DE TOEKOMST VAN DE ARBEIDSMARKT ZIT OP SCHOOLAbram de Swaan
Symposium ‘De Toekomst van de Arbeidsmarkt’ bij het afscheid van de secretaris- generaal van het
Ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dr. R. Gerritse,
Den Haag, 19 februari 2003
Het bijzondere van arbeid is dat het werk niet alleen een inspanning en een offer vergt, maar ook bevrediging geeft en zin geeft aan het bestaan. Dat is de arbeidssatisfactie.
Je zou het niet zeggen als je ziet hoeveel ziekteverzuim voorkomt bij sommige bedrijven, vooral in de buitendiensten van de overheid. Je zou het ook niet zeggen, als je kijkt naar de moeizame arbeidsbemiddeling van bijstandstrekkers en werkelozen, naar de hardnekkige parkeerstand van uitkeerlingen in de WAO, of de gretig vervroegde uittreding van oudere werknemers. Zo te zien missen die mensen van alles, maar minst van al hun verleden arbeidsvreugde of de existentiële zingeving van het arbeidsleven. Dat is schijn. Ze missen hun vroegere werk misschien niet zo, ze missen ander, meer bevredigend, beter betaald werk. Niets verveelt zo snel als een bestaan van zalige ledigheid: daar moet je van jongs af aan in opgegroeid zijn als prinsenkind, of je moet geleerd hebben je zelf bezig te houden en zelf een zin te geven aan je leven. Daar moet je al begaafd en geschoold voor zijn.
Er is maar één ding erger dan gebruikt worden, en dat is niet gebruikt worden.
Met het gezinsleven is het arbeidsbestaan de grootste bron van geluk, en van ergernis. Pas veel later besef je dat veel van die ergernis een deel van het geluk was.
De beste kans op een dragelijk, zelfs een bevredigend arbeidsbestaan, biedt het onderwijs. Hoe meer scholing, des te meer kans op plezierig, zinvol werk. Hoe meer scholing, des te meer kans op een ruime keus van functies, op zelfstandige inrichting van de werkzaamheden, op afwisseling in de bezigheden, op eigen verantwoordelijkheid in de taakuitoefening.
Onderwijs roept trouwens dezelfde paradox op: het vergt inspanning en concentratie, het is zonder meer een offer, een kostenpost, een investering, maar het biedt ook genoegens en draagt bij aan het zelfgevoel. Tenminste, zo hoort het, al lukt het niet altijd.
Kortom, niet alleen de kost, maar ook de baat gaat voor de baat uit.
Omdat arbeid en onderwijs kostenpost en geluksbron tegelijk zijn, functioneren ook de arbeidsmarkt en helemaal de onderwijsmarkt anders dan andere markten. De term ‘markt’ is in dit geval meer een metafoor, een hinkende metafoor (om het eens te zeggen met een hinkende metafoor). Pas nog is Hans Abbing, econoom en beeldend kunstenaar gepromoveerd op een proefschrift met de uitnodigende (of waarschuwende) titel: Why are artists poor? Een deel van het antwoord op de titelvraag is uiteraard dat kunstwerken ook hun makers zoveel genoegen verschaffen dat zij bereid zijn om het onder de kostprijs aan te bieden. Ook de kunstmarkt functioneert anders dan andere markten, althans voor het werk van levende kunstenaars.De arbeidsmarkt wordt op termijn bepaalt door immigratie en participatie, daar komen de volgende sprekers nog over te praten. En uiteraard, wordt die arbeidsmarkt allereerst bepaald door de instroom uit het onderwijs. Die uitstroom uit het onderwijsstelsel bepaalt niet alleen het aantal nieuwe arbeidskrachten – dat is vooral een kwestie van geboren worden en doorleren – maar ook en vooral de samenstelling en de kwaliteit van het arbeidsbevolking. Die zijn, geheel in overeenstemming met de theorie, de resultante van talloze individuele beslissingen op grond van individuele voorkeuren. In dit geval worden die beslissingen genomen door jongens en meisjes van een jaar of vijftien, zeventien: of ze wel of niet zullen doorleren, naar welk type school ze zullen gaan, welke vakken ze zullen kiezen en hoe hard ze hun best zullen doen. Het resultaat van die beslissingen, de beloning van die keuzes, blijkt pas na een jaar of tien. Dat is een termijn waarmee ook volledig geoutilleerde overheidsdepartementen nogal wat moeite hebben, het tijdsverloop dat speelt bij de aanleg van een nieuwe woonwijk of een hoge snelheidslijn. Van een doordeweekse puber is zulk vooruitzicht wat veel gevraagd. Daar komt bij dat juist op die leeftijd het disconto op de toekomst het hoogst is. De adolescentie is de periode van de zeer kortetermijnverlangens, niet van het langlopend toekomststreven. ‘Denk toch aan je toekomst, jôh.’ . ‘Ja moe, kan ik een tientje lenen.’ Met tienjarigen valt nog te praten over wat ze later worden willen: piloot, brandweerman, dokter, of ouder van een groot gezin. Maar diezelfde kinderen willen vijf jaarlater discodanser, drugshandelaar, superster, of maffioso worden. Allemaal vakken waarvoor nog steeds geen passende beroepsopleiding bestaat en die van overheidswege ook niet aangemoedigd worden.
Kortom: de puberteit is niet de beste leeftijd om over schoolkeuze, arbeidskeuze en toekomstige loopbaan te beslissen.
Dat heeft vèrstrekkende gevolgen voor de arbeidsmarkt, met een vertraging van vijf à tien jaar. Veel scholieren, vooral in het beroepsonderwijs en het algemeen vormend onderwijs gaan van school af zonder diploma of met een van te laag niveau. Die uitval is vaak een gevolg van de ‘tegencultuur’ die op die scholen vigeert. Zo noemen sociologen en pedagogen het, in navolging van Paul Willis. Ouders hebben het over het ‘slechte vrienden’. Recent onderzoek van mijn promovendus Bowen Paulle wijst uit dat inde New Yorkse, Zuid-Bronx en de Amsterdamse Bijlmer die hij vergeleken heeft, het scholieren soms heel moeilijk wordt gemaakt de lessen te volgen en hun huiswerk te maken onder de invloed van die tegencultuur. Van de voortijdige schoolverlaters slagen een heel klein aantal als musici, of in de drugshandel, het overgrote deel loopt zich vast in een ongeregeld, ongeschoold baantje en komt er niet meer toe om zich bij te scholen. Het is nog lang zo erg niet als in de getto’s van de Verenigde Staten maar het wordt in Nederland snel erger. Die uitval staat tamelijk los van begaafdheid of onvermogen om te leren. Er ontstaat daar dus een klein reservoir van ongebruikt en moeilijk te activeren talent Misschien dat tweedekansonderwijs deze jonge adolescenten als ze na een paar jaar uitgeraasd zijn kan helpen om zich alsnog bij te scholen.
In de hogere échelons van de samenleving komen ook lastige kinderen voor. Maar daar gaat het anders toe. Hooggeschoolde ouders in kaderfuncties beseffen heel goed dat ze hun kinderen niet een groot vermogen zullen nalaten, dat ze geen zaak hebben die ze aan hun nakomelingen kunnen overdoen en dat ze ook niet bij machte zijn om te regelen dat hun nazaten ze opvolgen in hun functie. Geschoolde ouders kunnen wel zorgen dat hun kinderen eenzelfde cultureel kapitaal bij elkaar sprokkelen als zijzelf hebben: dat gaat via het onderwijs. Vandaar ook dat die ouders uit de middenklasse alles op alles zetten om te zorgen dat hun kinderen wèl hun opleiding afmaken en op zo hoog mogelijk niveau. Als die kinderen niet goed meekomen op school of zich in de puberteit n de klas onmogelijk maken sturen de ouders ze naar speciale, particuliere scholen voor een gepeperd schoolgeld. Mijn collega Dr. Ali de Regt en Don Weenik hebben daar onlangs een onderzoek aan gewijd. Weenik heeft met Prof. Jaap Dronkers onderzoek gedaan naar een andere vorm van culturele kapitaalsvorming: de scholen waar Engelstalig onderwijs gegeven wordt dat de kinderen toegang moet verschaffen tot een internationaal georiënteerde elite in Nederland.De toekomst van de arbeidsmarkt zit op school.
En dus wordt over de toekomst van het Nederlandse arbeidsbestel in de eerste plaats beslist door piepjonge scholieren en nog steeds heel jonge studenten. Die denken daarbij helemaal niet aan de geaggregeerde welzijnscurve van de Nederlandse, laat staan de Europese samenleving, maar vooral aan de genoegens van het aanstaande weekend en de verveling van het huiswerk van de dag. Ouders en leraren kunnen daar maar weinig aan doen.
Die individuele keuzes leiden tot onbedoelde resultaten voor de arbeidsmarkt als geheel. Er is in Nederland nu een schreeuwend tekort aan geschoolde technici, aan afgestudeerde chemici en fysici, aan de universiteiten, in het bedrijfsleven, bij de overheid.
De leemtes doen zich niet alleen voor in de exacte vakken, er is ook gebrek aan mensen met een universitair diploma Frans of Duits. Er dreigt over de hele linie een tekort aan leraren. Vergeet niet, als er één vak is waarvan scholieren en studenten precies weten wat het inhoudt, dan is het dat van docent. Kennelijk lokt die voorkennis hen niet tot navolging. Betere beloning, betere arbeidsomstandigheden en een hogere waardering van het lerarenvak kunnen daar veel aan verhelpen.
De tegenzin in de exacte vakken is een veel ingrijpender en ernistiger verschijnsel. Het ligt diep in de cultuur verankerd. Het wordt, vreemd genoeg, erger. Toch zijn de triomfen van techniek en antuurwetenschap overal bespeurbaar. Niemand kan eromheen. De scholieren en de studenten willen er al te vaak niet aan. Er loopt een scheidslijn tussen culturele en exacte vakken, tussen mensenmensen en dingenmensen, tussen lettermensen en cijfermensen, tussen alfa’s en bêta’s. Ik ben daarin niet bevoegd [dat zeg ik er maar even bij, want de rector van de UvA, ook mijn rector, die deze bijeenkomst zo-even heeft geopend, vindt dat we als we opereren met titel en toenaam, we niet met meningen moeten komen over dingen waar we geen professoraal verstand van hebben].
Ik weet niet of die twee werelden in het rauw en ongevormd kinderbegrip ook al zo ver uit elkaar liggen. Ik denk het eigenlijk niet. Jongens die van gedichten houden, of van geschiedenis, die hebben een hekel aan rekenen en sleutelen. Waarom? Het onderscheid tussen talige en getalige vakken hangt samen met het sekseverschil. De cultuurvakken heten ‘zacht’, de natuurvakken heten ‘hard’. ‘Zacht’ hoort bij vrouwen, ‘hard’ bij mannen, in deze collectieve verbeelding die in de afgelopen halve eeuw van emancipatie niets geleerd heeft.
Waarom vinden mensen dat wiskunde, techniek of natuurwetenschap niet echt iets voor vrouwen is? Gekker nog, waarom blijven jonge vrouwen dat zelf ook vinden? Tot op de dag van vandaag. Als ik op college een formule op het bord zet, dalen de wimpers tot zomernamiddagstand en vervallen de meeste studenten in een kortstondige absence. ‘Moeten we dat voor tentamen weten?’
De paradox is dat het prestige van de natuurwetenschap en de technologie nog steeds toeneemt, en dat tegelijkertijd de onwil om er kennis van te nemen ook stijgt. Dat verhoogde aanzien van de exacte vakken is in zichzelf al paradoxaal: steeds alvermogender, steeds onbegrijpelijker. Waar mensen de natuurwetenschap gelijk stellen met de moderniteit, geldt voor beide dezelfde diepe ambivalentie: almacht en vernietiging tegelijk. Nucleaire, chemische en biologische oorlogsdreiging, de voortgaande verwoesting van het natuurlijk milieu, de vergiftiging van de voedselketen, het hoort allemaal tot de achteruitgang van de vooruitgang. Techniek en antuurwetenschap raken beklemd in dezelfde tangbeweging van de verbeelding. Scholieren en studenten nemen die ambivalentie al heel gauw over. Het schisma tussen de twee culturen, tussen geesteswetenschap en natuurwetenschap, die grote breuklijn die al een eeuw de geesten scheidt, drijft een steeds diepere wig in het eigentijdse denken. Ik spreek hier voor een gehoor dat economen al beschouwt als wiskunstenaars en harde cijferaars. De economen zelf weten wel beter. In werkelijkheid loopt de breuklijn dwars door allerlei vakken, doorsnijdt de economie, maar ook de psychologie, de geneeskunde en de psychiatrie, en mijn eigen vak de sociologie die ook al in de spagaat gedwongen is tussen wiskunde en statistiek enerzijds, geschiedenis en cultuur anderzijds. In werkelijkheid zijn die benaderingen complementair. Als onderzoekers aan het werk zijn, roeien ze met de riemen die ze hebben en gebruiken ze alle methoden, technieken en tradities die iets kunnen bijdragen aan de verheldering van de problemen die ze zich gesteld hebben. De tegenstelling is in feite een schijntegenstelling.
Ondertussen zitten we er maar mee. De wetenschapsvoorlichting in de media is volkomen ontoereikend, vergroot de mystificatie vaak nog verder in plaats van mensen met de exacte vakken vertrouwd te maken. Het onderwijs in die vakken blijft achter, veel te weinig studenten kiezen voor de natuurwetenschap, er dreigt nu een rampzalig tekort aan technici, ingenieurs, chemici, fysici. Nòg gaat Nederland voorop in al die vakken en staat de exacte wetenschapsbeoefening in dit land op wereldniveau. Die voorsprong gaat in snel tempo verloren, er wordt ingeteerd op het bestand aan hooggekwalificeerde krachten, de bestaande voorzieningen worden
afgebroken. Voor het natuurwetenschappelijk onderwijs aan de universiteiten heeft dat nu al rampzalige gevolgen die snel zullen uitdijen naar het onderzoek en de productieve capaciteit in het bedrijfsleven en bij de overheid.
Er worden nu al natuurwetenschappelijke opleidingen aan de universiteit opgeheven bij gebrek aan studenten. Dat is het moment dat uit het Ministerie van Onderwijs het voorstel komt om het toch al krakkemikkige onderwijs in de exacte vakken nog verder terug te schroeven. Dat is ontstellend, verbluffend en verbijsterend.
Ik zeg dit niet belangeloos. Ik heb geen belang bij de werkgelegenheid in het natuurkundeonderwijs. Maar ik heb net als iedere Nederlander een belang bij het intellectuele gehalte van deze samenleving. De natuurwetenschap is een wezenlijk en volstrekt onmisbaar bestanddeel van de cultuur. Ze is een van de grootste culturele verworvenheden van onze beschaving. In laatste instantie gaat het niet alleen om de arbeidsmarkt, niet om de economische groei, maar om de natuurwetenschap en de wiskunde als geestesgoed.
Goed gebruld, maar wat is eraan te doen?
Allereerst moet het besef worden bijgebracht dat het onderzoek van de elementaire structuur der materie, de theorie over het ontstaan van het universum, de vorming van het zonnestelsel en van de aarde daarbinnen, het ontstaan van het leven en de wording der soorten, de oorsprong van de mens, de evolutieleer en de genetica, de grondslagen vormen van de wereldbeschouwing waarmee wij leven. Of we willen of niet, of we geloven of niet. De maatschappij- en de geesteswetenschappen staan daar niet tegenover, maar zijn het intellectueel vervolg op de natuurwetenschappen, de aansluiting op de mensenwereld die alleen begrepen kan worden als een onderdeel van de natuur waarin en waarvan wij bestaan.
Dat is een grote opdracht voor het onderwijs, ook voor die education permanente, die voortgaande scholing die de media behoren te bieden. Daartoe moeten leraren beter worden opgeleid en beloond. Daarvoor moet het exacte onderwijs worden uitgebreid en geïntensiveerd op alle niveaus en moet het ook worden gepresenteerd als vorming in het eigentijds geestesgoed, als deel van de wereldbeschouwing waarmee wij leven.
Dat zijn oplossingen die heel veel tijd en heel veel omscholing vereisen. In de tussentijd kan de catastrofale teruggang van de toeloop naar de exacte studierichtingen verholpen worden met kleinere ingrepen. Zoals gezegd de keuzes komen op een ongeschikt moment in een mensenleven. Studenten kunnen aangemoedigd worden om voor een exacte richting te kiezen door nieuwe combinaties te zoeken in de opleiding. Aan de Universiteit van Amsterdam zijn we bezig met een ‘brede bêta-gamma opleiding’ die studenten een eerste inzicht bijbrengt in de mensenwetenschap èn in de natuurwetenschap en in de samenhang daartussen.
Er zijn ook heel praktische maatregelen. Stel meer en hogere beurzen ter beschikking aan studenten die kiezen voor wis- en natuurkunde. Als de overheid dat niet mag doen, dan kan het bedrijfsleven daar inspringen. Er is nog steeds een nijpende kamernood voor studenten. Biedt de exacte studenten eigen behuizing, ook dat is een uitdaging aan het particulier initiatief.
Het gaat hier, zult u begrijpen, nog steeds over De toekomst van de arbeidsmarkt, maar dan in kosmisch perspectief.
Terug naar de menselijke maat.
De toekomst van de arbeidsmarkt zit op school. Onderwijs gaat over het bijbrengen van kennis, dat is het wat, en over het vormen van een habitus. Dat is het hoe. Het gaat er niet om kinderen alles te leren wat ze later nodig zullen hebben, maar om ze te leren om te leren. Hoe komt het toch dat een zevenjarige alles wil weten en een vijftienjarige niets meer. Gaat er soms iets verkeerd op school?
Het belangrijkste dat in het onderwijs wordt overgedragen wordt helemaal nooit uitgesproken. Dat is wat Basil Bernstein de ‘hidden agenda’ noemde, de verborgen agenda. Soms luidt die onuitgesproken boodschap: ‘dat is allemaal toch veel te saai en veel te moeilijk voor jullie.’ Soms luidt de stilzwijgende mededeling: ‘wie voor een dubbeltje geboren wordt, wordt nooit een kwartje. Jullie zitten hier eigenlijk voor spek en bonen.’ Kinderen, juist kinderen, hebben dat heel gauw door. Soms is de woordeloze subtekst: ‘rotzooi maar wat aan het maakt toch niets uit.’ Dat is dan aan geen dovemansoren gezegd, of beter verzwegen.
Het gaat over habitus, hoe de kennis wordt overgedragen en overgenomen, hoe de vaardigheden worden overgebracht en aangeleerd. Elke scholier die een beetje geluk heeft komt die ene leerkracht tegen die weet te boeien en te fascineren, die je niet volstampt, maar juist verlangend maakt om meer te weten, het beter te kunnen doen, het beter te kunnen zeggen. Iedere student die een beetje geluk heeft komt een docenten tegen die ongemerkt een voorbeeld worden, die je een heel leven bijblijven, niet omdat zij op college zeggen dat de stof zo belangrijk is, maar omdat zij dat voordoen in hun optreden en in hun verschijning, omdat de materie voor henzelf kennelijk van wezensbelang is en een levensvervulling vormt. Studenten moeten verrast en verbaasd worden, niet omdat de docenten een cursus spreekvaardigheid met komisch effect gevolgd hebben, maar omdat ze weten over te brengen dat de werkelijkheid oneindig verrassend en verbazend is.
Het onderwijs, ook het beroepsonderwijs, brengt een habitus bij. Dat valt niet zo op, het blijft grotendeels onopgemerkt en onuitgesproken. Het bepaalt de manier waarop mensen hun werk doen, ook als ze niet op hun vingers gekeken worden, ook als ze er niet opafgerekend worden. Die habitus is bepalend voor de kwaliteit van de arbeid.
In Nederland en in de meeste postindustriële samenlevingen is die beroepshabitus heel algemeen en heel diep in de mentaliteit ingegroeid. Kijk eens hoe meteen na sluitingstijd slagers en vishandelaars hun winkel schrobben. Kijk eens hoe verpleegkundigen hun handen wassen, ook achter de coulissen. Kijk eens hoe beroepschauffeurs zich op de weg gedragen. Dat valt alleen maar op als er iets mis gaat, als er iets verkeerd gedaan wordt. Dus hoor je alleen maar klachten. Maar dat geklaag klinkt zo schel, omdat het de uitzonderingen signaleert op een algemeen gedragspatroon, de inbreuk op een algemene habitus van hygiëne.
Het komt nauwelijks voor dat de elektricien achter het stopcontact maar even een blauwe draad gebruikt als de bruine op is. Dat doet een vakman niet. De automonteur draait alle bouten vast, al zou de klant er niets van merken als er een ontbrak. Uit mijn raam zie ik stratenmakers en vuilnisophalers in alle winterse, duistere ochtendvroegte doorwerken bij storm en ontij ook als ze van de Arbowet allang mochten schuilen en er geen opzichter te bekennen is. Ook dat is beroepshabitus: aanpakken en doorzetten.
Dat is allemaal onderdeel van de beroepshabitus. Van de manier waarop gewerkt wordt. Ook die habitus is – maar niet met zoveel woorden – overgebracht op school, is deel van de verborgen agenda van het onderwijs. Die habitus is nog belangrijker in de hooggeschoolde vakken. Artsen en advocaten hebben een veel grotere vrije bewegingsruimte dan andere beroepsmensen, maar laten zich merendeels leiden door een professionele habitus van zorgvuldigheid en betrouwbaarheid, die in hun beroepsethiek nauwelijks omschreven is.
Pas als je in verre buitenlanden, waar een andere habitus vigeert, te maken krijgt met de mentaliteit van dienstverleners en werklieden besef je wat een groot goed die beroepsbeschaving betekent, voor de arbeidsmarkt en voor de kwaliteit van de samenleving. Die habitus is overgedragen en verinnerlijkt, thuis, maar vooral op school. Dat is een ontzagwekkende verworvenheid. Iets om heel zuinig op te zijn, om te bewaren en te beschermen. Iets om ons bij deze gelegenheid in te verheugen: de habitus van ‘a job well done’.Abram de Swaan, februari 2003