacht, ik ken je van de mijn, ik weet dat je werken kunt. Denk aan de toekomst, dat je ook werkt als er niet geperst wordt.' Wat hij daarmee bedoelt, weet ik niet. Maar in ieder geval als er even storing is, staan de anderen ook, blij dat ze even kunnen staan. Zou ik dan een bezem pakken en gaan poetsen? Als 't nou een beetje lang stop staat zou ik zeggen: 'Ja hoor...' Maar als het nou even gebeurt vind ik het waanzinnig. En toen zegt-ie ook: 'Je moetje niet teveel aanpassen bij de mensen die bij je werken, ze moeten zich aan jou aanpassen.' Er werken ongeveer vier mensen aan de laatste pers. Ik zeg: 'Hoe kan dat nou, die mensen die hier al veel langer werken als ik.' Ik kan slecht zeggen: 'Hé jongens laat gaan' en gaan jagen, dat kan ik niet gaan doen. Ik moet me aanpassen aan drie man en niet drie aan mij. Ik kreeg geen centen erbij. Maar die andere twee hadden ook niks erbij gekregen. Wat we vermoedden was uitgekomen.
Met einde dienst, dat vind ik ook kinderachtig. De mensen zijn niet bang om een minuut langer te werken, als er iets is, proefgedraaid moet worden of dat er iets kapot is gegaan en dat je als de sirene gaat om vijf uur die plaat afmaakt en niet zo wegloopt. Maar dan moeten zij ook niet kinderachtig zijn, als we een minuut voor vijf stoppen. Het is geweest dat ik me omdraaide en dat ik naar de kist toe liep om mijn handschoenen weg te doen en terwijl ik liep ging de sirene en 't was vijf uur. Dan nog zei die werkmeester: 'Je bent veel te vroeg opgehouden.' Dat vind ik waanzin. Als zij nou een beetje meewerken, zeg maar dat we tijd krijgen om die handschoenen weg te doen, dan zijn wij ook niet zo beroerd. Maar als de chef in de buurt is, dan is het: 'Pas op daar komt de chef.' Zij vinden dat het gunst is als je vijf minuten krijgt om je boterham te eten. Die hoeven ze je niet te geven, die kunnen ze je afpakken. Het kan ook wel eens zijn dat je niet goed in orde bent en een keer of drie naar de wc moet. Maar de tweede keer als je afgelost moet worden hebben ze al een grote mond: 'Jij moet altijd naar de wc' Er zijn mensen die geregeld gaan: voor het schaften een keer, na het schaften een keer. Die krijgen daar moeilijkheden mee. 'Hij moet weer naar de wc', zeggen die stellers dan. En dan probeert de één het op de ander te schuiven: 'Laat die hem maar aflossen, of die.' Ik heb wel gezien dat iemand al twintig minuten had gewacht en die was maar aan het roepen en die werkmeester luisterde niet. De stellers die 'm moesten aflossen kwamen niet en die man moest naar de wc. Hij ging toen gewoon weg bij de pers. Dus die stond stop. Toen kwam de werkmeester op hoge pootjes aanlopen: 'Wat doet die man? '. 'Naar de wc ' 'Hoe kan die dan zomaar weglopen?' 'Hij heeft al twintig minuten staan roepen en schreeuwen maar er komt toch niemand.'Moet die man het soms in z'n broek doen?
Daarom. Het zijn volwassen mensen. Als ze een beetje fatsoenlijk behandeld werden kregen ze ook meer arbeiders. Dan kreeg je tenminste een beetje plezier in je werk, als ze een beetje anders waren tegen de arbeiders. Want als een oude collega uit de mijn je vraagt: 'Waar werk je nou? ' 'Pff,' zeggen ze dan, 'nog niet voor honderdduizend gulden.' Die hebben van andere mensen horen vertellen hoe het daar is, hoe de omstandigheden daar zijn, hoe het klimaat daar is. Als dat beter was kregen ze die mensen ook.
Ik weet niet of het er iets mee te maken heeft. Ze zijn altijd onderdrukt geweest, dat zit er wel in, ze hebben zich altijd de wetten voor laten schrijven. Daar moet je nog altijd voor boeten.Heeft 't iets te maken met de kerk?
De kerk, dat is er helemaal uit hier, tenminste voor zover ik weet. Vroeger had de kerk meer invloed op de arbeiders vooral op de mijnen. Tegenwoordig gelukkig niet meer zo erg. Vroeger als je op de mijn iets had, dan moest je goed met de pastoor kunnen praten en de pastoor die kon het dan wel voor mekaar maken, anders was je verloren, stond je op straat. Die kon zorgen datje werk kreeg, de pastoor.
Het kapitaal was toch wel het voornaamste voor de kerk. Ze deden toch het meeste voor de middenstanders en de betere, de intellectuelen. Op huisbezoek kwamen ze wel bij bazen, opzichters en die kregen ook wel wat, als ze wat te kort kwamen. Maar gewone arbeiders dat was er niet bij, daar kon niet veel voor af. Tegenwoordige dat niet meer zo en dat is maar goed ook.
Het doet me niet veel meer de kerk. Als ik geloof, kan ik dat ook thuis doen; daarvoor hoef ik niet naar de kerk. Die methodes die er in de kerk worden toegepast: ik vind het allemaal flauwekul. Ieder z'n eigen mening.
Dat is met die huizen kopen ook: waarom kunnen ze 't niet voordelig doen voor ons, de arbeider? Zo'n gemeente ... als ze hier nou bezig zijn met zo'n nieuwe wijk, ik ben er geweest want ik wil er hier uit, ik zeg tegen een man van huisvesting: 'Kan ik daarvoor in aanmerking komen om daar een woning te krijgen? ' 'Ja zeker,' zegt ie, 'maar je moet niet schrikken van de huur.' 'Wat gaat die dan worden? ' 'Nou die gaan op driehonderd gulden per maand komen.' Als ze dat nou deden en je 't na zoveel tijd in eigendom gaven, want wat hebben ze dan niet een geld verdiend! Dat was nog redelijk. Driehonderd gulden per maand, dat kan ik niet opbrengen, ik kan nog geen tweehonderd per maand opbrengen. Ze moesten iedereen de kans geven om een huisje te kunnen kopen: gewoon een behoorlijk huurtje betalen en dat ’t na zoveel tijd hun eigendom was. Dan hadden ze er toch geld aan verdiend.
Natuurlijk als iemand geleerd heeft mag ie zeker wat meer verdienen maar waarom moet dat verschil zo groot zijn? Dat vind ik raar. Neem nou een minister, wat verdient die? En je bent kamerlid, ik weet niet wat die precies hebben. Veel voeren ze niet uit en meestal nog een bijbaantje. Zoals een wethouder hier, wat verdient die niet? En waarvoor, wat doen ze, niets doen ze ervoor. Eén of twee avonden in de week hebben ze een vergadering en dan hebben ze het werk gedaan.
Daar hebben ze dan twaalf-dertien duizend gulden per jaar voor, dat is een bijbaantje voor hun. Voor mij is het een heel jaar hard werken. Die hebben het voor twee avonden in de week dat geld, waarvoor is dat? Dat kunnen ze beter verdelen dat geld.En hoe zit het met de fabrieksdirecteuren ?
Dat weet ik niet maar die zullen ook wel een flink inkomen hebben. Maar daar komen wij toch nooit achter.En die aandeelhouders?
Dat weet ik ook niet, daar kom je ook niet achter.Die hele auto fabriek is van één familie.
Van één familie. Daar komt wat binnen. Want zo'n ding, de laatste auto kost zo'n achtduizend. En wat hebben wij ervan, van die centen? Dat is niet veel. En wat blijft er dan over? En ze konden 'm nog veel goedkoper maken.
Ik zeg zo: ik kan 't mis hebben, maar ik geloof nooit dat het lang blijft bestaan die fabriek. Want waar moeten die wagens allemaal heen? Ze hebben nou nog een goede afzet, ze kunnen 't niet bijhouden met werken. Maar over een paar jaar: waar moeten die wagens allemaal heen? De arbeider kan zich haast geen wagen meer lijsten, die kan 't niet meer doen. Benzine wordt duur, belasting gaat omhoog, de reparaties. Breng maar eens een wagen naar de garage: voor een klein uurtje ben je een honderd, honderdvijftig gulden kwijt. Dus volgens mij blijft dat nooit goed draaien. Dan moeten we maar zien wat we dan doen. Ik vrees toch dat we dan met pensioen gaan.Of 't zo zal doordraaien zoals het nou draait, daar vrees ik voor. Of ze moeten met iets anders beginnen, ander product, of we moeten een heel goede regering krijgen. Anders zie ik 't toch somber in de toekomst. Voor de oorlog was er armoe, na de oorlog is het heel langzaam opgegaan, ze zeggen de welvaart is omhoog gegaan. Dat is ook zo. Maar kijk, hij is nu al lang weer aan 't naar beneden gaan, zeker vier, vijfjaar dat hij naar beneden is gegaan. Het hoogste punt hebben we al gehad. We zijn nou weer verder aan het afzakken. Zo zie ik 't in mijn ogen, de toekomst. Dat de welvaart verder naar beneden gaat. De mijnsluiting heb ik meegemaakt. Waar we nou zitten moeten we maar afwachten. Volgens mij zit 't er wel in. Of we moeten overstappen naar iets anders te fabriceren. Misschien eerdaags nog oorlogstuig.
Ja en wij moeten werken voor ons brood. Maai ergens vind ik dat flauwekul, oorlogstuig maken. Ze zeggen hier wel: we moeten een leger hebben. Waarom moeten we een leger hebben? Ze zijn aan het praten over ontwapening, maar er begint niemand mee. Dan zeg ik op mijn manier: dan moeten wij er eens mee beginnen en België bijvoorbeeld, die kleine landen, die moeten ermee beginnen. Die grote beginnen er toch niet mee. Waarom moeten we miljarden uitgeven aan defensie? Allemaal weggegooid geld. En wat precies ontwikkelingshulp is, ik weet 't niet hoor. Ik heb altijd gedacht dat ze zoveel geld aan die staat schenken om iets aan te kunnen schaffen, landbouwmachines of zo. \ Maar die persoon zegt tegen me: 'Nee dat is geen ontwikkelingshulp.' Ontwikkelingshulp is zo: bijvoorbeeld Philips heeft televisies teveel, overproductie en dan geeft de staat geld aan Philips met: 'Je moet aan dat en dat land televisies leveren.' Is dat ontwikkelingshulp? Meestal worden er voor het geld wapens gekocht; in die ontwikkelingslanden is niet anders dan oorlog en rellen. Daar moeten ze dan ook nog zoveel miljoen ontwikkelingshulp voor geven, dat vind ik kwatsch. Dat kunnen ze beter sparen die centen, en ons een beetje beter laten leven. Ze komen zoveel te kort.. . ontwikkelingshulp en defensie dat moet weg.Kunt U daar nou wat aan doen ?
Ik kan er niks aan doen. Daar zijn wij machteloos tegen. We kunnen ooit stemmen als er een partij voor is, maar wie is dat nog? Alleen de PSP is dat dan. De PvdA is een grote partij, de KVP, maar die willen allemaal de NATO en dat leger.Heeft U nou wat te vertellen in de gemeentepolitiek, kunt U daar wat uitrichten?
Nee daar heb ik ook niks te vertellen. Daar ben ik veel te klein voor. Je moet daarvoor een beetje spraakzaam zijn en een hoge persoon moet je zijn.Wie is dat?
Nou een middenstander of opzichter. Iemand met geld meestal, die heeft wat te vertellen. Een gewone arbeider komt er haast niet aan te pas. Het is een geluk als een gewone arbeider erin zit. Misschien is hij er met huichelarij ingekomen. In de gemeenteraad en zo daar kom je nog wat over te horen. Dat is maar goed dat het een vrij land is! Maar over zo'n bedrijf daar hoor je niks over, dat gebeurt altijd in gesloten bijeenkomsten. Natuurlijk zijn er wel dingen van de ondernemingsraad, dat staat iedere keer in het blaadje wat er besproken is en wat ze aangenomen hebben. Maar wat de grote heren beslissen, directeuren en commissarissen, daar kom je nooit achter.De ondernemingsraad heeft die wat te vertellen ?
Dat weet ik ook niet precies. D'r wordt een motie ingediend en dan gaan ze dat bespreken en dat wordt goedgekeurd of afgekeurd. Er zijn arbeiders bij, beambten. Maar dat zijn toch nooit grote dingen die belangrijk voor ons zijn. Het gaat over koffie: daar moest je eerst bonnetjes voor geven, een kop koffie kostte vijf cent, soep kost ons ongeveer zestien, zeventien cent. Dat hebben ze dan ook ingediend. De koffie krijgen we nou gratis, in de kantine dan en de soep kost nu een dubbeltje. Dat zijn voordelen voor ons natuurlijk. Maar daar gaat het echt niet om.En als het er echt om gaat, als ze gaan sluiten ?
Ik geloof niet dat ze er iets over te zeggen hadden, dat de ondernemingsraad dat tegenhouden kan. Zover hebben ze niks te beslissen. Over de lonen ook niet. Dat is voor de heren, de bazen. Die beoordelen en daar krijg je beloning over. Ik geloof niet dat er in de ondernemingsraad over lonen gesproken wordt. Ze hebben goede punten. Ik moet ook een paar goede punten aanhalen van het bedrijf zoals de kinderen tussen zes en twaalf jaar krijgen een uitstapje, ieder jaar, met Sinterklaas een cadeautje, wij arbeiders krijgen met Sinterklaas een surprise: een paraplu of een setje voor op de kast. Toen de honderdduizendste wagen van de band liep hebben we allemaal een zakmes gekregen en een flesje bier of limonade. Dat is wel leuk.Kan ’t U eigenlijk iets schelen wat U maakt, welk product?
Dat blijft mij hetzelfde, tenminste hoe gemakkelijker hoe liever.U zegt: 'Ik vind het niet leuk om wapentuig te maken.
' Niet leuk, niet leuk. Ik vind het waardeloos, 't is geld weggooien. Natuurlijk ze moeten de economie omhoog houden dat er werk is, daar moeten ze voor zorgen. Maar er zijn genoeg dingen. Neem de gastarbeiders, hoeveel gastarbeiders zijn er hier? Hoeveel werklozen zijn er hier? Als ze die gastarbeiders allemaal in eigen land laten, kunnen de werklozen hier werken. Er zijn ook een hoop werklozen die loeren erop om werkloos te blijven. Ik zeg zo over gastarbeiders: als ze die mensen werk willen geven, misschien is dat echt ontwikkelingshulp, laten ze dan een fabriek neerzetten op de plaats waar ze vandaan komen. Ze laten ze hierheen komen, dat kost hun veel meer geld. Want ze maken mij niet wijs dat het goedkoper is dan onze eigen arbeiders. Als die op reis gaan moeten ze ook reisgeld betalen, ze moeten zorgen dat ze huisvesting hebben, noem maar op. Dus dan kunnen ze beter daar een fabriek opzetten, dat ze daar werk hebben. En dan hebben hier de werklozen werk.Vindt U het leuk om auto 's te maken ?
Daar geef ik niks om. Het doet er niet toe wat ik maak, als ik maar werk heb. Als ik iets maak en het wordt goed, nou dan krijg je er een beetje plezier in. Met die producten die wij maken: als 't goed loopt en 't is goed dan werk je lichter en plezieriger als wanneer er veel kapot is en schade.
Ik denk wel als ik zo'n wagen zie rijden: kijk daar gaat die wagen daar zit ook wat dat ik in handen heb gehad. Dat denk je dan wel eens. Zo kan ook wel zijn dat je een wagen ziet en denkt: 'God ik kan alles wel in me handen hebben gehad, het dak, de zijwanden en de deuren.'Zou 't leuk zijn om meer aan zo'n product te doen ?
Ja dat zou ik wel eens willen doen zodat je afwisselend werk had. Zoals wij aan die persen, ik ben altijd aan het uitpakken en dat we vaker dingen ruilen. Dan zouden we ook eens in leggen, dat je iets anders kon doen. Dus een andere gang, een andere methode van werken. Of een keer in een andere afdeling werken.
Wat geperst is gaat naar een volgende afdeling. Dan is het klaar voor puntlassen en zo. Daar zit wel wat in datje denkt: 'God kon ik dat maar afmaken dat stuk.' Maar ja het gaat niet, maar 't zou wel eens fijn zijn.Als het ware een Boonmobiel!
Ja, in plaats van 'Dat en dat,' 'Boonmobiel.' Als ik zo'n ding zag rijden kon ik zeggen: 'Nou die heb ik in mekaar gezet.' Nu heb je alleen de onderdelen geperst, zeg maar zijwanden, daken en vloeren, maar dan heb je het nog niet in mekaar gezet, dat heeft weer een ander gedaan. Die kan natuurlijk zeggen: 'Kijk dat ding heb ik in mekaar gezet.'Het werk is heel eentonig ja. De hele dienst maak je dezelfde beweging, een stap naar links, naar rechts of naar voren. En je grijpt iedere keer naar dezelfde dingen, iedere keer met je hand, je pakt iedere keer hetzelfde vast. Daar word je moe van. Daar krijg je 't van in je rug al is het niet zwaar. Toch krijg je het ervan in je rug en in de armen, alleen door diezelfde beweging. Als je dan eens even vijf minuten pauze hebt dan ben je blij!
Ik ben geboren op 12 januari 1933 te Heerlen. Ik ben nu achtendertig. Ik ben nou vijftien jaar getrouwd, ja, een hele tijd. Drie kinderen, twee meisjes en ene jongen. De jongste is drie jaar, de oudste is veertien jaar. Ik heb de lagere school bezocht, daarna ben ik naar de ambachtschool gegaan. Daar heb ik een jaar gezeten en nog een trimester tot na kerstmis. Toen had ik geen zin meer om te leren vanwege m'n vrienden die waren al op de mijn, de OVS, de Ondergrondse Vakschool, en die verdienden centjes en die konden een beetje uitgaan. Ik was inmiddels ook bijna zestien.
Mijn vader heeft me alles gegeven en gezegd: 'Blijf op de ambachtschool.' Ik heb een gitaar gekregen, die wou ik graag hebben, ik heb een fiets gekregen. Alleen om me op school te houden. Om me iets bij te brengen, dat ik een vak zou leren; dat ik niet net als hij gewoon arbeider moest gaan worden. Vanwege datje weinig zou verdienen. 'Als je een vakman bent, kun je altijd meer verdienen,' zei hij. 'Je kunt beter ergens terecht komen, misschien hoefje dan de put niet in.' De mijn dus. Ik heb me toen over laten halen door mijn vrienden en ben ook naar de OVS gegaan. Daar heb ik een jaar gezeten totdat ik eens in de week een jaar ondergronds moest werken. Naderhand werd 't twee dagen. Als je zeventien was ging je een dag in de week ondergronds drie maanden lang, enzovoorts, dan twee dagen enzovoorts. Totdat je achttien was, dan ging je vast ondergronds. Ik heb 't maar volgehouden tot twee dagen ondergronds, toen was ik 't zo moe: thuis moest ik huilen, ik had pijn aan mijn ogen van het stof en het was behoorlijk hard werken. Toen is mijn vader naar de mijn gegaan en heeft gevraagd of ik bovengronds kon werken. Zo heb ik gewerkt tot 1953, eind dat jaar moest ik in dienst. In militaire dienst heb ik mijn vrouw leren kennen. Toen ik uit militaire dienst kwam heb ik een half jaar in Arnhem gewerkt, op een textielfabriek. Na dat halfjaar, we hadden daar geen woning, toen zijn we maar hierheen getrokken, naar de mijn. Toen ben ik een halfjaar bovengronds gaan werken en daarna toch ondergronds tot ‘69. Dat was voor de centen. Zo kon je het meeste verdienen en ik had het wel nodig. In het begin was het natuurlijk nog wel hard maar ik was ouder, een beetje verstandiger en ik heb toen door een zure appel heen moeten bijten.Uw zoon is veertien ?
Ja. Die staat nu ook weer op hetzelfde punt maar die heeft geen zin om te leren. Nou leert hij ook wel wat moeilijk. Ik heb met die leraar gesproken, maar ja vlijt, dat is al slecht, dus dat is een teken dat ie niet wil. Tekenen kan ie heel goed. Hij tekent een wagen alsof het echt is.
Hij wil nou zelf van school af. Ik heb 'm proberen tegen te houden maar hij moet 't zelf weten. Ik zit altijd achter hem aan maar tegenwoordig, je kunt niet veel tegen die jongens inbrengen. Van mij mag ie doorleren tot z'n twee-drieëntwintigste.Gelooft U dat de zaken er anders uit hadden gezien als U had doorgeleerd? Had dat iets uitgemaakt?
't Had misschien wel verschil uitgemaakt maar veel toch niet. Ze staan er nu wat beter voor met die diploma's. Maar op de mijnen kon je ook een diploma halen, vroeger. Dan was je ook iets meer geschoold.
In het loon is het niet zo heel veel verschil, geloof ik, want een goeie vakman krijgt ook niet veel betaald in het bedrijf. Maar wat werken betreft: ze hebben beter werk, dat is een ding wat zeker is.Had U het leuk gevonden om nog wat te leren?
Ja, economie. Dat vind ik wel een voornaam ding. Dat had ik wel graag willen weten. Want ik weet wel een beetje wat economie is, maar zo heel veel weet ik er niet van. Dat is toch wel een belangrijk punt wat een mens moet weten, een arbeider vooral. Dan komen er soms van die termen op de tv of wat dan ook en dan vertellen ze iets zoals in de kamerdebatten, dan sta je soms met je oren te klapperen en je weet niet wat het betekent. Waarom ze dan niet een gewone uitdrukking gebruiken, zodat iedereen 't kan begrijpen. Dan komen ze allemaal met die geleerde woorden. Daar moeten ze een uitleg bij geven wat 't eigenlijk precies inhoudt.Zou U het nou leuk vinden als U meer verantwoordelijkheid kreeg?
Ik zou het wel willen, verantwoordelijkheid. We hebben 't nou ook, een beetje. Iets meer verantwoordelijkheid zeker. Zodat het misschien beter betaalt ook nog, alle geld is welkom. De mensen die vóór inleggen, die hebben zogenaamd een beetje meer verantwoordelijkheid. Maar wij, die uitpakken, hebben ook verantwoordelijkheid. We moeten zorgen dat we het goed uitpakken, dat we niet met dat product stoten, dat er bukkeltjes opkomen of deuken inkomen. Dus dat is toch ook een verantwoordelijkheid.Natuurlijk, dat verantwoordelijkheidsgevoel hebben we allemaal wel. Als 't erop aankomt als er iets is, dan moet de baas beslissen. Als er iets kapot is aan de stempel, dat ie gerepareerd moet worden. Er zijn controleurs die dat controleren of er iets kapot is aan het product, dat weten wij allemaal niet, daar kunnen we niet over beslissen hoe dat gaat. Dus daar moet de controle en de bazen over beslissen. Dat kunnen de mensen niet zelf doen, nee, want er zijn dingen bij die wij niet zien.
Heeft U er ooit over gedacht om zelf voorman te worden ?
Nee dat zou ik niet willen worden, ik zou dat niet kunnen. Dan krijg ik van hogerhand weer: 'Je moet die mensen zo en zo aanpakken,' en dat ligt mij niet. Ik weet zelf wat werken is en ik zou ze dan moeten gaan commanderen en jagen, dat kan ik niet. Ik kan 't misschien wel doen maar dan zou ik ze gewoon beschouwen als mijn collega's, dus ik zou meewerken, een voorman moet ook wel meewerken, maar net zo hard als zij. Maar ik zal niet achter de rug gaan kletsen met de baas: 'Die en die is niks, die wil ik niet meer of die doet niet zo z'n best.' Dat zou ik niet over m'n hart krijgen. Of 't moest een bruut zijn dan zou ik misschien wel durven zeggen hoe of wat, maar normaal zou ik 't niet klaar krijgen, daar ben ik geen persoon voor.Heeft U het wel eens geprobeerd?
Nee nooit. Ik wil het ook niet. Als ze mij behoorlijk werk geven, afwisselend werk en ik heb een beetje loon, daar ben ik tevreden mee. Ze mogen me werk geven wat verantwoordelijk is, dat wil ik wel aannemen, maar baas spelen over andere mensen, dat wil ik niet.Zou 't nou kunnen dat de arbeiders die aan een pers staan zelf beslissen hoe ze dat werk doen ?
Als er eenheid is onder de arbeiders zou dat zeker kunnen, als ze elkaar goed verstaan. Maar dat heb je meestal niet. Want als dat zou gebeuren, als ze zouden zeggen: 'Nou regelen jullie de zaak maar,' dan zouden dezelfden toch die het mooiste werk nu hebben, 't dan ook hebben. Dat hebben we nu, maar dat zie ik er dan ook in. Of er moest meer eenheid komen: 'Morgen ga jij hier staan en overmorgen ga ik hier staan.' Dan zouden de arbeiders wel lichter werk hebben, dat zie ik wel in, en 't zou ook meer plezierig zijn.Wat zou U graag veranderd zien ?
Bezitsvorming, daar moesten ze naar streven. Voorjaren en jaren terug hebben ze over bezitsvorming gesproken, dat moesten ze meer uitbreiden. Maar je ziet er nou niks van. Dus ik zou voorstellen als er een regering komt van de arbeiders dat die 't mogelijk maakte dat iedereen een eigen huisje kreeg. Wat neemt dat weg? Je hebt een woning gehuurd van de gemeente, je moet huur betalen. Dat is allemaal niet erg, maar oorspronkelijk is 't toch je eigen geld, je hoort toch bij die gemeenschap? Waarom kan die woning niet van jou worden? Dus laten we huur betalen, maar na zoveel jaar is die woning van jou. En onderhoud en alle kosten komen ten koste van jou. En verder de verschillen een beetje weghalen, gelijke lonen. En natuurlijk mag een vakman die ervoor gestudeerd heeft wat meer verdienen. Maar niet het verschil te groot maken. Dus een beetje optrekken naar een gelijk niveau, alle arbeiders die niet gestudeerd hebben, eenzelfde loon. Geen verschil maken. Ik wil niet zeggen dat een arbeider die begint op een bedrijf niet de eerste paar maanden of halfjaar niet wat minder mag verdienen, dat is nogal logisch omdat hij nog aangeleerd moet worden.
Maar naderhand dan moet-ie het volle loon hebben, dat moet er gebeuren. En er moet een beetje meer medezeggenschap komen in het bedrijf. Dat we een ondernemingsraad kiezen, die is er nou wel, maar dat die ieder jaar gekozen zou moeten worden. Dat iedereen er zich kandidaat voor kon stellen. En dat die dan de zaak moest uitmaken, die ondernemingsraad. Ze zouden hoger moeten zijn als een directeur, meer zeggenschap hebben als een directeur. Dus in die ondernemingsraad moesten net als nou, ook beambten in zitten en arbeiders mèt elkaar. En de meeste stemmen gelden. Het zou de moeite waard zijn om daar voor te strijden maar dat komt er toch nooit van. Of we moeten een andere regering hebben, die puntje bij paaltje houdt, die één en al van de arbeiders is. Dan zou er kans zijn dat zoiets gebeurt.Sommige studenten zijn erg bezig met deze dingen of moet U daar niets van weten?
Dat is een moeilijke vraag. Studenten, hoe staan wij tegenover studenten, dat is ook weer een heel probleem. Het zijn meer jongere knapen, ze hebben wel geleerd natuurlijk maar hoe staan we er tegenover? Of we ze vertrouwen kunnen? Ik weet 't niet. Er zijn heethoofden bij, die heb je overal tussen. Als je 't goed nagaat, die studenten zijn de mensen met geleerde bolletjes, dus die worden later, die kunnen ook aan de regering komen, dus dan is het ook weer voor hun eigen voordeel. Daar kun je dus eigenlijk ook niet van op aan. Nou praten ze wel zo, maar over zoveel jaren als ze een goede baan hebben, hoe zijn ze dan? Zijn ze dan ook voor de arbeiders? Dat is de vraag. Nee, ik geloof niet dat ik, als de studenten voor de poort stonden, dat ik dan mee zou werken. Daar zag ik toch niet veel heil in.En als ze nou eerst eens een tijd aan de band zouden werken ?
Dus als ze mee zouden werken aan de band? Nou, dan zag 't er al heel anders uit. Dus als ze wisten hoe of wat wij voor werk deden, dan zat er misschien wel wat in. Normaal komen ze haast nooit op het werk, maar dan wisten ze het. Dan zou er misschien wel een kansje inzitten.
In de kwart eeuw sinds de oorlog hebben ook de fabrieksarbeiders in Nederland een kleine welstand bereikt. Het arbeidsrecht beschermt ze tegen de meest onredelijke uitbuiting; collectieve verzekeringen matigen de gevolgen van ziekte, ouderdom, invaliditeit en werkloosheid; zolang de volledige werkgelegenheid voortduurt hoeft een arbeider zich niet bij elke vernedering en willekeur neer te leggen. Het probleem is niet langer de verpaupering van de industriearbeiders en ook niet zozeer hun lichamelijke uitbuiting. Die gaat voort, ver van huis, buiten het gezichtsveld van de witte welvaartswereld van het westen, want hier wordt geprofiteerd van de ellende daarginds, zonder dat het zelfs maar tot het bewustzijn doordringt. De fabrieksarbeiders in het westen verdienen een loon waarmee rond te komen is, al valt het niet mee om van zeven- of achthonderd gulden schoon in de maand een gezin te onderhouden; toeslagen voor overwerk, nachtwerk, ploegendienst en prestatiepremies zijn dan ook meestal onmisbaar. Industrialisering van de productie heeft het mogelijk gemaakt, ook voor de fabrieksarbeider, om in zijn eerste levensbehoeften te voorzien en zich daarbij nog allerlei apparaten aan te schaffen; een stelsel van sociale verzekeringen verzacht de ontberingen van zieken, bejaarden en werklozen en vermindert bij de anderen de angst voor ouderdom en tegenspoed. Dat is de ontzaglijke prestatie van de bestaande sociaal-economische orde en wie dat niet wil inzien kan ook geen inzicht krijgen in de gemoedstoestand van de arbeiders die onder dat stelsel leven.
De arbeiders die nu boven de veertig zijn herinneren zich de crisisjaren en de hongerwinter; de gastarbeiders kennen diezelfde armoe van thuis. Zelfs de jongste arbeiders hebben nog tijdens hun leven de geleidelijke uitbreiding van het huishoudelijke machinepark meegemaakt. Gebrek is veelal verdwenen, de angst is minder scherp en ieder jaar krijgt iedereen een beetje meer.
Deze vooruitgang is verwezenlijkt onder een economisch stelsel waarin ondernemers met de bedoeling om winst te maken de productiemiddelen beheren. Aan dat stelsel liggen enkele fundamentele afspraken ten grondslag, die nergens duidelijk zijn vastgelegd, maar die wel geleidelijk leidraad en spelregel werden voor de onderhandelingen en beslissingen (en niet-onderhandelingen en niet-beslissingen) over het beheer van de volkshuishouding. Grondgedachte was dat een voortdurende economische groei de mogelijkheid bood om iedereen te laten behouden wat hij had en bovendien de aanspraken van verschillende sociale groepen tegelijk en ten dele tegemoet te komen. Ook al wilde elke groep voor zichzelf een groter aandeel, zolang de productie groeide kon aan al die eisen voor een deel voldaan worden. De politieke strijd ging dus niet om beginselen, maar om belangen, was niet onverzoenlijk maar pondspondsgewijs te beslechten. Tenminste, zo leek het.
Het bleek mogelijk om deze eerste doelstelling van economische groei te doen samengaan met een politiek van volledige werkgelegenheid. Tegelijkertijd kon ook nog het stelsel van sociale verzekeringen worden uitgebouwd. Zo werd de arbeidsrust en de politieke vrede nog eens bevorderd. Het aandeel van de centrale staat in de economie nam op die manier ook sterk toe en wel zo dat in tijden van economische slapte in de particuliere bedrijven de staat de sociale uitkeringen voortzette of juist uitbreidde en aldus de nationale bedrijvigheid op gang kon houden. Door een geleidelijke inflatie toe te laten kon het centraal gezag bovendien aan de aanspraken van verschillende groepen in schijn, of in geld gemeten, verder tegemoet komen dan in feite, gemeten in beschikbare goederen en diensten. Zo liep het onderhandelingsmechanisme nog eens zo gesmeerd.
Dit stelsel kan alleen functioneren als de industriële productie zich blijft uitbreiden. Een andere voorwaarde ligt minder voor de hand, maar is gaandeweg steeds meer noodzakelijk gebleken: centralisering van de besluitvorming. Daartoe is het nodig dat de aanspraken en behoeften van afzonderlijke mensen samengevoegd kunnen worden (en dus onderling gelijkgesteld) tot de programpunten en onderhandelingseisen van grote organisaties. Want alleen zulke organisaties hebben toegang tot die gecentraliseerde besluitvormingsorganen. Dat is de betekenis van georganiseerd overleg. De menselijke behoeften die zich niet zo laten vertalen of waarvoor niet zulke organisaties zijn opgetrokken, komen in dit stelsel niet aan bod. Tussen het op productie gerichte, technologisch denken en de mentaliteit die heerst in grote organisaties enerzijds en het zakelijk en materialistisch mensbeeld dat geldt in de sociale zogenaamde wetenschappen anderzijds bestaat een samenhang. Voor zover een afzonderlijk mens lijkt op dat model, of zichzelf ermee in overeenstemming weet te brengen, past hij in die organisationeel technologische samenleving. Alleen dan worden zijn.strevingen en behoeften ook verwezenlijkt binnen de instellingen van die samenleving.Het stelsel heeft ongedachte voordelen opgeleverd en ook de fabrieksarbeiders hebben daar baat bij gehad. Er is ook een moeilijk te schatten prijs voor betaald. De verwoesting van de natuurlijke omgeving is niet alleen een neveneffect, die vernietiging is ook de keerzijde van productie: het voortbrengen van fabrikaten is nu eenmaal hetzelfde als het vernietigen van grondstoffen.
'Maar iets produceren betekent iets anders vernietigen. Dat is de dynamiek van de moderne productie: het moet doorgaan, zolang er nog iets te vernietigen blijft.' [1].
In dit boek gaat het over de productiefactor menselijke arbeid en het bijzondere daarvan is ook dat arbeid niet altijd alleen maar offer is of opoffering, maar dat het, los van het product en in zichzelf, ook opbrengst kan zijn en arbeidsvreugde, bevrediging kan geven. De algemene teneur van de arbeidsfilosofie in de marxistische traditie is dat dit niet geldt voor de industriearbeid in de kapitalistische maatschappij, omdat alle lustbeleving daarin verloren is gegaan door de manier waarop die arbeid georganiseerd is, door de onttrekking van het beheer van de productiemiddelen aan degenen die ze hanteren, de arbeiders. In die zin wordt dus ook de arbeid in het productieproces 'vernietigd', is geheel en al offer ten behoeve van het product, een afzonderlijke opbrengst in arbeidsvreugde en zingeving bestaat niet. Het is zeker waar dat sociologen en filosofen, en de meeste geletterde of leidinggevende beschouwers fabrieksarbeid afschuwelijk vinden om aan te zien, onverdraaglijk om te doen. Maar de fabrieksarbeiders zelf hebben zich althans op het oog ermee verzoend. Weinig verzet klinkt uit de fabriekshal door, de zeldzame protestacties betreffen meestal niet de aard van de arbeid of van de arbeidsverhoudingen, maar de beloning; de sociale zogenaamde wetenschapsmensen die de arbeiders hun mening vragen, rapporteren grote tevredenheid met de arbeidsomstandigheden. Ook al zijn handarbeiders het minst vaak tevreden, twee derde tot drie kwart en meer zegt vrede met hun werk te hebben [2]. Daarmee zijn de kamergeleerden en cultuurcritici uitgepraat, de sociologen des velds hebben alweer een existentieel probleem de wereld uitgeholpen . . . Als hun waarnemingen geldig zijn tenminste, en dat zijn ze niet.Maar aangenomen dat de onderzoekers gelijk hebben, en de meeste deskundigen en chefs geloven dat, dan blijft toch een kwellende vraag bestaan: als mensen tevreden zijn met omstandigheden die andere mensen onverdraaglijk voorkomen (zoals fabrieksarbeid immers intellectuelen en leiding gevenden onverdraaglijk toeschijnt) wat dan te denken van zulke 'tevreden' mensen? Of: wat te denken van iemand die achtduizend maal per dag dezelfde hendel overhaalt en er 'tevreden' mee is? - 'Hij weer niet beter, hij kent niet anders.' Maar als dat zo is, zou hij dan als hij wel beter wist, als hij wel anders kende, zou hij dan ontevreden kunnen zijn, en zou hij dus tevreden, verantwoordelijk kunnen zijn in een betere arbeidssituatie? En zijn dan niet degenen die beter weten niet in dezelfde positie als de christenen jegens de heidenen, in een staat van genade, waaruit de christenplicht voortvloeit tot zending en bekering, of, in dit geval, voor de intellectuelen en leidinggevenden, cle taak om de arbeider in zijn menszijn in te wijden? Of: — andere tak van de christenheid — 'hebben de wilden geen ziel? ', en zijn de arbeiders geen mensen in de zin waarin bijvoorbeeld de socioloog, de personeelschef of de vakbondsleider mensen zijn, creatief, verantwoordelijk, bewust? Als het dus waar is dat de arbeiders tevreden zijn met iets dat voor niet-arbeiders onverdraaglijk is, omdat die arbeiders 'niet beter weten', dan is het de missie van wie zich volksopvoeder acht om hen uit die onwetendheid te verlossen en zolang zij in 'domheid' leven is er iets vreselijks aan de hand, of: arbeiders kunnen verdragen wat anderen niet kunnen verdragen omdat zij geen mensen zijn,, geen 'denkende' mensen, althans geen mensen zoals de personeelschef, de sociale deskundige of de vakbondsleider.
Wie ooit een bedrijfspsycholoog over zijn proefpersonen heeft horen praten, of een bedrijfsleider over zijn personeel, weet dat dit precies het dilemma is dat hen tot sprakeloosheid doemt - of tot volstrekte wartaal brengt... hij moet mensen benaderen als dingen en voorgeven dat hij met mensen te maken heeft. Het dilemma wordt naar de andere kant opgelost door de marxisten die zich met de moderne industriearbeider bezighouden; zij zien, zij zien wat niemand ziet: de opstandeling, de verzetsman, de rebel, verborgen, maar gloeiend aanwezig in de diepte van de arbeidersziel en ooit, een dag, zal het vuur naar buiten spatten. De arbeiders mogen spelen voor ding, spelen voor nummer, spelen voor loonslaaf, maar ze zijn mensen, ongeacht de tijdelijke schijngestalten. Uiteraard is deze opvatting ethisch superieur aan die van de sociale deskundigen en beheerstechnici, omdat hij mensen voor mensen aanziet. Waar beide uitgangspunten mank gaan, is in de ontstellende armoede aan begrip hoe mensen in feite geestelijk functioneren onder beperkende en drukkende omstandigheden.Gegeven dus het heersende sociaal-economische stelsel dat slechts kan voortbestaan bij voortdurende uitbreiding van de productie, gegeven ook een beslissingsmechanisme dat menselijke behoeften slechts in aanmerking neemt voor zover ze zijn samengevat als de verhandelbare I eisen van grote organisaties en dat andere noden negeert; onder dat stelsel zijn de materiële omstandigheden van de fabrieksarbeider draaglijk gemaakt en is zijn arbeid fysiek vol te houden. Voor het overige komt die arbeid de toeschouwer nog steeds onverdraaglijk ,, voor, omdat de arbeidshandelingen eentonig en geestdodend zijn en omdat alle beslissingsmacht over arbeidsverhoudingen en bedrijfsbeheer aan hem onttrokken is. Een paradox ontstaat door het veronderstelde empirische feit dat fabrieksarbeiders desondanks voor de overgrote meerderheid 'tevreden' zijn met hun werk onder die omstandigheden.
Komt dus de vraag aan de orde naar die 'arbeiderstevredenheid'. Om te beginnen is het de gewoonte enquêtes naar de arbeidsvreugde te houden binnen het bedrijf zelf en in de tijd van de baas [3]. In een omgeving dus waar het alvast niet gebruikelijk is om kritiek en protest openlijk te uiten, behalve dan tegen de 'eigen mensen'. De sociologen en psychologen lijken nu juist niet op collega's, maar integendeel precies op de personeelschef met wie ze spraak, voorkomen en opleiding gemeen hebben. Dat geeft al weinig aanleiding tot vertrouwen; des te minder omdat een attitudeonderzoek Veel lijkt op het sollicitatiegesprek en op de tests waaraan de arbeider bij zijn indiensttreding onderworpen werd en waarvan hij weet dat de resultaten hem voor altijd zullen volgen in zijn loopbaan binnen het bedrijf. Daarbij komt dat het hier gaat om ongeschoolden of laaggeschoolden, een categorie mensen die gedefinieerd wordt door iets wat ze ontbreekt: diploma's, of door iets waarin ze gefaald hebben: examens. De beantwoording van vragen ('duidelijke vragen waarop een precies antwoord wordt verwacht') betekent voor hun dus iets anders dan voor de onderzoeker: wat het welslagen voor deze onderzoeker in de maatschappij heeft uitgemaakt is nu precies de redeji waarom die arbeiders achter de machine zijn gezet. En daarom, op zijn zachtst gezegd, is de ondervraging met gesloten vragen niet de geëigende methode tot het verwerven van inzicht in de geestesgesteldheid van de fabrieksarbeider, en, op zijn hardst gezegd, een domme rotstreek van mensen die beter zouden moeten weten tegenover mensen die zich er maar nauwelijks aan kunnen onttrekken.
Maar er is meer aan de hand. De bijzondere vraag: 'bent u tevreden met uw werk? ' is dubbelzinnig op minstens twee manieren. Als aan Volkswagenbezitters gevraagd wordt 'Bent u tevreden met uw auto? ' zal een overrompelend percentage antwoorden dat het kreng ze best bevalt. En toch sluit dat niet uit dat bijna iedereen liever een Mercedes had gehad, als hij hem betalen kon. Gegeven de aanschaffingsprijs zijn Volkswagenbezitters waarschijnlijk in meerderheid tevreden met hun wagen. Gegeven hun opleiding, maatschappelijke kansen en verwachtingen zijn veel arbeiders 'tevreden met hun werk', met andere woorden ergens anders is het net zo beroerd en het is ze niet tegengevallen.
Die verwachtingen ten aanzien van het werk zijn voor fabrieksarbeiders waarschijnlijk lager dan voor anderen. De gedachte dat arbeid in zichzelf bevrediging moet geven, het gevoel voor eigenwaarde sterken moet en de maat moet zijn voor iemands aanzien in zijn omgeving, is de gedachte van kleine zelfstandigen, hogere beambten en ondernemers: van mensen die aan de arbeidsomstandigheden nog het een en ander kunnen veranderen en die hun werk in eigen en andermans ogen goed of minder goed, in elk geval op een persoonlijk bepaalde wijze kunnen verrichten. Als in het resultaat van de arbeid niets terug te vinden is van degene die het deed, liggen uiteraard de verwachtingen van de werker volkomen anders.
Iemand die fabrieksarbeid doet, meet zich niet aan zijn arbeid, zoals een ondernemer of een ambachtsman. Zijn arbeidsgenoegen put hij veeleer uit hobby's (die hij juist niet als arbeid ziet, terwijl ze vaak bestaan in bezigheden die voor anderen wel deel van hun werk zijn), zijn verantwoordelijkheidszin krijgt gestalte tegenover het gezin, zijn gevoel voor eigenwaarde ontleent hij mede aan de waardering van buurtgenoten en familieleden. Het werk doet er voor het gevoel niet zoveel toe, het is noodzakelijke bestaansvoorwaarde om het leven elders mogelijk te maken. Zo knapt de arbeider dus acht uur per dag met betrekkelijke gelatenheid het karwei op, zoals zoveel mensen op gezette tijden een noodzakelijk corvee verrichten. Voor elke afzonderlijke arbeider doet zich immers geen andere mogelijkheid voor om voor zich en de zijnen in het levensonderhoud te voorzien. Hier grijpt weliswaar de filosofie van de vervreemding in, van een wijsbegeerte die weigert de arbeid als een 'noodzakelijk kwaad' te aanvaarden en eist dat de mens zin en bevrediging in zijn arbeid vindt. Maar de arbeider is niet alleen vervreemd van zijn arbeid, maar ook van de filosofie. Hij is bereid zijn werk te beschouwen als niet anders dan offer voor de opbrengst van vrije tijd en welstand, juist zoals in het economisch systeem die arbeid alleen geldt als offer voor de productie. Meer verwachten de meeste arbeiders er niet van.
Een tweede misleiding in de tevredenheidsvraag heeft te maken met een verschillend woordgebruik. Bij uitgebreide gesprekken van vraag en tegenvraag [4] blijkt dat arbeiders tevredenheid niet opvatten als een gemoedstoestand, maar als een eigenschap of een vermogen: 'Bent u tevreden? ' blijkt verstaan te worden als 'kunt u zich wel schikken in de omstandigheden? ' En het antwoord luidt dan ook vaak: 'Ik ben geen kankeraar', of 'ik hou niet van die chagrijnige types'. En het gebeurt dan ook dat de vraag niet begrepen wordt als 'voldoet het werk aan uw verwachtingen? ', maar: 'voldoet u zelf aan uw verwachtingen? ' Zoals in de volgende dialoog: 'Zou u nou zeggen, ja het is een beetje een rare vraag, maar we zijn toch bijna aan het einde van de band, zou u nou zeggen dat u wel een beetje tevreden bent met uw leven? ' — 'ja, ik kan wel zeggen dat ik geslaagd ben, ja. Mijn opgave is te zorgen dat mijn gezin geen gebrek lijdt, ook al ben ik zelf ongeschoold. En daarover heb ik nooit verwijten te horen gekregen.' Maar dat was de vraag niet, of blijkbaar wel. .
Dit zijn geen incidentele betekenisverschuivingen. Steeds weer blijkt dat arbeiders de neiging hebben hun levensomstandigheden te herleiden op hun eigen kwaliteiten en beslissingen. Dat een man heel zijn leven aan de machine moet staan is voor hem zelf vaak niet zozeer het resultaat van de heersende productieverhoudingen, van het onderwijsstelsel, of van het personeelsbeleid van het bedrijf, maar van het feit dat hij geen diploma's heeft gehaald, dat hij geen strever is, dat hij niet zo'n prater is, dat hij een hekel heeft aan vriendjespolitiek en slijmen. Rypke Sierksma heeft het in De Gids (4/1971) over 'de individualisering van het denken' en raakt daarmee de kern van het verschijnsel onder een ongelukkige benaming: het is niet dat het denken geïndividualiseerd wordt, het is dat de scholing tot denken in sociale en historische termen ontbreekt en dat zulk denken op geen enkele manier wordt aangemoedigd door het culturele milieu; het blijft dus bij individualiserend denken. Een denken dus, waarin iemand zijn leefsituatie verklaart uit zijn eigen tekort-komingen en vergissingen en niet uit sociale en historische omstandigheden als crisis, oorlog, woningnood .. .
Zo blijkt in de gesprekken dat arbeiders zich heel goed rekenschap geven van de crisisjaren en de oorlog en van de veranderingen sindsdien, zonder op de gedachte te komen dat hun besluit om in die periode van school te gaan en de fabriek in, niet zo maar het besluit was van de vijftienjarige van toen, maar ook het bijna onontkoombare resultaat van de sociale omstandigheden van dat tijdsbestek. 'Omdat ik toen niet wou doorleren — en dat kon bij ons thuis ook niet — ben ik de fabriek maar ingegaan'. En daarmee ligt 'de schuld' bij hem en bij thuis. Op deze manier wordt de vraag naar de tevredenheid van de man met zijn werk niet een vraag naar de beoordeling door de man van zijn werk, maar naar de beoordeling door de man van zichzelf. De individualiserend denkende arbeider is 'zelf schuld', hij heeft het 'zichzelf aangedaan'; eerder een teveel aan persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel, dan een tekort, zoals de arbeiders zo vaak wordt aangewreven. Omdat de arbeider zijn sociale positie aan zichzelf wijt, is het in zijn ogen dus ook de verdienste van hoger geplaatsten dat zij het wel zo ver gebracht hebben. Daarmee wordt de maatschappelijke orde gerechtvaardigd ten koste van de man zelf. Omdat hij 'niet geleerd' heeft, omdat hij 'niet zo'n vlotte prater' is, en 'niet zo'n studiehoofd', omdat hij 'maar een lompe boer is', is het juist goed dat hij staat op de plaats waar hij staat en dat een ander meer verdient, leuker (maar ook 'moeilijker') werk doet en de orders geeft die hij moet opvolgen. Elk maatschappelijk stelsel produceert een rechtvaardiging voor de bestaande verhoudingen en juist de minst geschoolden worden daarin het diepst geschoold en hebben de minste tegenargumenten tot hun beschikking. In sociale hervormingstheorieën steekt althans een belangrijk genezend effect: ze leggen 'de schuld' van het maatschappelijk falen niet bij de enkeling, maar bij bepaalde maatschappelijke factoren, in elk geval bij 'de ander' of 'iets anders'.
De conclusie kan zijn dat onder de hogelijk intimiderende omstandigheden van de enquête de tevredenheidsvraag niet vraagt wat hij vraagt - de evidentie kan grotendeels als misleidend terzijde worden gelegd. Maar daarmee zijn de arbeiders nog steeds niet in opstand. Integendeel, in allerlei opzichten gedragen zij zich hoogst conformistisch, conformerend aan heel andere normen dan de cultus van de zelfbewuste proletariër zou doen verwachten.
De belangrijkste oorzaken daarvoor zijn dat het economisch stelsel, in vergelijking met vroeger voor oudere arbeiders of voor gastarbeiders in vergelijking met thuis, de materiële omstandigheden heeft verbeterd en dat arbeiders van hun werk niet veel anders verwachten. Voor het bijzondere conformisme van zogenaamde ongeschoolde arbeiders geldt bovendien een verklaringsgrond die verband houdt met hun gebrek aan vakscholing. 'Ongeschoolden' zijn mensen die geen erkend dagonderwijs gevolgd hebben na de leerplichtige leeftijd. Dat wil helemaal niet zeggen dat ze daarom ook altijd eenvoudig werk doen. Dikwijls hebben zij binnen het bedrijf een langdurige ervaring opgedaan: ze heten 'geoefenden' in het fijngevoelige taalgebruik dat (lichamelijke) oefening zo teder onderscheidt van (geestelijke) scholing. Met de snelle technische verandering zijn allerlei werkzaamheden opgekomen waarvoor geen speciale opleidingsscholen bestaan en die ook van oudsher niet als ambacht zijn erkend, maar die toch een bijzondere vakbekwaamheid vereisen. In elektronische bedrijven bijvoorbeeld, solderen meisjes met speciale apparatuur een ragfijn netwerk van honderden draadjes voor computergeheugens: 'wirewebbing'. De personeelschef die zijn gast rondleidt toont grijnzend dat hij zelfs niet één draadje vast kan zetten. Het fabrieksmeisje weeft de draden door elkaar met de kalme zekerheid van een tapijtknoper en dat is precies wat ze is: alleen zij geldt en wordt beloond als ongeschoolde, ambachtsloze en haar vakkennis is geheel en al aan het bedrijf gebonden, nergens anders kan ze haar bekwaamheden gebruiken, geen diploma maakt haar kennis algemeen geldig, de marktwaarde van haar vaardigheden is nihil. Daar komt het op aan: ongeschoolden zijn mensen wier vakkennis geen marktwaarde heeft, soms omdat die vakkennis er niet is en soms omdat hij niet gestandaardiseerd is en niet erkend als vrij uitwisselbaar economisch goed. Zo'n geoefende ongeschoolde is 'aan het bedrijf gebonden', afhankelijker dan een gediplomeerd vakman. 'Nee, je kan die kennis niet meenemen, d'r is niet nog een firma waar ze dat doen, maar ik kan altijd mijn handen laten wapperen en dan begin ik wel weer helemaal van voren af aan.' De bijzondere afhankelijkheid van de ongediplomeerde geoefende werkt een zekere horigheid in de hand en dwingt hem zich aan het bedrijf te conformeren.
Het veel gelaakte consumptiepatroon van fabrieksarbeiders, waaruit hun verburgerlijking en conformisme blijken moet, lijkt vooral op het patroon van elke andere tijdgenoot en medeburger en moet dus niet zozeer uit hun bijzondere omstandigheden verklaard worden, maar uit die omstandigheden die ze juist meer en meer gemeen hebben met alle andere consumenten in de industriële samenleving. Met des te meer energie zullen zij zich bovendien op die consumptie werpen, omdat zij in zoveel opzichten de mindere zijn, terwijl nu juist 'hun geld even goed is als dat van een ander.' Hun televisie en hun auto zijn dus blijk van een gelijkwaardigheid, die in de arbeid juist ontkend wordt. Dat de artistieke en literaire smaak van arbeiders niet dezelfde is als die van hogere beambten en intellectuelen heeft veel te maken met een verschil in opleiding en een verschil in toegankelijkheid van cultuurgoederen. Maar er is nog een ander proces aan de gang: een nieuwe elite van beambten, academici en technici wil zich in een betrekkelijke machtspositie rechtvaardigen door blijk te geven van een bijzondere gevoeligheid, een goede smaak die ze onderscheidt van het klootjesvolk. Vandaar dat bijna per definitie bij die elite in de smaak valt en in de mode is wat 'gewone' mensen niet begrijpen, gek vinden of afwijzen. Zo zou het wel eens kunnen zijn dat de woest hervormingsgezinde VPRO nu juist aan een categorie van technische, intellectuele en economische stijgers het cachet geeft en de 'bijzonderheid' die zij nodig hebben om zich als nieuwe elite af te zetten tegen een oudere categorie van de middenklasse en tegen de arbeiders, die dan ondertussen naar de TROS kijken; het zijn misschien niet zozeer de arbeiders die verburgerlijken, maar de intelligentsia die zich vermeit in het aandragen van gedistingeerde cultuurkost voor een nieuwe elite, een nieuwe burgerij die oude burgerij en arbeiders gelijkelijk uitsluit.
Is zo de achtergrond met vele zijpaden in kaart gebracht, dan rest de vraag hoe fabrieksarbeiders zich dan wel tot hun werk verhouden. Het werk vraagt weinig geestelijke inspanning, het gebeurt als het ware met de linkerhand, vraagt voortdurend de aandacht zonder de gedachten echt in beslag te nemen. Daarin lijkt het op autorijden. Het inzicht en het verstand dat een volwassen mens buiten de fabriek nodig heeft om rond te komen, blijft bij het werk buiten spel. Maar omgekeerd valt het werk weg zodra de arbeidstijd om is. 'Als je de fabriek uit bent, ben je het vergeten'. Beslissingen worden niet verlangd en verantwoordelijkheid wordt de arbeider niet gegeven. 'Je hebt ook geen zorgen.' Anderen regelen, anderen geven de opdrachten. De arbeider doet wat van hem verlangd wordt en niet meer. De arbeidsanalist en de tijdopnemer hebben tot in het onwaarschijnlijkste detail uitgerekend wat van de arbeider verwacht kan worden en hoe dat zal worden beloond en de meeste arbeiders maken er een punt van ook niets meer dan dat te doen. Wat binnen dat precies bestek is vastgelegd kan de baas van zijn mensen vragen, daarboven is het een gunst van de arbeider die gegeven wordt in ruil voor tegengunsten: goed gelegen snipperdagen of langere pauzes.
Of een arbeider nu hart voor zijn werk heeft of niet maakt voor de kwaliteit van het product nauwelijks iets uit, want zelfs de kwaliteitscontrole wordt niet aan hem overgelaten. Omdat zijn gevoel en verstand dus niet ter zake doen, heeft de arbeider vaak het gevoel dat hij op het werk er eigenlijk niet is: 'Op het werk dan ben je jezelf niet'. Dit leidt tot een ingewikkeld zelfbedrog, waarvan vooral jonge arbeiders nogal eens blijk geven: 'Ik doe het voor de centen en nergens anders voor, ik doe wat ik doen moet en verder moeten ze mij nergens mee aankomen.' Dit alles op een tamelijk triomfantelijke toon, alsof ze daarmee het bedrijf aardig tuk hebben. Alsof het bedrijf teleurgesteld zou zijn in zijn warmhartige genegenheid voor de werknemers (bedrijven wenden dat nogal eens voor bij monde van oudere chefs en sociale werksters). Een stap verder zijn de uitzendelingen van arbeidsverhuur bureaus bij wie van bedrijfsbinding helemaal geen sprake is en die als kleine zelfstandigen zonder kapitaal hun arbeid verhuren. 'Play the system to beat the system.' Omdat zij zelfde complete verzakelijking van de verhouding voltrokken hebben, zien zij zichzelf als kleine ondernemers, even slim en even hard. Maar met dat al verdienen zij nog steeds even weinig en blijft de arbeid even zinloos, alleen zijn ze nu de knecht van twee meesters.
Zo is iemand op zijn werk en tegelijk ook niet, hij wil er geen betekenis aan geven, geen plezier van hebben en vooral geen verdriet, geen eigenwaarde aan ontlenen en de vernedering ontlopen. Veel werkende vrouwen willen voor hun buren niet weten dat zij op de fabriek werken, dikwijls vertellen fabrieksarbeiders dat zij hun medearbeiders niet thuis willen ontvangen: 'Het gaat hun niks aan wat wij van onze centen doen'. Echtgenote en kinderen hebben de fabriek zelden van binnen gezien en vaak hebben zij geen idee wat de man er eigenlijk uitvoert. Als dan in de gezinskring het werk ter sprake komt, blijkt soms die gêne bij de arbeider.
Is de arbeider dus vaak niet helemaal aanwezig op het werk, soms is hij helemaal niet aanwezig. Ziekteverzuim is de voornaamste grond voor absenteïsme. Binnen een context van dwang en tegenzin is ziekte een uitermate dubbelzinnige aangelegenheid. Iemand die ziek is hoeft immers zijn verplichtingen niet na te komen en heeft bijzondere voorrechten. Allemaal redenen die voor gezonde mensen het ziek zijn heel aantrekkelijk kunnen maken. Griep en verkoudheid zijn van die schaduwtoestanden tussen ziekte en gezondheid. Voor een fabrieksarbeider kan zo'n licht ziekbed een welkome rusttijd zijn. Het loon wordt doorbetaald, de chefs zijn niet boos maar onverschillig, hoogstens bezorgd. Voor een plichtsgetrouwe en gewetensvolle arbeider is het probleem zichzelf te overtuigen dat hij ziek is en daarin helpt het lichaam vaak op wonderbaarlijke wijze. Verder geen zorg, want 'zonder mij gaat het werk ook heus wel door'. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ruim de helft van het aantal verzuimdagen wegens ziekte (1966-'68) wordt toegeschreven aan 'ziekten van de ademhalingsorganen' (onder andere verkoudheid en griep, vierendertig procent) en aan 'onbekend' (twintig procent) [5].
'Griepen' betekent in het Oostnederlands spraakgebruik ook 'klagen'. Maar inzicht in het verband tussen onvrede op het werk, verzuim en ziekte blijkt telkens weer: 'Alsmaar hetzelfde werk, dezelfde bewegingen, daar word je moe van. En dan willen de bazen dat het vlugger gaat. Dat slaat op je maag, of op je zenuwen en daar word je ziek van.' Ziekte is een toelaatbaar excuus en bovendien nogal oncontroleerbaar. Mensen worden ziek van de fabriek. Soms blijkt dat rechtstreeks in onmiskenbaar lichamelijke verschijnselen, zoals hardhorendheid, rugklachten en dergelijke. Soms ook is het een psychische tegenstand die niet direct tot uiting kan komen en die de arbeider bij zichzelf moet onderdrukken. De gezagsverhoudingen in het bedrijf onderdrukkende arbeider, die onderdrukt zijn eigen tegenstand en dat kan dan weer leiden tot allerlei ziekteverschijnselen van lichamelijke aard. In ziekteverzuim steekt dus vaak een 'verzetsmoment', zoals Ebels het in De Gids (4/1971) noemt. Maar het betreft dan toch een verzet dat niet openlijk blijken mag, en dat vaak door de arbeider zelf niet als zodanig herkend wordt. Het is een functioneel verzet, voor zover het de arbeider althans tijdelijk bevrijdt van zijn arbeidsonrusten en zolang de ziekte niet onaangenamer is dan het werk.
Een andere, al even dubbelzinnige, tegenstand blijkt ten aanzien van promoties. De arbeiders die nu in de vijftig zijn hebben hun schoolopleiding afgebroken tijdens de crisisjaren, de daaropvolgende generatie kwam vlak na de oorlog de fabriek in. Door de tijdsomstandigheden kwamen zo een groot aantal mensen in ongeschoolde posities terecht die naar hun aanleg geschikt waren voor voortgezet onderwijs. Uit deze mensen zijn vaak later de voorlieden, meesters en het middenkader gerecruteerd. Maar de meesten zijn 'op de vloer' gebleven, vaak ongeacht hun kwaliteiten. Misschien bij gebrek aan vrijkomende hogere posities, misschien ook vanwege de onwil om baas te spelen over medearbeiders, een onwil waarvan de meeste arbeiders nogal heftig blijk geven: 'Baas worden? da's niks voor mij. 'n Baas staat aan twee kanten, da's een tweezak die over zijn eigen mensen baas moet spelen. Hoe kan dat? ' Personeelschefs daarentegen, beweren dat hen van die onwil weinig blijkt wanneer zij een arbeider uitnodigen om voorman te worden. Het kan zijn dat arbeiders in een interview de eer aan zich houden door vol te houden dat zij zouden weigeren, terwijl ze in feite teleurgesteld zijn dat ze nooit zijn gevraagd. Het kan ook zijn dat de meesten in hun afwijzing zouden volharden en dat personeelschefs het soort arbeiders promoveren dat wel bereid is om carrière te maken, dat blijk geeft van een positieve instelling tegenover het bedrijf.
Voor jonge ongeschoolde arbeiders zijn de promotiekansen nog veel kleiner. In hun schooltijd werkte de schudzeef van het onderwijs ongestoord door crisis of door oorlog. Zij zijn dus intellectueel de minst begaafden, althans dat geloven zij zelf en dat geloven de chefs waarmee zij te maken hebben. Bovendien is het aanbod van geschoolden toegenomen en gelooft de bedrijfsleiding dat voor leidinggevende functies scholing meer en meer vereist is, zodat de voorlieden niet meer uit de ongeschoolden zelf gekozen worden.
Bij de gastarbeiders werkt de selectie in omgekeerde richting: de meest ondernemende en de meest ambitieuze dorpelingen melden zich voor arbeid in het buitenland. Dit (vermeende? ) feit leidt zo te zien tot een positieve discriminatie: veel bedrijfsleiders en personeelschefs geven bij promoties in technische functies de voorkeur aan buitenlanders die bijzonder handvaardig en leergierig zijn gebleken en bovendien ijverig en gehoorzaam. Bij de leiding blijkt weinig van vreemdelingenhaat, hoogstens van volkomen verzakelijking ('ik haal zelf elk jaar een lading Turken hier naar toe'). De Nederlandse arbeiders zijn soms geïrriteerd door de onmogelijkheid van conversatie en zien de buitenlandse contractarbeiders vaak als mogelijke stakingsbrekers, maar verder blijkt weinig van tegenzin of zelfs maar belangstelling.
De vrouwen in de fabriek (en op kantoor) staan op de laagste plaats en doen het meest afstompende werk (zogenaamde 'lichte werkzaamheden'); bijna alle verpakkingswerk is vrouwenarbeid. Voor meisjes en vrouwen geldt in hoge mate 'dat ze er eigenlijk niet zijn'. De meisjes voelen zich in een tussenfase, na de school en vóór het huwelijk. De getrouwde vrouwen zijn 'eigenlijk' huismoeders, die het — ook als het om volle dagen gaat — 'om de bijverdienste' doen. Dat een vrouw het gezinsinkomen verdient is uitzondering, dan moet haar man wel invalide zijn of asociaal, of ze is gescheiden of ongetrouwd gebleven en dus een 'oude vrijster'. De volwassen arbeidster is dus iemand die of alleen maar bijverdient en daarom de arbeidsverhoudingen niet helemaal ernstig neemt, of iemand voor wie zich buiten de fabriek al teleurstellingen hebben voorgedaan waarop ze haar frustraties eerder zal herleiden dan op diezelfde arbeidsverhoudingen. Vreemde bochten in de arbeidswetgeving leiden tot bijzondere vormen van uitbuiting. Zo worden vrouwen niet zonder speciale vergunning toegelaten tot de beter betaalde ploegendienst; in een grote spinnerij doen zij dus het 'dagwerk' en tillen klossen tot twintig kilo in kartonnen dozen — het zwaarste werk in de fabriek dat geen man wil doen omdat hij in de vol-continu dienst meer loon krijgt voor lichter werk. Geschraagd door een taai vooroordeel bij de vrouwen zelf, die immers 'niet technisch' zijn en 'geen echte arbeider', wordt de machinebediening meestal aan mannen overgelaten. Wie een machine bedienen kan, ook al doet hij dat in feite alleen maar af en toe, komt in een hogere loongroep terecht. Dus worden vrouwen aangenomen in een lagere loonklasse dan mannen die precies hetzelfde werk doen, omdat de vrouwen traditiegetrouw van de machine afblijven, terwijl de mannen eraan kunnen komen.
Zijn vrouwen in de fabriek de meest volgzamen en de meest plooibaren, ze hebben hun eigen 'verzetsmomenten': Vrouwen kunnen elke maand één of twee dagen wegblijven zonder dat een baas of controlerend arts daar iets tegenin kan brengen, zolang ze het maar periodiek houden. Maar vooral groepsgewijs gebruiken arbeidsters en kantoormeisjes hun vrouwelijkheid. Op een vrouwenafdeling durven mannelijke chefs die er niet thuishoren zich meestal maar nauwelijks te vertonen: staren, aanstoten, giechelen en roepen brengen de superieuren al dadelijk tot verlegen houdingloosheid. (Waar blijven de handen? Inspecterend achter de rug ineengevouwen, of moeten de armen heerzuchtig over de borst gekruist, of toch maar een hand nadenkend voor de mond geslagen? ) Het is een erotisch geladen groepsaanval waartegen een man alleen, een superieur die beschaafd wil blijven, zich geen houding weet te geven. Op een typekamer krijgen de meisjes en bloc een slappe-lachaanval die de chef en zijn gasten de zaal uitjaagt: de meisjes zijn verschoond gebleven van de inspectie en 'zij kunnen toch niet helpen dat ze werden aangestoken? '
Peter Schneider [6] beschrijft hoe de vrouwen bij Bosch steeds tegen de langskomende bazen aanbonzen en de loopjongens bij de lurven grijpen: 'Zo vindt in de fabriekshal een voortdurende lichamelijke communicatie plaats, waarbij vergeleken het contact met woorden van ondergeschikt belang lijkt.'
Maar het lijkt wel alsof die lichaamscontacten juist moeten meedelen wat in spraak ongezegd moet blijven — agressieve zelfbevestiging: als jullie ons hier als kerels laten werken, zullen we jullie ook als kerels te pakken nemen.
Het kan zijn dat de verveling en de dwang om op de plaats te blijven een zekere geilheid oproepen, ook als bevestiging van de eigen vitaliteit (gedenk de lange middagen op school. . .). De nadrukkelijke roerigheid van mannen op het werk, wanneer een vrouw verschijnt moet ook te kennen geven dat die arbeiders niet zulke doetjes zijn als zij op het werk wel lijken moeten.
Fabrieksarbeiders staan voortdurend onder toezicht, zij weten het oog van de baas op zich gevestigd. Een manier om dat gevoel af te schudden is niet op of om te kijken, zelf blind te zijn. Nog steeds is het voor een chef doodgewoon om staande naast een arbeider tegen zijn gast over de man te praten alsof hij het niet horen kon ('en dit is een ouwe getrouwe, al vijfentwintig jaar bij het bedrijf) en de man houdt zich doof. Het is gewoon om een man te tutoyeren, om hem met een wenk uit zijn werk te halen, om hem in het bijzijn van buitenstaanders te kapittelen over laatkomen, roken, slordigheid van de arbeidsplaats of het verzuin een veiligheidsbril te dragen. Op zo'n vernedering kan de man alleen maar knullig reageren, want een menselijke reactie, een mep of een vloek, wordt afgestraft. 'Net schooljongens', verzucht de chef dan. Zo is het, de school, te vroeg verlaten, blijft de ongeschoolde altijd bij.
Veel arbeiders houden, als het even kan, vijf minuten voor tijd met hun werk op en beginnen met eindeloze traagheid hun boeltje in te pakken, zorgvuldig in beweging blijvend, dus nog aan de arbeid. Dan staan ze op en schuiven zo langzaam als maar kan naar de streep. Elk bedrijf heeft een punt (deur, strepen op de vloer, prikklok) dat geen arbeider passeren mag voor de sirene gaat. Daar staan dan een paar minuten voor tijd een aantal arbeiders met op hun gezicht een afwezige uitdrukking: 'Ik sta hier eigenlijk niet', tot het tijdsein klinkt en ze zich in volle draf naar het waslokaal en de bussen begeven.
In deze spelletjes steekt een zeker onuitgesproken collectief verzet, maar het blijft steken in gezamelijke 'stoutheid', omdat de arbeiders zelf niet het gevoel hebben in hun recht te staan. Veel duidelijker en van veel meer belang is de collectieve tegenstand die blijkt uit het laag houden van het arbeidstempo, het 'drukken', waar tegenover dan het 'jagen' van de chefs staat. Van dag tot dag en van fabriek tot fabriek is dat de meest directe en algemene verschijningsvorm waarin de klassenstrijd zich aan de arbeiders voordoet.
De tegenstand gaat verder en moet daarom geheim blijven als het gaat om sabotage en diefstal. Controle van tassen en jassen bij het uitgaan van de fabriek geldt in de meeste bedrijven als vanzelfsprekend. Diefstal is grond voor ontslag op staande voet. Een straf die naar de gevolgen de ernst van een eventueel strafvonnis ver te boven gaat en bovendien met veel minder rechtswaarborgen omkleed is. Ondertussen 'rommelt' het leiding gevend personeel met de onkostenrekening voor veel grotere bedragen, maar als het vergrijp niet wordt weggelachen, volgt hoogstens een berisping.
Uit gesprekken blijkt dat sabotage vrij vaak voorkomt en door arbeiders dikwijls wordt goedgekeurd of goedgepraat in tegenstelling tot diefstal, die bijna altijd wordt afgekeurd.
Een scheur of een losse schroef in de lopende band is een goed begin en er is altijd wel iemand die de storing verder helpt, tot de band komt stil te staan. Op een verpakkingsafdeling waar de meisjes in heel hoog tempo pakjes in kartonnen dozen moesten leggen, gaf het oudste meisje zo om het uur een forse ruk aan de papierstrook waaruit de machine pakjes perste — het snijmes hakte dwars door de pakjes heen en de inhoud spoot door de afdeling. De chef, die als enige de machine mocht bijstellen werd er bijgeroepen en dook dan met zijn hoofd in het raderwerk om de machine weer aan het lopen te krijgen. Ondertussen zaten de meisjes te gieren van het lachen — overigens hun enige contact, want ze spraken alle drie een andere taal. Voordat de machine dan weer in panisch ritme kon gaan draaien, moesten de meisjes \ natuurlijk eerst de rommel opvegen, wat ze met de grootst mogelijke zorg deden, want het was een proper bedrijf.
Deze vorm van sabotage is functioneel, want hij verschaft een arbeidspauze, en hij is collectief omdat het gebeurt met medeweten en medeplichtigheid van de collega's. Swados [7] vertelt hoe arbeiders in een autofabriek voor zij de staartvin dichtlassen er eerst nog een handvol bouten ingooien: als de oorzaak van de rammel al ooit ontdekt wordt is hij toch niet meer te verhelpen.
De omvang en verbreidheid van dit soort sabotage is niet te schatten: de strengste gedragsnorm onder arbeiders is het volstrekt verbod op klikken en aanbrengen.Het ziet er niet naar uit dat eentonige, geestdodende arbeid 'vanzelf' verdwijnen zal, door mechanisering van de handelingen. Moderne verkooptechnieken eisen een verpakking en afwerking die de behoefte aan eentonige, maar 'zorgzame' en dus niet te mechaniseren arbeid doet toenemen: een derde van de arbeidsuren die aan de fabricage van een personenauto wordt besteed, is nodig voor het schuren, plamuren en lakken van de carrosserie en voor afwerking van de binnenbekleding. De duurzaamheid en weerbestendigheid zouden door een enkele onderdompeling in een verfbad beter verzekerd zijn; al dit ellendig werk wordt gedaan om de wagen een aantrekkelijker voorkomen te geven. Het grootste deel van het mensenwerk in de voedingsindustrie is gericht op de verpakking en de presentatie van de artikelen. Stompzinnig werk dat wordt gedaan door vrouwen en meisjes die met de grootste zorg bonbons in crêpe-papier vleien, terwijl in hun eigen woonwijk kinderen onbewaakt oversteken, met veertig tegelijk in een klas moeten zitten, zonder toezicht op straat moeten spelen, terwijl het ontbreekt aan gezinsverzorging, ziekenhulp, terwijl ouden van dagen in tehuizen worden ondergebracht bij gebrek aan wijkverzorgsters.
Nutteloze arbeid, afgedwongen door een blind en verwrongen marktmechanisme dat voorwerpen met neurotische zorg omringt en mensen tot absurde werkzaamheden dwingt, terwijl tegelijk andere mensen verkommeren omdat ze de zorgen ontberen die nu juist hun medemensen die de fabriek in moeten, zouden kunnen geven. Misschien is sommige stompzinnige arbeid noodzakelijk, een groot deel is zeker nodeloos en nooit heeft de gemeenschap kenbaar gemaakt dat die inspanningen werkelijk gewenst worden, dat aan snoepjes en auto's meer zorg toekomt dan aan mensen. En als dan niet alle geestdodende arbeid gemist kan worden, dan nog is het niet gezegd dat daarvoor een bepaalde bevolkingsgroep tot aan het eind van zijn levensdagen moet opdraaien. Als sommige eentonige werkzaamheden volstrekt onmisbaar zijn, dan zouden ze beurtelings vervuld kunnen worden door ieder die er baat bij heeft, dat is dus elke consument. Noodzakelijke ongeschoolde en geestdodende arbeid zou als corvee over de gemeenschap verdeeld kunnen worden; als het niet uitmaakt wie het doet en het geen scholing vereist, kan dus iedereen het bij toerbeurt een aantal malen in zijn leven doen. Het kan, dat wil niet zeggen dat het gebeurt, en onder dit stelsel zal het zeker nooit zo ver komen.
Zolang het als vanzelfsprekend wordt aanvaard dat een klein deel van de samenleving de productiemiddelen in eigendom heeft en een nog veel kleinere groep in het bedrijfsleven de dienst uitmaakt, kan van wezenlijke verandering geen sprake zijn. Alleen als de productiemiddelen, waarmee de maatschappij immers moet voorzien in de behoeften van haar leden, onder beheer van de gemeenschap komen, is wezenlijke verandering mogelijk. Een rechtvaardige verdeling van de lusten en lasten van productie en consumptie kan alleen ontstaan uit de verovering van de macht over die productiemiddelen door de mensen die ze hanteren en die ervan bestaan. Onthullende beschrijvingen en goedbedoelde plannen kunnen misschien de strijdlust vergroten, maar voor een maatschappelijke omwenteling zijn ze onvoldoende. Die moet komen van de strijd door de georganiseerde arbeiders zelf. Maar in de tussentijd zou een politieke gemeenschap die de ontplooiing van al zijn leden hoog in het vaandel heeft geschreven, zich wat meer kunnen bekommeren om wat de ongeschoolden overkomt. Er zijn bedrijven gesloten, of de vestiging is ze geweigerd om wat ze in de natuurlijke omgeving aanrichten; maar in de bedrijven gaat het mensbederf gewoon door.
Noten
1. John H. Schaar & Sheldon S. Wolin, 'Education and the technological society', New York Review of Books, XIII, 6, 9 oktober 1969.
2. Vergelijk R. Blauner, Alienation and freedom, blz. 29; Berting & De Sitter, Arbeidsvoldoening en arbeidsbeleid, blz. 168; Chr. von Ferber, Arbeitsfreude, Wirklichkeit und Ideologie, blz. 2.
3. Vergelijk de studie naar ziekteverzuim van Gadourek cum suis, statistisch zo verfijnd dat de verwerking van gegevens moest wachten op nog beter rekentuig, maar in de benadering van de arbeiders zo onzorgvuldig dat middenin het vragenformulier wordt overgegaan van 'u' naar 'je'.
Een afzonderlijk validiteits-onderzoek naar de antwoorden van de enquête versterkt de hier vermelde twijfels (blz. 65). I. Gadourek, Absence and well-being of workers.
4. De meeste citaten en waarnemingen in dit artikel zijn ontleend aan een reeks fabrieksbezoeken, een veelheid van gesprekken met arbeiders, thuis of op de fabriek.
Dit maakte alles deel uit van de voorbereiding van de televisiedocumentaire Een boterham met tevredenheid in samenwerking met Paul van den Bos. De complete geluidsbanden en transcripties van de zes gesprekken die in dit boek gedeeltelijk zijn afgedrukt, zijn gedeponeerd bij de Stichting Film en Wetenschap te Utrecht.5. Statistisch zakboek '70, blz. 26. Het percentage door arbeiders verzuimde dagen is in de afgelopen tien jaar bijna verdubbeld, tot 8,7 procent in 1969.
6. Peter Schneider, 'Die Frauen bei Bosch', Kursbuch 21, september 1970.
In hetzelfde nummer: Marianne Herzog, 'Akkordarbeiterinften bei AEG/Telefunken'. Women's liberation heeft de belangstelling voor de werkende vrouw in de Verenigde Staten doen herleven, zie bij voorbeeld de bijdragen van Judith Ann en van Jean Tepperman in Sisterhood is powerful. Een prachtige beschrijving geeft Elinor Langer, 'The women of the Telephone Company', New York Review of Books, XIV, 6, 26 maart, 1970.
7. Harvey Swados, 'The myth of the happy worker', Identity and Anxiety (Stein, Vidich, White eds.).