Een boterham met tevredenheid - Gesprekken met arbeiders

Abram de Swaan

Van Gennep, Amsterdam, 1972

Over de 'tevredenheid' bij arbeiders maakten Abram de Swaan en Paul van den Bos voor de VARA-tv een programma met interviews dat op 1 mei 1971 werd uitgezonden. De tekst van de inleiding verscheen eerder in De Gids. De in dit boek opgenomen interviews vormen een gedeeltelijke weergave van de gesprekken uit die tv-documentaire.

In februari 2005 is de documentaire opnieuw vertoond. Nu als onderdeel van een collegereeks Film en Wetenschapsfilosofie van het Instituut voor Interdisciplinair Onderwijs van de Universiteit van Amsterdam.

Vooraf

Pannendraaier

Inpakster

Nylonstrekker

Ponstypiste

Kabelvlechter

Plaatperser

Een boterham met tevredenheid

 

Vooraf

In dit boek komen zes Nederlandse arbeiders aan het woord. Het zijn mensen die meestal niet naar hun mening gevraagd worden, niet door journalisten en ook niet - wat belangrijker is - door de mensen die over hun levensomstandigheden beslissen. Ze hebben het bovendien over iets waar maar zelden aandacht aan wordt besteed in de media en evenmin in persoonlijke gesprekken: hun werk. De meeste mensen hebben er niet veel zin in om zich te verdiepen in eigen en andermans arbeidsomstandigheden. Nederland is immers een modern land met eigentijdse problemen, zoals consumptie, vrijetijdsbesteding, milieuverontreiniging enzovoort. Wat er voorvalt tussen acht en vijf, wanneer die consumenten producent zijn, is een beetje in de vergetelheid geraakt. De bestaande arbeidsverhoudingen lijken immers doodgewoon en onvermijdelijk: het werk moet nu eenmaal gedaan worden en er moeten nu eenmaal leidenden en uitvoerenden zijn. Maar tegelijkertijd is de manier waarop in een bedrijf gewerkt wordt bijna het tegenovergestelde van de zelfontplooiing waarop onderwijs, sportbeoefening en kunst gericht heten te zijn. En de bevelsverhoudingen in dat bedrijf staan lijnrecht tegenover de democratie die in het politieke leven wordt gepredikt. Misschien is het wel deze tegenspraak tussen de arbeidsverhoudingen en andere verhoudingen waarin mensen verkeren, die verklaart waarom die arbeidsomstandigheden maar zelden ter discussie staan. Zoals veel andere maatschappelijke verschijnselen zijn ook de arbeidsverhoudingen niet vanzelfsprekend maar vanzelfzwijgend.

De gespreksgenoten in dit boek vertegenwoordigen niet de Nederlandse arbeider, als die al zou bestaan. Maar ze zijn wel zo uitgekozen dat ze tezamen een indruk kunnen geven van wat zeer vele Nederlandse arbeiders bezighoudt en hoe die arbeiders over de dingen denken. Net zoals in die kinderraadsels waarin door een paar punten te verbinden met een potloodlijn toch een tekening ontstaat, kan de lezer uit deze zes gesprekken zich een schetsmatig beeld vormen van wat leeft onder grote aantallen arbeiders. De gespreksgenoten wonen in verschillende delen van het land, ze werken in verschillende bedrijfstakken en het zijn mannen en vrouwen die in de leeftijd uiteenlopen van twintig tot vijftig jaar. De omstandigheden en de voorwaarden in de bedrijven waar zij werken zijn eerder beter dan slechter dan het gemiddelde in Nederland. Zij hebben met elkaar gemeen dat zij geen diploma's hebben, 'ongeschoolden' zijn en dat zij aan een machine steeds opnieuw hetzelfde werk doen onder toezicht en verantwoordelijkheid van iemand anders.

Toch zijn de geïnterviewden niet alleen maar types van de Nederlandse arbeiders. Daar zijn ze te bijzonder voor. Gewone mensen bestaan nu eenmaal niet.
De gespreksgenoten gaven dadelijk en zonder voorbereiding antwoord op de vragen. Sommige van die vragen zijn moeilijk, zelfs voor een specialist: over de eigendomsverhoudingen in de bedrijven, over de stijgingskansen voor geschoolden en ongeschoolden in het bedrijf. Andere vragen zijn eenvoudig en liggen voor de hand: of iemand plezier heeft in zijn werk, wat hij van zijn chefs vindt, of hij zelf meer zou willen of kunnen beslissen, of hij ander werk zou willen doen. Dat zijn ook de moeilijkste vragen om een eerlijk antwoord op te geven. De lezer kan veel leren over zichzelf en over de sociologie van de arbeid, door die vragen eens voor zijn eigen arbeidssituatie te beantwoorden. De meeste mensen verzwijgen al voor hun kennissen hoeveel ze verdienen en bekennen vaak ook zichzelf niet welke teleurstellingen in hun loopbaan ze hebben moeten ervaren, welke ambities toch nog resten. Dat zijn de onopgemerkte taboes van het arbeidsleven. De mensen die in dit boek aan het woord zijn hebben die terughoudendheid doorbroken.

 

Pannendraaier

Ik zit de hele dag op die gang van de machine: gaat 't vlug dan moet 't vlug; gaat 't langzaam, dan moet 't langzaam zijn. Dat valt niet mee hoor. Je moet met het tempo mee. En dat gaat altijd niet hoor. Als je eens een moeilijke dag heb, dan ... Ik moet mijn eigen aanpassen aan die machine. Die beslist hoe hard ik moet werken. Ja, die beslist. Maar ik werk niet slecht hoor ... Ik voel me kalm, hè. Maar ik zeg, als je 't nooit gedaan hebt, dan gaat 't slecht. Ik zit met drie persen. Forceerbanken, zeggen wij. Daar draai ik die pannen op, snelkookpannen, van een plaat aluminium. Als ik dan de ene pan gepakt heb en ik heb dan weer een andere gepakt, dan moet een andere pan klaar zijn. En zo verder. Dan moet ik ze ook wegzetten hè.

Toen we in het begin zaten, hadden we een forceermachine, één forceermachine. Dat is die grote bank hè, waar we die plaat opzetten; vroeger hadden we er maar een. En dan moesten we die pannen eerst allemaal op die hoogte draaien. En dan wegstapelen, en dan andere walsen opzetten. Toen ging 't makkelijker. Nu hebben we twee machines: een forceert er voor en een andere na. Dat is moeilijker. Misschien zou er nog een bij kunnen. Maar ik kan 't niet. Nee, vlugger niet. Want d'r hebben er al meer aan gestaan, en ze laten altijd die achterste lopen, die achterste pers. Al de vier machines kan niemand hebben.

Hoe lang werkt U al bij dit bedrijf?
Vanaf 1952, oktober 1952.

Wat hebt U daarvóór gedaan?
Toen heb ik op de kunstzij gezeten. Maar dat is nou allemaal kunstvezel hè. Dat maken ze niet meer. Ik ben er tijdig weggegaan. Ik wilde ook wel eens ander werk.

Uw vader was boer?
Ja, die was landbouwer... En vroeger verdienden we bij de boer hè, gingen we bij de boer werken. Dat willen onze kinderen nou nooit geloven: verdienden wij tweehonderd gulden op een heel jaar, met de kost.

Als boerenarbeider?

Als boerenarbeider. Je moest er dag en nacht naar toe. In 1933 en '34 bij een tuinder onder Breda, en na 1935 heb ik ook nog bij een boer gezeten, bij de Belgische grens. Toen ben ik '36 onder dienst gegaan. Toen heb ik bij de veldartillerie gelegen, Bergen op Zoom. In september ben ik opgekomen. Daar gingen we met de fiets naar toe. De ene keer moesten we zondags terug zijn de andere keer 's maandags. Toen ben ik in 1937 afgezwaaid; in '39 moest ik weer opkomen, in september. Voor zeventien dagen herhaling, maar toen was er algemene mobilisatie. Toen heb ik weer op moeten komen in Bergen op Zoom. En toen zijn we naar de Peel gegaan, in Grave, hebben we gelegen, in Zeeland. In Zeeland 't langst. Toen kregen we oorlog, op 10 mei. Toen zijn we helemaal teruggetrokken over de Maas en Waal, tot aan de Grebbelinie.

Daar hebben we vier dagen gezeten, en toen zijn we teruggetrokken naar Utrecht, en in Culemborg uitgekomen. Vandaar uit zijn wij gedemobiliseerd. Toen waren we nog jong en konden we zomaar niet afzwaaien: we moesten persé een verklaring hebben dat we werk hadden, een verdienste hadden.

Had U die?
Ja natuurlijk: mijn vader was toch zelf landbouwer. Dat gaf altijd werk hè. Toen moesten we onze kleren inleveren bij de Duitsers en toen gingen we op een middag naar Breda toe, en in plaats van er mee naar de Duitsers te gaan, verkochten we ze allemaal aan een voor geld, ha, ha. En dan kwamen we daar aan dan zeiden we: nou, we hebben niks meer. Dat was ook goed. En wij hadden de kleren verkocht voor twee gulden, dat dronken we dan op. Dat deden er veel hoor. Een volle zak militaire kleren. Wat zou je d'r mee doen. Ik kon er ook niks mee doen. En die mensen waren toch blij, die konden 't toch ook nog verkopen, die wouen toch ook nog een paar centen verdienen.

En toen was 't oorlog. . .
Ja, en in 1942 ben ik getrouwd. Toen heb ik nog in Duitsland gezeten. Toen moest ik naar Duitsland, met vijfentwintig man. Toen ben ik eerst getrouwd en toen ben ik naar Duitsland gegaan. Toen kwam ik bij de Fiedlerfabrieken waar ze die kleine jagertjes maakten, die hele kleine vliegtuigjes, heel hard vlogen ze, die werden daar gemaakt. Wij gingen overal werken, toen we terugkwamen van dienst: of we gingen bomen rooien, bomen rijden, hout zagen in het bos en zo; hooigras maaien, aardappelen rooien, dat heb ik allemaal gedaan.

Maar waarom bent U nu bij een fabriek gaan werken?
Dan had je vaster werk. Want als ge aardappels rooide, dat verdiende. Een paar weken achter mekaar. Maar in de winter zat je zonder werk. Dan kreeg je niks. Als ge op een fabriek zat, dan was dat niet. Dan had je een regelmatig inkomen ... Nou ja, in '42 zijn we getrouwd en toen heb ik in het buitenland gezeten. Daar ben ik in '43 van teruggekomen.

Toen heb ik tot de bevrijding toe nooit gewerkt. Toch eten, toch geld verdienen. Maar ja, ik moest me eigen altijd schuil houden, want ik was aan het onderduiken. Want ik wou niet teruggaan naar Duitsland. Toen de kleine kwam, ben ik naar huis gekomen. Mocht ik voor veertien dagen naar huis, kreeg ik veertien dagen verlof. Toen ging ik niet meer terug hè. Ja, ik had misschien toch wel eens geprobeerd om over de grens te komen, maar dat ging niet zo makkelijk hoor. En zó ging het goed; Ik zeg: knap als je me nu terugkrijgt. Ik heb 't wel eens gehad dat ik thuis bij m'n moeder, een bak koffie zat te drinken, en dat ze achterlangs de deur met drie man binnenkwamen, en dat ik er nog uit moest. Dus ik m'n klompen uit, het raam omhoog, naar het boererf, door de tuin heen, en over het tuintje het veld in. En dan zei die broer van mijn tegen ze: als je 'm hebben moet, daar loopt-ie. Maar achterna gingen ze me toch niet, en schieten hielp ook niet. Dan liep ik met een omweg naar het huis van mijn broer, en zei tegen zijn vrouw: ze zitten weer achter m'n veren. En dan sliep ik hier, en dan sliep ik daar. Maar het laatste half jaar heb ik altijd thuis geslapen. Toen had ik twee kinderen, toen ben ik nooit meer weggeweest. En toen ben ik na de oorlog eerst vrijwillig onder dienst gegaan. Ik was de eerste vrijwilliger hier van Etten.

Waarom?
Omdat ik er ook wel bij wou zijn. Een mijntje opruimen. Ik zeg: we halen die mijnen eruit en leggen ze aan de kant. Ze zeggen: ga je gang. Ik zeg: waarom niet? Moet je maar eens kijken. Ik pakte die mijnen op en legde ze gewoon aan de kant. Ik zeg: als de Amerikanen komen, dan kunnen ze ze laten springen, als ze willen. Maar liggen ze niet meer in de grond, dan loopt er niemand op. En de Amerikanen demonteerden ze, slaghoed eruit, dan konden ze niet meer springen. Dat was gevaarlijk werk. Ik kom uit een boerengezin. We waren boeren, we waren met twaalf kinderen, zes jongens en zes meiden, en m'n vader en moeder, dat is veertien. Maar er was niks in te verdienen. Ik had nou boer kunnen zijn, met 70, 80 beesten, maar dat was vroeger niet. Als je er vroeger twintig,
vijfentwintig had, dan was je een hele knappe piet.

Het moet nu met een groot kwantum gaan. De landbouwer moet ’t in het groot doen en dan werkt hij 't nog niet bol.
Ge hebt er toch zat die op de fabriek werken en anderen die verhuren zich gewoon aan de grote boeren; anders blijven ze thuis toch nog een beetje boeren en ook op de fabriek werken. Je hebt er veel, hoor, die in ploegendienst staan, en thuis zal ik zeggen, vijf, zes, zeven melkbeesten hebben, en nog meer. Hard werken. Bij ons hebben we d'r een gehad, die had in de twintig stuks melkvee. Als hij nou in de morgendienst stond, en hij moest 's morgens om vijf uur beginnen, dan moest zijn vrouw ze melken, en dat gaat toch met een machine, 's Avonds molk hij ze. Het boerenwerk ken ik allemaal.
Daar kom je van kleinst af in. Als je eenmaal op een boerderij zit, zoals bij ons thuis, ben je tussen de koeien groot geworden. Dan leer je zo uit je eigen mee. Want ge gaat naar school en ge moet al helpen. Als je een jaar of negen, tien begint te worden, dan zeggen ze: Koeien melken, en douwen je zo onder een koe. Ja, als kinderen van negen, tien jaar, moesten wij melken. Dat deed je graag, je sloeg wel eens de stal door, maar dan had je pech gehad. Spelenderwijs hè. Want ik denk: als je rond de twintig jaar bent, en je moet dan het boerenvak leren, ik denk dat dat wel moeilijker is als dat ge d'r in opgroeit.

U zou eigenlijk boer kunnen zijn.
Ja, als alles zoals vroeger gebleven was. Maar je hebt een huishouding van twaalf man en zeven hectaren grond, daar zou je de man een paar vierkante meter grond hebben.

Voor al die kinderen ?
Twaalf kinderen, dat worden toch twaalf huishoudens.

Maar toen U zo'n vijfentwintig jaar was, ging U de fabriek in. Was dat moeilijk?
Nou, ik ben toen in het magazijn gekomen. Toen had ik 't makkelijker als toen wij thuis waren, en op de boerderij. Ik hoefde niet zo lang te werken. Want wij maakten dagen. De ene dag moest je lang werken, de andere dag niet lang, op de boerderij. Maar soms stond je om vijf uur op en ging je om tien uur naar bed; had je een keer of drie, vier gegeten; dan maakte je lange dagen. Zeg maar dat ge om ’s morgens vijf uur opstond en tot 's avonds acht uur werkte. Dat zijn dan vijftien uur. Reken dat over een week uit, drie uur schaften eraf. Dat maakt zes maal twaalf. Tweeënzeventig uur werk.
Ja, je zit de hele dag in de buitenwereld, dat is gezonder. En ge ziet meer, en ge ziet minder, zeggen ze, en ge ziet niet zoveel. Maar ik heb veel gereden, naar Breda moesten wij dan, naar de veiling en zo, naar de Boerenbond. Maar dan zat ik aan de weg. Dat was vroeger allemaal paard en wagen. Als ge dan moest karren, moet je er een beetje mee om kunnen springen, want anders deed-ie 't niet.
Je leefde voordelig, de mensen slachtten zelf een varken, maakten zelf brood; bij ons thuis bakten ze zo'n zeventig broden zaterdag, van die grote mikken; vier wasmanden vol met brood. Die hadden ze op een bank gezet in de kelder, en daar konden ze net op. En als we dan gingen eten, om vier uur, dat waren niet van die kleine sneetjes hoor, dat waren zulke en zó dik. Dat is goed brood, hoor! Veel lekkerder brood als hier .. .oh jee!

Een heleboel boerenzoons, vooral van Uw tijd kwamen in de crisis in de fabriek terecht.
Ja, die hadden niks geleerd; wij hadden geen van allen niks geleerd. Boerenvak, anders niks. Je moest geld verdienen hè, je had geen twee handen gekregen om naar de ambachtschool te gaan. Ja, er was haast bij, je moest 75 of 100 gulden per jaar verdienen hè. Daar ging 't om. Vroeger was 't niet zo duur als nou hè. Voor de oorlog .. . Toen ik op deze fabriek kwam, heb ik eerst aan deze machine gestaan, toen moest ik eraf. Want toen was er geen werk meer an, zeiden ze. Toen moest ik achter een automatische pers, voorlopig zeiden ze. Ik zeg nou dat kan. In ploegendienst. Toen wou ik eruit, uit de ploegen. Maar het ging maar niet steeds, zeiden ze. Ik zeg, ja, dan heb ik het makkelijk genoeg hè. Ik ben zo de ploeg uit. Ik zeg, geef me maar ontslag hè, dan ga ik voor een ander werken. Want ik zei: 'Als ik niet in de dag kan werken, krijg ik binnen korte tijd m'n ontslag, want dan ga ik naar de beurs en dan vertel ik m'n reden. En die beurs is er niet voor niks ...

Aan het begin van de dag zoek ik een lekker tempo en laat 't nog een ietsje zakken of klimmen op een dag. Zodra ge gaat jagen zit ge mis, want dat heb ik ook al dikwijls genoeg gehad, bij het tarief. Als je gaat jagen breng je je eigen over de toeren, net als een motor. Nu er geen tarief meer is zetten ze de norm te hoog. Vroeger bij het tarief kwamen ze met de klok. Ze kregen van mij de kans niet. Geen tarief dat ze bij mij opnamen stond te hoog. Ik werk eerst een dag of twee, dan ga ik het tempo er uit halen en ik houd de klok in de gaten, en dan kan ik zeggen wat ik maken kan op een dag. Dus als de klok komt moet ik dit tempo draaien. Als hij achter me staat met de klok, kijk ik ook naar de klok,
tel wat ik doe, zo'n vijf minuten, dan denk ik: 'Zoveel, dat is te hoog, ietske zakken.' Dan werk ik iets minder; je moet eigenlijk het middelpunt nemen hè, van je gang. Zo staat het tarief nooit te hoog. Maar 't kan zijn dat je tussen mensen staat die zitten te jakkeren, dan zit je beroerd, dan ga je eraan. Want op die mannen gaan ze rekenen.

Wat zegt U dan tegen die anderen?
Dat ze een beetje uit moeten kijken; daar is dikwijls genoeg klote over geweest.

Maar nu is het tarief weg.
Nou is 't een taak. Ze zeggen: 'Zoveel kun je daarvan maken.'Maar de een kan er veel maken, en de ander kan 't niet. Als ge met een stel werkt is 't moeilijk. Soms zit er een te gapen zonder iets te doen, en dan stap ik op 'm toe: 'Hé slaper, als ge niet wakker wordt krijg je een pets!

Maar wat kan 't U schelen ?
Zitten slapen, zitten dromen op een fabriek? ! Dan is-ie niet goed bij! Als hij bij mij in de set zit moet-ie werken, ik werk ook de hele dag. Ik werk niet hard, maar ik blijf de hele dag werken, ik ben geen tien minuten stil. Het kan makkelijk gebeuren dat ik 's morgens om half acht kom - nou is er 's morgens geen schaft meer, om half tien – maar ik blijf met wat te drinken naast me de hele dag aan de machine als ik niet moet plassen. Daar ben ik voor aangenomen. Je bent aangenomen om van half acht tot kwart voor vijf te werken.

U maakt per dag hoeveel pannen ?
Als ik kan: rond de tweehonderd, tweehonderdvijftig. Als ’t goed materiaal is, draai ik tweehonderdvijftig pannen. Zo'n pan kost negentig gulden. Maar ja, ze gaan niet zo duur naar de leverancier als ze verkocht worden.

De leverancier krijgt een hoop.
Die krijgen het meeste nog. De machines kosten het meeste geld, en de leverancier gaat met het meeste lopen.
Het bedrijf zal ook wel wat aan iedere pan wat verdienen maar toch niet zoveel. Ik geloof niet dat ze aan iedere pan tien gulden verdienen, alles en alles bij elkaar.

Maar wel wat?
Ja, anders gooien ze het product eruit.

U heeft dat gebouw gezien in Dordrecht: waar is dat nou van betaald?
Van de centen die ze verdiend hebben.

Ik zit te denken: ergens is natuurlijk heel veel geld, maar niet in Uw broekzak.
Nee, niet in mijn broekzak.

Hoe komt dat nou?
Ja hoe komt een aap op een vlooi? ! Wie gaat er nou mee kuieren, de directeur zelf? Zou ik niet denken. Ik durf 't niet te zeggen. Ik in ieder geval niet.

Zijn de lonen omhoog gegaan vergeleken bij vroeger?
Ze zijn wel gestegen, maar de onderhoudskosten zijn ook gestegen. Ik verwacht dat de prijzen hoger gestegen zijn als de lonen. Ik weet niet wat een ander denkt. Ik heb grote kinderen:wij hebben meer inkomen in zo'n gezin maar er wordt toch ook meer uitgegeven, ook makkelijker. Ik heb zeven kinderen: drie meisjes en een jongen zijn getrouwd, een meisje woont nog hier bij mij in. Die moet nog een huis zien te krijgen. Dan heb ik nog een jongen van vijfentwintig. De twee meisjes zijn studerenden. Een voor coupeuse-naaister, en de ander gaat gewoon naar de huishoudschool. Die wil kleuterleidster worden of zoiets. Ze mag net zo goed leren als de anderen, ze hebben allemaal geleerd. Zolang ik 't kan betalen... De oudste dochter is nergens naar toe gegaan, die is gewoon gaan werken. Een zoon is naar de ambachtschool gegaan, de anderen naar de MULO. Twee dochters zitten op kantoor, en mijn vrouw doet daar de kantoren.

Hoeveel verdient U nou?
Ik heb nou gemiddeld zo’n honderd zestig gulden vrij geld per week. Dat is netto. Tussen de honderdzestig, honderdvijfenzestig. Zonder overwerk. Vroeger werkte ik over, en werkte ik zaterdag nog extra, en dan kwam ik dikwijls nog twee keer, drie keer in de week terug, vier uren. Nou geven ze vijfentwintig procent toeslag, geloof ik, maar er gaat dertig, veertig procent belasting af. Dus houden we er ons gewoon geld nog niet aan.
De één zegt: 'Ik heb niks,' de ander: 'Ik heb veel.' Ik heb bijvoorbeeld centrale verwarming, televisie, een auto, een koelkast, automatische wasmachine. Dan zijn we helemaal compleet, wat moet een huishouden nog meer? Mijn vrouw zou misschien nog meer willen hebben . .. als we maar rond kunnen komen, ieder het zijne kunnen geven. Alles contant betalen, anders koop ik niet.

Dus U leeft in welvaart?
Welvaart? Daar heb ik toch voor gewerkt, en mijn vrouw ook! Als ieder mens zoveel moeite deed voor z'n verworvenheden, zoveel zelf verbouwde - daar komt nog wat voor kijken voor die verbouwingen en ge mag geen cent aftrekken van de belastingen, vroeger wel. Straks zit ik alleen met de onkosten .

Sparen?
Sparen? Hoe moet je sparen? Ik kan nou toch niet meer sparen. Een levensverzekering?
Die heb ik ook, daar betaal ik ook voor. Ik betaal ook de kerk, dat moet als je Rooms-Katholiek bent, want die mensen moeten ook leven. Want dan zegt er wel iemand: 'Die pastoor hoeft niet te leven,' maar die mensen moeten net zo goed centen hebben.
En ik moet verzekerd zijn voor de wagen, voor het huis, voor stormschade.

Nou gaat 't goed eigenlijk, zo met drie kostwinners, maar toen U met z 'n tweeën was, met twee kleine kinderen ?
Ja, dan was je blij met de kinderbijslag als het loon op was; en dan moest je wat buitenom zien te verdienen. Als ge gewoon weekgeld verdient en vier, vijf kleine kinderen hebt, nou daar steek ik niet graag mee over, hoor. Veel moeilijker om rond te komen. Iedereen moet er voor werken. Als mijn vrouw niet ging werken, maar de hele dag binnen zat, dan konden we ook geen wagen rijden.

Het huis is van U?
Zes jaar geleden gekocht. Elfeneenhalf duizend gulden. Nou zijn deze huizen tweeëntwintigduizend gulden. Als ik 't niet gekocht had, had ik net zoveel huurverhoging moeten opbrengen als een ander. Als we zouden kunnen beleggen, kochten we zo'n blok huizen en verkochten ze nu weer. Maar daar krijgen we de kans niet voor. Daar hebben we de centen niet voor. Dat hadden alle mensen gekund wat wij hier deden: kopen. Ik had toen al kinderen, maar ik spaarde. Daar waren we toe bereid, 't was nodig. Ik deed overwerk en ploegendienst. En zo kwam 't bij mekaar. En de vrouw ook bijverdienen, appels schillen thuis op winterdag, en uitjes voor de fabrieken . . .En je geld bewaren!

Op de bank?
Je moet geen geld in huis hebben tegenwoordig. Centen brengen centen op. Zo komt 't op de juiste plek terecht. Daar hebben wij allemaal niet voor geleerd, maar die jongens van mij kunnen dat wel en die dochters. Als ze tegen mij zeggen: 'Schrijf die cheque uit,' kan ik dat, maar of die compleet goed is? Nergens zijn wij op voorbereid. Vroeger was 't een hele gekke tijd. Maar de kinderen moeten met de tijd mee.

U hebt geen echte hobbies?
Nee, een beetje timmeren, en ik wil wel graag een tuintje aanleggen rond een huis, als ze 't vragen. Dat doe ik ook wel. Dat kan ik. Ik kan zien hoe de grond moet komen te liggen, vlak of anders.
En als dan de mensen niet op centen hoeven te kijken dan kunt ge dat goed doen.

Dus eigenlijk was U liever timmerman geweest, of tuinbouwer?
Nou tuinbouwer, 't zou wel gekund hebben ... nee dat had ik toch niet gewild, dan moet je te larigwerken.

Als U verdiende wat U nou verdient was U dan wel graag op de boerderij gebleven ?
Als ik hetzelfde geld zou verdienen zou ik zeggen: "t Is gezonder, het buitenwerk.' Of ander werk, grondwerk. Maar daarvoor ben ik nou al te oud, maar als ik tien jaar jonger was, bleef ik niet in de fabriek werken.
Ik moet toch ergens m'n geld verdienen, er was niet veel anders. Toen hier de fabrieken nog niet stonden was hier bijna geen werk, moesten we allemaal naar Breda. Je zit met een huishouding met kleine kinderen.

Het is een beetje ongelijk verdeeld.
Maar als we nou allemaal eens even rijk waren? Zou 't dan nog boteren? Dat kan nooit goed gaan als de dokter even veel geld als ik had. Als ze meer geld hebben moeten ze 't goed besteden ook, en dat doen ze: laat ze dan hun gang gaan, maar ik kom niks tekort.

Wordt U eerlijk betaald?
Op het moment wel, ook altijd niet hoor. Ik kan niet zeggen dat ik te veel verdien, maar op het moment gaat 't.

Heeft U wel eens gestaakt?
Ja, een tijd terug nog een uur. Dat was met die percenten. We hebben ook wel eens een hele dag gestaakt voor meer winstuitkering. Toen vroegen ze ons of we ook mee-staakten en wij zeiden: 'Ja natuurlijk, als jullie staken, staken wij ook.' Ik ga een medemens niet in de zeik zetten door door te werken. Ik ben nou tevreden; nou, tevreden .. . Maar als morgen de bond zegt: 'Wij moeten tien procent erdoor halen en we leggen de zaak ervoor neer,' waarom niet? Maar als 't niet nodig is , is ‘t niet nodig.

Alleen als de bond beslist?
Ja. Als ze recht erop hebben en ze krijgen 't niet. Die mannen weten beter hoe 't in mekaar zit als wij, die bondsmannen. Die mannen hebben daarvoor geleerd. Ik zit in de Katholieke Bond, St. Eloy. Wat geeft het nou in welke bond je zit, of dat nou de Christelijke bond is of het N.V.V.

Ze vergaderen toch allemaal met elkaar mee. Ik zeg: als die bonden er niet waren dan stond ge hier voor een grijpstuiver. Ik zeg, we gaan voor de bijl hoor, en we zullen ons geld wel opbrengen voor jullie, negen gulden in de maand. Ik ben nou op 30 maart vijfentwintig jaar lid van de bond. Ze hebben af en toe wel eens geluisterd als we aan de bel trokken. Ik ken een jongen die de straat op gezet werd. 'Maar dat gaat niet,' zegt die broer van mij tegen die baas. 'Ge denkt wel veel te kunnen, maar dat gaat niet door; daar zal ik wel eens even het hoofdbestuur van in kennis stellen! ' Die jongen kwam terug twee dagen naderhand! Ze kunnen je zomaar niet buiten gooien. Of een fabriek moet failliet gaan.
Ik heb in het bestuur ook gezeten, van het NKV in Etten-Leur, en van St. Eloy heb ik in het hoofdbestuur gezeten en geld voor opgehaald. En leden aanwerven. Maar tegen die jonge mannen kunnen we 't nou niet meer doen, want die kunnen veel beter uit hun woorden hè. Die jongens hebben meer geleerd, dat leren ze op school. Maar wij hebben 'm tot een goeie bloei gebracht, toen. We zaten toen op tachtig leden, denk ik. Toen ik er uit ging, bijna tweehonderd.

Als de arbeiders 't nou voor het zeggen hadden ?
Dat zou ik wel mooi vinden, een beetje zeggenschap.

Gelooft U dat U zou kunnen meebeslissen?
Ikke niet, daar zou ik geen goeie voor zijn. Daar hebben wij te weinig voor geleerd.
Daarboven moeten ze beslissen wat gij moet gaan maken. Ik kan toch niet zeggen: 'We maken morgen duizend pannen van zes! ' Die boven weten toch wat er in het magazijn tekort is. Zij brengen het materiaal bij ons en wij gaan 't maken.

Maar zoudt U nou niet kunnen beslissen hoeveel winst er naar de arbeiden moet?
Hoeveel winst! ? Dat is nou eens een hele andere vraag! ! Vergeet de aandeelhouders niet, die zeggen: 'Eerst wij, en dan jullie.' Mooi werk, maar dat krijg je niet voor mekaar. De oude directeur zei ook altijd: 'Jullie hebben net zoveel te vertellen als ik,' maar dat was niet zo. Als 't over de centen ging kwam ge tweedens, hij gaat met het meeste strijken. Ik wil geen baas worden, ik hoef geen baas te spelen. We zaten met vijf man in een ploeg, toen zeiden ze tegen mij: 'Gij bent de man, gij moet de verantwoording dragen.' Ik: 'Nou, kan mij wat schelen. Maar geen smoesjes, hè, als 't misloopt en we hebben niet genoeg gedaan! ' Nee, ik wou geen verantwoording nemen. Dat is niks voor mij. Ik wil wel verantwoording voor m'n eigen werk hebben maar niet voor een ander. Jongen, als ge baas moet spelen en ge moet bij een grote baas komen, kunt ge niet zeggen: 'Die man die voldoet niet,' of, 'Die doet 't niet goed,' dat kan ik niet.
Dat is de zaken aanbrengen. Ik ga niet tegen de baas zeggen dat die en die de hele avond niks doen. Wel eens onder mekaar waar de ander bij staat: 'Hé, lanterfanter, doe ook eens wat! ' Maar dan is 't gekheid. Toen ik in de ploegendienst stond, stond ik ook aan de pannenbank en dan draaide ik niks als pannen voor hè. Je kon er op een stoeltje bij zitten. Als de pan eraf kwam zette ge weer een plaat op. Je kon er gewoon bij zitten. Dan keek je heel de fabriek door, want ge staat op een verhoging, dus ik kon door de hele fabriek kijken. En dan zag je 's avonds mensen door de fabriek lopen, want dan was bij mij alleen het licht aan en verder de rest donker en dan zag ik dat de ene man dit dee en de ander dat, en dan zeiden ze: 'Maar dat moet ge zeggen als ge dat ziet! ' Ik zeg: 'Ikke niet, daar moeten jullie maar een man voor neerzetten die dat ziet.' Want ik breng die mensen niet aan. Die namen dingen mee. Als iemand een fritessnijder nodig had, staken ze 'm in hun zak. En ook busopeners, die hadden ze op de lopende band staan en die lieten ze er 's avonds allemaal op staan, kant en klaar! Ik zeg: 'Als je die niet opruimt 's avonds en niet van de band afgooit, dan blijf ik niet in de fabriek werken 's avonds, want morgen vroeg staat er geen ene meer op! '
'Nee hoor,' zegt de baas, 'want gij kunt de zaak in de gaten houden.' Ik zeg: 'Ik zeg niet wie het gedaan heeft. Dat kan mij niks verschillen, ge bent ervoor gewaarschuwd.'

Dus een baas moet een aantal dingen doen die U niet wilt doen?
Nee, dat zou ik niet willen. En ze doen wat tegenwoordig hè, ze komen stempels inzetten en zo, en vroeger deden ze niks. Keken ze alleen maar. Maar nou gaan ze weer werken, want ze zien aankomen dat ze weer moéten gaan werken.

Verdient een baas veel meer ?
Ja, die zal wel meer verdienen, zou ge niet denken? Ik durf 't niet te zeggen. We hebben wel eens gehad als we zoveel overwerkten dat de baas zei: 'Jullie verdienen meer als wij.' Ik zeg: 'Nou dan verdient gij ook niet veel! ' Ze judassen mij eens graag en ik judas een ander eens graag vooral als ik weet dat-ie kwaad wordt. 'Doet ge niks meer vandaag? ' Dan begint die ander al aan de polijstmachine! Dan wordt-ie kwaad! Ge hebt er bij die er niet tegen kunnen. Ik kon er in het begin ook niet tegen, als ze me te veel plaagden pakte ik ze bij hun vestje. Maar wij zijn tenminste bij mekaar, de polijster en ik. Soms ook met de baas die komt ook wel eens een praatje maken. Over de fabriek of over wat anders. Want als je 't over de fabriek hebt ben je zo uitgepraat, want ik zeg: 'Ge ziet niet anders als een stuk ijzer en een hoop olie.' Meer ziet ge niet. Als 't niet goed gaat zeggen ze: 'Giet er maar een hoop olie op, dan gaat-ie wel weer.' Als wij es met een paar buurten, dan duurt 't even hoor!

En als de baas komt, wat dan ?
Nou, niet weglopen, want dan ben je toch verkeken. Dan buurten we rustig door. Hij zegt ook niet gauw iets. Hij weet dat je daar geen uur staat. En als er een grote baas langs komt en ge staat te buurten krijgt ge toch niet op uw ogen want dan gaat-ie wél naar de baas toe: 'Buurten die altijd zo lang? ' Dan komt de baas: 'Pas op als die in de buurt is.'

De baas, staat die aan twee kanten?
Ja, die moet aan twee kanten staan, aan de kant van het volk en van de directie, die moet tweestrijd leveren.

Hoe gaat dat?
Dat zou ik ook wel eens willen weten, want dat vind ik raar dat ge aan twee kanten moet staan. Hij moet aan de directiekant staan maar wil-ie met z'n volk opschieten moet-ie ook aan z'n volk z'n kant staan. Een goeie baas staat aan de kant van zijn volk, net zoveel als aan de directiekant. De ondernemingsraad, die zit er namens de bond hè. Want ge stemt er niet een in die niet in de bond zit. Dat moeten de mannen maar doen En niet in de bond zitten. Als ge eens wat hebt, kan zo'n ondernemingsraad 't altijd regelen. Bijvoorbeeld, eerst gingen we allemaal tegelijk met vakantie. Nu kunnen we in juni, juli, tot half augustus vakantie opnemen, de technische dienst kan altijd met vakantie, het hele jaar door. Vroeger, dan had je maar te gaan in juli. Van het jaar hebben we 't zo bekeken dat we met de bouwvak gingen.

Je hebt ook nog de personeelschef - aan welke kant staat die nou ?
Dat durf ik niet te zeggen, aan welke kant die vent staat. Die zal toch ook wel aan de kant van de werknemer moeten staan, en ook aan de kant van de baas. Als hij vergadert met de ondernemingsraad staat hij aan de kant van de ondernemingsraad; dan komt straks misschien de directie opdagen dan moet-ie misschien wel andersom. Die moet ook alle kanten op. Dan kun je wel zeggen: 'Dat is een tweezak,' maar die man moet toch ook om z'n brood denken. Hij moet ook om z’n eigen denken, die man komt om te werken, om geld te verdienen.

Maar zo 'n tijdopnemer, aan wie z 'n kant staat die nou ?
Ik durf 't niet te zeggen. Allicht aan de kant van de fabriek, niet aan de kant van de werknemer: negen van de tien keer kon ge 't tarief niet halen. Dat wordt gepland. Ze zeggen: 'Daar moeten honderd stuks van gemaakt worden,' dan proberen die mannen er honderd uit te halen, Dat gaat altijd niet.

Op welke tijd voelt U zich nou vermoeid worden?
Het meest in de middag, tegen dat ik ga schaften, en dan het laatste uur. Dan krijg je 't in de benen van het lopen, hè. Je loopt acht uur. Ik heb wel eens geprobeerd om uit te tellen hoe wijd ik wegloop.

En dan wordt U moe?
Moe niet, want dan scheid ik er meteen mee uit als ik moe word – ik ben niet van plan om me voor de baas moe te maken. Dat doe ik niet, ik werk gewoon. Als je moe wordt, dan ben je niet gezond, als je veel moe wordt. Ik zweet wel eens op de fabriek, en dan denken sommige mensen datje moe bent, maar dan begin ik pas te leven, als ik goed begin te zweten. Hoe harder ik zweet, hoe makkelijker ik werk. De ene mens zweet makkelijker als een ander. Als 't een beetje warm is zweet ik. Zweet ik niet, helemaal niet, dan gaat 't blijkbaar niet. Eerst werk ik een paar uur, dan ga ik eens plassen, loop ik eens weg, gerust een keer. Als ik zin heb in een bak koffie leg ik 't stil en ga een bak koffie drinken, ga eens plassen .. .Nou krijgen we 's morgens geen schaft meer. Dat wilden die Belgen eraf hebben, dan konden ze vroeger naar huis. Sommige mensen zijn om half zeven nog niet thuis, 's Morgens om een uur of zes van huis om half acht te beginnen.
We eten van kwart over twaalf tot kwart voor een. Je draait nog een sigaretje. Je zit met vaste kameraden aan tafel hè, de vaste waar ik mee werk op het moment. Altijd met hetzelfde groepje. Tot kwart voor een. Vijf minuten tevoren wordt er al gebeld, en drie minuten van tevoren ook. Tussen die tijd vertrekken we, en ik maak dat ik om kwart voor een op m'n werk ben. En dan gaan we nog vier uur door, om half vijf houden we op.
Dan ga ik naar huis, is die zoon van me al thuis, komt die dochter thuis, schoonzoon komt thuis en dan gaan we op ons gemak eten, rond half zes. Dan ga ik een beetje de tuin, of wat op het schooltje doen. Een kleuterschooltje dat ik altijd mee onderhoud, het tuintje en de speelplaats. Een paar centen krijg ik ervoor; 't is echt liefdadigheid. Een katholiek schooltje. En, mijn vrouw doet de gang en zo, van dat schooltje, al jaren, krijgt ze ook een paar centen voor. Voor niks kun je het tegenwoordig niet meer doen hè? We betalen overal voor. Het is maar een gulden per uur, dan kunnen ze nooit zeggen: 'Je doet 't voor niks.' Als ik ergens een tuintje aanleg zal ik niet vijf of zeven en een halve gulden per uur rekenen, dat doe ik niet. Nee, de mensen moeten 't kunnen betalen. Als 't nou mensen zijn die 't kunnen betalen, die geld hebben, dan reken ik wel apart, die gaan eraan! Maar als 't maar een gewoon mens is zoals ik en een ander, doe ik 't zo goedkoop mogelijk. Zulk werk, zo'n tuintje onderhouden vind ik wel leuk. Iedereen heeft toch graag dat zijn tuin er een beetje fatsoenlijk uitziet, ik ook.

Dus dat is eigenlijk nog dat oude boerenvak?
Ja, want dat kunt ge de jeugd van tegenwoordig niet zeggen: 'Hier heb je een schop en een hark, en ga de tuin doen.' Dat kunnen ze niet, daar kunnen ze er geen een voor vinden.

Dus U heeft minder zin in het werk in de fabriek dan in het werk in de tuintjes?
Ik zou liever in het tuintje werken. Maar dat kan nu eenmaal niet, ge moet toch ergens uw geld bij elkaar zien te verdienen. Ik doe m'n plicht: ik denk dat ik 't goed doe. Is 't niet goed dan zoek ik wel een ander. Als me de een niet aanstaat ga ik naar een ander .. . Een jonge kerel moet gaan waar hij het meest kan verdienen; die moet nergens naar kijken, en waar je leutig kunt werken, waar hij niet chagrijnig is. Als mijn zoon thuiskomt, en elke avond chagrijnig is dan zeg ik: 'Zoek ander werk, dondersteen toch op! '

In de fabriek, wat zou U daar nou het liefste willen doen?
Waar ik nou sta, aan de pannen. Ander werk kan me ook niet schelen, maar ze zullen nooit zeggen: 'Doet ge dat graag, of doet ge dat niet graag? ' Maar als ze me laten lassen zullen ze 't toch wel weten, want dat doe ik niet graag. Dat is geen vak. Dat moeten ze automatisch maken. Dat is het stomste werk wat er is.

Zo 'n pan, is dat nou een mooi product ?
Zou 't niet? Het is iets wat een vrouw in het huishouden gebruikt, dat heeft ze iedere dag in haar handen. Dat produvt moet tamelijk goed zijn. Iedere vrouw en iedere man moet er mee om kunnen springen.

Is dat werk dat U doet nou ook gevaarlijk?
Gevaarlijk? Als ge een plaat hebt en ge laat 't een fractie van een seconde te laat los en ge hebt een handschoen aan dan gaat de hand ook mee.
Er is nog nooit iets gebeurd, maar 't kan toch. Ik zal nooit als ik een plaat inzet, en er roept iemand, luisteren. Dan blijf ik bij die plaat. Het blijft uitkijken, die dingen komen naar beneden, ook als je hand eronder zit. Daarom zitten er tegenwoordig van die kappen om. Als de pers naar beneden komt, komt de kap ook naar beneden. Als die kap iets voelt, als-ie niet kan sluiten, gaat de machine niet af.
Soms snijden die platen dwars door de handschoenen, zo scherp als vlijm. Als ik scheermessen maak en ik werk een halve dag, dan zit ik bij de zuster. Wij zijn te wild, want die mensen die er gewoon aan zitten mankeren niks. Geen een machine is mooi, je moet er altijd bij werken. Als je op een knop hoeft te drukken en er niks hoeft te doen, dan vind ik ’t een mooie machine. Als je zorgen hebt, dan ben je gekuld en je moet de hele dag denken: 'God, thuis gaat dat niet, of dat niet.' Ge moet er de hele tijd bij zijn. Soms denk je: 'Ik word stapelgek.' Als je op de weg rijdt ben je toch ook de hele tijd bezig om iets te zien?
Je kunt overal over prakkiseren, maar dat moet je niet doen, anders ben je zo naar de haaien. Ik kijk wat rond en ik doe wat. Je zingt af en toe een stukje. Je moet de zenuwen ook van je af kunnen zetten. Als de dokter mij raad geeft volg ik die.
Toen ik voor tien jaar, 't is al langer geleden, op de Kunstzij werkte, kreeg ik dat dikwijls. Als ik de raad van m'n huisdokter niet gevolgd had, had ik ook in hetzelfde geval gezeten. Regelmatig schaften, regelmatig eten, regelmatig rusten. Anders raken de mensen overspannen. Ik weet niet wat dat is, overspannen, ik heb 't gelukkig nooit gehad. Zenuwachtig wel! Maar dan scheid ik er ook mee uit ook, dan leg ik gelijk alle machines stil. Als 't mij niet goed gaat, en er loopt iets tegen, dan gooi ik alles weg, ik ga m'n handen wassen, rol een sigaretje, dan ga ik terug, is 't over; 't duurt maar kort. Dat wil de huisdokter ook weten: waar word ik zo zenuwachtig van? Waarvoor moet ge uw eigen nou zo druk maken? Soms werd ik zo ziek dat ik gewoon naar bed moest.

Toen vroegen ze: 'Hoe komt dat nou dat ge u eigen zo van de kaart werkt? ' Met dat ge denkt: "t Gaat niet meer, gooi dicht! ' Dan zegt de dokter: 'Ge gaat rusten tot ge weer bekomen bent.' De laatste tijd heb ik 't niet meer, maar er is een tijd geweest... Ik moet me eigen kalm houden en de zaak neergooien en er uitscheiden. En rustig blijven en dan komt 't uit z'n eigen wel goed. Maar ge zit met kleine kinderen en dan denken ze dadelijk dat ge wat aan de kop hebt, het een of ander. Maar daar heb ik me nooit druk over gemaakt Ik heb ze allemaal grootgebracht. Ze zijn bij mij allemaal even welkom, maar vandaag de dag doe je 't niet meer. Wij waren met z'n twaalven; ik was de zevende. Ik geloof niet dat mijn kinderen er zeven zullen krijgen. Het zou ook niet goed zijn.

Naar die kerk heb ik nooit geluisterd! Dacht gij dat die me vertelde dat ik kinderen moest maken? Die pastoor heeft niks te zeggen. Ik doe waar ik zin in heb. Hij heeft dat ding niet geschapen voor mij; dat was van mij toen ik trouwde.
Mijn vrouw is wel eens wat anders. Ik ben wel wat makkelijker als zij. Vroeger als ge er een of twee had, en 't duurde wat lang dan zeiden ze: 'Hoe is 't, blijft dat zo? ' Dan zou ik ze wel geantwoord hebben: 'Ik moet toch voor die mensen de kost verdienen, niet gij.' Nee, daar heeft de pastoor bij mij niks over te vertellen. Toch heb ik er zeven, en ik heb van alle zeven plezier gehad. Toen wisten we nog niet zoveel als nou. Wij waren vroeger zo wijs niet als de jeugd van tegenwoordig.

U gaat wel elke week naar de kerk?
Dat zijn wij van thuis uit gewoon. Wat m'n kinderen doen moeten m'n kinderen weten, ieder mag z'n eigen weg gaan. Zolang ze nog geen eenentwintig zijn zal ik ze wel zeggen dat ze naar de kerk moeten gaan. Daarboven moeten ze 't zelf weten. Ik zelf ga. Waar we ook zitten of kamperen: als er een kerkske is gaan we er naar toe. Dat is nou eenmaal de gewoonte van de mensen.

Bent U een gelovig mens?
Nou geloven ... De ene keer wel, de andere niet. Ze maken me alles niet wijs! Wat mijn geloof me toe lijkt, geloof ik.
Ik ga altijd stemmen: dat kunnen ze me nooit verwijten. Op de fabriek ook, voor de ondernemingsraad. Er zijn sommigen die niet stemmen. Die zeggen: 'Wat heb je eraan om die vent in de ondernemingsraad te hebben? ' Dan ga ik wel. Anders zegt straks de directeur: 'Hij komt erin, en hij en hij.' Zijn vriendjes. Maar zo is 't niet. Want hij wil toch een ondernemingsraad hebben. Net zo goed willen ze nu van de vloer uit volk om te praten met boven. Dat wil ook niemand doen. Mij hoeven ze niet op de lijst te zetten, want ik zeg: 'Ik doe 't niet, daar begin ik niet aan,' daar kom ik eerlijk vooruit. Als ik zeg: 'Daar begin ik niet aan,' dan begin ik daar niet aan. Nee, want dan wordt ge straks verantwoordelijk gezet voor de anderen. Dat wil ik niet. Zeggen ze ons: 'Zo en zo is besloten, dat moeten jullie de anderen vertellen.' Nee, dat moeten ze zelf doen. Laten ze de mensen maar in groepjes naar boven laten komen en 't zeggen; dat doen ze nou ook af en toe. Zo zie ik dat. Dat die mensen van boven willen dat gij de mensen overhaalt. De ondernemingsraad is ervoor om tegen de directie in te gaan. Het volk zegt tegen de ondernemingsraad. 'Zo en niet anders.' Dat zal ook altijd niet meevallen, denk ik. Maar ze hebben zich te verzetten en ze moeten voet bij stuk houden. Lukt 't niet, dan lukt 't niet; daar kunnen ze ook niks aan doen.

En als die ondernemingsraad nou eens veel meer macht kreeg? De meeste macht?
Dat kan niet. Zou gij denken dat dat kon? Dan zou 't er dikwijls treurig uitzien want de ene zou 't zó willen en de andere zó ...

Wie heeft er nou eigenlijk de hoogste macht in de fabriek?
Zou de directeur die niet hebben? Als die tegen jou zegt: 'Eruit! ' dan hoefje niet meer binnen de poort te komen, en lig je erbuiten.

Is er nog iemand boven de directeur?
De aandeelhouders; als ge uw centen ergens brengt hebt ge ook wat te vertellen. De directeur speelt baas over jouw centen. Er is altijd baas boven baas.

Wat doen die aandeelhouders?
Dat weet ik niet, daar ben ik nog nooit bij geweest, jij wel? Ik heb ze wel eens in de fabriek gezien, ik weet wel dat ze grote sigaren roken, dat weet ik wel. We hebben er wel eens van één 'n grote sigaar gehad ook: 'Steek maar eens op,' zeid-ie. Dat was toen de fabriek hier net stond, toen ging 't nog allemaal goed hè. Ik zeg: 'Dat is goed, dan kunnen we ook van de winst profiteren.' Je ziet ze niet meer nou dat grote gebouw in Dordrecht staat.

En die strijken een deel van de winst op...
Een deel? Ik denk het meeste; als er winst gemaakt wordt tenminste. Dat hebben wij goed te vinden. Dat ze alles opstrijken vind ik niet mooi; je hebt sommige fabrieken waar ze delen in de winst, dat is nog wel eens een paar centen. De arbeider ontwikkelt zich de laatste jaren ook nog al. Die jongen die hier gisteren op de bank zat is een gewone arbeider maar die heeft toch ook z'n eigen bedrijfje. Hij heeft een lasmachine staan. Die jongen die durft. Hij durft 't nog niet aan met een knecht, want, zegt hij: 'als ik 't goed zou willen doen zou ik er ineens veertig, vijftig man tegenaan moeten gooien; ineens goed, er op of er onder.' Ja, dat moet zo, dat jongens die iets kunnen en er iets voor voelen dat die de kans krijgen.

Heeft U voldoende kansen gehad?
Ze hoeven mij niet meer kansen te geven dan ik al heb.

Maar toen U jong was?
Hadden we geen kansen. Toen moesten we werken, en daarmee uit. Als je werkte werd je rijk. Was ook niet waar, maar dat dachten de mensen. Een beetje geluk hebben, en veel denken en prakkiseren, die werd wel rijk.

Had U nooit meer gewild, een eigen bedrijfje, een ander beroep ? Hoger in de fabriek?
Hoger in de fabriek, daar zijn wij te lomp voor; dan hadden we meer moeten leren vroeger. Tot mijn veertiende ben ik naar school gegaan. Dat was toen al verplicht. Maar we hadden liever dat we met ons twaalfde er afgingen dan met ons veertiende. Ik dacht dat ik al een hele piet was: lange broek aan, klompen aan, en de akker op.
Ik ben tevreden, ik ben altijd tevreden. Ik ben een heel makkelijk mens.

Als U niet tevreden zou zijn, zou U dan iets kunnen veranderen?
Veranderen? Dan maakte ik achter mekaar dat die dochter van mij een huis kreeg. Als ik maar wist waar ik zijn moest. Ja ... hoe lelijker ge doet hoe eerder ge een huis hebt. En als je geld genoeg hebt kan je overal terecht. Natuurlijk, dat durfden ze niet te zeggen; maar ze krijgen geld toegestoken en daar mee uit.
Als je op een van die fabrieken werkt, dan krijg je wel een huis. Die jongen van mij die op de fabriek werkt die had geen gedonder met huizen, die had er zo een. Die jongens gaan met de directie praten. Hij werkte er en zij werkte er. De fabrieken krijgen huizen toegewezen en zeggen: 'Hij komt erin, hij komt erin.'

Dus die heeft macht...
Ja, die heeft macht.

Heeft U nou macht in de fabriek?
Welnee, wij hebben geen macht in de fabriek.

En met z'n allen?
Met z'n allen ook niet. Tenzij we de zaak stilleggen.

Heeft U nou macht in de gemeente?
In de gemeente heb ik helemaal niks te zeggen.

Waar heeft U dan wél macht?
Nergens in, nergens iets te zeggen. Waar hebben wij nou macht over?

Thuis?
Over eigen huis.. . Over je kinderen heb je niks meer te zeggen als ze eenentwintig jaar zijn; over m'n vrouw heb ik ook niks te zeggen, als ze gaat dan gaat ze. Macht, macht hebben wij niet.

Wie heeft er nou eigenlijk wel macht?
De een zal zeggen: 'Die', en de andere: 'Die beslist.' En wie beslist er nou feitelijk? Ik kan 't niet zeggen.

Maar wie heeft er nou meer macht?
Ik durf 't niet te zeggen.

Maar thuis kunt U 't zó inrichten als U zelf leuk vindt?
Ja. Niet zoals ik 't leuk vind, zoals mijn vrouw 't wil. Zij kan 't beter. De vrouw is de baas thuis. Waar de vrouw niks te zeggen heeft en waar de man de baas is, daar klopt iets niet. We beslissen samen wel wat, als er nou grote stukken komen. Maar over kleren zeg ik: 'Dat moet je zelf weten, gij hebt de portemonnee, gij weet waar ge 't krijgen kunt; en kom naderhand niet bij me voor geld, want dan hebt ge 't opgemaakt.' Als ik geld nodig heb dan krijg ik geld. Met een tientje in de week kan ik makkelijk rond.

Wat de fabriek maakt, heeft u dat ook?
Ga nou gauw zeg, wat moet ik er mee doen, met die rommel? Ik kan niet opnoemen wat ze daar maken, zoveel artikelen als ze daar maken. Strijkplanken, snelkookpannen, koffiezeven, afdruiprekken, dat soort dingen heb ik allemaal, daar krijg ik vijfentwintig procent korting op. Sommige zijn wel goed maar je hebt er ook bij...

Als U nou zelf een product mocht maken, wat zou U dan maken?
Wat zou ik dan maken? Ik kan niks verzinnen; het zijn allemaal onderdelen die je maakt; van de strijkplank niks anders als de poot. Als je 't allemaal monteert, is 't ook een strijkplank. Die pan wel, die maak ik compleet bijna; het handvat zit er niet aan en zulke dingen. Het hele ding maken ja, dat is veel mooier. Dan kun je zeggen: 'Dat ding heb ik zelf gemaakt.' Maar nu kun je niks anders zeggen dan datje dat ding met z'n elven maakt, hè.

Zou U 't leuk vinden om 't helemaal zelf te maken?
Ge zoudt achterover slaan van wat dat zou kosten. Als je met één man gaat werken in plaats van met drie, kost de pan ook een stuk duurder; en dan gaat 't niet zo snel, want nu gaat 't van de ene hand in de andere hand. De ene schuurt ze, de ander zet er die stukken aan waar het handvat komt, poetst ze nog wat af; en op het laatst komen ze bij mekaar, die pannen, en dan gaan ze ze nog wat afvegen, fouten; dan gaan ze de band erom plakken, en dan gaan ze ze samen in de doos douwen. De een doet ze in een doos en de ander plakt ze dicht. Maar als ge dat alleen moet doen valt 't tegen hoor. Dan geloof ik niet dat ge vijftig pannen inpakt op een dag. Het zou toch duurder komen, Dat kan niet, zoiets. Dat zou een veels te dure grap worden. Ik zou graag zo'n pan op een machine draaien: compleet eruit. Twee walsen achter mekaar. Een machine, plaat erop, zelf afwerken. Leuk en gemakkelijk ook, dan hebt ge niet zoveel werk meer; hij komt er als pan compleet uit. Dat is hetzelfde als ... mijn zoon zit bij Groenewegen. Die kreeg een aanhangwagen te maken, en die lasten ze compleet af, van het begin tot het einde. Die konden zeggen, twee of drie man: 'Die wagen hebben wij gelast, en geen mens anders, die hebben wij in mekaar gezet.' Dat vinden zulke jongens prachtig.
Dat zou ik ook veel leuker vinden, maar dat gaat met zo'n wagen, niet bij een pers.
Leuk werk, daar gaat 't niet om. Je kunt wel leuk werk hebben met vier, vijf man ... We hebben zijkanten gemaakt van boekenrekken.

Toen zaten we in ploegendienst met negen man; toen hadden wij altijd plezier, de hele avond gelachen en gedaan. En op het laatst was er dan tarief: vijftig procent extra kwam eruit, hoor. We waren ook op tijd klaar. Gewoon ieder op z'n plaats waar hij 't snelst is. En later op de dag gingen we ruilen: de één ging eens daar zitten, de ander daar. Is er dan nog eens een ziek dan kunt gij invallen in het zwaardere, en diegeen in het lichte werk. Maar ge hebt er bij die 't niet willen; die komen op een licht baantje. Die kunnen feest vieren. Dan krijgt ge de pest in. De een heeft niks te doen en de ander moet z'n eigen kapot werken. Dat vind ik niet goed. Als die jongen in het lichte werk is ingewerkt moet-ie een andere ook eens laten uitrusten. Maar dat krijgt ge met de jeugd van tegenwoordig niet meer geflikt. Als er een jonge kerel van vijfentwintig jaar toevallig het lichte baantje krijgt en gij het zware en ge zegt: 'Kom, we ruilen eens,' dan zegt-ie: 'Loop naar de klote, ze hebben me hier neergezet maar niet daar.' Dan heb je de poppen aan het dansen, want dan zorg je dat hij niks verdient: dan verdienen ze geen van tweeën iets als ze in het tarief staan. En dan moppert hij: 'Hij werkt niet.' Dat is zijn eigen schuld.

De goeie mensen bij mekaar: want de ene mens werkt ook niet graag met een ander. Wie staan er bij mekaar? Vooral dat band-werk, dat lopende werk, dat gaat de hele dag door. Ge zit met een maat, gaat-ie vlugger, dan moet gij ook vlugger, gaat-ie langzamer dan moet gij ook langzamer. Het gaat de hele dag niet eender. Maar als ge nou alleen werkt zoals ik: ik kan mijn eigen tempo bepalen. Ik word niet moe, de hele dag niet. Ik bepaal m'n eigen tempo en op het eind van de dag heb ik net zoveel gedaan als een ander. Als ge uw eigen tempo niet kunt bepalen gaat 't niet goed; dat is glad verkeerd.

Kan Uw werk ook automatisch ?
Nou dit zullen ze niet zo automatisch maken, een pan maken niet. Ze zullen 't wel iets vermakkelijken of zo. 't Zou me niks kunnen verschillen. Ik zou liever bij een automatische machine staan, dat is makkelijker.

Maakt U zich wel eens zorgen over de toekomst?
Ik? Waar moet ik me zorgen over maken; over die laatste jaren? Ik heb toch altijd te eten.

Nou zoals in de crisistijd...
Maar zo wordt 't niet meer. Gij gelooft toch niet dat wij voor tien gulden gaan staan spitten van 's morgens zeven tot 's avonds zeven? ! Dat maken wij niet meer mee! Dat kan toch niet meer. De tijden zijn veranderd. In de crisistijd stonden de mensen de straat om te spitten, zó diep, met een schop. Dat moesten ze nu eens tegen een mens zeggen. Er zijn toch machines zat die dat kunnen. Dat hoeven wij toch niet meer te doen, hè. Twaalf gulden was misschien wel honderd gulden nu, dat weet ik niet. Maar ja, de mensen leefden anders dan nu. Toen ik nu in '48 hier naar toeging zeiden mijn ouwelui: 'Wat doet ge nou, een bel aan de deur? ' Toen zei ik: 'Wat wilt ge nou, een moet toch ook een huis hebben, net zo goed als gij! ' Een bel, dat was vroeger voor de rentenier, voor de oorlog, dat je langs vóór moest komen en bellen. En nou ging er een werkman in! Zo dachten mijn ouwelui. De mensen zijn er allemaal op. vooruitgegaan. Want als ge nu bij een boer binnenkomt, en ge kwam er dertig, veertig jaar geleden in, dat is wel een beetje verschil.

En de arbeider?
Die heeft 't ook niet zo slecht meer; die zat ook in een klein huisje. Die zijn er op vooruitgegaan, volgens mij wel. Ons soort mensen, die dan gingen werken, wij moesten kippen en varkens houden, want anders konden we 't huishouden niet onderhouden; 's avonds moest langs de akkerkant gras voor die beesten gesneden worden om te eten. Nu mag je ze niet houden, nog geen varkens, hond of konijn. Ik had vroeger drie varkens in de schuur. En elk jaar slachtte ik er een. Dat mag nu niet meer. Als wij er nu nog zo als vroeger bij zaten dan had 't er treurig uitgezien met zo'n hoop volk. Ik heb hard gewerkt, dat wil ik wel weten. Zo hard ik kon. En dat deed je vroeger ook. Maar vroeger leefden ze anders; douwden ze die centen mij mekaar zo'n sok in: 'Pas d'rop dat jullie er niet uitvallen, want ik moet er op m'n ouwe dag van leven! '

Maakt U zich zorgen over de ouwe dag?
Nooit niks. Als ik van m'n AOW niet rondkom ga ik naar de gemeente en zeg: 'Kijk eens hier, ik wil sociale bijstand.' Ik weet toch waar de ombudsman zit! 'Wie niks anders als AOW heeft,' zegt hij, 'die zal ik een kaartje sturen en raad geven.' Die man die volg ik altijd. Die komt voor allemaal op; net als Willem Duys, daar kijk ik ook graag naar. Maar veel mensen lukt 't niet, die niks als AOW hebben en die een huis moeten betalen, zo'n huis van ouwe van dagen, van vijfentwintig, dertig gulden in de week; ik geloof niet dat die een brede dag hebben.

Ik heb voor een huis gespaard, m'n kinderen zijn getrouwd, nu hoef ik niet meer te sparen. Nou geef ik 't meeste uit. Straks als ik gepensioneerd word en ik ben nog goed gezond, dan zal ik ervan profiteren. Ge zult me niet dikwijls thuis aantreffen. Dan ga ik overal naar toe; op ons gemak aan. Dan moet ik plezier van het leven maken, want daar gaat 't om de laatste jaren. Volgend jaar heb ik drie dagen meer vakantie. We waren van plan om drie weken te gaan.

Ik heb gewoon vooruit geleefd. Ik prakkiseer niet over wat er morgen moet gebeuren. Dat komt morgen wel. M'n vrouw zegt wel: 'Er moet dit en dat.' Ik zeg: 'Och meiske ga je niet druk maken.'

 

Inpakster

Mijn werk is natuurlijk aan de lopende band; je raapt koekjes. Ik raap er achttien. Die gooi ik dan in een schuitje en het meisje dat naast me zit doet het in een zakje en zet het weer op die band. We beginnen om kwart voor acht. Als het kwart over acht is: ruilen. Ja dat is makkelijk en er wordt ook helemaal niet gezegd van ik ga niet ruilen. Nou en dan om half tien, vijf over half tien dan gaan we koffie drinken, met een sigaretje roken natuurlijk. Nou en dan gaan we weer eens om kwart voor tien beginnen. Nou en dan is het zo kwart voor twaalf en dan gaan we eten een half uurtje. De dag is zo om ... nou je kan praten en lachen natuurlijk. Ik vind het wel makkelijk. Ah, ik mag er toch graag wezen, echt. De ene dag ook liever als de andere natuurlijk.

Loopt zo'n band altijd even hard?
Nou, we hebben bijvoorbeeld een band met karabiesjes, dat zijn van die hele kleine koekjes, dan ben je 's avonds bekaf. En dat ben ik niet alleen, dat zijn ze allemaal. Dat is zó zenuwslopend werk, verschrikkelijk, omdat het maar kleine koekjes zijn natuurlijk. Maar ja, dat hebben we gelukkig niet elke dag.

U komt uit Limburg. Wat heeft U vroeger zoal gedaan?
Ik heb vroeger in de gezinszorg gewerkt. Ik heb voor mijn trouwen in het ziekenhuis gewerkt. Nou, daar heb ik drie jaar gewerkt. Toen ben ik getrouwd en ben ik in de gezinshulp terecht gekomen, dan bij die mevrouw en dan bij die mevrouw. Later toen ben ik bij V & D terecht gekomen. Daar heb ik niet lang gewerkt want daar moest ik 's zaterdags en daar had ik de pest in.

Hoe werkte U daar?
Nou, ook huishoudelijk werk bij V&D, in de kantine, in het snelbuffet. Dat interesseerde me niet zo erg veel. Toen heb ik in een fabriek in Leeuwarden gewerkt. Toen stond ik ook in de kantine. Als je in de kantine staat, dan kun je nog wel eens even weglopen en dat kan je niet aan een lopende band, daar kan je niet weglopen. Of je moet wel speciale aflos hebben, eentje die rondloopt, één van de ovenisten bijvoorbeeld. Als je die nodig hebt dan roep je even: 'Wil je me even aflossen? ' Dan kan het. Die juffrouw die alles controleert of alles goed loopt, nou ja, die lost je ook wel eens af hier aan de band.
Er zijn nooit moeilijkheden. De dames springen altijd voor elkaar in, altijd. Geen moeilijkheden. Ze zeggen wel eens: 'Alweer? ' maar dan komen ze evengoed. Ik bedoel maar, je zegt allemaal wel eens wat. Dan kom je en dan ga je.
De chef, die kan je nooit aflossen: hij heeft de telefoon, zit hij aan de band dan gaat onherroepelijk de telefoon. Dus dat kan niet. De chef kan namelijk nooit aflossen.

Heeft U heel Uw leven eigenlijk gewerkt?
Ja. Ik was vierentwintig toen ik trouwde. Nou, ik kan rustig zeggen van vijftien, zestien jaar, dat ik werk. Van vijftien, zestien tot mijn éénentwintigste jaar heb ik bij mijn vader dan gewerkt. Een melkrijdersbedrijf. In die tijd moest ik 's morgens bij mijn vader eerst de melkbussen op de wagen gooien, dan naar mijn eigen werk toe, dat was gewoon bij een mevrouw dan, nou en dan ga je weer naar huis toe en dan moet je thuis weer helemaal aan de gang. Dan moest ik het huis weer doen. Dus... ik weet wel wat werken is. Want ik was de oudste. Nou en allemaal jongeren onder mij. Mijn vader een eigen zaak en mijn moeder naaide veel. Dus die had ook helemaal niks wat de huishouding aanging. Dat moest ik doen.

Met hoeveel was U thuis?
Nog twee zusters en drie broers. Dus ... ik wist wel wat ik doen moest. Een groot huis.
Ik had toen bij mijn ouders... had ik twee baantjes, ja drie. 's Morgens vroeg de melkbussen erop zetten, die naar de fabriek brengen met mijn vader en terug. Nou, dan gauw een kopje koffie en dan kon je weer naar . een ander. Nou, en 's avonds thuis weer. Dus weet ik wel wat werken is, hoor! Maar ik heb er nooit geen spijt van.
Had U niet misschien wat door willen leren of een cursus volgen?
Nou, ik had wel altijd zin in de huishoudschool, daar had ik wel zin aan, maar naaien niet hoor. Dat wou ik nooit worden.

Waarom niet?
Nou, ik hou helemaal niet van naaien want ik zag het altijd van mijn moeder die dag en nacht zat te naaien. Dank je wel! Thuis en voor andere mensen naaien. Nee, mijn moeder heeft ook wel te hard gewerkt, dat.. .mij niet meer gezien hoor! Ik word dit jaar éénenveertig. Nee, wat dat betreft hebben de meisjes het tegenwoordig beter.ook wat bij ons betreft. Absoluut hoor. En ze verdienen goed die meisjes. Echt hoor.

Waarom werkt U eigenlijk?
Omdat ik gewoon niet thuis kan zitten. Echt niet, ik kan niet thuis zitten. Vliegen de muren gewoon op me af. Beslist. En ik geloof dat een hoop van de getrouwde vrouwen dat zullen zeggen. Beslist. Want dan zijn er ochtenddames, nou die werken beslist niet alleen voor hun geld hoor!

Niet alleen voor hun geld?
Nee, d'r zijn er ook wel, ik natuurlijk ook, ik doe het ook voor het geld, net zo goed, want als je tegenwoordig niet bij werkt, nou de levensstandaard is zo verschrikkelijk omhoog gegaan en de huren, dat kan één man nooit meer verdienen. Bestaat niet. Het kan wel maar dan krijg je niks te eten.

Door die huur of zo ?
Door die huren en nou ... alles, de levensmiddelen ook. Nou, wat doe je op het ogenblik met honderd gulden als je naar de winkel gaat? Niks meer! En daar zijn een hoop vrouwen eigenlijk ook om gaan werken. Als ik niet werk zou ik niet in die dure huizen, in die flats kunnen wonen. Dan kon ik niet doen wat ik nou wel kan doen. Ik heb vier gulden en negentien cent per uur bruto. Nou en daar gaat de belasting en de hele mikmak af. En dan hou ik over, vierhonderd en elf gulden in de vier weken. Daar komt 't wel op neer. Voor mij is het honderd gulden in de week. Ik werk vier en een halve dag. Ik maak acht en dertig en een half uur ongeveer, per week. Van 's maandagsmorgens tot vrijdagsmiddags kwart voor twaalf. En dan hou ik op. Vrijdagsmiddags werk ik niet. En dat vind ik persoonlijk heerlijk, vrijdagsmiddags thuis te zijn. Het leven is te duur en je huur van de huizen is te hoog. Want als je bijvoorbeeld, nu zouden jullie, ik weet niet of U getrouwd bent of niet, U zal in een duur huis wonen net als hier, nou dat kan U beslist niet alleen verdienen. Dat bestaat niet. Mag U wel duizend gulden in de maand hebben anders kan dat nog niet. Tenminste als je lekker eten wil en drinken wil en wat dan ook. Anders kan het beslist niet meer. En dan, wat noem je luxe! Ik bedoel maar, ik vind t.v. een luxe. Een radiocombinatie vind ik een luxe. Ja, wat noem je nog meer een luxe.
Een wascombinatie noem je luxe. Of, een luxe is het eigenlijk ook al niet meer hoor want dat noem je niet een luxe meer.

U heeft hier tv ?
Ja, tv, radio, wascombinatie, alles heb ik. Pick-up met grammofoonplaten. Ik bedoel maar, nou liet zijn geen goedkope platen die we daar allemaal hebben hoor. Maar ja, ik bedoel, het leven is ook veel anders dan vroeger. En ik zeg: 'Als ik niet bijwerkte kon ik beslist niet doen wat ik nou wel doe. En honderd gulden in een weekend, als ik naar Leeuwarden ga, om uit te geven, of naar Limburg . . . Net als met de bevallingen ook, want ik heb er de laatste tijd al weer heel wat gehad, met de bevallingen van de kinderen dan bel ik eerst op, stuur een bloemetje van tien a vijftien gulden. Nou en dan ga je naar Leeuwarden toe, neem je een cadeautje mee.
Ja, het hangt er van af, willen ze bijvoorbeeld een jurk of een truitje of wat dan ook, een tientje, dan heb ik mazzel. Maar het kan net zo goed zijn, nou voor vijfentwintig gulden of dertig. Ik bedoel maar dat doet me niks. Ik geef het. Omdat ik het verdien. Anders kan ik het beslist niet doen.

Anders moest U altijd geld aan Uw man vragen?
Wat mijn man verdient dat komt net zo goed in de huishouding terecht, net zo goed. In het begin zei mijn man wel: 'Nou, blijf maar thuis.' Toen heeft ie ook wel eens gezegd: 'Je gaat niet meer werken, je hebt nou genoeg gewerkt.' Nou ja, ik zei: 'Dan niet.' Maar ik ben toch gegaan. Ik weet niet, dat doe je! Nou, als je eenmaal getrouwd bent en je blijft doorwerken, nu je blijft doorwerken hoor, zolang mogelijk als je kan. Als je kleine kinderen hebt, houdt het vanzelf op. Maar als je grote kinderen hebt of je hebt helemaal geen kinderen, je blijft werken hoor! Absoluut. En dat ben ik niet alleen, dat zijn d'r meer. Vroeger was ik thuis als mijn man ook thuis kwam. Of een uur vóór de tijd, zorgde ik al dat ik thuis was. Maar nou niet meer. Nou werk ik hele dagen en dan doen we samen de huishouding. De ene keer doe ik dit en de andere keer doet hij dat. We hebben nooit geen last.

Heeft U nou het gevoel dat U zelfstandiger bent dan andere vrouwen die niet werken?
Ja. Je komt meer onder de mensen. En je hoort ook veel meer. Want ik weet nog goed toen ik nog niet getrouwd was, dat zegt mijn man nog vaak tenminste, als ik bij iemand was, dan deed ik de hele avond geen mond open. Zo stil was ik. Ja, ik kan nu nog wel stil wezen hoor. Maar nu ben je drukker. Je komt meer overal. En ... ik weet niet, je bent vrijer geworden. De ene vrouw werkt bijvoorbeeld op kantoor een halve dag, al is het maar 's ochtends alleen werken of 's middags alleen werken, ik bedoel dat zijn er veel hoor. De ene werkt 's morgens liever en de ander werkt 's middags liever. Ik heb het eerste jaar, ik geloof anderhalf a twee jaar ook halve dagen gewerkt. Ja, toen werd mijn man ziek. Hij heeft heel lang met zijn rug gelegen, toen moest ik eigenlijk wel hele dagen gaan werken, omdat ik het anders niet volbracht, want toen kostte 't ook veel.

Nu zit U dus sinds een jaar of zeven bij dat bedrijf. Kunt U ook nog promotie maken of zo ?
Nou daar heb ik geen belang bij. Ik heb daar persoonlijk geen belang bij. Het zou wel kunnen, mits dat je promotie zou maken maar op een andere afdeling. Niet op de eigen afdeling want dat is waardeloos. Ja! Want op de eerste plaats, je bent als collega's met elkaar begonnen, gewoon het werk aan de band. En dan zou je plotseling bevoegdheid krijgen om bijvoorbeeld iemand wat te zeggen. Nou dan zeggen ze ijskoud tegen je: 'Waar bemoei je je mee? 'Dat zou ik zeggen, maar dat zou een ander ook tegen mij zeggen. Promotie maken is goed maar dan op een andere afdeling en niet op dezelfde afdeling waar je altijd gewerkt hebt.
We hoeven mekaar niet te regelen. Dat is helemaal niet nodig. De chef zegt 's morgens: dat en dat moet je doen. Heb je mazzel dat je achteraan staat, nou dan blijf je daar de hele dag staan of zitten. Als je bijvoorbeeld altijd achteraan die dozen zit of staat, dat is zo'n eentonig werk! En als je vooraan zit, de ene dag heb je Zaanse koeken en de andere dag karabiesjes. Dan es een keer een dag speculaas; de afwisseling is veel beter.

Als het op de koek niet druk is dan word je uitgeleverd. Ik noem dat uitleveren, 't Is natuurlijk niet zo hoor, dan moet je naar de chocolade afdeling of naar de koffie of naar 't distributiecentrum. Echt hoor, over 't algemeen hebben ze er een hekel aan om naar een andere afdeling te pan. Je kent mekaar en je weet precies hoe ver dat je gaan kan. Want bij ons worden ook wel moppen verteld aan de band ea als je dan op een andere afdeling bent, de sfeer is daar anders terwijl je daar net zo hard moet werken. Maar andere collega's, ja je weet vaak niet watje daar mee aan moet. Kan je daar een grapje vertellen, kan je dat niet? Dat weetje soms niet. De ene dag kan 't goed lukken, de andere dag lopen ze met zulke gezichten. Ik ben zelf ook wel es naar een andere afdeling gestuurd, dat er bij ons niets te doen was. Dan had ik ook zo'n lang gezicht hoor, net zo goed. Maar ja, dan denk je volgende keer een ander weer.

Ze weten allemaal heus wel dat als er eens wat is, dat ik bij spring. En dat weten ze, en als er wat is dan help ik ze ook. Maar daarom ben ik helemaal geen slavin hoor. Dank je wel. Want als ik de kans krijg om wat te laten doorlopen doe ik het ook nog, net zo goed. Als ik vooraan de band zit en ik krijg de kans om de koek voor achter te laten lopen, dan doe ik het nog ook. Dan moet die het oppakken. Oh, dat doe ik ook wel eens hoor! Maar als ik achteraan zit en ze doen het, dan hoef ik maar even te kijken, dan zeg ik niks, dan kijk ik alleen, nou dan rapen ze weer. Dan raap ik ze wel op natuurlijk, nou dan is er weer niks aan de hand. Dan is er beslist niks aan de hand, maar dan lach ik alleen even. Ik kan met iedereen opschieten, dat is het. Daarom hou ik dan m'n mond niet als er wat is. Je moet rapen, af. Dat doe je automatisch, je bent net een automaat geworden. Dat vind ik hoor. Ik zal vast niet zeggen van het is saai werk, of het is druk werk, de ene keer heb je het drukker als de andere keer. Dat weet je. Bij ons zijn er ook een paar meisjes die aan de band hebben gestaan die naar 't kantoor zijn gegaan. Die hebben ze gevraagd: wil je op 't kantoor, omdat 't kantoor op het ogenblik weinig meisjes had, en die zijn naar 't kantoor gegaan. Ze willen niet meer terug, in ieder geval, die twee die ik ken. Misschien omdat ze later beginnen, ik weet 't niet. En misschien hebben ze het gevoel: ik zit nou op kantoor. Maar ik geloof niet dat het daarom ... ze mocht altijd graag beneden wezen en ze komt ook nog wel eens beneden, even te praten met die of die. Maar ik geloof niet dat ze meer terug wil hoor!

Zitten er eigenlijk bij U ook mensen in de bond?
Bij ons op de afdeling, ik geloof dat er geen één in de bond zit, geen één. Ik geloof het niet. Misschien dat de getrouwde vrouwen, die haar mannen in de bond zitten. Dat weet ik niet natuurlijk. Je kan natuurlijk als d'r wat is, natuurlijk naar de bond schrijven. Dat is een ding dat zeker is. En ik zal ook niet zeggen dat de bond niks is, dat zou ik niet graag beweren. Het heeft zijn goeie en zijn kwaaie kanten natuurlijk. Meer de goeie dacht ik als de kwaaie. Ik bedoel maar als je, als je bijvoorbeeld in de bond zit en er zal wat gaan bewegen in een fabriek, dat je niet aanstaat, dan zou je natuurlijk altijd kunnen schrijven. Wat natuurlijk nul op 't rekest is. Want ik geloof niet dat er veel mensen in de bond zitten. Beslist niet.

Maar zou Uw loon misschien niet beter worden of zo, als U georganiseerd bent?
Ja, maar dat komt bij ons automatisch. Als we bijvoorbeeld, kleine metalen die zijn altijd het eerste wat de verdiensten betreft, dat krijgen wij natuurlijk ook met terugwerkende kracht. Bij ons zijn de lonen net zo goed als bij een ander hoor! Of dat komt, omdat ze anders geen personeel kunnen krijgen, ik weet het niet. 't Gaat toch via CAO, alles. We krijgen niet meer als ons toekomt. De bond zal zeggen: 'De dames krijgen zoveel en daar mogen jullie niet boven.' En dan doen ze 't ook vast niet, geloof dat maar niet. Dat gaat bij ons automatisch. Als ze bijvoorbeeld bericht krijgen van een bond of van die, waar zitten ze nog meer, van die suikerwerkbeweging, dat ze korter moeten werken, nou dat gaat bij ons automatisch.

Maar wie beslist dat dan ?
Nou ik vermoed dat dat wel de directie met de ondernemingsraad en zoiets is. En dat is zo ver weg.
D'r zijn bij ons nog nooit protesten geweest, niet dat ik weet tenminste, . dat het niet goed is. Het gaat allemaal zo gemoedelijk. Ze zijn over het algemeen wel tevreden. Je hoort wel eens gemopper maar och, dat is vandaag gemopper en morgen is het weer goed. Want je kan wel nagaan, ze blijven allemaal hangen, afmaai. Want de één is er zeven jaar, de ander acht jaar, de één negen jaar. Nou d'r is een meisje die is twaalf en een half jaar bij het bedrijf. Ze blijven allemaal hangen. Of ze gaan dan trouwen, dat is natuurlijk wat anders, maar de meesten blijven allemaal hangen.

En waarom zou je moeilijkheden maken als ze er niet zijn. Dat vind ik niet nodig, nee beslist niet. Maar als ik zeg: 'Dat kan niet.' dan kan 't ook niet. Omdat, ik heb eigenlijk ergens wat vóór, wat misschien een ander niet heeft, weet ik veel. Omdat ik nou een doordouwer ben, kan ik van mezelf natuurlijk niet zeggen. Ik krijg het meestal wel gedaan als ik wat hebben wil. In het bedrijf en er zijn er meer. Natuurlijk is het zo, als je het bijvoorbeeld erg druk hebt en de chef, ja dat de chef een slechte bui heeft... dat kan je allemaal wel es hebben, dan moet je natuurlijk niet naar de chef gaan en je moet dit en dat vragen. Dat is logisch, dat doe je niet. Dat doe ik niet en dat zal een ander ook wel niet doen. Meestal zie ik het 's morgens direct al of hij in een goeie bui of een slechte is, dat zie ik. Nou en als ik 't zie dat ie een slechte bui heeft dan ga ik vast niet naar hem toe en zeggen: 'Ik wil morgen vrij hebben,' of zo. Dat doe je niet. Nou en als hij dan bekomen is en een uur gewerkt heeft dan kijken we en nou, dan vragen we wat. Dan komt het meestal wel voor elkaar.

Vroeger, toen ik nog jong was, kreeg ik de gelegenheid niet om te leren. En toen ik van de lagere school afkwam moest ik direct in de huishouding werken. En later natuurlijk, toen ik ouder werd met mijn vader mee 's morgens. Maar ik heb er geen spijt van hoor. Ik kan tenminste mijn handen gebruiken en dat vind ik het voornaamste.

Als er nou zo 'n meisje van zestien of zeventien komt werken, wat zegt U dan tegen haar?
Nou dan denk ik wel eens bij m'n eigen: zou ze nou helemaal niet anders kunnen? Dan denk ik wel eens bij m'n eigen van zo'n jong meisje, zou ze nou helemaal niet kunnen leren, dat vind ik zonde. Ja, je moet natuurlijk de middelen ook hebben voor te kunnen leren. Je moet al goed kunnen leren en in de tweede plaats: pa heeft het geld. Dat geeft vaak de doorslag hoor! Maar ja, een hoop meisjes zijn blij dat ze van school af zijn. Maar die zullen diezelfde gedachte later ook wel krijgen hoor, net zo goed, als ik nu. Want dat ik vroeger toch nooit geprakkizeerd heb om door te leren, terwijl dat bij ons thuis wel kon. Niet dat ik, ik zal maar zeggen datje te vette pot had, beslist niet hoor. Maar als ik dat beslist gewild had . . . ik was allang blij dat ik van school afwas. En ik wist dat ik thuis moest werken, hoor!

Als U een man geweest was... zou U dan ander werk hebben willen doen?
Nou ik geloof dat ik dan terecht kwam in de auto's. In een garage of vrachtrijder of zoiets dat lijkt me wel mooi. Omdat mijn vader natuurlijk ook in die autobeweging zat, vrachtrijdersbedrijf, en dat interesseerde mij altijd wel. Vrouwen rijden natuurlijk net zo goed als mannen. Die luxe wagens en zo. Een echt vrachtrijdersbedrijf daar heb ik nou altijd zin in gehad.
Maar voor vrouwen is ook wel genoeg werk hoor. Als je dat wil. Nou, in alle opzichten wel. Want ik bedoel maar niet alleen het kantoor en de fabriek maar in de geneeskunde, ziekenverpleging, nou noem maar op. D'r zijn zoveel keuzen voor vrouwen.

Als U nu had kunnen doorleren welke kant was 't dan opgegaan?
Dan had 't toch de ziekenzorg geworden, want dat heeft me altijd wel geïnteresseerd.
Ik geloof wel als ik weer moest kiezen van voren af aan dat ik weer in zo'n fabriek terecht kwam. Ik zou wel weer naar school willen natuurlijk wel. Maar ik geloof als ik eraf was ging ik ook de fabriek weer in. Want ik heb altijd tegen zo'n fabriek opgekeken hoor! Beneden de drieëntwintig jaar krijg je nooit het volle loon. Tot je drieëntwintig jaar bent, kom je elk half jaar omhoog. Ik zit aan de top. Maar als we loonsverhoging krijgen gaan we automatisch omhoog, dat wel. Maar hoger kan je beslist niet. Natuurlijk, je kunt altijd meer gebruiken maar ik dacht niet dat je ergens anders meer kreeg. Voor dit werk wat ik op het ogenblik doe in de suikerwerken, nou daar kan je niet meer voor krijgen. Ze gaan natuurlijk wel van het standpunt uit: als je werken gaat dan is het vaak als bijverdienste, als vrouw zijnde. Of ze moeten natuurlijk alleen staan, maar ja die zullen misschien ook wel een hoger loon hebben.
Maar ja, die zullen dan ook wel zuinig aan moeten doen en geen hoge huur betalen. Je zou natuurlijk geen gekke sprongen kunnen maken, dat in de eerste plaats al niet. Je zal natuurlijk echt op koopjes uit moeten gaan. Als alleenstaande vrouw, als ze werkt dat ze echt op de markt of wat dan ook kopen moet. Je kan natuurlijk niet zo leven als wij, als getrouwde mensen die samen verdienen. Als mijn man niet werkte, dan zou ik beslist niet kunnen rondkomen.

Waarom worden bij het bedrijf hier vrouwen nou minder betaald dan mannen?
Het is altijd zo geweest dat de vrouwen stukken minder verdienen als de man. Maar langzamerhand gaat het toch omhoog. Dat de vrouwen, ze zeggen wel: de vrouwen krijgen binnenkort ook een mannenloon, maar ja dan gaat automatisch het mannenloon ook omhoog. Maar wij werken wel vaak als mannen hoor! Net zo hard als mannen. Maar die verdienen meer als de vrouwen. Dat is toch logisch, mannen moeten toch veel meer loon hebben als vrouwen. Omdat de man vaak hoofd van het gezin is. Een man die zegt: 'Voor honderd tien, honderdtwintig, daar doe ik het niet voor.' Er zijn er natuurlijk wel, maar ik geloof niet dat het er veel zijn.

Als ik op mezelf zou staan zou ik alleen met mijn eigen loon niet kunnen rondkomen. Je kan wel zelfstandig even goed wezen, als vrouw. Maar je zal zuinig aan moeten doen. Met eten en met kleren, nou met alles. Het is natuurlijk voor de mannen een groter risico alleen te staan omdat ze óf in de kost moeten waar ze tegenwoordig een kapitaal voor betalen moeten, want beneden de veertig, vijftig gulden kom je nergens meer. Maar vrouwen kunnen vaker nog een kamer huren waar ze zelf alles kunnen doen, terwijl mannen dat niet doen. Want ik zou niet graag zeggen als mijn man hier alleen was, hoe de huishouding draaide. Al zou hij zich kunnen redden, maar het fijne kan hij nooit. Een alleenstaande man is verplicht de was naar de wasserij te doen, bijvoorbeeld een keer in de week of twee keer, wat tegenwoordig ook niet goedkoop is. Dat hebben vrouwen natuurlijk niet. Die kan 's avonds zeggen, als ze thuis komt van haar werk: 'Zo, nou ga ik de was doen, de huishouding.' En dat heeft de vrouw, wat de man niet heeft. Wat de huishouding betreft ja. Ze kan werken én 's avonds de huishouding doen, wat niet altijd meevalt, beslist niet. Maar ja, 't zal toch moeten. Ik geloof dat een vrouw met een tientje meer kan doen dan een man met vijfentwintig gulden.

Wacht even, die heb ik niet helemaal begrepen!
Als ik met een tientje moet rondkomen ga ik op koopjes uit. En een man met vijfentwintig gulden gaat naar de winkel en koopt het. Een vrouw denkt wel eens vaker: 'Nou nee, laat het maar zitten of, kan ik niet goedkoper terecht ergens? ' Dat is een vrouw. De mannenlonen zijn nou eenmaal hoger als de vrouwenionen, dat is een ding wat zeker is. Maar in een hoop bedrijven doen de vrouwen net zoveel als de mannen.

Is dat redelijk?
Redelijk, ja wat is redelijk? Ik vind altijd dat de mannen hoger moeten komen als de vrouwen. Het is natuurlijk nooit redelijk, omdat de vrouwen net zoveel doen als de mannen. Maar ja, daartegen staat natuurlijk ook weer dat de mannen aan het hoofd staan en de vrouwen niet zo direct. Dat vind ik persoonlijk hoor.

Is 't ook zo dat het werk dat beter betaalt door mannen wordt gedaan ?
Jawel. Wij kunnen natuurlijk niet als vrouwen aan de oven staan, de oven aanzetten en zorgen dat het deeg niet in de machine komt en zo, dat kan natuurlijk niet.

Waarom niet?
Nou, daar hebben wij geen capaciteiten voor en 't is veel te zwaar voor vrouwen. De oven moet precies op temperatuur staan en dat deeg in de machine douwen, dat valt vaak niet mee hoor! Mannen zijn technischer als vrouwen. Natuurlijk, de vrouwen kunnen wel zeggen zó of zó moet 't maar dan komt het vaak toch niet terecht. Want we hebben een meisje op de afdeling die kent de machine net zo goed als de monteurs, die ligt er nou helemaal in voor die machine. En dan vind ik het ook redelijk als zij machinegeld, of gevarengeld zou krijgen. Ze zijn er druk mee bezig dat zij gevarengeld zal krijgen en dat vind ik nodig. Want die verantwoording die ligt nou bij haar voor de machine. Dan moet je ook technisch inzicht hebben. Dat heeft niet iedereen. Je kan wel een machine stopzetten 'tuurlijk, want daar staan overal letters bij. Maar als er een nieuwe rol op moet of er mankeert wat aan, dan moet zij dat doen.

Zou U een oven kunnen leren bedienen?
Nee beslist niet. Want dat is mannenwerk. Ik zou d'r ook geen idee bij hebben, ik voel d'r ook niks voor. Ik vind dat is mannenwerk, laat de mannen dat maar doen. Dat is eerst al: temperatuur tot en met. Hoe hard hij moet lopen, hoe zacht hij moet lopen, wat voor deeg moet erin, hoeveel suiker moet erin, nou dat kunnen wij toch nooit voor elkaar krijgen. Tuurlijk is het veel ingewikkelder. Want als je nou bijvoorbeeld Zaanse koeken hebt, ik weet niet wat erin moet, ik weet 't niet, maar een ovenist weet het wel. Je moet het leren, dat is een ding dat zeker is. Maar vrouwen moeten ze d'r niet aanzetten, dat is veel te zwaar werk, voor vrouwen tenminste, met deeg omgaan. En hoe moeten de koekjes naar beneden komen, hoeveel rijtjes per minuut. Hoe hard moet hij lopen, nou dat red je nooit. Want dan denk je aan het personeel, en moeten de vrouwen niet te hard werken, maar daar trekken de mannen zich toch niets van aan.

Wat koekjes rapen betreft: d'r is er geen een die het beter kan als vrouwen. Veel te precies. Vrouwen zijn nou eenmaal precies. Ze zouden het misschien wel kunnen, maar ze zijn veel roekelozer. Mannen kunnen niet zo goed met de zakjes omgaan als wij. Als wij bijvoorbeeld een doos met zakjes hebben waar koekjes in moeten, dan gaan er misschien twee stuk terwijl er bij de mannen al tien of vijftien stuk zijn. Die zijn veel harder in hun handen, dat is toch logisch. Ten alle tijde krijgt de vrouw minder loon als de mannen, terwijl ze vaak hetzelfde werk doen. Dat is nou eenmaal zo, d'r is niks aan te doen.

't Is wel dat vrouwen en mannen moeten gelijk staan, maar dat komt toch nooit, beslist niet. fin wat verdienste betreft: de vrouwen zijn natuurlijk zo langzamerhand omhoog gegaan, maar wat loon betreft kom je nooit zover dat de vrouwen meer verdienen als de mannen. Een vrouw moet enerzijds vrouw zijn. Als ze nou werkt is dat mooi en als ze 't doen kan is het ook prachtig. Maar je moet natuurlijk niet mannen werk afnemen, dat vind ik niet nodig. Laat de mannen maar hun eigen werk doen, want als vrouwen mannenwerk doen komt er werkeloosheid van de mannen.
Ik geloof dat als een vrouw meer zou verdienen als een man dan zou je op een gegeven moment toch zeggen: 'Wat moet je nou, ik verdien meer als jij,' tegen je man, en dat vind ik niet leuk. Ik vind dat mannen meer horen te verdienen als vrouwen.

Wat is prettiger: bij een mevrouw werken of in een fabriek ?
Nou geef mij de fabriek maar hoor. Nou ik vind als je al huisvrouw bent, je zit thuis ook al de hele dag in de huishouding. Dan kan je veel beter in een fabriek werken dat is afleiding en ander werk ook nog. Dat je een muur afstoft of zuigen, dat moet je bij een mevrouw ook doen. Nou dan kan je net zo goed naar een fabriek gaan, dat is ander werk. In de fabriek heb je nou eenmaal ander werk. Of je nou in de electriciteit zit of in de koek of in de suikerwerk of weet ik veel, het is ander werk dan in de huishouding. In de huishouding moet je alles zelf regelen en als je in de fabriek werkt dan wordt 't voor je geregeld.
Want wij zeggen ook wel eens van, 'Wat loopt ie weer hard.' Dan zeggen ze: 'Nee hij loopt niet hard,' terwijl ze zelf weten dat hij te hard loopt, maar ze kunnen het niet anders. Ze zeggen: 'Wij moeten het deeg opmaken voor kwart voor vijf,' en ze hebben zoveel degen die ze per dag moeten maken, het moet er doorheen. Dan zetten ze er liever beneden één extra aan om 't bij te houden. Dan loopt de band evengoed hard en je moét het rapen, je bent het verplicht. Ja hoor, dat merk ik wel. Wij schelden ook wel eens: 'Wat loopt die weer hard,' maar dan zeggen ze toch: 'Nee, hij loopt niet hard,' maar dan weten we voor onszelf wel dat het wel zo is. Ja, want koekjes eten ze altijd, de mensen, die eten ze praktisch allemaal.

Administratie daar hebben we natuurlijk helemaal niks mee te maken. Maar de productie die moet omhoog blijven, dat is 't. De productie moet gehaald worden per dag, per week. Anders zeggen ze: 'Hoe kan dat' en anders krijgt de chef weer op zijn kop. Als de band te hard loopt, dat kunnen we zelf wel merken, dan zetten ze er gewoon één bij, een meisje of een mevrouw erbij. Want evengoed weten wij wel hoe laat 't is. Dan loopt hij te hard. Ja, dat weet je als je in een fabriek werkt. Maar ik heb er geen spijt van en er zijn er meer die er geen spijt van hebben. Want je kan wel nagaan: ze blijven allemaal hangen op zo'n fabriek. Die eenmaal zijn begonnen die blijven d'r, omdat ze 't prettig vinden en afwisselend: 's morgens of 's middags, 't is maar net hoe ze aangenomen zijn. Nou en dan gaan ze rustig naar huis toe en buiten de fabriek weten we al niet eens meer, zijn we de fabriek vergeten. Zo gauw als de bel gegaan is zijn we 't vergeten. Je weet niet anders meer. Je gaat automatisch weer beginnen. Nee, we hebben helemaal geen zorgen van: nou hebben we vandaag bijvoorbeeld minder gedraaid als een ander. Daar trekken de vrouwen zich toch niks van aan, niks. Al lopen er ook bakken koekjes door: gewoon pech gehad. Daar hebben wij niks mee te maken. De ovenisten en de chefs, die moeten zich daar maar zorgen over maken, wij niet. Zij wel, maar wij niet. Want als wij merken dat de band te hard loopt, laten we het rustig doorlopen.

Dan loopt 't rustig in een bak, dan zien we wel weer. Dan zeggen we rustig met elkaar: 'Nou dan moet je de band maar niet zo hard laten lopen.' Dan ruimt degene die dan overloopt of degene die niks te doen heeft, die ruimt wat op en dat gebruiken ze weer voor ander deeg. Voor speculaas moet je oud deeg hebben, ik bedoel maar dat kunnen ze allemaal wel weer gebruiken. Maar wat dat betreft heb je 't makkelijk: als hij te hard loopt en je kunt 't niet bijhouden dan laat je 't rustig lopen. Dat is wel een voornaam ding, vind ik tenminste hoor! Nee, beslist geen zorgen op de fabriek. We hebben niks te vertellen, ook niet. Want ik bedoel maar als we zeggen: 'De band loopt te hard,' dan zeggen ze toch dat het niet zo is. Ik vind 't een heel voornaam ding als je meer te zeggen had op zo'n fabriek.
In de eerste plaats over dingen die gebeuren op zo'n fabriek, zoals: minder werken, lange of korte pauze of zoiets. Dat zou ik persoonlijk wel een voordeel vinden. Langere pauze tussen de middag, minder werken, dat die banden minder hard lopen, zodat je beter de productie bij kunt houden. Want als dis band te hard loopt weet je vooruit dat 't in de bak loopt. Dat vind ik niet nodig.

Je moet met elkaar veel meer inspraak hebben op het werk wat je doet en hoe je 't doet, en met elkaar regelen, bijvoorbeeld van niet twee dagen achter elkaar karabiesjes want dat is vermoeiend. Maar dan komt er vaak weer vraag en aanbod in de winkels. Als bijvoorbeeld op een dag in de winkels geen Zaanse koeken meer zijn en we hebben veertien dagen geen Zaanse gedraaid, dan is het op 't leven af Zaanse koeken draaien. Ze moeten van de fabriek en van de winkels meer bij mekaar komen om te zeggen: 'Wij hebben nog vijfentwintig dozen Zaanse koeken,.daar hebben ze d'r nog tien,' meer met mekaar. Persoonlijk heb je daar geen idee van.

Dat hoeft ook niet. Het gaat er alleen om dat de chefs van de winkels en de chefs van de afdelingen waar dat gedraaid wordt, dat die meer onder mekaar moeten komen en zeggen: 'We hebben te weinig dit, te weinig dat, kan dat geregeld worden. Dat zien ze wel weken van te voren hoe hard dat gaat. En minder op het distributiecentrum laten staan, dat is ook een voornaam ding. Dat kunnen we nooit regelen onder mekaar, wat koekjes betreft. Nee, dat kunnen we niet. Want wij weten toch niet wat er gedraaid wordt die dag. Dat weten we nooit. De chef krijgt bericht vandaag Zaanse koeken te draaien want 't moet morgen bijvoorbeeld in Limburg wezen, die Zaanse koeken. Dan is ie verplicht Zaanse koeken te draaien, dan gaat 't vannacht of vanavond naar Limburg toe. Die chef krijgt 't van bovenaf. Wij moeten nu eenmaal, wat de chef zegt, moeten we doen en dat is logisch ook. Anders heeft -'t helemaal geen zin om te werken. Bij zulke dingen heb je geen medezeggenschap, 't Heeft ook geen zin. Je hebt eigenlijk niks over een ander te zeggen. Dat vind ik persoonlijk. Wat interesseert 't mij wat een hogere chef doet? Of hoe die dat regelt, dat interesseert ons niet.

Ik geloof niet dat je daarom ooit medezeggenschap krijgt. En zulke dingen interesseren me ook niet. Nee, wat dat betreft, hoeft 't voor mij niet. Je blijft dezelfde koekjes rapen en als 't eind van de maand is ben je weer blij. Ja, ik bedoel maar: zeggenschap krijg je toch nooit en 't hoeft van mij ook niet want 't interesseert me niet. Ik ga 's maandagsmorgens naar m'n werk en ik hou vrijdagsmiddags om twaalf uur op. Dan vind ik het mooi genoeg. Wij maken ons geen zorgen.
Beslissing wordt er nooit genomen door de collega's of wat dan ook. Daar krijg je geen gelegenheid voor, beslist niet. Je kan wel eens wat zeggen, natuurlijk wel, dan draaien ze zich om en dan denken ze: och laat maar gaan. Ik dacht niet dat het anders kon. Ik dacht 't niet want als je wat zou regelen of wat dan ook, nou je hebt eigenlijk niks te regelen over het werk aan de band. Het wordt voor je geregeld. Ik heb er zelf helemaal geen moeite mee. Kijk 't is zo: je zit natuurlijk wel vaak met de gedachten ergens anders, maar met je handen doe je het rapen, koekjes, weet ik veel wat je doen moet. Maar de gedachten zijn vaak ver weg, bij thuis, bij wat je 's avonds bijvoorbeeld doen kan als je thuis komt.
Het gaat aan de lopende band en je prakkizeert er niet over meer wat je doen moet. Ik geloof niet dat je voor die band je hersens nodig hebt, tenminste niet aan zo'n band met koekjes rapen, dat kan je met je handen af. Je moet wel hersens gebruiken bijvoorbeeld bij een machine. Of die bijvoorbeeld op een kantoor zitten, die moeten de hersens wel gebruiken. Maar als je aan een lopende band zit met koekjes rapen of met chocola, daar heb je geen hersens voor nodig. Dat kan je met je handen af. Als je in de gezinszorg zit of bij de gezinshulp, dan zit je met je hersens erbij, oh die mevrouw of die meneer of dat kind moet geholpen worden, dat denk je. Daar ga je je gang. Maar als je aan een band zit met koekjes rapen, ik vind: daar heb je geen hersens voor nodig. Niet als je raapt, dan ben je gewoon, nou wat moet ik zeggen, een raapster. Je ziet wel die koekjes lopen en je moet wel je gang laten gaan, maar je hoeft niet te tellen of je hoeft niet je hersens te gebruiken van, oh ja het loopt door.

Maar als ik thuis ben, ben ik mezelf. Ja, want dan moet ik mijn hoofd weer gebruiken: 'O, ja dat moet ik nog doen en dat moet ik nog doen.' Ik moet nog ramen lappen, bijvoorbeeld, of ik moet koken, of wat dan ook. Maar dat heb je niet op de fabriek, daar ben je jezelf niet. Dat kan je jezelf wel voorstellen, maar ik geloof niet dat het echt in je zit. Je wordt er 's morgens aangezet, nou dan blijf je maar staan of zitten of wat dan ook. Het gaat allemaal automatisch. Ik ben wel eens in een winkel geweest, dan denk ik: die koekjes heb ik ingepakt. Dat vind ik dan wel weer leuk. En dan kijk ik ook kritisch tegen zo'n koekje op. Zijn ze ook stuk of mankeert er wat aan, dan zou ik ook vast naar de chef gaan en zeggen: zo en zo mankeert eraan. Ik geloof dat 't meer een verantwoordelijksgevoel is, dat voel ik tenminste. Ja, ik weet niet hoe ik 't uitdrukken moet. Ik ben voorjaren terug in Rotterdam geweest, met mijn schoonzuster. Afijn toen bleken er koekjes te wezen die al weken de winkel uit hadden moeten zijn, maar die lagen d'r nog. Ik weet dat er een nummer op staat, maar dat weet u niet. Ik zeg tegen mijn schoonzuster: die moet je niet kopen, want die zijn te oud.

Je gebruikt natuurlijk je hoofd wel enigszins want je kijkt natuurlijk ook wel en je ziet natuurlijk ook wel als er slechte koek is of wat er aan mankeert. Je ziet 't. Ik geloof niet dat je nou direct je hersens er goed bij moet houden. Ik geloof 't niet, neen, want je werkt meer met je handen als met je hoofd daar in de fabriek omdat 't niet technisch is. Ik zou niet graag leiding willen geven waar je je hersens bij moet gebruiken. Dat zou ik beslist niet kunnen. Nou in de eerste plaats heb ik zelf geen leven en de collega's die onder mij staan ook niet. Want ik weet voor mezelf dat ik een doordouwer ben. Dat weet ik van mezelf. En dan hebben de collega's onder mekaar geen leven. Ik zou wel leiding willen geven mits op een hele nieuwe afdeling, mits er jonge meisjes zijn. 't Mogen ook wel getrouwde vrouwen zijn die me helemaal niet kennen. Dan zou 't wel kunnen. En dan zou ik de collega's nog helpen. Dan zou ik nóg aan de kant van de collega's staan. Ik zou niet zeggen van: de baas wil dit hebben of de baas wil dat hebben. Het is een hele zware taak. Ik zou niet graag in de schoenen staan van de chefs. Inde eerste plaats krijgt hij vaak te maken met de mensen die onder hem staan van: 'Dit is niet goed en dat is niet goed,' ze roepen hem om de haverklap, dan geeft hij ons eerst een grote mond: 'Dit had je zo moeten doen,' dan gaat hij naar de ovenisten, en hij krijgt 't van hogerhand weer op z'n dak. Nee, dat vind ik niks, dat vind ik waardeloos. Dat is niks voor mij en ik zou 't ook nooit willen, ook niet.

Maar werk waarin U bijvoorbeeld zorgen had voor kinderen, of bejaarden, of een gezin?
Dat is natuurlijk weer een andere taak. Als je zoiets doet voor kinderen, kleine kinderen, of in het tehuis met kinderen, dan moetje je honderd procent geven voor de kinderen en voor de ouden van dagen, en dat heb je niet als je in een fabriek bent aan de band. Dat is natuurlijk echt de moeite waard, als je zo'n baan hebt. Maar dan weetje ook vooruit, hoe noemen ze dat, de consequenties. Maar dan heb je je daarvoor uitgegeven en dan zal je 't ook aanvaarden moeten als ze je een keer een grote mond geven. Dat zou ik er wel voor over hebben, ja. Maar de collega's onder mekaar op de fabriek, ik geloof niet dat je je daar zorgen over hoeft te maken. Ik geloof dat we dan met elkaar bang zijn voor een baas, als puntje bij paaltje komt. Ik geloof dat iedereen 'm dan knijpt voor de baas. Omdat ze bang zijn dat ze het werkverliezen. Dat hebben we laatst met die staking van de bond voor vierhonderd gulden gehad. Mooi. Toen waren ze inderdaad bij ons bezig geweest om te staken. Maar toen hebben ze gezegd: je moet natuurlijk in de fabriek blijven, je mag niet naar buiten op het terrein. Wat zeiden ze toen? Dan blijven we maar doorwerken. Je had wel de gelegenheid om van de band af te gaan, maar je moest in dat keukentje blijven zitten, een uur, je mocht niet naar buiten toe. Wat heeft het dan voor zin om te staken? Dan heeft 't toch geen zin? Ja, wij hadden al gehoord dat als we van de band afgingen, dat mocht, dat die Turken en Spanjaarden op onze plaats zouden komen te staan. Dan heeft de staking toch geen nut? Als 't menens wordt, gegarandeerd, als wij zouden staken met elkaar, Verkade, Albert Heijn, Simon de Wit, noem ze maar op, alleen vrouwen dan, gegarandeerd dat ze de buitenlandse arbeiders die ze hebben eraan zetten, al lopen ze het risico dat ze de helft van de productie draaien. Buitenlandse arbeiders mogen niet staken, dat staat nu eenmaal in hun reglement.

Ik zou absoluut staken, mits dan ook alle vrouwen en ook geen één uitzondering of je nou in de ondernemingsraad zit of in de bond of niet, ook meedoen. Maar dat krijg je nooit bij vrouwen. Ze kunnen rustig staken want dan zetten ze toch de buitenlanders eraan. Want die mogen helemaal niet staken. Sommige van die buitenlanders kunnen werken, maar sommigen zijn nog te lui om de ene voet voorde andere te zetten. Ik werk toch dagelijks met buitenlanders. Vrouwen uitgezonderd, want er zijn ook verscheidene vrouwen bij die buitenlanders, maar die pakken ook wel aan. Ze komen hier om te werken en in de eerste plaats is het om het geld, dat de buitenlanders 't doen. Ze hebben ze hierheen gehaald, nou zullen ze ook wel werken moeten. Maar in feite geloof ik niet dat ze zoveel werken als de Hollanders, nee.

Hele andere vraag: die fabriek dat is me nogal een miljoenen zaak
Ik wou dat ik het geld had. Ik dacht dat 't van vader op zoon en van zoon weer op zoon geworden is. Want ik weet wel, hij is begonnen in Oostzaan en nou heeft hij overal fabrieken staan, nou begint hij in Tilburg weer een grote fabriek. Ik bedoel maar daar zit toch kapitaal. Nou! Pff, hij is schatrijk. Nou ja, de echte, de hele oude, ik geloof dat die overleden is, z'n zoons zitten er allemaal in. Zijn zoon komt wel eens in de fabriek. Dat is Albert en ... Jan meen ik. In ieder geval de jonge Albert die komt één keer in het jaar, met één januari of twee januari dan, komt hij in de kantine en geeft een hele toespraak. Heel leuke en aardige man, rustige man, helemaal niet van ik ben Albert, beslist niet. Hij heeft de kans gehad om zo'n bedrijf door te bouwen, vind ik leuk, als je de kans krijgt, ja waarom niet? Hij kent natuurlijk niet iedereen met name, de collega's die onder hem staan, maar die van hogerhand die kent hij wel allemaal, ja. En hij komt ook steeds één keer in de maand in de ondernemingsraad, komt hij ook praten met wie er dan in de ondernemingsraad zitten, is hij er ook bij. Dat vind ik ook leuk. Maar voor de collega's, voor de mensen op zichzelf, nou ja daar loopt weer een ander voor, je ziet hem heel weinig dan en als hij eens komt is hij nog met een paar mensen. Over de afdeling komt hij ook wel eens langs. Ja dan zegt hij: 'Goeden middag of goeden avond,' of wat 't ook maar is.

Bent U wel eens aan hem voorgesteld?
Nee hoor. Dat vind ik ook niet zo belangrijk. We weten wel precies hoe hij heet. Ik meen 'Albert' hoor. Maar hij is gewoon, heel eenvoudig is hij.
Nou, d'r zal wel meer als één man zitten, 't zal wel niet alleen van de jonge Albert wezen, er zullen wel meer directeuren wezen en onderdirecteuren, wat weet ik ervan. En er zal ook wel een Naamloze Vennootschap in zitten, ik weet 't allemaal niet. Zulk soort dingen daar bemoei je je eigenlijk nooit mee. Omdat je er niks mee te maken hebt. Ik werk er, maar ik weet niet wie er allemaal directeur zijn.

Wordt er nou ook winst gemaakt?
Vast wel anders gaan ze geen nieuwe fabriek bouwen. Anders gaan ze vast geen nieuwe fabriek in Tilburg zetten, 't Gaat prima.

Waar blijft die winst?
Natuurlijk de kerstgratificatie. Meestal zes procent, nee, ja zes procent. Nou en dan natuurlijk de pakketten, vijf in een jaar dat kost veel. Een gulden of vijftien, zeker vijftien, twintig gulden.

En de rest van de winst?
't Zal wel in de fabrieken terecht komen. De aandeelhouders krijgen ook wel wat, maar wat weet ik niet. Ik ben geen aandeelhouder, dus ik weet 't niet. Natuurlijk. Wij kunnen natuurlijk ook wel een formulier invullen voor een aandeel, maar dan moetje al zoveel geld storten, dan kom je ook elk jaar bij de aandeelhouders, maar daar hebben wij geen belang bij. Ik vind er niets aan en ik doe er ook niet aan mee. In de eerste plaats moetje al zoveel jaren in dienst zijn en hele dagen werken. En dan kun je een aandeel krijgen. Dan moetje eerst honderd gulden storten, ik meen, dat komt elk jaar weer terug en daar krijg je zo en zoveel procent van, vier of vijf procent, ik weet niet precies hoeveel.

Nou, dat krijg je weer terug natuurlijk. Ik zie 't nut d'r van er niet van in. Tenminste niet voor vrouwen. Voor mannen lijkt 't mij beter, dacht ik. Want die kunnen het natuurlijk weer voor andere zaken gebruiken. Maar voor vrouwen vind ik dat niet nodig.
Heel veel geld gaat er om in dat bedrijf. Want je kunt wel nagaan wat er elk jaar, elke week omgaat in lonen, in wat er in het bedrijf vernieuwd moet worden. Dat is tegenwoordig ook niet meer zo'n kleinigheid.

Maar d'r worden toch een paar mensen rijk aan?
Ja, rijk. Wat is tegenwoordig rijk? Ik bedoel als je 't betalen kan, vind ik 't heel mooi. Het geld hebben ze natuurlijk wel om het beter te hebben, maar ik geloof dat ze veel en veel meer zorgen hebben als wij. Ik zou niet graag met zoveel kapitaal rondlopen en altijd zorgen hebben. Want dat hebben hun wel. Hun hebben veel meer zorgen als wij. Nee, ik zou niet ruilen willen. Als ik meer zou verdienen, ik geloof dat 't toch weer in de huishouding terecht zou komen. Ja, hun Zouden 't uitbetalen. Maar, ik bedoel maar: hun zetten 't toch weer ergens op de belasting of weet ik veel, waar ze 't dan van aftrekken. Nee, ik geloof niet dat ze dan een cent minder krijgen, als wij van hun loonsverhoging zouden krijgen. Dat zij minder zouden eten, een cent minder zouden krijgen? Nee, dat geloof ik vast niet.

 

Lees nu verder in Abram de Swaan's boek Een boterham met tevredenheid .

terug naar Uit het archief