In deze krant van jongstleden dinsdag voert Peter Michielse een Servische kennis op: 'Een man, zegt hij zelf, in het centrum van alles.'
De zegsman bespreekt de intieme machtsverhoudingen in Servië. Achter de schermen, beweert hij, beslist niet Miloševic, maar diens vrouw Markovic. Zij is de kwade genius van de Servische politiek. Ze leidt een eigen partij, de JUL, die bestaat uit politieke terroristen: 'Iedereen die met de politie in aanraking komt, gaat naar de JUL en vindt er een baan en bescherming.' Die zegsman maakt op mij de indruk van een fantast, maar dat geeft zijn woorden alleen nog maar groter gewicht, want het gaat hier verder over politieke fantasieën.
De grondgedachte is: achter de machthebber gaat nog een andere macht schuil. De heerser zelf is minder kwaadaardig dan hij lijkt en minder machtig dan men zegt. Het kwaad wordt in het diepst geheim aangesticht door iemand anders, door zijn gemalin, een verborgen, boze fee.
Dat wordt blijkbaar beweerd van Markovic en haar Miloševic. Net zoiets vertellen welingelichte kringen over het vorige regime in Rwanda: President Habyarimana had zich daar in 1994 ten lange leste bekeerd tot het compromis (het akkoord van Arusha), maar het was zijn gemalin, Agathe Habyarimana, die dit wist te verhinderen en het was 'le clan de madame' die na grondige voorbereiding nu de leiding nam bij de genocide.
'Mevrouw Habyarimana had zich als de beste speler naar de top weten te werken; zij was de echte heerseres van het land, niet die grote umugabo van een echtgenoot.' Zo vat Gérard Prunier het samen in The Rwanda Crisis; History of a Genocide (London: Hurst, 1995, p. 351). Over de rol van mevrouw Habyarimana en haar paleiskliek is na hun nederlaag vrij veel uitgekomen en de weergave van Prunier, de standaardversie, zal veel elementen van waarheid bevatten.
Het verhaal van de boze fee achter de troon komt veel vaker voor: 'Denk aan Eva Perón, Jiang Qing [de weduwe Mao], Elena Ceausescu, Winnie Mandela, Imelda Marcos, Nexhije Hoxha en nog andere gemalinnen die er bijna in slaagden hun echtgenoot te verdringen.'
Deze opsomming komt uit een prachtig artikel van Anton Blok over vrouwelijke heersers (in: Jojada Verrips, red., Transactions. Essays in Honor of Jeremy F. Boissevain, Amsterdam: Het Spinhuis, 1994). Waar een vrouw aan de macht is dat, in elke samenleving weer op een andere manier, in tegenspraak met de ondergeschikte positie die voor vrouwen gebruikelijk is. Die tegenspraak tussen de heerschappij van een bijzondere vrouw en de algemene vrouwelijke onderschikking wordt in de regel opgelost door de heersende vrouw te behandelen als een soort 'honoraire man', schrijft Blok. Zij wordt dan bekleed met mannelijke attributen en ontdaan van al die eigenschappen die juist met de vrouwelijkheid worden geassocieerd. Als de leidsvrouwe al niet als maagd door het leven ging (Jeanne d'Arc) of weduwe was (Indira Gandhi), dan werd toch haar moederschap en haar huwelijkse staat weggewerkt door de kinderen en de echtgenoot op de achtergrond te houden.
Daarmee kan de onderschikking van vrouwen aan mannen verder onaangetast blijven. Heersende vrouwen zijn dus 'eigenlijk' mannen. Voor hun echte mannen rest dan in de verbeelding slechts een ondergeschikte positie die in strijd is met de overheersende plaats die mannen in het algemeen innemen. Zo'n echtgenoot moet 'weg' uit de gedachten en als hij zich niet laat wegdenken raakt hij in het nauw. De theorie van Anton Blok bevat de kern van een verklaring voor het treurig of omstreden bestaan van de prinsen-gemaal van de Nederlandse koninginnen in deze eeuw.
Maar hier gaat het over een variant: de vrouw heerst niet op eigen gezag, maar oefent in feite de macht uit die formeel is opgedragen aan haar echtgenoot.
Zou dat nu waar zijn van Markovic en haar Miloševic of van de familie Habyarimana? Het antwoord komt in drieën: Nee, een beetje, en ja.
Om te beginnen 'nee': Eerst moet de fantasielaag worden afgekrabd. Van tirannen willen de mensen graag geloven dat ze in wezen goed zijn. Nog op het schavot geloofden de getrouwe communisten dat Stalin niet van hun liquidatie wist; zelfs in de kampen van de Goelag weenden gevangenen om Stalin's dood, want als Hij geweten had wat hun daar werd aangedaan zou Hij zeker ingegrepen hebben. De hoofdletter staat hier niet toevallig, de wens om Hem als goedertieren voor te stellen wordt heftiger naarmate Hij heviger tiert.
Habyarimana wordt omschreven als een goedzak, de zegsman van Michielse voert Miloševic op als iemand die voor het compromis 'uiteindelijk zelfs meer heeft gedaan dan van hem geëist werd.' De ellende is aangericht door de slechte vrouwen achter de troon. Dat is dus de noodzakelijke kunstgreep in de wensfantasie dat de macht in wezen goed is, het is een verklaring van het kwaad, een wereldse theodicee.
Maar vervolgens is die uitleg ook een beetje waar: onder de fantasielaag zit een tweede niveau: de tiran is zelf manipulator van fantasieën. Het komt hem goed uit om in eigen kring een zondebok in reserve te houden. Niet hij, maar zijn gemalin met haar verderfelijke schoonfamilie heeft het kwaad gesticht. De tiran is zelf medeplichtig aan de volksfantasie over zijn echtgenote als boze fee. Sterker nog, het komt de tiran goed uit om aan zijn gemalin en haar paleiskliek ook metterdaad de kwade zaken van corruptie en terreur over te laten. Zij zijn dan de procuratiehouders van het kwaad.
Op dit derde niveau wordt het verhaal wáár: de gemalin ontleent haar macht niet alleen aan de positie van haar echtgenoot maar is zelf een machtsfiguur van belang, zij leidt een clan (mw Habyarimana), of heeft een eigen machtspositie weten te bevechten in een politieke beweging (mw Markovic). Ook dan houdt de fantasie vol dat zij alleen de boze fee is en hij niets dan een goede leidsman.
Abram de Swaan, NRC 4 januari 1997
TALEN EN TAALTJES (1)
Abram de Swaan, NRC 11 januari 1997
Nederlandse ambtenaren moeten voortaan Nederlands spreken bij officiële ontmoetingen met buitenlanders. Dat bericht Het Parool van donderdag jl., over zes kolommen op de voorpagina. Het is nieuws, want tot nog toe vermeden die officiële Nederlanders in het buitenland hun moerstaal alsof het hun spraakgebrek was. De nieuwe beleidslijn is dan ook heel verstandig.
Het ondoordachte voorstel van minister Ritzen om een kwart van de universitaire colleges in het Engels te houden is in deze kolommen indertijd afdoende weggehoond: 'Een pianist met houten vingers', noemde toen K.L. Poll een spreker die zich in een vreemde taal moest uitdrukken. Het ministerieel ideetje werd in de wereldpers met verbijstering overgenomen, alsof de minister van Waterstaat had voorgesteld om de sluizen te openen en de dijken te doorsteken zodat alvast een kwart van Nederland door het water zou worden verzwolgen.
Inderdaad is de laatste bevlieging van het milieubeleid dat de zee achter het strand door slufters in en uit moet stromen. Wat brak water in de duinen verfraait het landschap en een lichte verzilting van het Nederlands met Engels idioom verrijkt de taal. Maar wie als een overijverige waterdrager het Engels van overheidswege voor wil schrijven verordonneert de inundatie van het taalgebied.
Zo kan hij wel weer. Taal en water: de laatste metaforen van het Nederlands nationalisme die nog salonfähig zijn.
Maar alles is beter dan: 'De eigen taal is een bruikbare valhelm. Dus als je hem hebt gebruik hem dan ook,' aldus een woordvoerder in Het Parool. 'Een valhelm'? Dat vraagt om een geestige opmerking. Maar daar heeft de goede lezer mij niet voor nodig.
Het advies aan de ambtenaren geldt trouwens alleen voor de zes maanden dat Nederland voorzitter is van de Unie. Er wordt niet bij verteld hoe deze nieuwe gedragslijn moet worden ingeleid: in het Nederlands? 'Wass?' 'Kwa?' 'Wha-at?' En hoe die straks weer moet worden opgegeven.
Toch is het voorstel terecht. Nederland heeft zich altijd ingezet voor een Europees federalisme. Zonder dat het erbij gezegd werd was daarin al begrepen dat het Nederlands als verkeerstaal werd opgegeven en dat het Engels de Europese voertaal zou worden. In andere lidstaten werd en wordt daar heel anders over gedacht. Dat bleek toen bij de oprichting van het Europees merkenbureau vijf grote Europese talen werden toegelaten, maar de zesde in de ranglijst, het Nederlands, werd uitgesloten. Het waren toentertijd de kleinere lidstaten die er bij Nederland op aandrongen om voor de eigen rechten en dus ook voor de hunne op te komen.
Europa heeft een heel groot probleem dat in alle talen onbesproken blijft: hoe moeten de Europeanen zich met elkaar verstaan? Volgens de letter van het verdrag is de officiële taal van elke lidstaat ook een taal van de Unie. In feite wordt onder Europese ambtenaren Engels, Frans of Duits gesproken, Engels het meest en steeds meer, Frans steeds minder en Duits bij uitzondering, maar steeds vaker.
Bij officiële gelegenheden en in de openbare zittingen van het Parlement zijn alle elf officiële talen toegelaten en is simultaanvertaling in alle 110 combinaties beschikbaar. Over een paar jaar, als ook de drie fatsoenlijke centraal Europese landen zijn toegetreden, wordt dat dus al 14x13=182. De Ieren en de Luxemburgers hebben inmiddels spijt van hun bescheidenheid, de Catalanen zullen trachten hun zin nog verder door te zetten en zodra de Oostenrijkse neo-nazi's aan het bewind zijn zullen ze hun Oostenrijks als volkseigen spraak erkend willen zien. Dan wordt het achttien maal zeventien. Reken maar uit. En dan (dan pas) komt ook het Fries erbij.
Is dat erg? Welnee, helemaal niet. Die vijftien of twintig talen staan voor de rijkdom en verscheidenheid van de Europese cultuur. Bij plechtige gelegenheden, bij maiden speeches en inhuldigingen, in retorische passages voor de kiezers thuis, zal gebruik gemaakt worden van de moedertaal. Dat dwingt de Unie er honderden tolken op na te houden, die als bijen in hun raat in hun glazen hokjes zitten. Dat biedt de mogelijkheid om uit Europese fondsen de opleiding en het onderhoud te bekostigen van vertalers die Tsjechisch kunnen omzetten in Portugees, Grieks in Fins, Catalaans in Nederlands. Dat moet vooral zo blijven, dat moet nog veel verder worden uitgebreid. Het zal het wederzijds begrip en de onderlinge uitwisseling verbeteren, de literatuur en de linguïstiek van de kleine taalgebieden bevorderen. Voor het overige behouden die talen in de Unie vooral een ceremoniële functie.
De Babylonische spraakverwarring zal als een draaikolk alle gesprekken naar een gemeenschappelijke taal toe zuigen, en dat is uiteraard het Engels. Hoe groter de verwarring, hoe eerder zich de feitelijke oplossing doorzet.
Het echte probleem ligt ergens anders. Niet bij de instanties van de Unie, maar bij de bewoners van Europa. Zij zijn het die niet over tolken en vertalers beschikken. Het ontbreekt hun aan media die de taalgrenzen kunnen overschrijden. Daarom is er geen sprake van meningsvorming op Europese schaal, zijn er geen Europese politieke partijen, is er geen Europees electoraat. En daarom is er geen Europese democratie. Niet dat die er wel meteen zou komen als alle Europeanen eenzelfde taal spraken of zich door veeltaligheid en vertaling met elkaar zouden kunnen onderhouden. Maar zolang er geen Europees forum voor politiek en cultuur bestaat, blijft de Europese Unie een ambtelijk staketsel. Dat is het Europees probleem, en het is van veel groter belang dan een monetaire unie. (Al is er een parallel tussen een Europees medium voor de uitwisseling van waarden en een Europees medium voor de uitwisseling van betekenissen).
Wie denkt een vreemde taal echt goed te kennen, moet eens proberen de titel van dit stukje te vertalen.
Abram de Swaan, 11 januari 1997
TALEN EN TAALTJES (2)
Abram de Swaan, NRC 18 januari 1997In de Verenigde Staten loopt een discussie over het gebruik op school van Ebonics, de taal van de Afrikaans-Amerikanen.
De onderwijscommissie van de overwegend zwarte gemeente Oakland heeft voorgesteld de Zwart Amerikaanse Volkstaal in te voeren voor dagelijks gebruik in de klas. Ik heb de tekst van dat voorstel niet gezien, maar wel een reactie erop uit de New York Times door Brent Staples. Die vat het initiatief zonder meer op als een geval van Afrocentristische geschiedsvervalsing en zwarte zelfverheerlijking, zoals die inderdaad nogal eens voorkomen in de uitlopers van de zwarte emancipatie-beweging. In zijn kwaadheid verspreekt die Staples zich en verwoordt een meestal verzwegen vooroordeel in taaldiscussies.
Ik citeer hem in zijn (standaard) Engels: 'Defining broken English as "black English" is particularly galling…’
Wat is er mis met die zinsnede? De aanhalingstekens staan verkeerd. Dat er een black English bestaat, een dialect dat door stedelijke zwarten overal in de VS gesproken wordt, is een vaststaand feit, maar dat die variant ‘gebroken Engels’ zou zijn, of - even verderop - zelfs ‘degraded’, (zeg maar ‘verloederd’) is een persoonlijke diskwalificatie van de auteur. Hij zal daar, ook onder zwarten, veel bijval voor vinden. De meeste dialectsprekers hanteren voor hun eigen idioom een kleinerende benaming: 'plat', 'gebroken', 'patois', 'petit-nègre', 'takie-takie'. Die minachting voor hun taal is hun ingepeperd door de elite. En dat is nu precies de definitie van culturele hegemonie: als de meerderen erin geslaagd zijn de minderen ervan te overtuigen dat ze minder zijn.
In die zelfvernedering zit een draai, want juist wat hen minder maakt, maakt hen ook beter: aardiger, aardser, gevoeliger, oprechter, spontaner, muzikaler enzovoort. Maar niets waar je op de arbeidsmarkt wat aan hebt.
De Zwart-Amerikaanse Volkstaal is helemaal niet minder. Dat sociolect heeft een eigen grammaticale en syntactische structuur even regelmatig en complex als die van het standaardengels. Dat werd precies vijfentwintig jaar geleden aangetoond door William Labov en zijn medewerkers (Language in the Inner City, 1972) en is voor andere groepstalen sedertdien vele malen bevestigd.
Het zwarte Engels is bovendien een hoogst uitzonderlijk sociolect: het is een van de meest verbreide en productieve cultuurtalen ter wereld. Zet de radio maar aan. Luister hoe scholieren onder elkaar praten. Daar is geen woord Frans bij (ondanks de onophoudelijke pressie en propaganda voor die minderheidsversie van een laat-Romaans dialect). Diezelfde schoolkinderen krijgen dagelijks les in een geaffecteerde en achterhaalde subvariant van het Engels, het hoog-Brits, waar hun leraren vreselijk hun best voor moeten doen en die door de leerlingen wordt weggelachen in een naturel-jargon dat ze van elkaar leren en dat van de zwarten komt.
Het zwarte Engels is niet alleen de variant waarin de wereldwijde jeugdmuziek gezongen wordt, het is ook al een eeuw lang het idioom van een poëtische traditie, van de blues tot de rap. Hoe haalt iemand het in zijn mallemoerskop om die taal af te doen als 'gebroken Engels'? Is dat rassenhaat? Misschien, maar in dit geval denk ik van niet. Het is klassenhaat, sociaal ressentiment van bovenaf.
De elites hebben geleerd op hun woorden te passen. Mindere mensen, naar afkomst of stand, moeten behoedzaam bejegend worden. En het klein, narcissistisch taalonderscheid moet behouden blijven. De taal hoort tot de laatst overgebleven en meest effectieve instrumenten om mindere mensen laag neer te zetten (maar onderschat de etiquette, de goede manieren niet). Taalpurisme dient om buitenstaanders uit te sluiten en om lagere mensen onderuit te halen. De spellingsregels zijn er om te zorgen dat mensen fouten maken en gecorrigeerd kunnen worden.
Moet iedereen dan altijd spreken zoals hij gebekt is?
Dat lijkt me hoogst onverstandig. Ik zou kinderen die een volkstaal spreken vertellen dat ze in deze harde klassenmaatschappij verder komen door een ander dialect erbij te leren: het 'Algemeen Beschaafd Nederlands' (zo heet het echt). Niet omdat het beschaafder, hoger, mooier, beter, of efficiënter zou zijn, maar omdat het algemeen is. Het is de verkeerstaal voor gebruik buiten de beperkte kring van familie, vrienden en buurtgenoten.
Het ligt voor de hand dat jonge kinderen de algemene verkeerstaal, of het nu standaard Amerikaans Engels is, of A.B.N., makkelijker en gretiger zullen leren als op school wordt uitgegaan van de dialecten en sociolecten die zij thuis al spreken. Wordt het idioom waarmee de kinderen van huis uit vertrouwd zijn op school serieus genomen, dan worden zij erkend als de competente taalgebruikers die ze immers al zijn en die zich nu een nieuwe variant gaan eigen maken. Als Surinaamse, Limburgse of Molukse kinderen in Nederland niet het idee werd opgedrongen dat ze iets moesten afleren wat bij hun thuis iedereen zo doet, maar dat ze er nog iets bij kunnen leren wat buitenshuis algemeen gangbaar is, en wat hun nog van pas zal komen, dan verdwijnt ook een verborgen weerstand: Het taalonderwijs is voor veel kinderen een tersluiks vernederingsritueel waarin ze hun eigen manier van praten moeten opgeven voor een betere. Maar als het zo wordt voorgesteld, is spreken in de standaardtaal al een vorm van ontrouw aan je eigen kring, waarmee je gedwongen wordt de mensen die je het naast staan te kleineren. Op die manier schept het taalonderwijs een loyaliteitsconflict. Dat kan het falen van veel schoolkinderen verklaren.
Eén dag later meldde de Tribune dat het Amerikaans Taalkundig Genootschap het voorstel om Ebonics als hulpmiddel te gebruiken wetenschappelijk geheel verantwoord acht: ‘It's a scientific fact.’ Daar is dan nog een wetenschappelijk feit aan toe te voegen: talenstrijd is culturele klassenstrijd.
Abram de Swaan, NRC 18 januari 1997
HOCUS POCUS HEBBES
Abram de Swaan, NRC 25 januari 1997In zijn boek over tovenarij en politiek in Afrika (Sorcellerie et Politique. Karthala, Parijs, 1995) schrijft de Nederlandse Afrikanist Peter Geschiere dat in Afrikaanse landen de magie niet op de terugtocht is, maar juist aan belang wint in de verhouding tussen dorpshoofden en nationale politici. Leiders die zich met tovenarij inlaten worden daar met toenemend ontzag bejegend, ze hebben de magie aan hun kant en het is maar beter om op zulke bovennatuurlijk gesteunde machtsfiguren te stemmen.
Geschiere vraagt zich af of in westerse democratieën niet net zo een magisch vermogen wordt toegeschreven aan de reclameadviseurs en campagneconsulenten die de politici met even ondoorgrondelijke als onweerstaanbare kunstgrepen aan de overwinning helpen. Niet de kiezersgunst maar de publicitaire magie brengt hen aan de macht, denken de mensen.
Zou dat nou?
Dat die adviseurs grotendeels aanstellers en bedriegers zijn wil ik wel geloven. En dat de kiezers hun een magische kracht toeschrijven is best mogelijk. De consulenten opereren in het schemerduister van vergaderkamers met statistieken en psychologische profielen en houden zich verder discreet op de achtergrond. Toch krijgt het grote publiek wel iets te horen over hun onbegrijpelijke en verborgen machinaties, zoals ook de aanwezigheid van tovenaars in de entourage van Afrikaanse leiders een publiek geheim is dat bijdraagt aan hun mystiek.
Maar toveren dat kunnen die reclamemakers en campagneleiders niet. Waar zijn ze dan goed voor? Ik heb daar zo'n vermoeden van. Die adviseurs zijn er om hun bazen dat te vertellen wat ze wel van een ander willen horen maar niet uit zichzelf willen zeggen. Consulenten vertellen politici vóór de verkiezingen dat ze de aantrekkelijkste standpunten van de tegenpartij moeten overnemen en na de verkiezingen dat ze hun verkiezingsbeloften zo gauw mogelijk moeten vergeten. De cijfers hebben gesproken en de consulent zegt het ze na. De politicus, zeer tegen zijn zin, dat spreekt, volgt slechts diens wetenschappelijk gefundeerd advies.
Daarin lijken die politieke consulenten op de bedrijfsadviseurs die ook al groot gewin en veel aanzien weten te verwerven door het onaangename nieuws te melden dat hun opdrachtgevers zelf al wel wisten maar liever voor zich hielden: de productielijn nagelschaartjes maakt geen winst meer en dus (zegt het adviesbureau) moet het dorre hout gekapt worden en gaan de overtollige werknemers eruit. Begrijp me goed, dat vindt de adviseur, niet de directeur. De oude meneer Knip, die het bedrijf zelf heeft opgericht en als knaap al aan de slijpsteen stond, zou eigener beweging nog geen loopjongen de laan uitsturen.
Nu staat Knip betraand aan de poort en schudt persoonlijk zijn ontslagen werknemers de hand, kust de jongste inpaksters op beide wangen en geeft ze allemaal ten afscheid uit eigen bedrijf nog een alleraardigst reisgarnituurtje mee. Typisch Knip. Fidele vent. Jammer voor hem dat het zo gelopen is, maar de wetten van de markt wilden het zo en zijn deskundige adviseurs hebben voor hem in de ingewanden van de economie de tekenen des tijds gelezen.
Er zijn meer van die functionarissen die tegen uurtarief het beulswerk opknappen en op recept het verraad voorschrijven.
Wat kan een interim-manager dat de gewone bedrijfsleider niet kan? Zich voorgoed gehaat maken. Daarom is hij 'interim', een tussendoortje. Hij kapt, snoeit, ontslaat en verdwijnt. Hoe onmogelijker hij zich maakt bij het personeel, des te verdienstelijker toont hij zich voor zijn opdrachtgevers die kunnen volhouden dat zij uit zichzelf nooit zo hardhandig zouden hebben ingegrepen.
William Riker heeft ooit de uitdrukking 'fiduciary morality' bedacht: de procuratiemoraal. Zaakwaarnemers die optreden voor een opdrachtgever ontlenen daar het morele recht aan diens belang tegen alle andere overwegingen in door te zetten. Zij treden immers niet voor zichzelf op, maar voor een ander. Daarbij hanteren zij enkel en uitsluitend de richtlijnen die zij ontlenen aan hun vakkennis, voor leken ondoorgrondelijk. Zo is de opdrachtgever dubbel afgeschermd, hij wilde het niet, maar moest het van zijn adviseurs, en die hadden het liever ook anders gewild, maar moeten zich wel laten leiden door hun deskundige bevindingen.
Zijn dit nu tekenen dat de samenleving harder wordt, en dat norm, meegevoel en geweten voor steeds minder tellen? Het kan ook een teken zijn dat de maatschappij zachter wordt, en dat ondernemers en politici de indruk willen vermijden dat zij alleen op winst en macht uit zijn, dat zij het publiek een confrontatie proberen te besparen die in vroeger tijd gemeengoed was.
Maar het gaat niet altijd op. Soms passen de zaakwaarnemers meer op hun eigen zak dan op de waargenomen zaak. Van makelaars die optreden voor de verkoper van een huis hoor je steeds vaker dat ze het goed onder de prijs verkopen om zo met minder werk hun courtage te kunnen innen. Emma Brunt beschreef pas nog zo'n geval in Het Parool en kort geleden kwam het ook in mijn omgeving voor. Daarmee kondigt zich het einde aan van de makelaardij. Makelaars hebben een dubbele voorsprong op leken: hun reputatie en hun informatie. Die informatie komt binnenkort alom beschikbaar op Internet en die reputatie breken ze nu eigenhandig af.
Maar zolang de procuratiemoraal nog functioneert, kunnen de consulenten dienen om hun opdrachtgevers te beschermen tegen kritiek van buiten. De adviseurs hebben besloten, om redenen die de leek nu eenmaal heeft te accepteren.
Geschiere houdt de westerse samenleving een Afrikaanse spiegel voor. Goedgelovig zijn de westerlingen evengoed, ook zij nemen alle expertise voor waar aan. Maar dat westers beeld weerkaatst op de Afrikaanse tovenarij: de leiders kunnen er zelf niets aan doen, het moest helaas van hun tovenaar.
Abram de Swaan, NRC 25 januari 1997
KINDERDIEVEN
Abram de Swaan, NRC 1 februari 1997
'Achter de deur heb ik een bijl klaar staan, voor als de kinderbescherming komt', schreef de onvergetelijke kenner van kikkers en mensen, Dick Hillenius eens, ongeveer. Maar waar is Hillenius als je hem nodig hebt? Dood. En nodig is hij dezer dagen. In Hoorn is een kind geroofd, drie maanden vastgehouden en goddank vrijgelaten toen de ontvoerders er genoeg van hadden.
De daders lopen vrij rond en worden ongemoeid gelaten. De daders zijn namelijk zelf opspoorder, aanklager, rechter, bestraffer en cipier, alles tegelijk. Het is hier tenslotte België niet: als zoiets in Nederland gebeurt, dan zijn de kinderdieven zelf directe handlangers van de overheid.
Volgens een bericht in deze krant van jongstleden donderdag heeft de Raad voor de Kinderbescherming onverbiddelijk toegeslagen: 'Die heeft vorig jaar juni van de ene op de andere dag een toen driejarig dochtertje in een kindertehuis geplaatst, nadat een vriendin van de moeder bij de kinderbescherming melding gemaakt had van ernstige vermoedens van seksueel misbruik.'
De ouders was niets gevraagd en niets verteld, het kind was al weggevoerd. 'Nadat het kind in het kindertehuis drie maanden was geobserveerd en uitgebreid onderzocht werden de vermoedens "ongegrond" verklaard.' De kleine heeft zich kennelijk goed gehouden onder een verhoor van negentig dagen: 'geobserveerd en uitgebreid onderzocht'. Wat moet je je daarbij voorstellen als het gaat om een meisje van drie jaar? Was het soms dat frauduleus obscene poppenspel dat pseudopsychologen jarenlang met kleine kinderen mochten opvoeren tot de rechter het verbood? Wat wordt daar in die kindergevangenis uitgespookt met kleine mensen die worden vastgehouden zonder proces, zonder waarschuwing, zonder uitleg, tegen hun zin, buiten de voorkennis en zonder de toestemming van hun ouders? Eén verkeerd woord of één verkeerd gebaar van die driejarige, en kind en ouders hadden elkaar nooit meer teruggezien, de ouders hadden verder moeten leven zonder kind en met de ergste blaam die opvoeders kan treffen: kinderverkrachting.
Opgepast, deur op het nachtslot, alarm op scherp en de bijl gewet. Moeder ga voor je kindje staan, daar komen de kinderbeschermers aan.
Het krantenbericht vervolgt: ‘”Achteraf gezien is er misschien toch wat te voortvarend gehandeld”, aldus unitmanager P. Visser van de kinderbescherming Alkmaar.’
De unitmanager zit er kennelijk niet mee. Waarom zou hij? Ieder ander zou hiermee een hele reeks zware misdrijven hebben toegegeven: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving, geestelijke mishandeling, althans enzovoort. Maar de unitmanager gaat vrijuit en hij weet het. Hij is van de Raad voor de Kinderbescherming.
De ouders, och arme, hebben de Ombudsman geschreven. Als het meezit wordt hun geval netjes geturfd voor het jaarverslag. Ze hebben ook een advocate benaderd: Zij 'erkent dat het moeilijk is... schadevergoeding te krijgen of het handelen van de kinderbescherming aan de kaak te stellen.' Kom, mr. C. Piepers, zet hem op.
Maar het zal niet meevallen.
Er waren bij dat kleine meisje thuis problemen: 'De moeder (21) verbleef enige tijd in een psychiatrische inrichting'. Zie je wel. 'De vader (22) kon de opvoeding alleen moeilijk aan.' Daar heb je het al.
Is er bij u thuis in de afgelopen drie maanden niet iets voorgevallen dat de Kinderbescherming streng zou hebben afgekeurd? Zat uw hand een beetje los, zei u daar niet iets heel verkeerds, is de keuken wel aan kant? Is het niet beter dat u zich alvast zelf aangeeft, voordat uw huisvriendin het voor u moet doen?
Wat wij hier observeren en uitgebreid onderzoeken is een tipje van totalitair Nederland. Het gaat om te beginnen om ieders eigen bestwil en ook nog om het algemeen belang. Wie is er niet tegen kindermisbruik? Niemand. Dan is dus iedereen vóór de kinderbescherming. Mooi zo. Maar weet u wel wat er kruipt en krioelt in de krochten en kieren van het Nederlands gezinsleven? Nee, daar heeft u geen idee van. De mannen en vrouwen van de Raad voor de Kinderbescherming wèl, die zijn dag en nacht op pad om met behulp van goede en gezagsgetrouwe Nederlanders de onverlaten uit hun holen te jagen en hun nakomelingen veilig weg te bergen. Zij doen dat niet zomaar, zij zijn daarvoor opgeleid en afgericht. Er is zelfs 'een protocol ontwikkeld voor de intake van meldingen over seksueel misbruik.' Dus dat is ook geregeld.
Maar "wat nou de echt harde gegevens zijn op basis waarvan je zo'n besluit kunt nemen, dat moet nog eens opnieuw bekeken worden" meldt de plaatselijk commandant van de Kinderbescherming. Hij weet het dus ook niet. Dat dacht ik al. Niemand weet het. Het is allemaal volksverlakkerij, quasi-geleerd gezwatel om een ongereguleerd en ongecontroleerd ingrijpen door de staat en zijn hulpverleners goed te praten.
Maar er worden toch werkelijk kinderen misbruikt? Nou en of, en niet zo zelden. Dat is een gruwel. Als daar niet tegen wordt opgetreden is dat een heel zwaar falen, een fout van de eerste categorie. Maar als er van misbruik geen sprake is en er wordt toch ingegrepen, dan is dat een even ernstig falen: een fout van de tweede categorie.
Tussen die twee tangen zit de hulpverlening gevangen. De eerste wandaad wordt door particulieren begaan, terwijl de overheid nalatig blijft, in het tweede geval hebben de ouders niets misdaan en begaat de overheid een misdrijf. Er bestaat kennelijk geen expertise die afdoende is om de ene fout te vermijden zonder in de andere te vervallen. Onder die omstandigheden is onafhankelijk toezicht vooraf en onafhankelijke beoordeling achteraf volstrekt onontbeerlijk.
Niet alleen de gehavende ouders, maar alle andere gezinnen en vooral de kinderbeschermers zelf, hebben er belang bij dat deze zaak voor de rechter komt.Abram de Swaan, NRC 1 februari 1997
DAT GEBEURDE OVERAL
Abram de Swaan, NRC 8 februari 1997
Sinds het Sowjet-rijk is ingestort bestaat er geen alternatief meer voor het kapitalistische systeem. Vroeger holden de wereldverbeteraars van Joegoslavië naar Cuba en draafden vandaar door naar Noord-Vietnam, Nicaragua of zelfs Albanië. Nu bestaat er geen aards toevluchtsoord meer voor het politieke heilsverlangen.
China bestaat echt, maar er zijn weinig mensen die daarnaar uitzien als de wenkende einder der mensheidsbestemming. Er bestaan ook landen die zijn ingericht volgens een islamitische staatsleer, maar daar melden zich uit de rest van de wereld geen vrijwilligers voor.
De veranderingen in de wereldwijde machtsverhoudingen bepalen wereldwijd de gedachtengang van afzonderlijke mensen. Blijkbaar is daar geen ontkomen aan. De tijdgeest ademt in iedereen, de wereld in een notendop, de wereldhistorie in een hersenpan. Hoe komt dat toch? Waarom stormde de tijdgeest in de jaren zestig uit het Oosten miljoenen hoofden binnen en waarom suist hij nu uit het Westen in al die mensen rond?
De verklaring moet te vinden zijn in een ontwikkeling die even omvattend is als de verbreiding van de tijdgeest zelf, dus wereldwijd. Het zou kunnen zijn dat de geleidelijke verwarming van de aardse atmosfeer overal de mensen op andere gedachten brengt. Maar dan zouden de bewoners van het koele Noorden naarmate het in de wereld warmer wordt meer moeten gaan denken zoals de mensen in het lauwe zuiden. Zo werkt het geloof ik niet.
Het is de mondialisering van de wereldhandel die doorwerkt in de geest van de tijd. De markt gaat zijn eigen, onstuitbare gang. Zo lijkt het tenminste en daarom is het zo.
De internationalisering is al heel lang aan de gang. Door technische vernieuwing grijpt dat proces nu sneller, verder, dieper dan ooit in de levens van afzonderlijke mensen in. De kabeltelevisie is al volkomen kosmopolitisch, ten kwade en ten goede. Wat in de winkels te koop is komt uit alle uithoeken van de aardbol, ongeacht de afstand, los van de seizoenen. En telkens opnieuw merken onderdanen dat wat hun regering namens hen wil bereiken of vermijden desondanks mislukt of toch gebeurt. Of het nu de sluiting van Fokker is, of een geval van gekke-koeienziekte, of het gaat om het drugsbeleid of de hoge-snelheidstrein, om asylzoekers of hoofdpijnpillen, de oorzaken van de problemen liggen ver buiten de landsgrenzen. In nationaal verband is daar maar weinig aan te doen. Omgekeerd lopen binnenlandse initiatieven vast op de feiten die zich buitenslands voordoen.
Tientallen malen daags krijgen mensen een lesje in wereldburgerschap, gewild of ongewild. Het is de herhaling van al die kleine gedachtenoefeningen waardoor de tijdgeest omslaat, zich doorzet in de dagelijkse gesprekken en zich nestelt in de hoofden van de mensen.
Helemaal vanzelf gaat dat niet. De markt heeft ook zijn marketenters, de betaalde zoetelaars van het economisch internationalisme. Zij verkondigen de ongebreidelde werking van de markt, als een onstuitbaar, noodzakelijk en bevrijdend, wereldhistorisch proces waartegen elk verzet bij voorbaat nutteloos is en dus ook ongepast. Daarin lijkt het neoliberalisme, de ideologie van het onbegrensde winstbejag, precies op die andere, zo verfoeide versie van het historisme: de communistische heilsleer. De wereldrevolutie zou zich noodzakelijk voltrekken; daarom was het ieders opdracht om die omwenteling te bespoedigen. Wie tegenwerkte eindigde op de mestvaalt der geschiedenis. Dat zeiden de Marxisten niet zomaar, dat volgde onweerlegbaar uit het wetenschappelijk marxisme, een soort morele economie. Net zo, en al even dwingend voorspelt het economisme van de marktisten de toekomst en precies zo predikt het in één adem de privatisering als een historische opdracht: de economie bepaalt de onstuitbare loop der geschiedenis en in die loop dient ieder mee te lopen.
Daar is niets van aan.
Uiteraard kan de werking van de markt worden ingeperkt en gecorrigeerd. Nederland heeft nooit anders gedaan, de Europese Unie doet niet anders. Het probleem dat zich steeds nijpender opdringt is dat van de schaalverschillen. De wereldmarkt werkt wereldwijd. De politiek werkt nationaal, maar hapert op internationale schaal. De burgers hebben bovendien geen vat op de organisaties die moeten functioneren op dat bovennationaal niveau. Hoeveel tussenstappen zijn er tussen de Europese verkiezingen en een beslissing in de Europese Unie, of tussen een Nederlandse verkiezing en een stemming in de Veiligheidsraad?
En wiens wil wordt daar dan nog gedaan?
Op enkele deelgebieden tekent zich desondanks een meningsvorming af op mondiale schaal en bloeit het activisme wereldwijd: Greenpeace en Amnesty International zijn goede voorbeelden en Justice International wordt nu opgericht om de internationale berechting van misdaden tegen de menselijkheid te bevorderen. De sociale politiek is daarentegen nog steeds een landelijke kwestie: voor arbeidsvoorwaarden en uitkeringen bestaan nauwelijks internationale regelmechanismen.
Dezer dagen wordt in Amsterdam een congres gehouden over Europese Linkse Alternatieven voor het Neoliberalisme: ELAN. De meest befaamde geleerden uit de linker hersenhelft van de internationale intelligentsia hebben zich gemeld voor dit initiatief van Arthur Mitzman en de zijnen: van Immanuel Wallerstein en Claus Offe tot Samir Amin, Steven Lukes en Kees Schuyt. Tijdens de openbare discussies moeten zij moeizaam waden door de linksistische folklore, maar zij komen toch met nieuwe opvattingen en voorstellen voor een verstandige beteugeling van de markt. Dat is maar een begin van meningsvorming op de vereiste schaal: de mondialisering van de oppositie. Waar de wereldhandel alle grenzen overschrijdt en elke muntsoort moeiteloos wordt omgewisseld in een andere, moeten de tegenstemmen telkens weer de afstanden, taalgrenzen en cultuurbarrières overwinnen.
Abram de Swaan, NRC 8 februari 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE
Abram de Swaan, 15 februari 1997
Het was al laat in de nacht, sluitingstijd, en wij stonden op straat te kijken hoe de midwinterwind het zwarte grachtenwater rimpelde, rukte aan de kale takken en de ineengedoken passanten voortdreef.
Het was een moment voor drieste voornemens: Misschien ga ik wel iets schrijven over "Weerzien met de psychoanalyse", zei ik.
'Wat heb je daar nou aan?' zei Goedevriendin kribbig. 'Zeker blijven zitten met een onverwerkt complex'.
Hoe kwam ze daar nou bij?
'Nee, hoe kom jíj erop. Dat is toch zeker spugen in de bron waaruit je gedronken hebt: 'weerzin van de psychoanalyse'.
- Maar dat zei ik niet, zei ik. Ik zei: 'weerzien met de psychoanalyse'. Goedevriendin barstte uit in rank en bassig lachen.
Voordat de psychoanalyse haar intree deed zou niemand iets achter dit misverstand gezocht hebben. Het late uur, de consumpties, het straatlawaai waren als afdoende verklaring aangevoerd. Maar toen de psychoanalyse waaide waar ze wilde kwam je er niet zo gemakkelijk van af.
- Waarom dacht jij dat ik een weerzin zou hebben tegen de psychoanalyse?
'Ik dacht dat je dat zei'
- Maar dat zei ik niet en waarom maakte jij dat daar dan van?
'Gunst, geen idee. Ik verstond gewoon 'weerzin' in plaats van 'weerzien'.
- Ja?
'Je gelooft me niet. Je zoekt er zeker iets diepers achter?'
- Wat zou ik erachter kunnen zoeken? Valt er je zelf niet iets bij in?
Zo ging dat toen. Voor je het wist had je je vastgepraat en voelde je je eigenlijk afgewezen door je analyticus, en als je die niet eens had dan was je vast jaloers op anderen die er wel een hadden. Maar dat iemand zomaar 'weerzien' als 'weerzin' zou verstaan was uitgesloten. Je was voor al je fouten verantwoordelijk en zelfs de kleinste vergissing was een vastgetrokken knoop van betekenissen. De psychoanalyse heeft de aansprakelijkheid van mensen voor hun doen en voor hun laten veel verder uitgebreid dan enig andere leer voordien en ze heeft die aansprakelijkheid tegelijk proberen los te koppelen van een moreel oordeel.
Goed dan. Weerzien met de psychoanalyse.
De psychoanalyse had allang morsdood moeten zijn maar ze blijft spoken. In het decembernummer van de Scientific American maakt John Horgan de balans op: Er is nog steeds geen andere theorie die beter inzicht geeft in de werking van het gevoelsleven en er is nog steeds geen andere behandeling die betere resultaten biedt. Een veelheid van onderzoek leidt tot de conclusie dat gesprekstherapieën van allerlei soort enig effect sorteren, en dat veruit de meeste medicamenten niet of nauwelijks werken. Bij alle therapieën doet zich een 'placebo-effect' voor: patiënten voelen zich beter, ook als alleen een schijnmedicijn is toegediend. Medici beschouwen dat verschijnsel als hoogst mysterieus maar psychoanalytici hebben er in het begrip 'overdracht' een goede verklaring voor. De proefpersonen op wie de medicijnen worden uitgetest zijn intussen slimmer geworden en de meesten kennen de bijwerkingen van psychofarmaca: als ze die niet bij zichzelf constateren weten ze dat ze een nepmiddel hebben gekregen en rapporteren ze dus ook geen verlichting. Vandaar dat bijvoorbeeld Prozac het aanvankelijk heel goed deed in het dubelblind onderzoek: wie last had van droge mond of duizeligheid begreep dat hem een werkzaam middel werd verstrekt en meldde verbetering, de anderen begrepen dat ze gefopt waren en voelden zich minstens zo beroerd als tevoren.
Dat er nog niets beters is gevonden dan de psychoanalyse wil niet zeggen dat de psychoanalyse daarom toereikend is, maar dat het gevoelsleven voor de wetenschap nog steeds grotendeels ondoorgrondelijk en tamelijk onverbeterlijk is. De psychiatrie, dat manisch depressieve vak, lijdt aan stormachtige stemmingswisselingen. Na iedere periode van uitzinnige verwachtingen, drieste behandeldrang en roekeloze beloftes dreigt de psychiatrie terug te vallen in oeverloze somberheid, verlammend ongeloof en therapeutisch nihilisme.
Wij leken moeten hierbij vooral rustig blijven, niet te gauw willen ingrijpen en proberen te voorkomen dat de psychiatrie in haar extreme stemmingsfasen onherstelbare schade aanricht.
Rest de psychoanalyse.Maar wat rest er nog van de psychoanalyse? De Freudiaanse wereldbeschouwing, de 'metapyschologie', is vrijwel geheel opgegeven. Van 'eros' en 'thanatos' wordt niets meer vernomen, en ook 'id', 'ego' en 'superego' worden nauwelijks nog genoemd. Wat overblijft is vooral de psychoanalytische houding: een opstelling en een zienswijze. Misschien is die nog het best te omschrijven als de wetenschappelijke habitus, maar dan toegepast op zijn volstrekte tegendeel, het gevoelsleven, de fantasie.
Wat overblijft van de analyse is allereerst een stem in een conversatie, zwijgzaam, belangeloos, nieuwsgierig, opmerkzaam, een tikkeltje malicieus, gelaten en geamuseerd: de analytische partij wil niet te dicht betrokken raken, wil alles weten en durft te blijven kijken, denkt (en zegt) het eerst het kwaadste van de mensen, maar neemt dat niet te zwaar op. Dat is de lichte psychoanalyse.
Er is ook een zware psychoanalyse. Die onderzoekt het woeste en het wilde in de mensen met de uiterste duidingen. Dat is de psychoanalyse die 'alleen waar is in haar overdrijvingen' zoals Adorno schreef. Maar als de overdrijvingen zelf waar worden, in bloedschennis of kindermoord, lijkenvraat of mensenoffer, is alleen de psychoanalyse extreem genoeg om nog inzicht te kunnen verschaffen.Abram de Swaan, NRC 15 februari 1997
BABELNET
Abram de Swaan, NRC 22 februari 1997
Eergisteren is de nieuwe roman van Marcel Möring uitgekomen, een groot, ingewikkeld boek, een griezelroman, mysterieverhaal, familiekroniek, sprookjesbundel en tijdscommentaar. In Babylon is spannend geschreven, met veel verwikkelingen, onverwachte wendingen en dramatisch effect.
Net als in Mörings andere boeken is de vertelling verknoopt met de joodse geschiedenis en doorschoten met beschouwelijke uitweidingen. Ongewoon, misschien wel uniek voor een roman zijn de verwijzingen op de allerlaatste bladzijde naar een reeks vindplaatsen op het internet. Voor de oningewijde zien ze eruit als toverspreuken:
http://ccat.sas.upenn.edu/~humm/Topcs/Lilith,
of: http://www.peak.org/~danneng/decision/fermi.html.
De laatste bladzijde van een boek kan in een joodse familiekroniek uiteraard heel goed eerste zijn. Dan moet dus die pagina met internetadressen een gecodeerde inhoudsopgave bevatten of minstens de sleutel behelzen tot de ontcijfering van geheimen in deze raadselachtige roman. Ik mag de ontknoping niet verklappen, maar één aanwijzing heb ik al gegeven.
De hoofdpersonen zijn door een sneeuwstorm opgesloten in een landhuis, waar zij zich van de vriesdood weten te vrijwaren door al het meubilair en de gehele boekerij op te stoken. Daar gaat het verleden. Iets of iemand heeft in dat afgelegen huis voor hen een val gezet, een zorgvuldig in elkaar geknutseld mechaniek dat met hun binnenkomst in werking wordt gezet en onverbiddelijk als een uurwerk afloopt.
Ook op de transen van de toren van Babel waren de bouwers door mist, kou en ontij afgesloten van de bewoonde wereld en moesten wel het bouwhout opstoken om in leven te blijven, bedenkt Möring. Blijkbaar speelt het boek zich af in de hoogste omgangen van de toren, vlak vóór de algehele spraakverwarring uitbreekt. Babel wordt in de roman verwoest door een atoomexplosie: 'op hetzelfde moment hoorde hij de donder over de vlakte rollen. Hij keek om en zag in de verte geen donderwolken, maar een stofpluim die als een paddestoel naar de hemelen klom.'
De hoofdpersoon in de roman is als kind in Los Alamos heimelijk getuige geweest van de eerste ontploffing van de atoombom, die zijn vader heeft helpen construeren. Zijn oom (of was het zijn oom?) was kort tevoren ooggetuige van de ontdekking van Bergen Belsen. Maar welk Babel zal door die atoombom verwoest worden?
De houten huisjes van Hiroshima en Nagasaki reikten niet ten hemel, er was niets Babels aan. Die bom was door zijn bouwers bedoeld voor de Nazi's. Maar tegen hen werd de atoombom al niet meer gebruikt. In de Bijbel wordt Babel ook niet verwoest. God zaait spraakverwarring en verspreidt de mensen over de aarde.
De Bijbel heeft dezelfde structuur als het internet. Wie bijvoorbeeld Gen. I:26,2 opslaat vindt daar een reeks verwijzingen naar andere vindplaatsen (Gen 5:1-3; Kor, 11:7 enzovoort). Bijbelsurfers schieten zo van de ene home page naar de andere en banen zich een eigen weg door het labyrint.
Het internet werkt net zo, maar het is nog veel uitgebreider en het zal zich nog veel verder vertakken, steeds maar door, zonder einde. Zal het internet eens alle kennis die in de wereld bestaat bevatten?
Is dan het internet het nieuwe Babel? God zei (bij ZichZelf): 'Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. Wat zij nu doen is nog maar een begin; later zal geen enkel plan van hen meer te stuiten zijn.'
Het internet verbreidt zich juist in de jaren dat de atoomwapens in onbruik raken. Het is nog maar een begin, maar het is al niet meer te stuiten. Het is denkbaar dat het zich zou uitbreiden tot het absurde: 'een intelligentie, die op een gegeven ogenblik alle in de natuur werkende krachten en de positie van alle haar samenstellende delen zou kennen.' Dat is het Laplace-intellect. Dat brein zou dan omvattender moeten zijn dan het universum zelf.
Het is mogelijk dat het internet één elektronisch brein wordt dat de gehele mensheid omvat, dat alles weet wat wie dan ook weet en dat alle gedachten omvat die de mensen denken. Dan is het al te laat om dat wereldbrein nog te verwarren en uiteen te drijven. God zelf wordt uit de wereld weggedacht.
Tegen deze speculaties en extrapolaties steekt het internet in zijn huidige gedaante schriel af. Het is traag, saai, meest platvloers en alledaags. Iedereen mag er in en erop en het net is dus grotendeels een uitdragerij en rommelzolder. Het wereldbrein houdt zich vooral bezig met verkooppraatjes, vieze plaatjes, prijslijsten, babbelboksen, info-docs en dienstroosters. Net als de samenstellende mensenbreinen, dus. Maar het is nóg trager. Als geheugen is het krikkemikkig. Je ziet de inspanning waarmee het probeert zich de opgevraagde weetjes te binnen te brengen, met veel geknipper en beden om geduld, tot eindelijk het scherm volloopt met bits en bytes van de andere kant van de aardbol.
Wat is dat voor een organisme? Is het een bibliotheek van alle bibliotheken, of eigenlijk een wereldwijd telefoonnet waarin de conversaties alvast uitgeschreven zijn? Het is in zijn bestanddelen niets nieuws, en toch door zijn omvang en bereik, zijn verwevenheid en complexiteit, omgeslagen in iets ongehoords en weergaloos waarvan geen mens voorzien kan hoe het zich ontwikkelen zal en wat het met de mensen zal doen.
Nu is het vooral een warwinkel van feiten, feitjes, meningen en meninkjes waarin mensen hun weg moeten weten te vinden. Er bestaat een heel netwerk voor het verspreiden van adressen van netwerken die adressen vermelden in het netwerk. Daar is dit stuk dan deel van.
Vanzelfsprekend worden ook deze woorden opgenomen in het wereldbrein. Voortaan verschijnt deze rubriek elke maandag na publicatie in de krant al op het internet. Binnenkort zullen ook andere columnisten op dat adres te vinden zijn: http://www.siswo.uva.nl. (Opm. De in deze column genoemde sites zijn in 2003 niet meer actief).Abram de Swaan, NRC 22 februari 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE (2)
Abram de Swaan, NRC 1 maart 1997
Waarom zou iemand nu nog over de psychoanalyse beginnen? Daar moet toch een aanleiding voor zijn. Als die niet van buiten komt, dan moet ze wel van binnen zitten. De auteur heeft een probleem en denkt dat het de psychoanalyse is.
Dat is in één zin de psychoanalytische visie.
Sigmund Freud spookt nog steeds rond. Een hele generatie van antipsychiaters en pillenpsychiaters, toverdokters en geestenbezweerders, hagiografen en antibiografen heeft gepoogd hem voorgoed zijn graf in te schrijven, maar bij de eerste beste verspreking wordt hij er als betweter weer bijgehaald.
Dat komt omdat Freud interessant blijft en omdat alles wat hij aanraakte interessant werd. En hoe komt dat?
De Freudiaanse toverspreuk is eigenlijk heel eenvoudig, het is de standaardformule: achter alles wat de mensen zeggen en doen gaan verborgen redenen schuil, redenen die anderen hoogstens kunnen gissen en die de mensen zelf vaak niet eens weten, ja vaak heftig zouden ontkennen als ze hun voorgehouden werden.
Er zijn minstens twee wereldbeschouwingen die er net zo over denken: de ene, laten we die de metafysische noemen, ziet mensen voortgedreven door buitenaardse, bovenmenselijke machten, dat kunnen bosgeesten zijn, of bijgoden, de particuliere gratie, de voorspraak van de moedermaagd, het noodlot, of de wereldgeest.
De tweede wereldbeschouwing, laten we die de metamaterialistische noemen, oogt wat moderner. Ze zocht het ooit in de sappen, wat later in de klieren en vindt het tegenwoordig in de genen en neuronen: biologie is lotsbestemming.
In de eerste raadselleer moet een hele geestenwereld, een godenrijk, een opperwezen met theodicee bedacht worden om uit te leggen waarom de mensen zich zo vreemd gedragen als ze zo vaak doen. In de andere leer hoeft veel minder verzonnen te worden: die sappen waren een eerste, ruwe maar treffende aanduiding, die klieren zijn er echt, genen en neuronen kun je zelf onder de microscoop bekijken. Maar in de kern van deze leer zit een vreemd, zwart gat, een gebrek aan fantasie. Er moet eigenlijk nog iets bij verzonnen worden: wat maakt dat die genen en neuronen in wisselwerking met de wereld om ze heen zo op elkaar inwerken dat mensen er zinvolle en dus ook onzinnige gedachten aan overhouden, en zich navenant uiten en gedragen? Hoe hebben de neuronen daartoe geprest door de genen een hand (de mijne!) dit stukje laten schrijven? Nou ja, dat kan misschien nog wel. Maar hoe hebben genen en neuronen ooit iemand de metamaterialistische mensbeschouwing ingegeven?
'Zonder fosfor geen gedachten' was de vroege en kernachtige formulering van het metamaterialisme. Maar mèt fosfor meestal ook niet. De metafysica verzint teveel, het metamaterialisme verzint te weinig voor een verklaring van het menselijk gedoe.
Freud was een metamaterialist. Hij dacht dat uiteindelijk al het menselijks tot de biologie te herleiden zou zijn. Vóór het zover was, moest een tussenschakel worden gevonden die de mens als voortplantings- en stofwisselingsmachine in verband kon brengen met mensen als op iemand verliefde, door een ander beledigde, op weer iemand anders jaloerse wezens, als schilderende en dichtende, als grappen makende en dromende wezens.
Kortom, hoe kom je van die klieren tot mensen zoals u en ik?
Dat blijft de kloof die het moderne denken in tweeën deelt. En dat was de breuk die Freud wilde dichten. Daartoe ontwikkelde hij een leer (en een praktijk): de psychoanalyse. Eigenlijk creëerde hij twee leren. De ene werd aan de biologie gekoppeld, dat was de leer van de driften. De andere werd op menselijke uitingen toegepast, behelsde een duidingsarsenaal en een gesprekstechniek, en haakte aan bij de psychologie. De kloof tussen biologie en beleving werd daarmee misschien wat versmald, maar zeker niet overbrugd. Na verloop van tijd tekende zich precies langs de oude breuklijn in het Freudiaanse stucwerk een barst af.
Die Freudiaanse driftleer zou heel goed kunnen worden uitgeschreven als een computerprogramma met wilde, begerige, hongerige en agressieve driftendragers. Hoe lang die computersimulatie ook draaien zal, nooit zal er iets uitkomen dat in de verste verte lijkt op het zinvol gedrag van mensen die zich met elkaar proberen te verstaan.
Eenmaal gehuld in zijn indrukwekkende metamaterialistische mantel ging Freud dan ook iets heel anders doen: hij probeerde vreemde, onverwachte menselijke gedragingen te verklaren met vertrouwde en voordehandiggende menselijke overwegingen, vanuit de al even vertrouwde en voordehandliggende grondgedachte dat mensen vaak onoprecht zijn, ook tegenover zichzelf.
Hij was de eerste niet die dat deed, maar hij was er wel uiterst bedreven en vindingrijk in. Veel Freudiaanse psychologie is sindsdien gemeengoed geworden, verwaaid als alledaags inzicht in de medemensen (en soms zelfs zelfinzicht). Ook op dat niveau doet zich een probleem voor: blijkbaar kunnen mensen verschillende dingen tegelijk willen en vaak hebben ze dat van zichzelf niet eens door. Dat lijkt mij een heel realistisch uitgangspunt, maar ook een inzicht dat moeilijk te verenigen is met een heldere theorie van het bewustzijn: een zorg voor filosofen, meer dan voor de praktizijns van de psychoanalyse.
Freuds belang ligt niet in zijn goede karakter: nu elk detail in zijn bestaan zorgvuldig is uitgeplozen blijkt dat hij een sloddervos was en een jokkebrok, en erger ook weer niet. Naar morele statuur was hij een kopje kleiner dan Darwin en twee hoofden groter dan Marx.
Freud blijft fascineren omdat hij een van de beste mensenkenners was, die ook nu nog telkens de verwachting weet te wekken dat hij iets te melden heeft wat mensen van zichzelf nog niet weten en dat hij daarvoor ook nog de ware materialistische grondslag kan aangeven. Dat laatste heeft hij niet waar gemaakt. Het eerste wel.
Freud zou met zo'n motivering van een stuk over de psychoanalyse nooit genoegen hebben genomen.Abram de Swaan, NRC 1 maart 1997
DE BURGER GETEMD
Abram de Swaan, NRC 8 maart 1997
In Den Bosch is een man veroordeeld tot twee maanden omdat hij iemand die de garagedeur in zijn moeders huis probeerde te forceren een pak rammel gaf. De veroordeelde is bokser van zijn vak en heet 'Fast Eddy'. In dit korte nieuwsbericht pleiten bijnaam en beroep tegen hem, maar garagedeur en moeder strekken tot aanbeveling. We gaan hier af op uiterlijkheden, dat doet het innerlijk meestal.
Het is verboden om de medemens te slaan, ook al wordt die op heterdaad betrapt bij een poging tot inbraak. Hoe dient dan de bewoner zich wel te gedragen in geval van huisvredebreuk, diefstal met braak of diefje met verlos? Daar moet heel gauw een voorlichtingsbrochure van Postbus 51 voor komen.
'Hoort u verdacht geschuifel, gerommel, of gekraak sluit dan onmiddellijk de deur van de kamer waar u zich op dat moment bevindt met een sleutel of grendel. Neem vervolgens een stevige stoel met rechte leuning en zet hem klem onder de deurkruk. Roep nu luid en duidelijk door het sleutelgat: "Wie is daar?"
Herkent u bij het antwoord een vertrouwde naam of stem, open dan de deur (vergeet niet eerst de stoel weg te schuiven). U bent nu veilig. Huil gerust even uit, dat lucht op en voorkomt spanningen achteraf.
Komt de naam of stem u echter niet bekend voor, verlaat dan onder geen beding het vertrek waarin u zich bevindt. Huil nog niet uit. Sommeer de onbekende zich dadelijk te verwijderen: "Hier spreekt de wettige bewoner. U heeft geen toestemming zich in dit pand op te houden. Verlaat onverwijld mijn woning/ nevenverblijf /vakantiehuis/ bedrijfsruimte (kies de meest toepasselijke term). Anders zie ik mij genoodzaakt de autoriteiten van uw wederrechtelijke aanwezigheid in kennis te stellen." U doet dit driemaal. Luister nu met het oor tegen de deur of u nog verdachte geluiden hoort. Neem vervolgens de telefoon van de haak en draai het nieuwe alarmnummer (1-1-2). Noem zodra aan de andere kant wordt opgenomen duidelijk uw naam en adres, en maak melding van huisvredebreuk. Blijf vooral kalm en wacht rustig af tot er hulp verschijnt. Verlaat in geen geval uw gebarricadeerde kamer. Mocht de indringer zich ondanks al uw voorzorgsmaatregelen toch toegang verschaffen tot het vertrek waarin u zich bevindt wijs hem of haar er dan op dat mishandeling door de rechter veel zwaarder wordt bestraft dan eenvoudige vermogensdelicten als diefstal met inbraak. Probeer het gesprek op gang te houden, toon begrip maar blijf ferm.
Bedenk: Geen paniek. Geen dreigementen. En vooral: Geen geweld. Want: In huis, handen thuis. De Politie komt eerder dan u denkt.'
Persoonlijk vind ik dat iemand die andermans huis binnendringt van geluk mag spreken als hij er levend uitkomt.
Met deze mening bevind ik mij in zeer slecht gezelschap. Ik weet niet eens of het wel een mening is of meer iets dat aan de meningsvorming voorafgaat: een voormening die nog ongecorrigeerd is, die zich tot een mening verhoudt als een vooroordeel tot een oordeel. Voormeningen zijn een lust voor het gemoed, meningen zijn een plicht voor het verstand.
Amper hoorde Fast Eddy gemorrel aan mama's garagedeur, of de boosdoener lag al met een gebroken kaak onder zijn eigen fiets. 'Zo doen wij dat in huize Eddy, Ma'.‘Fast, jongen, pas toch op. Je kent je eigen kracht niet.'
Toegegeven, het was niet professioneel. Een beroepsbokser hoort zo hard te slaan dat zijn tegenstander buiten gevecht gesteld is. Niet harder. Deze klap was een kunstfout. En toch, in een miljoen binnenkamers weerklonk even die dreun op dat smoel. Die zit. Net goed. Sodeju. Flink pak op hun lazer. Afgelopen wezen. Lesje leren.
Een miljoen mannen zijn tien minuten bruut en niet te vermurwen, een miljoen vrouwen doen zorgelijk en bewonderend. Een miljoen kinderen houden het mokkend voor gezien.
Toen ooit mijn uur sloeg en ik oog in oog kwam te staan met mijn indringer bleek hij broodmager en krom, haveloos in de kleren en vervuild, pokdalig in het gezicht en met een baardje dat niet meer groeien wilde. Er was geen eer aan te behalen. Tierend joeg ik hem het huis uit, de stoep af. Op de onderste trede draaide hij zich bezwerend naar mij om, zijn gezicht vlak bij mijn schoen. Ik trapte niet. Ik wilde niet het geluid horen van tanden die dof tegen het schoenleer uit de kaak breken. Ik heb het niet in me, dat bleek toen. Hij had mij of de mijnen ook nog niets misdaan.
De vrouw in de Bijlmer die uit haar tasje een pistool van klein kaliber haalde en haar belagers overhoop schoot, de juwelier in de Amsterdamse binnenstad die zijn berover nog van achteren neer knuppelde, ze kregen alom heulende instemming en onverholen ontzag; overal, behalve bij de rechter. Hier staan de staatsdienaren lijnrecht tegenover het rechtsgevoel van de onderdanen. Het geweld is aan de staat, de onderdaan mag alleen in alleruiterste nood geweld gebruiken om een ander of zichzelf te redden, en nooit om te straffen of te wreken. De burgers, daarentegen, mogen graag zien hoe een onverlaat wordt afgestraft, ook door het onbevoegd gezag.
Wat hier in het geding is, dat is niets minder dan het staatsmonopolie op de geweldsuitoefening, het diepste, allerdiepste wezen van de staat. De burgers hebben hun recht op zelfverdediging onherroepelijk overgedragen aan de staat in ruil voor een recht op bescherming. Voor die bescherming (en voor nog veel meer) dragen ze belasting af, die desnoods met datzelfde staatsgeweld wordt geïnd, waarmee de cirkel van beschermen en belasten zichzelf voorgoed in gang houdt.
Ook na duizend jaar zijn de onderdanen nog niet helemaal getemd door de staat. Zij morren in het geniep en genieten plaatsvervangend van een strafoefening die in eigen beheer wordt uitgevoerd. Heimelijk bewonderen zij de eigenrichting, al gaat die de verkeerde kant op.
Hiep hiep voor Fast Eddy en de anarchie.
Abram de Swaan, NRC 8 maart 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE (3)Abram de Swaan, 15 maart 1997
De psychoanalyse heeft vele schijngestalten. Als het haar zo uitkomt wil ze een wetenschap zijn, een menselijke natuurkunde. Als de wind wat anders waait moet de psychoanalyse voor een soort literatuurwetenschap doorgaan, geen vertelkunst maar een luisterkunde, een ontcijferingsleer van symbolentaal. Maar haar ware gedaante vertoont de psychoanalyse binnenskamers: in de supervisie.
Het bestaan alleen al van de supervisie was vroeger een gekoesterd geheim: het 'supervisiegeheim'. Ook nu nog is men daar terughoudend over. Jonge analytici bespreken om de week met een ervaren collega wat hun patiënt te berde heeft gebracht. De meeste patiënten toentertijd studeerden zelf psychologie of zaten in het maatschappelijk werk en wisten dus allang van die supervisie; dat maakte hen dan tot ingewijden.
Het gezag van de beginnende analyticus zou misschien ondermijnd worden als bekend werd dat een oudere collega met hem meekeek. Wie weet zou de overdracht ervan splijten, deels uitgaan naar de analyticus en deels naar de - ingebeelde - supervisor. En wat dan nog?
Het zwijgen over de supervisie hoorde tot de gewichtigdoenerij waarmee de analyse overwoekerd was geraakt. De supervisor die ik met veertiendaagse regelmaat bezocht was dan ook een gewichtig man die vele vooraanstaande functies had bekleed in de psychoanalytische hiërarchie. Zelf was hij nog in behandeling geweest bij een analyticus die zelf nog in behandeling was geweest bij Freud zelf. Dat strekte tot aanbeveling, al was de werkwijze van Freud geheel in strijd geraakt met de beginselen die inmiddels golden in de psychoanalytische praktijk.
De supervisor, Van de Paard, om hem maar eens een andere naam te geven, begroette zijn bezoekers met een hand die hij op borsthoogte dicht tegen zich aanhield, tegelijk terughoudend en uit de hoogte. Als zenuwarts, maar in driedelig pak, tussen de antieke meubelen, en met familieportretten aan de muur, had hij zich daar in de Amsterdamse woonwijk Psychiatrisch Zuid een half-medische, half-patricische habitus aangemeten. Voor zo iemand moet ik indertijd geen geruststellende aanblik hebben geboden, met haar tot op mijn schouders en gestoken in de verfomfaaide arbeidersplunje die net toen de arbeiders zelf zich in de confectie staken, het uniform van de progressieve intelligentsia was geworden.
Van de Paard en ik mochten elkaar niet. Daar kwamen later goede redenen voor, maar het begon als een belangeloze, wederzijdse afkeer: een reine antipathie. Hij beschouwde zichzelf als executeur-testamentair van de Freudse heilsleer en hanteerde die in het openbaar als het wetboek voor civiele rechtsvordering. Diezelfde bedremmelde dorpsnotaris bleek in zijn spreekkamer een gevoelige en tamelijk gevoelsslimme man. Nooit had hij het daar over de metatheorie, over het lustprincipe of het primair narcisme. Het leek wel alsof die hele santenkraam van psychoanalytische theorieën met zijn feitelijke werk niets te maken had, alsof hij de doctrine glad vergeten was als het over een levende, lijdende analysant ging. Maar zodra hij in het verenigingslokaal de dranklucht van de leer opsnoof moest hij weer schielijk een straf glas doctrine tot zich nemen.
Waar had hij het dan binnenskamers wèl over, tijdens de supervisie? Hij wilde weten wat de patiënt precies bedoelde, wat de patiënt niet durfde zeggen of zelfs niet durfde denken, en wat de patiënt voor de analyticus voelde en over hem fantaseerde. Wat ik over de patiënt fantaseerde en voor de patiënt voelde liet hij liever buiten beschouwing, dat leek hem al te gewaagd en ik moest dat maar met mijn eigen analyticus bespreken, want er werd in die tijd van alle kanten aan ons gesleuteld.
Van de Paard als supervisor had het dus over twee dingen: de overdracht en de weerstand. Dat was wat er van de psychoanalyse in de dagelijkse praktijk was overgebleven: de overdracht - wat denkt de patiënt over de analyticus (en wat durft hij nog niet te denken); en de weerstand - wat weerhoudt de patiënt ervan om zich zijn gevoelens en gedachten toe te geven en ze nog uit te spreken ook? Dat waren de twee oorspronkelijke vragen van de psychoanalyse in kamerjas. De derde, over gevoelens en fantasieën van de analyticus, dus over de tegenoverdracht, komt daar nog bij.
In dat supervisie-uur ging het nooit over patiënten die hun vader wilden vermoorden om vervolgens hun moeder in den vleze te bezitten. Nee, de patiënt had drie dagen achtereen liggen horten en stamelen over een docent die geen aandacht voor zijn studenten had, over een analyticus die vast liever in de keuken bij zijn vrouw zat.
Van de Paard verbrak in de twintigste spelminuut zijn zwijgen en zei: 'De patiënt is erg eenzaam'. Ik vond dat te eenvoudig. 'Eenzaam', dat kan iedereen wel zijn, en dat kan iedereen wel zeggen. Daar had je toch geen psychoanalyse en geen supervisie voor nodig. Toch was ik er zelf niet opgekomen en in alle eenvoud werd met die constatering het klagelijk zeuren van de patiënt begrijpelijker. Nu ik mijn aantekeningen in dat oude schoolschrift herlees weet ik ook waarom ik het toen niet graag horen wilde. Ik verstond in die opmerking dat ik eigenlijk iets aan die eenzaamheid zou moeten doen. Iemand die in jouw gezelschap eenzaam is, dat houdt toch een verwijt in.
Niet in de psychoanalyse. Had ik die duiding maar tegengesproken, dan had Van de Paard dat misschien opgemerkt. Maar, zoals gezegd, de tegenoverdracht bleef toentertijd nog buiten schot.
In die supervisies kwam eigenlijk nooit iets aan de orde dat een buitenstaander gezocht of onbegrijpelijk zou vinden. Wat de verbazing of de lachlust had kunnen wekken was de toegewijde ernst waarmee gezocht werd naar bedoeling en betekenis. De psychoanalyse binnenskamers, dat is de gewoonte om telkens nóg een keer te vragen naar het waarom.
Abram de Swaan, NRC 15 maart 1997
Abram de Swaan, NRC 22 maart 1997
Een van de illusies die de mensen elkaar graag aanpraten is dat ze met elkaar in één elektronisch dorp leven en dat alles wat aan de ene kant van dat werelddorp gebeurt dadelijk bekend wordt aan de andere kant: de dorpspomp in het tijdperk van de totale communicatie. Misschien dat het opgaat voor de beursberichten en de weerberichten, voor de sportuitslagen, voor de bewegingen der hemellichamen en de reisroutes van de wereldleiders, voor de tijdingen van de roem en van de weelde. Daarmee is dan mondiaal wel het meeste gezegd.
De alledaagse wereld, het dagelijks bestaan is te gewoon om op te merken: even verderop hoort niemand er meer van. Nog een andere wereld, de omgekeerde wereld van de onmenselijkheid, is ook van verre veel te erg om aan te zien. Zelfs een massamoord die dichtbij gebeurde, onder de ogen van honderden Nederlandse soldaten, bleef aanvankelijk geheim. Het bewijsmateriaal werd weggemoffeld, de getuigen kregen zwijgplicht opgelegd in het begrijpelijk verlangen dat de toedracht nooit bekend zou worden. De commandant werd weggepromoveerd, de generaal werd weggepensioneerd en de minister, die bleef zitten waar hij zat. Daar zit hij nog. Tot deze woonwijk van het elektronisch dorp is het slechte nieuws blijkbaar nooit echt doorgedrongen. Van die massa-executies zijn dan ook geen opnamen vertoond, zelfs CNN keek even de andere kant op,
Ook van de genocide in Rwanda bestaat nauwelijks beeldmateriaal en er waren geen verslaggevers of buitenlandse waarnemers bij aanwezig. De mensen die erbij waren zijn vermoord of waren zelf de moordenaars. Wie het kan navertellen was dus medeplichtig of heeft bij hoge uitzondering weten te ontkomen. Daarom is nauwelijks te reconstrueren wat daar toen is gebeurd, hoe die slachting zo om zich heen kon grijpen.
Van de oorlog die sindsdien in Oost-Zaïre woekert dringt maar heel weinig door tot de buitenwereld. De schattingen van het aantal Rwandese vluchtelingen in dat gebied liepen uiteen van vijftigduizend tot een half miljoen; de hulpverleners zetten hoog in want daar bestaan ze van, de rebellenleiders hielden het laag om Franse inmenging te voorkomen. Af en toe vloog hoog een helikopter over met waarnemers van internationale organisaties en de wereldpers. Wat er al die tijd in de rimboe werkelijk gebeurde was niet te achterhalen, daarvoor was het terrein te ontoegankelijk en te uitgestrekt, was de strijd te onvoorspelbaar om tijdig ter plaatse te kunnen zijn, en te gevaarlijk om van nabij te verslaan.
Niet dat het de verslaggevers aan moed ontbrak, integendeel; er waren zelfs waarnemers die zich nabij waagden en hulpverleners die pas op het laatst vertrokken. Als het doden eenmaal begint is het moorden of vermoord worden en daartussen is geen ruimte voor toeschouwers.
De jungleoorlog heeft nu Kisangani bereikt dat zonder slag of stoot werd ingenomen. Ook daar zijn maar weinig verslaggevers getuige van geweest, al was de intocht lang van tevoren voorspeld. Het was te gevaarlijk.
Gewoontegetrouw hebben de regeringstroepen de stad geplunderd en gebrandschat en zijn vervolgens op de loop gegaan voor de opstandelingen. En de Servische huurlingen? Ook zij bleken rolvast in hun optreden. Net zoals ze dat tot voor kort in eigen gebied deden, ontliepen ze elk gevecht met gewapende tegenstanders. 'Ze hebben tientallen jongeren opgesloten en gefolterd, in het wildeweg voorbijgangers doodgeschoten en in koelen bloede twee zendelingen gedood.' Dat heeft de journalist van Le Monde (20 maart ‘97) vernomen van mensen uit de stad.
Hoe ver en vreemd ook, Kisangani is veel westerse lezers vertrouwd. Zij kennen ook de taferelen van rebellie en terreur, vlucht en plundering die zich daar nog pas hebben voorgedaan. Het is immers de stad waar de roman A bend in the river van V. S. Naipaul zich afspeelt. Dat boek dateert van twintig jaar geleden. Het verhaal wordt verteld door een jonge Indiase handelaar die in de stad aan de rivier zijn geluk komt zoeken, of beter daar het ongeluk in zijn Indiase clan aan de Afrikaanse Oostkust wil ontvluchten. Hij arriveert in Kisangani als daar juist een rebellie is neergeslagen en hij vlucht tien jaar later als de stad opnieuw door opstandelingen uit het oerwoud omsingeld is.
Het zijn de jaren dat de 'Big Man' zijn gezag vestigt in dat chaotisch oerwoudgebied: Mobutu Sese Seko, in het boek een naamloze, verre maar constante presentie, alomtegenwoordig in zijn portretten en standbeelden en in het ontzag van de 'citoyens et citoyennes'. In hun angst gaan zijn onderdanen - zoals Naipaul weet over te brengen - langzaam aan en tegen hun zin van de verschrikkelijke potentaat houden: de liefde van mensen in onmacht voor de macht van de onmens.
Niemand heeft zijn thuis in de stad Kisangani. De Afrikanen zijn maar voor tijdelijk weg uit hun dorp; de Aziatische handelaars zijn alleen gekomen om fortuin te maken en zich met dat geld ooit in een westers land in te kopen; de technici zijn op missie en logeren in het enige luxe-hotel; de academici zijn gastdocent en wonen in het afgeschermd 'Domein'. Iedereen leeft in voortdurende angst voor de opstandelingen die op een dag uit het oerwoud zullen oprukken en voor de terreur waarmee de 'Big Man' hen bij voorbaat wil bedwingen. Een Indiase winkelier zegt tegen de hoofdpersoon: 'Je kunt in deze situatie niet al je tijd in angst doorbrengen. Er kan iets gebeuren, maar je moet proberen daaraan te denken als aan een ernstig verkeersongeluk. Iets waar niets aan te doen is en dat overal kan gebeuren.' Maar er gebeurde niets, de uitbarsting bleef uit, elke nacht kwamen er aanvallen, vielen er een paar doden, maar het leek allemaal ver weg.
Het rebellenleger van Laurent Kabila beheerst nu Kisangani, in de Zaïrese hoofdstad Kinshasa heerst volstrekte verwarring, in een Franse villa ligt Mobutu Sese Seko te vergaan. De man die hem jarenlang vanuit Parijs in het geheim bespeelde, Jacques Foccart, overleed jongstleden woensdag. Altijd al werd Mobutu bestraald, met westerse wapens en westerse adviezen. Al die jaren straalde dat als bij toverkracht van hem af. Het werkt niet meer.
Abram de Swaan, NRC 22 maart 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE (4)Abram de Swaan, NRC 29 maart 1997
De psychoanalyse, dat is waar ook, hoe zou het daar na al die tijd mee gaan? Zijn de patiënten en ex-patiënten er beter van geworden? Daar is het toch allemaal om begonnen.
De eeuwige moeilijkheid met de psychoanalyse en alle andere remedies tegen hartzeer is dat de werkzaamheid zo moeilijk is vast te stellen. De psychoanalyse komt er in de vergelijking met andere methodes goed af, maar allemaal behalen ze een matig en wisselvallig resultaat.
Kan het soms aan de meting liggen, en niet aan het gemetene? Wat is eigenlijk de maat van psychisch welzijn? Bevindt zich in een luxe gestoffeerde kluis te Sèvres de Gouden Geest in constante toestand van exact éen standaardeenheid Algemeen Menselijk Levensgeluk? Alles wat er aan zinnigs over het geestelijk welbevinden valt op te merken is nu juist in strijd met de notie dat gemoedstoestanden zich simpelweg laten meten en vergelijken, tussen mensen of bij één mens op het ene tijdstip en het andere.
Dat mag waar zijn, maar door het onderzoek naar de behandelingsresultaten al bij voorbaat af te wijzen komt de psychoanalyse terecht bij al die andere schuimkloppers die het ontbreken van aantoonbaar resultaat aan de toonders wijten: handopleggers en hoofdomkeerders, homeopaten en kruidensmeerders, instralers en speldenprikkers .
Toch is er een verschil met de psychoanalyse. Als een vloeistof met niks erin werkzaam zou blijken, dan zou de hele natuurwetenschap zich nog eens goed moeten laten nakijken. Wanneer zou blijken dat een onstoffelijk fluïdum door simpele aanraking of zelfs op afstand zomaar genezing kon brengen, dan zou die bevinding het westerse wereldbeeld in een diepe crisis storten. Mensen die goedgelovig en bijgelovig zijn beseffen meestal niet wat ze daardoor allemaal niet geloven, welke wetenschappelijke en logische grondregels ze daarmee al verworpen hebben.
In de psychoanalytische metatheorie wordt van alles verondersteld dat onbewijsbaar is, niet eens bewijsbaar onwaar. Maar zonder die constructies kan het ook. Wat dan rest is een minimumtheorie, en de psychoanalytische praktijk. Dat zo een praatkuur inzicht en verlichting kan brengen is helemaal niet onaannemelijk. Het is met geen enkele natuurwet in strijd, het strookt met de algemene mensenkennis. Daarmee is de geldigheid van de psychoanalytisch aanspraken nog helemaal niet bewezen (net zomin als de onaannemelijkheid van allerlei wonderkuren de ongeldigheid ervan bewijst).
Empirisch onderzoek kan ruwe aanwijzingen geven over de effectiviteit, maar de metingen missen toch het meeste waar het in de psychoanalyse om gaat. De psychoanalyse hoort naar haar aard ook niet thuis bij het medisch behandelingsmodel en bij het mirakelmodel al helemaal niet.
De psychoanalyse is heel goed te vergelijken met muziekles. In lange jaren van oefening leer je een instrument beter bespelen, zoals je in de psychoanalyse beter leert omgaan met eigen en andermans emoties. Muziekpedagogen hebben veel verstandigs te zeggen over muzikale vorming, maar door hun boeken te lezen wordt je nog geen goede muziekleraar, laat staan dat je er een beter musicus van wordt. Er bestaat ook een musicologie, met vaktijdschriften en hoogleraren. Daarvan leert geen musicus beter spelen, maar het schijnt dat je de muziek toch beter begrijpt en er zelfs meer van geniet als je iets van muziektheorie erbij weet. Zijn muzikale vorderingen te meten, zodat de effectiviteit van het muziekonderwijs kan worden aangetoond? Er zijn vast wel ruwe aanwijzingen te constateren.
De psychoanalyse wordt in een vergelijking met de muziek niet te kort gedaan, maar er is een doorslaggevend praktisch verschil: muziekleraren worden niet door de verzekering vergoed en psychotherapeuten nog wel. Daar staat tegenover dat sommige musici wereldberoemd worden, en miljoenen mensen van hun spel kunnen genieten, terwijl gevoelsbegaafde en gevoelsgeoefende mensen hun interpretaties van eigen en andermans roerselen binnenskamers houden. Zielkunde is geen podiumkunst. Psychoanalyse en muziek hebben veel gemeen en ze verschillen in alles waarin het zielsleven en het muziekleven van elkaar verschillen.
Gevoelsbegaafdheid, het vermogen om jezelf en anderen te begrijpen, lijkt op muzikaliteit. Net als een goede muzikale vertolking, wekt ook een rake analytische interpretatie ontroering; en daaruit blijkt haar juistheid.
Lang geleden, toen ik zelf nog zielsles gaf, ging ik regelmatig te rade bij ervarener collega's. Eén van die supervisors, Portegijs had hij heel goed kunnen heten, was zowel muzisch als psychisch een uitzonderlijk begaafd mens. Alles wat hij te zeggen had klonk moeiteloos en speels en goedgestemd. Telkens en telkens weer kwam Portegijs terug op eenzelfde thema: de overdracht. In alles wat mijn patiënt te berde bracht, in alles wat hij uitvoerde buiten de zittingen, zag Portegijs de verborgen verwijzingen naar mij, de therapeut. Dat ik daar niet steeds oog voor had, of dat ik het anders opvatte, dat had, zo meende hij, te maken met de tegenoverdracht, dus met de gevoelens die ik zonder het met zoveel woorden te beseffen had opgevat voor mijn patiënt.
Dat leek mij toen vaak gedram, meer ingegeven door loyaliteit aan de leer en ontzag voor de leiding, dan door inzicht in de patiënt. Achteraf besef ik dat Portegijs een bijzonder probleem had met de overdracht. Innemend en begaafd als hij was, waren zijn patiënten vol bewondering en genegenheid voor hem. Van de leer en van zichzelf moest Portegijs dat wel als overdracht duiden. Maar eigenlijk had hij het gewoon moeten zeggen: 'Met elke andere analyticus zou er bij u zeker sprake zijn van overdrachtsgevoelens, maar in ons geval zijn uw bewondering en liefde voor mij geheel en al terecht.'Abram de Swaan, NRC 29 maart 1997
EEN GOEDE PARTIJ
Abram de Swaan, NRC 6 april 1997De liefde stelt zichzelf graag voor als lotsbestemming. Mensen die elkaar gevonden hebben ontkennen liefst dat ze ooit zochten: ze liepen elkaar tegen het lijf, dat leek wel voorbeschikt. Wat daaraan voorafgegaan is, uitkijken en afwachten, lonken en wegkijken, toenaderen en afwijzen, polsen, flirten en uitproberen wordt in de loop van de tijd weggeschreven uit de mythe van de Eerste Ontmoeting.
'De normering van het "toevallig ontmoeten" lijkt zo sterk te zijn dat alle overige contactmogelijkheden bij voorbaat minderwaardig worden gevonden.' Dat schreef Wil Zeegers in een prachtige studie over een geminacht hulpmiddel in de partnerwerving: de contactadvertentie (Andere tijden, andere mensen; De sociale representatie van identiteit. Bert Bakker,1988). Mensen die een annonce plaatsen voor een partner erkennen daarmee dat het hun in het leven aan iets wezenlijks ontbreekt, aan een relatie. Ze werven in het openbaar, maar anoniem, en ook dat heeft iets tegenstrijdigs en lichtelijk beschamends: men maakt zijn wensen kenbaar aan Jan en alleman maar wil daar niet met naam en toenaam op aangekeken worden.
Zeegers constateerde al dat in die advertenties de verwijzingen naar goede afkomst, welstand, fatsoen en geloof langzamerhand verdwenen zijn en dat steeds meer melding wordt gemaakt van opleiding, uiterlijk voorkomen en culturele voorkeuren, van 'levensstijl'.
Maar hoe gaat dat toe in de betere kringen? Daar is toch een goede naam opgebouwd en een vermogen vergaard, die niet vergooid mogen worden aan een leuk uiterlijk of een grappige levenswandel? De kennismakingsrubriek die in Het Parool, Trouw en de Volkskrant verschijnt geeft daarover weinig uitsluitsel. Daar biedt alleen een vermelding van de opleiding ('HBO-niveau', 'acad. gevormd') een aanwijzing voor het verlangde inkomensniveau en aanzien.
Het medium is al een mededeling, want in de rubriek 'Kennismaking' van de zaterdagse NRC wordt door de adverteerders meteen al hoger ingezet. De boodschappen zijn uitvoeriger, gevarieerder, en persoonlijker, vaak gericht aan de gewenste 'tweede persoon', meteen al 'jij': 'Ben jij een man tussen 35 en 55 jr., creatief, romantisch met gevoel voor stijl en humor...' Zeegers noemt dat genre 'een open brief aan een onbekende'.
De seksuele voorkeur die in de andere dagbladen tot in de fijnste vertakkingen is uitgesplitst speelt in de NRC een ondergeschikte rol. Daar gaat het bovenal om stijl, persoonlijkheid, en 'niveau'. Die laatste term lijkt mij een discreet codewoord voor sociale positie: maatschappelijk aanzien en materiële welstand. Alweer, in de moderne mystificatie van de liefde komen inkomen en prestige niet ter sprake, het gaat om pure geestesadel, maar dan wel met een presentabel voorkomen.
Er wordt in de kennismakingsannonces van de NRC weinig gerookt, maar veel gewandeld, gesport, gelezen, natuur genoten, concert bezocht en kunst bemind, samen gehuild en gelachen, gerelativeerd, geconverseerd, met mate wijn gedronken, terwijl crises en problemen eens en vooral zijn overwonnen. De steller toont een vertederend oog voor eigen kleine tekorten, is mal, chaotisch, impulsief, maar leuk, spontaan en warm; de partner mag net zulke innemende eigenaardigheden hebben. Van aanzien, stand en fortuin wordt niet of nauwelijks gerept. Blijkbaar veronderstellen de adverteerders bij de lezers van de NRC stilzwijgend een passend inkomen en een gepast prestige.
'Lang (en leuk) mens zoekt bijzondere man met hersens en humor voor samen de krant op zondagmorgen.' Zij voegt daar nog iets aan toe: 'Buiten of Porsche geen bezwaar, maar mag ook zonder.' Dat is nog eens paradoxale communicatie. Wie reflecteert zonder tweede huis of sportwagen krijgt van haar bij voorbaat welwillend dispensatie.
De NRC richt zich impliciet op de betere kringen, maar dat zijn nog niet de hoogste regionen. In die kringen doet men helemaal niet gegeneerd over reputatie en fortuin. De International Herald Tribune heeft een rubriek 'friendships'. De stellers komen dadelijk terzake: 'Greek man, financially independent...', of, 'Real lady, beautiful' ziet uit naar een 'well established man'.
Chiquer zijn de annonces waarin een huwelijksbureau voor de cliënten optreedt: Edith Brigitta Fahrenkrog ('Frankfurt, Paris, New York') heeft de geslaagde eigenaar-directeur van enkele wereldwijde ondernemingen in de aanbieding, met eigen jet en jacht, huizen in Florida en Californië, met een 'fascinerend temperament' (dat lijkt me heel deftig voor een 'rothumeur'), elegant, sportief, humanitair.
Gabriele Thiers-Bense richt zich tot de 'wereldwijde elite' en prijst een econoom aan, eigenaar van multinationals, die ook nog professor doctor is. Claudia Püschel-Knies omschrijft haar huwelijkskandidaat als '33/186, Dr./Entrepreneur (from a first class family)...' De opperste sector van de internationale huwelijksmarkt wordt blijkbaar beheerst door Duitse koppelaarsters die de rijkdom en het aanzien van hun huwbare cliënten dadelijk breed uitmeten. Maar ook deze annonces bevatten persoonsbeschrijvingen waarin hoog opgegeven wordt van stijlgevoel, sociale vaardigheid, warmte, spontaniteit en eenvoud. Zelfs als er sprake is van iemand uit een 'oude familie' met 'traditional conservative values' wordt met geen woord van het geloof gerept.
Ook de zeer rijken en zeer aanzienlijken willen gelukkig worden, en dat nog wel in het huwelijk. Als vermogenspositie en standsbesef eenmaal gewaarborgd zijn, willen ze wat iedereen wil, alleen méér. 'Op basis van een gefortuneerde economische achtergrond verkiest zij uitgelezen privacy, de genoegens van paarden, dressuur, landelijk leven, klassieke kunst, muziek, literatuur, besloten diners. Een hartstochtelijk intellectueel vindt in haar de volmaakte wederhelft.' Een hartekreet per procuratie.
Abram de Swaan, NRC 6 april 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE (5)
Abram de Swaan, NRC 12 april 1997De psychoanalyse is gestikt in de verwachtingen die ze zelf heeft opgeroepen. Een wetenschap van de levenskunst, een geneeswijze van het vermijdbaar ongeluk, een methodiek voor de oplossing van levensproblemen, dat alles wilde ze zijn, of dat wilden de mensen dat de psychoanalyse zijn zou. Zo verwerd ze tot cultus en als cultus werd ze verstoten.
Diep in de westerse beschaving (en diep in de westerse versie van de oosterse beschaving) ligt een opdracht: Ken uzelve. Het bestaan is niet anders dan een lange les in zelfkennis.
Maar hoe moet dat? In nood, uiteraard, door tegenslagen leert men zichzelf kennen. Maar in een tamelijk vreedzame samenleving overheerst de innerlijke nood. Dan moet de uitweg gezocht worden in zelfopgelegde beproevingen, in een lange leergang naar verlichting. Niet iedereen kan die hachelijke tocht volbrengen, sommigen vallen halverwege af en dwalen voort in schemering, anderen vervallen onderweg tot razernij en waanzin. Een enkeling bereikt ten lange leste het inzicht in zichzelf en in de wereld. Zo iemand spreekt alleen nog in raadselen of uit zich met zo'n bedrieglijke eenvoud dat alle verwikkelingen waarmee de onverlichte medemens nog worstelt enkel maar verwarring lijken.
Heel even leek het alsof al die moeite overbodig was geworden. Er was niets anders nodig dan een koene sprong in de duisternis, of minder nog: je moest alleen maar even slikken. Er was een pil voor zelfkennis uitgevonden, LSD. In dat ene tabletje was de hele metafoor gecomprimeerd: de beproeving, de uitverkiezing, en dan het volmaakte inzicht, òf het falen, de verwarring en zelfs de krankzinnigheid. De meeste mensen die het probeerden beleefden geen van beide, maar dwaalden een paar uur in een verhevigd visioen en hielden dat verder voor gezien. Nog veel meer mensen begonnen er wijselijk niet aan.
Wat nu? Het lange, smalle pad naar zelfkennis. Misschien hielp het wel om onder deskundige leiding elke dag een paar uur in kleermakerszit naar de muur te staren en daarbij een reeks voorgeschreven lettergrepen te prevelen. Het was in elk geval heel oosters en veel minder schadelijk, de spierpijn ging vanzelf over en de verveling was juist de bedoeling. Veel mensen hebben er naar eigen zeggen baat bij gevonden.
Er was nog een andere gang naar de verlichting, nog smaller, nog langer en zeker even moeizaam. Die weg werd liggend afgelegd: de psychoanalyse. Nu was de kunst niet om te zwijgen, maar juist om te praten, vijf maal in de week, drie kwartier, drie, vijf, zeven jaren lang. Ook hier gloorde aan het einde de zelfkennis, ook hier was deskundige leiding vereist, en ook hier moest een beproeving worden doorstaan, het gevecht met de monsters uit de innerlijke onderwereld van het onbewuste. Wie dat eenmaal doorstaan had zou voortaan beter leven, en althans het nodeloze ongeluk kunnen vermijden.
Deze opsomming doet de psychoanalyse geen recht, maar onrecht. De psychoanalyse is nu eenmaal verstrikt geraakt in het culturele keurslijf van verwachtingen, de klaarliggende ideeën van beproeving en verlichting, of van schrikkelijk falen. De psychoanalytici konden zich daar niet geheel van losmaken en ze wilden het ook niet echt, waren zelf ook opgenomen in dat cultureel patroon.
De psychoanalyse beriep zich daarbij niet op de farmacologie of op de esoterische mystiek, maar op een wetenschappelijke zielkunde. Die wetenschappelijke pretentie van de analyse in een wereld van magische verwachting heeft grote schade aangericht. De psychoanalyse is erdoor verstard, wat erger is, veel mensen zijn erdoor beschadigd.
De gegadigden die zich aanmeldden voor behandeling bij het psychoanalytisch instituut moesten eerst een grondig onderzoek ondergaan. Het hemd werd hun van het lijf gevraagd, en daaronder begon het pas goed. Er werd getest, geïnterviewd, gerapporteerd en aan het eind van deze rituele initiatie volgde de aanvaarding als verbeterbaar patiënt òf de afwijzing als onbehandelbaar geval. Vanzelfsprekend werd de weigering verguld en ingekleed met veel verzachtende overwegingen. Dat hielp niet, want de geweigerden vatten het op als een vonnis in hoogste instantie dat hen voor goed tot de duisternis veroordeelde, om eigen bestwil, want zij zouden de beproevingen van de psychoanalyse niet kunnen doorstaan. Dat was immers gebleken uit het onderzoek en al werd daar in een nagesprek nog wat omheen gepraat, zo bleef het toch de meeste afgewezenen in de keel steken.
Ondanks alle goede zorgen, alle procedures en alle diagnostische termen was deze selectie eigenlijk op niets gebaseerd. Niemand weet hoe de analyse zou zijn verlopen als de afgewezen patiënt wèl in behandeling zou zijn genomen, niemand weet hoeveel analyses van patiënten die wèl werden geaccepteerd toch zijn mislukt en waar dat dan aan lag.
Had iedereen dan zomaar aangenomen moeten worden? Particuliere patiënten hoefden dit onderzoek niet door te maken. Waarschijnlijk paste ook de zelfstandige analyticus selectie toe, wat minder systematisch, wat meer intuïtief.
Waar gaat het dan in wezen om bij de selectie van geschikte kandidaten voor een psychoanalyse? Om ongelukken te vermijden: een zelfmoord tijdens de behandeling, een toenemende verwarring die gevaar oplevert voor de omgeving, of grote overlast voor de analyticus en diens gezin. Eigenlijk zijn al die patiënten geschikt voor behandeling, die jarenlang hun emoties kunnen bespreken op de afgesproken tijd gedurende drie kwartier op de minuut, die niet van de bank afkomen, niet al te luid te keer gaan, niet met het meubilair gaan gooien, en al helemaal hun analyticus niet aanvliegen, die aan het eind van het uur een traan wegvegen en min of meer in de plooi hun levenswandel hervatten tot de volgende afspraak. Zulke mensen zijn al heel erg goed, misschien worden ze er nog beter van.
Over al die anderen, die niet in psychoanalyse zijn gegaan is niets te zeggen, helemaal niets. Dat moet genoeg zijn.
Abram de Swaan, NRC 12 april 1997
GEIL GEWELD
Abram de Swaan, NRC 19 april 1997Zeven jaar geleden, toen de Muur viel, was de verwachting in het Westen dat de bevrijde volkeren zich vanzelf zouden formeren tot democratische samenlevingen, rechtsstaten met een vrije, maar verstandig geleide markteconomie. Wat men zich daar hier precies bij voorstelde is eenvoudig te omschrijven: een beetje zoals Nederland, in het begin wat armer, maar zeker zo vrijheidslievend.
Eigenlijk was dat precies wat in de jaren zestig nog gehoopt werd van de volkeren die zich uit de koloniale overheersing hadden losgemaakt. Dat het in de eerste tien, twintig jaar daarop vrijwel nergens lukte, werd opgevat als groeistuip en kinderziekte. Daarna werd het aan de Koude Oorlog geweten. Toen die door de Sovjet Unie voorgoed verloren was, laaide voor de vazalvolkeren van Rusland de hoop opnieuw op.
Het is wat anders gelopen en het loopt nog steeds heel anders. Op de keper beschouwd zijn er in Europa maar drie democratieën bijgekomen: Tsjechië, Hongarije en Polen, in volgorde van betrouwbaarheid. Al die andere landen blijken zonder communistische overheersing heel goed in staat zichzelf te onderdrukken.
'De wereld zal nog janken en smeken om Brezjnew', hoorde ik mezelf mompelen na de val van het Sovjet-communisme. Cynisch hoor, het soort gezegde waar je vast gelijk mee krijgt. Dat van 'de wereld' klopte niet, en er werd ook niet verlangd naar een afgetakelde potentaat, maar naar een wrede, sterke man. In Rusland en in de Balkanlanden stemt een groot deel van de burgers tegen hun eigen stemrecht: 'Weg met ons kiezers, maak ons weer onderdaan'. Ook in Oostenrijk herleeft dat verlangen en zelfs in Frankrijk hopen steeds meer kiezers dat Le Pen hen streng in de hand zal houden.
Dat is in navolging van Nietzsche wel slavenmoraal genoemd, en niemand heeft de paradoxen van macht en onderwerping beter beschreven. Maar het kan nog anders gezegd worden, meer Freudiaans: er speelt een kinderfantasie. De oppermachtige ouders mogen dan streng zijn, en zelfs onrechtvaardig, dat maakt ze alleen maar tot nog betere beschermers, die tegen anderen zeker nog strenger zullen zijn en vast nog onrechtvaardiger. Dat stelt gerust en strekt tot troost.
Toen ik een tijd in Budapest woonde, zag ik met regelmaat een fascistische splintergroep demonstreren bij het treinstation. Ze gingen, de koppen kaalgeschoren, in zwart leer gekleed, zwaaiden met rood-zwarte vaandels en staarden, de kin geheven, de borst vooruit, in de verte, waar in kraampjes kranten werden verkocht en warme worst.
Ze zagen er angstaanjagend uit. In strak gelid, in uniform, met krachtdadig postuur en hoekig gelaat, verkondigden ze het bruut en genadeloos geweld. Wie zou ooit op zulk geteisem willen stemmen?
Een oud vrouwtje, in sleetse kleren en voorovergebogen van de jicht, kwam op een jeugdstormer af. Hij hield zijn microfoon op heuphoogte en bracht die bij haar mond. Sabbelend sprak zij haar klacht in, die versterkt over het stationsplein galmde alsof een duizendkoppig koor fluisterend van leed en onrecht zong. Omdat de tekst voor mij onbegrijpelijk was, doorzag ik het tafereel des te beter. Wat ze niet zei en wat ik dus horen kon, was: Oud ben ik, arm en zwak, en diep verongelijkt. Nu wil ik dat jonge sterke mannen zich voor mij wreken op iedereen die mij tekort gedaan heeft. Ik wil mijn pensioen terug uit hun bebloede handen die ik kussen zal.
Het is een opwelling waaraan men beter niet kan toegeven, maar die toch heel invoelbaar is. De overgave aan het fascisme is niet onvoorwaardelijk. Ze berust op een compromis in het gevoelsleven: ik wil bescherming voor mijzelf en wraak op al die anderen. Als ik mij maar nederig onderwerp blijf ik gespaard en als beloning zal de overheerser al mijn vijanden vernietigen.
De zelfonderwerping is dus de prijs die men over heeft voor de wraak. Iets dergelijks komt ook wel in de godsdienst voor, maar is in duizend jaren wat getemd.
Hoe uitzinniger, waanzinniger, geweldsbeluster, machtswilliger de fascisten zich vertonen, des te beter zetten zij die fantasie in gang: Wat ben je groots, machtig en gevaarlijk; spaar mij, en sla een ander des te harder. Dat verklaart de liefde van de mens in onmacht voor de onmens aan de macht.
Hoe liefderijk en zorgzaam zullen de leren mannen voor hun oude moedertje zijn wanneer ze van hun strafoefening terugkeren. De leren mannen zijn elkander trouw en toegewijd als broeders; hun moorddadigheid tegen de anderen voelen zij als liefde voor elkaar.
In Nederland, waar fascisten zeldzaam zijn, hebben anderen zich hun attributen toegeëigend: de heavy metal zangers en de femmes fatales van de kindermuziek, of de porno-sterretjes van het middernachtprogramma op de tv. Zie je in Amsterdam een troep mannen opmarcheren in zwart leer, met kettingen, laarzen en moffenpetten op, dan zijn het homo's die voor hun vrije avond op weg zijn naar de sauna. Dat is niet het begin van het nazisme, maar het tegendeel, de uiteindelijke, onomkeerbare ondergang. Het toont schaamteloos wat fascisten nooit en nergens mogen beseffen: dat ze als idealen in bloed en vernietiging moeten verwezenlijken wat ze als kinderverlangen niet durven uitspelen. Het zijn niet de perverten die zich met gevaarlijke politieke symbolen tooien, het is omgekeerd: de fascisten dossen zich uit met erotische paraphernalia die pas in de politiek gevaarlijk worden. Koppelriemen en laarzen behoort men in bed en in het bordeel te dragen, voor de gewapende strijd moeten veldkatoen en gymschoenen genoeg zijn.
Het ultieme wapen tegen het fascisme is niet de neerbuigende zedenpreek, en ook niet de striemende hoon, maar de pornografie. De pornografie houdt hun het evenbeeld voor dat hen eens en vooral verlammen zal. Tujman, Le Pen en Haider zijn niet om op te stemmen, maar om bij te masturberen.
Abram de Swaan, NRC 19 april 1997
WEERZIEN MET DE PSYCHOANALYSE (6 en slot)
Abram de Swaan, NRC 26 april 1997
De Profiel-bijlage in deze krant van 10 april behelste een uitvoerig en gedegen overzicht van de therapievormen die in Nederland beschikbaar zijn: een consumentengids voor de ambulante zenuwlijder, om te bewaren bij de hoofdpijnpillen en de kalmeringstabletten tot ooit de vertwijfeling toeslaat.
Het ging in die bijlage over de vraag hoe iemand de therapie kan vinden die voor zijn problemen het meest geschikt is. Uit de inventaris bleek al dat de verschillende scholen in de psychotherapie zoveel van elkaar hebben overgenomen dat de oude scheidslijnen vervaagd zijn, en ook in geneeskracht ontlopen ze elkaar blijkbaar niet veel. Wat in die aflevering buiten beschouwing bleef en toch doorslaggevend kan zijn, dat is de persoon van de psychotherapeut.
In de psychische hulpverlening opereren even veel dwazen, domkoppen, oplichters, aanstellers en warhoofden als overal elders. Zolang ze zich strikt houden aan de methodiek die ze in hun opleiding hebben geleerd blijft de schade - en ook het nut - beperkt. Maar zodra ze hun eigen inbreng op de cliënt loslaten voltrekt zich een trage ramp waarvan de gevolgen pas veel later in hun volle omvang blijken.
De vraag is dus niet zozeer bij welke psychotherapie, maar welke psychotherapeut iemand het meeste baat heeft. Dat blijkt pas in het gebruik. Vaak gaat het goed: de hulpverlener maakt een bekwame, verzorgde en ook wel sympathieke indruk: iemand met wie te werken valt. God zegene de greep.
Soms gaat het meteen al anders. In de wachtkamer staat een ameublement dat de bezoeker gehoopt had na de kinderjaren nooit weer te hoeven zien, de wandversiering maakt al huilerig nog voor de eerste klacht geuit is en uit de lectuur op het leestafeltje blijkt dat hier iemand resideert die zijn cliëntèle voor zwakzinnig houdt. De hulpzoekende begint zich alvast te pantseren als een treinpassagier die zijn slaapcoupé moet delen met een ongewenste vreemdeling.
Nu niet meteen de wachtkamer uitgevlucht, nog even doorzetten. De therapeut verschijnt al in de deuropening en noodt zijn cliënt met uitgestoken hand de spreekkamer in. Daar is het nog erger dan het al leek. Het is niet dat iets in het bijzonder niet bevalt, helemaal niets aan de nieuwe hulpverlener is naar de zin. Nu dadelijk te durven opstaan met een beslist afscheidswoord: 'Ik zou u niet eens kunnen zeggen waarom, maar u staat mij tegen.' Daar is veel moed voor nodig, en het zou nog wel eens overmoed kunnen blijken.
Het is in zo'n geval het beste die drie kwartier maar uit te zitten en zich ondertussen één ding af te vragen: zou ik die persoon ooit kunnen vertellen wat mij zo aan haar of hem mishaagt?
Als dat inderdaad voorstelbaar is bent u aan het goede adres en doet zich nu een buitenkans voor. Aan wie ter wereld kan men ooit ronduit zijn antipathieën voorleggen zonder dat die ander zich begint te verdedigen, in woede ontsteekt, onder de kritiek verkrampt of tot de tegenaanval overgaat en wraak zoekt?
En, nog een vraag, waarom zou die therapeut de afkeer en kritiek niet kunnen verdragen, daar heeft zo iemand toch jaren voor geleerd en daarvoor zit hij er nu toch? Maar als de cliënt daar na rijp beraad niet op vertrouwt, dan is het tijd om een ander te zoeken.
Het omgekeerde kan zich ook voordoen, maar is soms iets makkelijker te hanteren: de therapeut lijkt meteen al zo aantrekkelijk, zo invoelend en oprecht sympathiek, maar zal ze bestand blijken tegen komende toenaderingspogingen, zal ze het geklaag dat nu al opwelt kunnen verdragen, zal ze de aanspraken die zich straks aandienen weten te begrenzen, zoals haar dat in de opleiding immers is bijgebracht? Zo ja, dan kan zelfs een innemende hulpverlener nog van nut zijn. Maar als het allemaal te innig lijkt te worden, biedt een afstandelijker therapeut meer baat.
Sommige mensen vrezen zozeer de eigen woede, dat ze verwachten dat de hulpverlener bij hun eerste uitbarsting al een beroerte krijgt. Anderen houden zozeer vast aan de illusie van hun onweerstaanbaarheid dat ze willen geloven dat geen therapeut aan hun aantrekking weerstand kan bieden. Mensen die hun eigen uitwerking zo hoog inschatten kunnen beter maar een therapeut uitzoeken die hun stevig genoeg lijkt om zelfs hen te verdragen.
Een houten klaas mag die therapeut ook niet zijn, er moet iets resoneren van een eigen persoonlijkheid die zich dan wel buiten spel houdt, maar onder andere omstandigheden tot alle reacties in staat zou zijn.
Hoe meer de persoon van de therapeut bij de cliënt precies die emoties wekt die problematisch zijn, des te geschikter zou hij moeten zijn om de cliënt ertoe te brengen die ook te uiten en om ze vervolgens te bespreken. Het gaat er eigenlijk niet zozeer om of de cliënt tegen de therapeut kan, maar dat de cliënt erop vertrouwt dat de therapeut de cliënt kan verdragen.
Want de bedoeling is toch dat de cliënt, gedurende de afgesproken tijdsspanne, binnen de verzekerde omheining van de spreekkamer, onder het beding van absolute discretie, en zonder dat de therapeut meteen zijn eigen oordelen, verlangens en belangen te berde brengt, vrijuit kan praten. Zo kan die cliënt iets laten blijken van wat zij van zichzelf raar, ongepast, gênant of storend vindt, waar dan misschien iets redelijks over te zeggen valt dat het inzicht kan vergroten.Binnen de strikte beperkingen van tijd en plaats, door therapeutische zwijgplicht en terughoudendheid afgeschermd, ontstaat een reservaat waarin de gevoelens in het wild en toch beschermd kunnen tieren. Al hebben die ontboezemingen niet de consequenties die ze in de buitenwereld zouden krijgen, ze zijn ook niet geheel vrijblijvend: ze worden gehoord door en ander, door de therapeut.
Eens gezegd, blijft gezegd. Wat een keer uitgesproken is, wordt daarmee voorgoed bespreekbaar. Pas dan is er iets mee te beginnen. Dat is de belofte die de psychotherapie waar moet maken.Abram de Swaan, NRC 26 april 1997
EEN SCHONER WRAAK
Abram de Swaan, NRC 3 mei 1997
Vanavond hoeft er nog niets, maar morgen moet er herdacht worden en overmorgen gefeest.
Het televisiepubliek wordt er in een reclameboodschap van overheidswege discreet aan herinnerd dat er iets te rouwen valt en vervolgens iets te vieren: twee dikke klodders verf, één rood, één blauw, op wit fond, worden uitgestreken met de kwast, terwijl een stem indringend het woord 'vrijheid' articuleert. Het reclamebureau heeft er ook nog een woordspeling bijgedaan: 'vier vijf mei'. Maar waar het op die dagen ook alweer precies om gaat, verdraaid, ik heb het geweten, maar ik kan er nu even niet opkomen.
Als de stemming er maar in komt. Het nationaal gevoelsleven moet met de kalender mee, in één week van oranjelol langs oorlogsleed naar vrijheidsroes. (En dan sla ik, net als iedereen, de eerste mei nog over) Het had erger gekund. De volkswoede wordt in dit land niet van hogerhand geregisseerd, en ook is een Dag van de Afgunst is nog niet ingesteld. Trouwens, het diepste volksgevoel, de wraaklust, was hier van begin af aan ten strengste verboden. In plaats daarvan kwam soms de rechtspleging en meestal de vergetelheid als collectieve afweer van de wraakzucht. Die aanvechting was blijkbaar onaanvaardbaar geworden. Dat kwam omdat iemand die zich toentertijd naar hartelust zou wreken daarmee in eigen en andermans oog teveel ging lijken op de ellendelingen die hij wilde afstraffen. Het was teveel van het kwade. De openlijke wraaklust verging de mensen dus al gauw.
Er bestaat een schoner wraak dan het kwellen van de vijand: het beschermen van zijn slachtoffers. Achteraf was nog het beste wat iemand in de oorlogsjaren doen kon vluchtelingen helpen en onderduikers herbergen. Dat heeft veel meer leed bespaard dan het gewapend verzet en het was ook minder gevaarlijk.
Zo is het nog. Tegen verre of halfnabije dictaturen kan niemand alleen of groepsgewijs iets uitrichten en de Europese overheden willen er, alleen of gezamenlijk, niets tegen doen. Voor zo'n situatie bestaat de uitdrukking 'machteloos toezien'.
Helemaal onmachtig zijn de mensen hier toch niet. Ze zijn heel goed in staat, zo niet alleen dan toch groepsgewijs, om vluchtelingen uit die landen op te nemen. Daar is niet eens staatsingrijpen of overheidssubsidie voor nodig. Allerlei organisaties houden zich al met vluchtelingenwerk bezig, zoals het Universitair Asylfonds dat vervolgden in staat stelt in Nederland te studeren.
In zijn algemeenheid is dat een medemenselijk streven. Maar soms bestaat er een bijzondere verantwoordelijkheid. Iemand die zijn eigen vak serieus neemt mag niet aanvaarden dat een collega elders hetzelfde werk door het heersend bewind onmogelijk gemaakt wordt. Juist journalisten, juristen, acteurs, schrijvers, zangers, psychiaters, sociologen, historici, taalkundigen worden door die dictaturen vervolgd, vooral de mensen die met woorden omgaan.
Het is de laatste jaren steeds moeilijker geworden voor politieke vluchtelingen om in de westerse democratieën nog een heenkomen te vinden. Maar die moeilijkheid kan nog steeds met geld verholpen worden. Als iemand voor de vreemdeling garant wil staan krijgt die een verblijfsvergunning.
Op de Amsterdamse School voor Sociaal-wetenschappelijk Onderzoek, waar ik werk, is een paar jaar geleden bij wijze van proef een Exilfonds opgezet om een vervolgde vakgenoot in staat te stellen zijn werk een tijd lang voort te zetten bij de School. Het geld wordt grotendeels bijeengebracht door de honderd mensen die daar als docent of onderzoeker werken. Een extern bestuur voert het beheer.
En, lukt het? Ja, maar niet zo als aanvankelijk werd gedacht. Het is helemaal niet zo eenvoudig in contact te komen met vervolgde collega's die aan de bedoelingen voldoen. Elke vluchteling trekt zijn eigen plan, dat telkens anders is en steeds onverwacht. De één blijkt eigenlijk allang in Nederland te verblijven en wist zich daar nog net staande te houden, de ander komt inderdaad van verre maar gebruikt de toelage als waarborg voor een verblijfsvergunning waarmee hij vervolgens naar Parijs forenst om daar een betrekking te vinden.
De persoon die zich aandient valt altijd een beetje tegen, is net niet de verzetsheld annex geniaal collega die men zich had voorgesteld. Na de eerste algemene ontroering stokken de contributies en moet er af en toe gemaand worden. Het Amsterdamse Exilfonds werd pas zeker van zijn voortbestaan door een grote gift van buiten.
Hoeveel er ook gejammerd wordt over bezuinigingen en tekorten, er is bij instellingen en bedrijven nog altijd veel vrijzwevend geld, vergoedingen voor consulten, optredens en publicaties, entreegelden, restituties, die worden opgemaakt aan personeelsreisjes, de verdere verfraaiing van de kantine of nog maar eens een snellere computer. Uit zulke potjes en uit de bijdragen van collega's is een vluchtelingenplaats te financieren, als het moet met wat hulp van externe sympathisanten. Om een vluchteling een jaar te kunnen onderhouden is gauw dertigduizend gulden nodig.
Wat moet er na dat jaar gebeuren? Dat is een vraag, maar niet voor iemand die nu in eigen land in levensgevaar verkeert of pas geleden volslagen berooid heeft moeten vluchten. Als het zich niet vanzelf oplost is er dus over een jaar weer een probleem, en daar moet dan iets op gevonden worden. Meestal heeft tegen die tijd de vluchteling alweer een list verzonnen of blijkt er elders een nieuw onderkomen beschikbaar te zijn.
Wie zich met vluchtelingen afgeeft haalt zich wat aan. De instelling krijgt er een probleem bij en een paar mensen moeten zich geregeld zorgen maken over de buitenlandse gast. Het is goed die bedenkingen maar meteen breed uit te meten. Verdubbel ze desnoods, overdrijf ze vele malen. En weeg ze dan af tegen de werkelijkheid van de mensen die vervolgd worden.
Abram de Swaan, NRC 3 mei 1997
Abram de Swaan, NRC 10 mei 1997
De afgelopen dagen bracht ik door in de Noord-Hollandse duinstreek. Het is een zwaar beschermd gebied, dat bovendien een nieuwe bestemming meegekregen heeft. De natuur moet terug naar de natuur. Dus zet op overheidsbevel de verwildering in. Een uitgestrekte weide is afgegraven en die zandvlakte ligt nu aan de wind ten prooi te wachten tot er stuifduinen ontstaan. Ondertussen mag geen mens het terrein betreden want de geringste voetafdruk kan de verstuiving al een ander, minder natuurlijk, verloop geven.
Van tijd tot tijd doorkruist een bestelauto het reservaat, hoog opgetuigd met antennes die signalen uit het veld opvangen: alle vossen zijn opgepakt, toegerust met kleine zenders en weer losgelaten. Nu kunnen ze vrijelijk hun natuurlijke gang gaan, die ondertussen nauwkeurig elektronisch wordt bijgehouden.
Verwilderingsfase III, die weldra ingaat, zal nog ingrijpender zijn. Niet langer wordt de zee geweerd, de vloed gekeerd, nu zal het water worden binnengehaald. Bij Bergen zal een rij lage duinen worden doorgegraven zodat de zee achter de eerste zandwal de vrije loop krijgt. Zo zullen er slufters ontstaan, duinvalleien die bij hoogtij vollopen en bij laagtij nat en brak blijven.
Het water komt de duinen in. Wie zoiets lezen kan zonder zich zorgen te maken heeft geen besef van tweeduizend jaar strijd tegen het water. De Noordzee is voor Nederland de echte wildernis, zoals het oerwoud, de woestijn of het hooggebergte dat voor andere volkeren zijn. De zee is bevaren, bevist en bevochten, maar nooit helemaal bedwongen. Nog moet elk jaar het strand weer worden opgehoogd, slaan met regelmaat grote stukken duin weg en stijgt alsmaar de zeespiegel. Zomaar ter verfraaiing een duin doorsteken en een stuk land prijsgeven aan de zee, dat is frivool. Dus moet het plan vooral worden uitgevoerd.
Het natuurbeheer is zo zeker van zijn beheersing over de natuur dat het binnen strikte omgrenzing de natuur haar gang durft laten gaan. Het doet denken aan een typering van de moderne gevoelshuishouding door Norbert Elias: 'controlled decontrolling of emotional controls' - het beheerst ontspannen van de emotionele beheersing. Men durft zich best te laten gaan in een huilbui of met een kwade kop, in de zekerheid dat die opwelling niet omslaat in ontroostbare wanhoop of moorddadige drift.
Pal aan de voet van de duinen ligt een landschap dat al even eigentijds maar volstrekt anders beheerd wordt: de bollenvelden. Daaraan is niets ook maar in het minst ontregeld of ontspannen, en als er al iets wordt overgelaten aan de vrije loop dan is dat niet die van de natuur, maar van de markt. Al van veraf blijkt de onderwerping aan een strenge, van buiten opgelegde norm: de feilloze rechthoek van het veld, waarbinnen één enkele kleur mag bloeien en niet één andere variëteit. Die bollenvelden worden intensief bevloeid en met zwaar gif bespoten, de bollen worden door geïmporteerde arbeidskrachten fabrieksmatig gepeld, gepoot en geplukt. Behalve mens of bol is op die velden elke levensvorm onkruid of ongedierte en moet vernietigd worden, alleen de raszuivere tulp mag blijven staan.
Zo ingekleed is de tulpenkweek totalitair, gewoonweg Hitleriaans, Stalinistisch, Maoïstisch, tot in de voorkeur voor het geometrisch vlak met zijn strikt gescheiden eenkleursblokken, als bij het defilé op de jaarlijkse partijdag. Duinbeheer is daarentegen democratisch, met een vleugje anarchie, liberaal en tolerant, als een buurtvergadering met inspraak.
Maar zo is het niet. De bollenkwekers zijn particulieren die opereren voor eigen rekening en risico. Zij hebben en passant een kunstwerk geschapen. Van heinde en verre komen de mensen met bussen vol naar het wereldwonder van de bloeiende tulpenvelden kijken; bloemen en bollen gaan met grote winst over de hele aardbol. Het duinlandschap wordt beheerd door een monopolistisch nutsbedrijf voor de waterwinning, stevig afgeschermd van de markt en van de publieke opinie, dat er veel geld op moet toeleggen. Zonder dwang en regeling zouden de duinen in de kortste keren verdwijnen, aan de zeekant weggeslagen door de golven, aan de landzijde afgegraven, volgebouwd en vol geplant.
Het duinbeheer weerspiegelt in zijn pretentie en in zijn praktijk veel van de Nederlandse politieke cultuur uit de jaren tachtig. Totalitaire regimes, daarentegen, worden voorgesteld en stellen zichzelf graag voor als een tulpenveld, mathematisch gepland, volstrekt eenvormig en volmaakt efficiënt. De beheersing lijkt er tot het uiterste doorgevoerd. De moderniteit bereikt er haar ultieme fase.
Maar de grote ontdekking van het totalitair stelsel was een andere: dat de verwildering kan worden opgewekt, ingedamd en toegepast. De nazi's en de bolsjewieken selecteerden bruten en geweldenaars en richtten ze af: ze kweekten hun moordlust verder aan, brachten hun bij wie ze gehoorzamen moesten, van wie ze af moesten blijven en wie ze aan moesten vliegen. In die totalitaire regimes werden zorgvuldig omheinde en verscholen reservaten ingericht waar zij werden losgelaten op de slachtoffers van het bewind. In de burgermaatschappij bleven ze strak aan de lijn en mochten alleen apporteren en tekeer gaan op aanwijzing van hun bazen.
Zoals tuinders oude, verdwenen variëteiten van cultuurgewassen weten terug te kweken, zo werden onder de totalitaire regimes barbaarse mensentypes gecultiveerd, afgericht en ingezet. Het nationaal socialisme en het stalinisme waren niet zozeer het resultaat van een terugval in het beschavingsproces, of van een 'decivilisatie'; het waren integendeel zeer geregelde en strak beheerste maatschappijvormen. Maar nazisme en bolsjewisme waren ook niet de zuivere belichaming van de moderniteit, of van het civilisatieproces in haar uiterste consequentie; daar waren ze te manisch voor en te destructief.
Het kenmerk van stalinisme en hitlerisme is dat de verwildering daar voor het eerst georganiseerd werd toegepast binnen een strak beheerst regime.
Abram de Swaan, NRC 10 mei 1997
Abram de Swaan, NRC 17 mei 1997
Wanneer ik mij op een bijeenkomst zit te vervelen - en dat overkomt me wel eens - neem ik soms in gedachten een ingrijpende maatregel. Ik ontdoe de aanwezigen van das, trui of jasje en trek ze een pij of tabberd om, breng als het nodig is snel de tonsuur aan, en zet hun een bisschopsmijter op of een simpele kardinaalsmuts. Daar knapt het gezelschap flink van op.
Ik zit nu aan bij de Inquisitie en het gaat allang niet meer over studenten die een cijfer moeten krijgen, maar over ketters die uit hun dwalingen moeten worden teruggeleid, met een vermanend woord of desnoods met harde hand. Ik kijk mijn gezelschap er eens goed op aan. Het is de nieuwe collega, nu hij in priesterlijke gewaden is gehuld, aan te zien dat hij de brandstapel al in gedachten heeft. Zo-even, nog in tweed en corduroy, leek hij toch zo'n meegaand mens. De bejaarde prof, de vriendelijkheid zelve, blijkt nu een oude huichelaar die zich aan koorknapen vergrijpt en zich in zijn angst voor ontdekking alvast genadiglijk voordoet in de ijle hoop dat hijzelf, eenmaal betrapt, de tortuur ontkomen zal. Mijn collega proximus, weggedoken in zijn monnikspij, vervalt in heftige gewetensstrijd, want in zijn orde doen naar mij ter ore is gekomen, verwante denkbeelden opgeld en dus aarzelt hij om de kanonieke wet in volle gestrengheid toe te passen.
Ik heb op de aanwezigen de methode El-Greco-Velazquez toegepast. In dat tijdloos en ongenadig licht verschijnen zij in hun ware aard, ontdaan van alle eigentijds vernis, binnenstebuiten gekeerd, hun ziel zichtbaar, omplooid met karmozijn en purper.
Het helpt. Als costumier verveel ik me al minder. In de verbeelding wreek ik mij op de machteloosheid die wij elkaar aandoen, de wederzijdse dwang om stil te zitten, ieder alleen op zijn beurt te praten, in afgewogen bewoordingen, en dan nog uitsluitend over de onderwerpen die de agenda ons opdringt, tot de rondvraag en - hoera - de sluiting toe.
De verveling is de machtigste, de meest algemene gemoedsaandoening van de moderne tijd. Hoe houden ze het uit, gezonde kinderen, spring-in-'t-velds, van hun kleuterdagen tot de jongvolwassenheid, van de vroege ochtend tot de late middag stil gezet en gedwongen om zich stil te houden. Dat is dan nog alleen de schooltijd en die duurt vaak al twintig jaar. Maar daarna is het niet afgelopen.
In de fenomenologie van de verveling is tot nog toe onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de chronische verveling, de ennui, of de 'langwijle', en een ander soort: de acute verveling die plotseling, hevig opwelt.
Ik zoek mijn plaats in de schouwburg, trek mijn programmaboekje, het licht dooft, de toneelgordijnen gaan uiteen en het decor verschijnt. Om mij heen houden de toeschouwers hun adem in. En ik? Ik verveel me nu al. Wat heb ik misdaan dat ik hier moet zijn? Zat ik maar thuis achter mijn tafeltje, een stuk over verveling te schrijven. Hoe kom ik hier weg? Ga nu niet op je horloge zitten kijken, want elk sprongetje van de secondenwijzer verwijst naar een stapje of een sprongetje dat je zelf had kunnen maken, in vrijheid.
Er moeten andere maatregelen getroffen worden. Om te beginnen is er het programma om discreet en geluidloos door te nemen. Dat is toch zeker geen blijk van ongeïnteresseerdheid, integendeel, dat is juist een betoon van belangstelling voor het gebodene. Als ik het programma uit heb en opkijk zijn we nog steeds in het eerste bedrijf en er komen er nog drie. Een zucht. Van wie komt die? Van mij. Adem beter inhouden voortaan. Een gefluisterd grapje, zachtjes in een naburig en vertrouwd oor, dat mag toch zeker wel? Pardon, ik kijk alweer. Die man gaat dood en daar heeft zijn geliefde veel verdriet van. Zij wil ook dood. Zou ik uit mijn hoofd de wortel van 3969 kunnen trekken? Zal ik de orkestleden in de bak maar eens gaan tellen?
Het gaat hier niet om de verveling van mensen die doen kunnen waar ze zin in hebben en dan merken dat ze nergens zin in hebben. Die gemoedstoestand overvalt kinderen wanneer ze zich even nergens op verheugen; dan moet een groot mens iets bedenken waar ze weer naar kunnen uitkijken. De kinderverveling komt van het kortstondig ontbreken van vooruitzichten, volgens Adam Phillips in zijn Psychoanalytic essays on the unexamined life.
Diezelfde chronische verveling krijgt volwassenen levenslang in de greep wanneer alle voornemens uit hun bestaan zijn weggevallen. Maar mij kwelt geregeld een ander soort verveling die oplaait wanneer je weet waar je wèl zin in hebt, maar dat onder de omstandigheden niet kunt doen. Dat is de acute verveling, van de autorijder in de file, van de scholier tijdens de les, van de toeschouwer bij een optreden dat hem niet zint, van de vergaderaar die geen belang bij de agenda heeft.
Ik zou natuurlijk midden onder een voordracht kunnen opstaan: 'dames, heren, het spel is uit. Ik ga.' Maar dan valt heel de sociale toren waar ik al zoveel jaren de blokjes voor opeen stapel in één keer om.
Mijn soort verveling raakt aan ergernis en ongeduld. Het is niet zozeer dat ìk verveeld ben, het zijn de anderen die vervelend zijn, althans zo beleef ik dat: zij vervelen mij. In de chronische verveling ontbreken andere mensen die je bezig kunnen houden. In de acute verveling zijn die anderen je juist teveel (en daar komt het woord vandaan).
Tegen die acute verveling helpt de verbeelding. De fantast zit stil en houdt zich goed, maar in gedachten is hij al met iets heel anders bezig. En ook de anderen zijn er ondertussen met hun fantasieën vandoor. Zo moeten zich bijeenkomsten afspelen waar iedereen present is en iedereen afwezig; in gedachten ergens anders. En niemand die het merkt.
In dromen komt nooit verveling voor, want daar regeert de fantasie. Maar overdag vervelen de mensen elkaar.
Gedenkt allen het elfde gebod: 'never bore your neighbor.'
Abram de Swaan, NRC 17 mei 1997
Abram de Swaan, NRC 24 mei 1997
Is de school een verbeteringsgesticht? Moeten kinderen in het onderwijs alleen maar iets leren, of moeten ze er ook nog betere mensen van worden?
Er voltrekt zich op het ogenblik opnieuw een fase in de permanente onderwijsvernieuwing en ditmaal zijn de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs aan de beurt. Omdat overheid, kerk, leger en ouders steeds minder over de kinderen te vertellen hebben, terwijl tv, film, disco hun bedervende werking steeds ongebreidelder uitoefenen, rest er nog maar één instelling die de mens kan verheffen, en dat is de school. Zo ongeveer verloopt de redenering, meer uit emotie en overtuiging dan met het verstand.
Want de school kan het ook niet.
Scholieren zouden beter moeten leren denken, denkt men dan, want daar worden ze betere burgers en aardiger mensen van. Daarom moeten ze worden gevormd in de logica, of de argumentatieleer, of desnoods de filosofie. Dat kweekt kritischer geesten, met een afstandelijker oordeel.
Nu heeft zich nooit iemand bij de NSB gemeld vanwege van een redeneerfout en er is nog nooit iemand in het verzet gegaan op grond van een sluitend syllogisme. Zo werkt het niet. Mensen handelen op grond van beginsel, belang, gewoonte en gevoel, in onvoorspelbare en onontwarbare mengeling.
Als scholing alleen niet voldoende is, luidt de gedachtengang, dan is verdere vorming nodig, tegen het kwade en vóór het goede. De kinderen moet politiek en moreel onderscheidingsvermogen worden bijgebracht. Dat gebeurde vroeger op catechisatie, maar daar is men nu en masse van teruggekomen.
In andere landen werd het wetenschappelijk marxistisch-leninisme dwingend uitgedragen en ook daarvan zijn de resultaten ontoereikend gebleken. In de Verenigde Staten krijgen de kinderen les in 'civics', een soort zelf-feliciterende burgerschapskunde, en in Nederland is indertijd het schoolvak maatschappijleer ingevoerd, dat de democratische en emancipatoire vorming ten doel had. Tijdens de les werden de kinderen aangespoord om toch vooral hun eigen mening te verkondigen, zolang die mening maar correct was. Dat ontaardde in veel gedram en heel wat gehuichel, waarmee het vak zijn krediet bij de leerlingen en de ouders verspeelde.
Ondertussen is het vak allang niet meer zo opiniërend en is het nu veel meer gericht op feitelijk inzicht in actuele maatschappelijke problemen. Dat is al een hele vooruitgang. Maar voor een schoolvak is die koppeling aan de discussie van de dag toch ongewenst. Het ene seizoen staat in het teken van de sociale uitsluiting, het jaar daarop wordt beheerst door het milieubederf en meteen daarop overheerst de multiculturele samenleving. Volgende keer is de sociale cohesie aan de beurt. Zo is tegen het eindexamen elke lichting scholieren grondig ingewijd in de maatschappelijke discussie die het jaar tevoren al werd afgesloten. Wil het vak maatschappijleer de scholieren iets meegeven van meer blijvend belang dan moet het aansluiten bij de ontwikkeling in de sociale wetenschap en een eerste overzicht geven van de bevindingen en de begrippen die daar opgeld doen. Alleen zo kan het een goede voorbereiding zijn op het hoger onderwijs in één van de sociaal-wetenschappelijke disciplines en alleen op die manier geeft het scholieren die een andere studierichting kiezen toch de sociaal-wetenschappelijke visie mee.
Bij het onderwijs in de maatschappijleer wordt nu dan ook meer aansluiting gezocht bij de sociale wetenschap zoals die aan de universiteit bedreven wordt. Dat gaat moeizaam, want maatschappijleer en maatschappijwetenschap hebben elkaar jarenlang nuffig genegeerd.
Die toenadering komt nu misschien te laat. De politiek heeft de maatschappijleer, waarvan ooit zoveel, zoveel teveel, verwacht werd, alweer opgegeven. De betere burgers kwamen er niet, integendeel, de jongelui slaan elkander op de tribune en in de disco in elkaar en rijden zonder te betalen met de tram. Daar moet iets aan gedaan worden. In het onderwijs. Als maatschappijleer niet helpt, dan moet een ander vak de jeugd verbeteren. In vertwijfeling draaft nu een Kamerkudde de andere kant op en omklemt de filosofie. Zijn daar niet de vragen van goed en kwaad aan de orde, wordt daar immers niet waarheid van leugen onderscheiden? Welzeker. Nu dan, dat we daar niet eerder op gekomen zijn. Breng de kinderen van jongs af aan de wijsbegeerte bij.
Als er een vak bestaat waarin geleuter en gejengel in diep obscurantisme doordrenzen, dan is het wel de academische filosofie in eigentijdse zetting. Elke massamoordenaar in deze eeuw heeft wel een huisfilosoof als onbezoldigd goedprater getroffen, of het nu Heidegger was die Hitler bediende, of Sartre die Stalin kopjes gaf. Al die wanzin en die waanzin, dat moet gezegd worden, wordt nog het best bestreden door andere filosofen. Maar ondertussen biedt de wijsbegeerte als schoolvak geen enkel uitzicht op de morele verheffing van de jeugd. Iedere filosoof die dat wèl pretendeert ontmaskert zichzelf als een bedrieger.
Ook van de sociale wetenschap valt geen verbetering van de mensheid te verwachten. Onder de grootste ellendelingen in het voormalige Joegoslavië zijn er heel wat met een doctoraal examen in de sociologie, en trouwens ook in de psychiatrie. Wat van de sociale wetenschap op zijn hoogst verwacht mag worden is een verheldering van de maatschappelijke discussie. Dat is al heel wat, en ook de filosofie kan daarin een aandeel hebben.
Nu wordt in het parlement gewerkt aan de afschaffing van de maatschappijleer en om de morele leegte toch te vullen wordt geijverd voor invoering van de filosofie. Van de ene illusie vervalt men in de andere zinsbegoocheling. Vervang toch niet het ene kletsvak door het andere. De maatschappijleer heeft zich met veel moeite uit het moeras van de kletsica geworsteld. Er is in de loop van de jaren een lerarencorps gevormd en een eigen vakopleiding ingericht.
Het schoolvak maatschappijleer kan nu een zinnige inleiding tot de sociale wetenschap worden.
Abram de Swaan, NRC 24 mei 1997
Abram de Swaan, NRC 31 mei 1997
De Marshallhulp is mij indertijd als vijfjarige even ontgaan, maar al dadelijk na de oorlog die nog steeds dè oorlog is, ontving ik hoogstpersoonlijk ontwikkelingshulp uit de VS. De Amerikaanse oom naar wie ik vernoemd ben stuurde pakjes naar Nederland. De inhoud staat mij heel nauwkeurig bij: Life Savers, Wrigley's kauwgum, Hershey chocoladerepen en, zeer tot mijn ergernis, grote blikken Maxwell koffie die voor mijn ouders bestemd waren. Al die luxe-waren zijn meer dan een halve eeuw later nog te krijgen, in precies dezelfde verpakking.
Er bestaat vaderlandsliefde, maar er bestaat ook anderlandsliefde. En die kan even innig zijn en even lang beklijven. Als één anderland ooit geliefd is geweest, dan wel de Verenigde Staten van Amerika. Bij mij begon het meteen na de Bevrijding. Ik zat bij mijn moeder achterop de fiets en we reden langs de Hondsbosse zeewering waar de Duitsers de polder met bunkers en tankversperringen hadden volgestouwd in afwachting van de invasie. Bij een wachtpost hield een Canadese militair ons aan. Ik was oud en wijs genoeg om bang te zijn voor soldaten en hield mij muisstil. Maar van deze soldaat kreeg ik iets, iets wat ik nog nooit gezien of geproefd had, een pakje Chiclets: dat gaf de beslissende wending aan mijn politieke vorming.
Later heb ik het Amerikaans imperialisme en de racistisch kapitalistische uitbuiting aldaar herhaaldelijk streng moeten veroordelen, maar Amerika heeft mij het leven gered en het sedertdien zeer veraangenaamd. Mijn kritiek was dan ook principieel, maar kwam niet van harte.
Dat komt kennelijk meer voor. Wanneer her of der een protestmars gehouden wordt tegen het grootkapitaal of de grote Satan, het neokolonialisme of een andere Amerikaanse doodzonde, dan gaan de demonstranten gekleed in spijkerbroek en T-shirt en lopen de route uit op basketbalschoentjes. Hun leuzen scanderen ze in het Engels en na afloop luisteren ze bij voorkeur naar Amerikaanse jeugdmuziek.
En omgekeerd, het anti-Amerikanisme in Europa is vaak dekmantel voor een verschaalde hang naar nationaal-socialisme of communisme, of blijk van een cultuurtotalitarisme dat smaak en stijl van de Europese elite als enige maatstaf aan de mensheid op wil leggen.
Blijkbaar kan iemand patriot zijn van een vreemde mogendheid. De Nederlandse patriotten stonden indertijd aan Franse kant en hielpen de Bataafse Republiek aan de macht, een buitenlandse bezetting die een binnenlandse bevrijding bleek. Net zo heeft de Amerikaanse bezetting van Duitsland en Japan die landen van zichzelf bevrijd. De Koreaanse oorlog was een bevrijdingsoorlog die helaas voor de Noorderlingen ten halve gekeerd werd. De oorlog in Vietnam was een gruwelijke vergissing en voor straf hebben de Verenigde Staten die dan ook verloren. De Golfoorlog heeft veel erger voorkomen, maar bleef onvoltooid en heeft dan ook geen verbetering gebracht. De lange, ingehouden Koude Oorlog is zonder atoomexplosie geëindigd met de ineenstorting van het communisme.
Een Amerikaanse patriot blijft de Verenigde Staten hun bejegening van de zwarten en de Indianen verwijten, hun knechting van Latijns Amerika, hun asociaal beleid, hun godsdienstwaan, hun neokoloniaal gekuip. De liefde voor Amerika is in wezen 'counterfactual': hoe zou de wereld er hebben uitgezien als niet de V.S., maar een andere mogendheid de oppermacht verworven had? Geen die het weet, maar het laat zich enigszins vermoeden. Ook vandaag is er niemand die Amerika ontvluchten wil, maar trachten nog steeds tientallen miljoenen naar dat land te ontkomen.
In het holst van de nacht vertoonde de Duitse televisie deze week nog eens het grote filmepos van de invasie, The longest day, nagesynchroniseerd in het Duits. Het was een ontnuchterende versie. John Wayne, Robert Mitchum, Sean Connery, iedereen sprak Duits, net als de Duitsers, die toch in Engelstalige oorlogsfilms Engels spreken met een Duits accent; dat zijn we zo gewend. In deze Duitse versie spraken Amerikanen en Engelsen accentloos Duits en dat doorbrak de vanzelfsprekende verdoving van de sympathie. Opeens bleken de filmhelden als oorlogshelden zelfingenomen, lollige, kinderachtige vechtjassen en bovendien middelmatige acteurs die zich te zeer verzekerd wisten van de bewondering en de instemming van hun publiek.
Maar de film is nog steeds de beste reconstructie van de landing in Normandië. Daar op het doek worden wij bevrijd. Niemand die het heeft meegemaakt of die nog mensen heeft meegemaakt die het hebben meegemaakt kan het aanzien zonder te beseffen dat daar over zijn lot wordt beslist. Die gehelmde, kauwgum kauwende en sigaren knauwende opscheppers, die gedecoreerde en geaffecteerde aanstellers hadden toch maar de moed om de Atlantik wall te bestormen en door te stoten tot Berlijn, waar de Russen ondertussen de andere helft van het karwei hadden opgeknapt.
Er is in die film één beeld dat de Bevrijding in een oogopslag samenvat. In hun bunker turen Duitse officieren door hun kijkers over de zee. Niets te bespeuren. En dan opeens, in het eerste ochtendlicht, over de volle breedte van de Cinemascope, verschijnen tientallen, honderden, duizenden stippen, dan masten, geschutstorens, oorlogsschepen. De grootste armada uit de geschiedenis nadert de kust. De oorlog is al gewonnen, hij moet alleen nog gestreden worden. Dat ene totaalbeeld werkt als een tot één klank samengebalde symfonie.
De infanteristen die onder hevig vuur het strand opstormen, de rotsen beklimmen en met zware verliezen de Duitse versterkingen innemen worden gespeeld door tienersterren. Uit een omsingelde kazemat komen Wehrmachtsoldaten met de handen omhoog en roepen 'Bitte, bitte'. Eén van de Amerikaanse idolen maait ze met zijn stengun neer en zegt dan in een terzijde: 'I wonder what "bitte, bitte" means.'
In de Duitse versie werd dat: 'Es tut mir wirklich Leid'.Abram de Swaan, NRC 31 mei 1997
Abram de Swaan, NRC 7 juni 1997
Ondernemend als altijd had ik iets ondernomen dat onvoorzien mij noopte om me te vervoegen bij het bevolkingsregister. Ik moest daar mijn bestaansbewijs uitgereikt krijgen: een uittreksel uit de geboorteakte. Ergo sum.
Ambtelijke instellingen vormen de voorportalen van het burgerschap en dus zie je daar steeds meer vreemdelingen de hindernissen van de vestiging nemen. Achter de loketten zitten trouwens ook steeds vaker de dochters van de vorige generatie immigranten, die inmiddels gevestigd zijn. Blijkbaar weten veel van die vrouwen van vreemde herkomst goed hoe ze met het publiek in Nederland moeten omgaan. Secretaresses, lokettistes, receptionistes, telefonistes, verpleegsters, winkelbediendes worden in grote getale gerekruteerd onder donkere vrouwen. Vergis ik me niet, dan verschaft een gekleurde secretaresse een zeker cachet: iets ruimdenkends, progressiefs, internationaals. Maar het kan ook zijn dat ik dat er maar bij verzin.
In elk geval, bij het bevolkingsregister werden de pas aangekomen vreemdelingen te woord gestaan door ingeburgerde vrouwen van even verre oorsprong. Die ambtenaressen spraken de nieuwelingen toe in basis Nederlands, versimpeld tot het strikt noodzakelijke, zonder ooit in krompraat te vervallen. De klant werd niet met 'u' aangesproken, maar met 'jij', dat was omwille van de eenvoud, want ze zeiden wel 'meneer' of 'mevrouw' en spraken daarbij alle achternamen uit zonder de minste hapering, alsof het niet gewoon is om Thandika Mkandawire of Kole Omotoso te heten. Daar kunnen de omroepen nog iets van leren.
Zo op het oog gaat het heel goed met de integratie van allochtone vrouwen in het Nederlands arbeidsbestel. Die indruk kan gewekt zijn doordat de functies die ze vervullen zichtbaarder zijn dan die van allochtone mannen. Maar misschien weten de vrouwen van buitenlandse komaf zich beter te handhaven dan de mannen, op school en ook later op het werk.
De Nederlandse samenleving biedt vrouwen, wit, zwart en alles daartussen, weliswaar nog niet dezelfde kansen als mannen, maar toch betere mogelijkheden dan in de samenlevingen waar immigrantenvrouwen en -dochters vandaan komen. In de klas waar meisjes en jongens dooreen zitten halen de meisjes minstens even goede cijfers als de jongens en met hetzelfde werk verdienen de vrouwen evenveel als mannen. Die gelijke kansen geven de vrouwen in feite een voorsprong, want mannen uit die buitenlanden gaan ervan uit dat vrouwen minder geleerd hebben, zelden buitenshuis werken en als ze al werken minder betaald krijgen dan zij.
Daar komt bij dat het Nederlands familierecht vrouwen betere rechtswaarborgen biedt bij echtscheiding en in voogdijzaken. Onder de verzorgingsstaat zijn alleenstaande moeders van een uitkering verzekerd. Gescheiden vrouwen worden in dit land niet uitgestoten en kunnen bovendien terugvallen op schoolbegeleiding en maatschappelijk werk, sectoren waar inheemse vrouwen trouwens een overwicht hebben.
Kortom, allochtone vrouwen hebben in dit land minstens zo goede bestaanskansen als allochtone mannen, vóór, tijdens en ná het huwelijk. Ondergronds moeten die overwegingen meespelen in het gezinsleven, ze veranderen iets in de machtsbalans tussen man en vrouw, tussen broers en zusters, tussen ouders en kinderen, helemaal tussen vaders en dochters. Allochtone vrouwen emanciperen dubbel, in de sprong van het thuisland naar Nederland en nog eens op de wieken van de vrouwenemancipatie die zich in Nederland en andere westerse landen al tientallen jaren doorzet.
Vandaar dat die vrouwen van verre oorsprong zich makkelijker voegen naar Nederlandse omgangsvormen. Ze kunnen wat beter incasseren, want ze hebben maatschappelijk al meer bereikt dan in het land van herkomst te verwachten was en misschien ook meer dan hun vaders, broers en gelieven in Nederland. School en werk beschouwen ze niet alleen als plicht en moeite, maar ook als bevrijding uit overgeleverde en vaak beknellende gezinsverhoudingen.
Maar zijn er dan geen problemen? Dit ìs het probleem. Er speelt zich in Nederland niet alleen een vestigingsstrijd af waarin immigranten en hun nakomelingen zich behoedzaam invechten in de Nederlandse samenleving. Er voltrekt zich ook een strijd der geslachten tussen immigrantenvrouwen en -mannen. Die mannen verliezen het gezag waarop ze toch vanzelfsprekend aanspraak maken, ze worden op school en op de arbeidsmarkt ingehaald door hun zusters en echtgenotes, ruim gepasseerd door hun dochters. Als die mannen het echt laten aankomen op een open conflict waar schoolhoofden, maatschappelijk werkers, advocaten en rechters aan te pas komen, dan trekken zij vaak aan het kortste eind. Want het overwicht dat zij opeisen wordt door hulpverleners en autoriteiten minzaam weggewuifd. 'Zo zijn wij dat hier niet gewend.'
Die onverhoedse gelijkstelling van mannen en vrouwen stelt de allochtone vrouwen voor een loyaliteitsconflict. Zij willen haar zoons, broers, mannen en vaders niet laten vallen, ze willen hun het gezichtsverlies besparen. Ze delen misschien het ongelijkheidsideaal van vroeger en van thuis, ook al genieten ze tegelijkertijd de voordelen van de nieuwe gelijkberechtiging. Dat maakt het haar heel moeilijk om zich openlijk uit te spreken en dus gaan ze heel discreet en zwijgzaam toch hun gang. Het kan zijn dat ondertussen de allochtone mannen vastigheid en aanzien zoeken in de religie die ze van huis uit hebben meegekregen of in politieke bewegingen die hun mannelijk gezag kunnen schragen.
Het is maar de vraag of de feiten werkelijk zo liggen en dan is het nog de vraag of deze verklaring van die veronderstelde feiten juist is. Maar zelfs als het allemaal klopt dient zich nog niet een oplossing aan. De dubbele emancipatie van de allochtone vrouwen confronteert de mannen met een tweefrontenstrijd, als nieuwkomers om een positie in de Nederlandse samenleving, en als broers, vaders en echtgenoten om hun positie in het gezin. Hoe dan ook, ze zullen het zelf moeten uitzoeken.
Abram de Swaan, NRC 7 juni 1997
GELD EN TAAL
Abram de Swaan, NRC 14 juni 1997
De Europese munteenheid, die komt er. Hoe meer de streefdatum nadert, des te minder zullen de cijfers nog van belang blijken, zonodig worden ze op wonderbaarlijke wijze aangepast aan de streefgetallen.
Uit een overzicht in Le Monde (Dossiers et documents, juni 1997) blijkt dat alleen Italië en Griekenland nu nog een begrotingstekort hebben dat significant hoger is dan de norm van drie procent van het bruto nationaal product. Alle andere landen zitten daaronder, of enkele tienden van procenten erboven. Maar die promilles betekenen helemaal niets: de meting van het nationaal product en de vaststelling van het begrotingstekort zijn veel te grof, de berekeningswijze verschilt teveel van land tot land om een kleine overschrijding zo serieus te nemen dat een lidstaat daarom wordt uitgesloten. Zelfs Portugal met een tekort van 3,4% wordt straks nog wel de Europese munteenheid binnengeloodst.
Er is nog een ander vereiste voor toelating: de omvang van de totale staatsschuld. Alleen Frankrijk, Engeland en Luxemburg blijven onder het maximum van 60% van het bruto nationaal product. België en Italië komen op het dubbele uit, maar zelfs de ijveraars Nederland en Duitsland overschrijden de norm. Ook die uitschieters zullen worden goedgepraat. Alleen Griekenland, dat toch al buiten het aaneengesloten territoir van de Unie ligt, zal dan nog een tijdlang met zijn eigen drachmen moeten woekeren.
Om dat zo stellig te beweren is het beter niet teveel van economie te weten. Die kennis leidt maar van de hoofdzaak af. Er lopen bankiers rond die beweren dat ze met 3% echt 3,000% bedoelen. Maar drie procent zal ook 3,1 betekenen of 3,2, desnoods 3,4%. Een staatsschuld die twee maal zo hoog is als was afgesproken zal straks zonodig met improvisatie en interpretatie nominaal worden gehalveerd.
Wat zich voltrekt is een spel van intimidatie en chantage. Het is aannemelijk dat een gemeenschappelijke munt alle leden van de Unie groot voordeel zal opleveren: interne besparingen en een sterkere onderhandelingspositie tegenover economische machten buiten de EU. Maar de landen met een harde valuta dreigen nu de landen met hoge schulden dat ze hen zullen uitsluiten van de gemeenschappelijke munt, omdat zij anders aan die schulden moeten meebetalen. Op hun beurt chanteren de landen met de hoge schulden de landen die hun schulden goeddeels hebben ingelost met de nadelen die hun uitsluiting alle lidstaten, dus ook de schuldlozen, zal berokkenen. Niemand weet werkelijk wat de kosten zullen zijn van uitsluiting of van toelating, en van invoering of afgelasting van de euro, dus komt het neer op schatting en gissing, op dreiging en afdreiging.
Is dat erg, is dat verwerpelijk? Welnee. Maar alles wat de politici en hun bankiers nu in het openbaar zeggen dient al om hun tegenpartij te overtuigen dat zij vastbesloten en onvermurwbaar zijn. Pas in de laatste ronde, vlak voor de sluitingstermijn, zal elke partij toegeven om het grote compromis te bereiken. De Europese landen zijn samen al te ver heen om het project nog op te geven.
Als iedereen in Europa betaalt met gelijke munt, moet dan ook niet iedereen spreken in dezelfde taal? Vertolking en vertaling vormen nog een veel grotere kostenpost dan de omrekening van koersen en het wisselen van valuta. De schommeling van de wisselkoersen in het betalingsverkeer is minder storend dan de verschuiving van betekenissen in het vertalingsverkeer.
Nu al hoor je in het talendebat strijk en zet elf met tien vermenigvuldigen, of vijftien met elf, want zoveel tolken zullen straks nodig zijn om elke toegelaten taal naar alle andere te vertalen. Honderd en tien tolken voor elke zitting, en straks honderd vijfenzestig, ze worden opgevoerd als een continentale catastrofe. Toch lopen er bij het Europese parlement op elke zitting vast ook honderd en tien bewakers rond en honderd vijfenzestig secretaresses en vijftien maal elf obers maal diensters. Niemand ziet dat als een bedreiging voor de Europese eenwording. Waarom wekken die tolken dan toch zoveel verontrusting? Een goed gros tolken die zijn opgeleid om te vertalen van het Portugees naar het Iers, van het Grieks naar het Deens, van het Frans naar het Tsjechisch, dat kan toch alleen maar het onderling begrip in Europa versterken!
Ook hier is het dreigen en afdreigen al begonnen. Als kleine landen hun taal niet opgeven dan (ja wat dan?) breekt de algehele spraakverwarring uit of gaat de Unie failliet aan de vertaalkosten. Maar het tegendeel van deze verscheidenheid aan talen wordt nog meer gevreesd: dat een enkele voertaal overblijft, een die nu al het meest verbreid is en onder jonge Europeanen algemeen geworden is: het Engels. Iedereen in de Unie is bereid net te doen alsof de euro iets anders is dan de gegeneraliseerde Duitse mark. Kan dan ook niet iedereen net doen of het Euro iets heel anders is dan het veralgemeende Engels? Dan wordt dat Euro-Engels de verkeerstaal in Europa. Dat zal Frankrijk nooit accepteren. Dus kan Duitsland het niet aanvaarden. Maar dan blijft Spanje op zijn rechten staan. Italië moet zich nu wel handhaven. De beurt is aan Nederland om zich te poneren. En zo voort, tot Iers en Letzebürgisch toe.
Waar dat op uit loopt? Hetzelfde mechanisme van onderlinge dwang dat de Europese landen aanzet tot een munteenheid dringt hun ook een taaleenheid op. In alledaagse contacten voorbij de grenzen wordt Engels de voertaal, bij officiële plechtigheden en als de volksvertegenwoordigers in het openbaar samenkomen zijn alle Europese talen gelijkelijk toegelaten. In Zuid-Europa fungeert naast het Engels het Frans als tweede vreemde taal, in Oost-Europa wordt na het Engels Duits de tweede voertaal. Binnenslands blijft iedereen de landstaal spreken (binnenstreeks de streektaal).
Hoe meer talen in de Europese Unie erkend worden, des te eerder wordt het Engels de eenheidstaal. De Europese taaleenheid, die komt er. Daartegen is misschien verzet mogelijk, maar dan alleen nog in het Engels.
Abram de Swaan, NRC 14 juni 1997
IN DE EUROPESE LEEGTE
Abram de Swaan, NRC 21 juni 1997
Een korte, kleine, minzame bezetting in volle vredestijd, dat was de Eurotop, met de actieve collaboratie van politie, ambtenarij en het bevoegd gezag. De wereldleiders en doorsnee staatslieden bewogen zich achter kogelvrij glas, driedubbele dranghekken, wegversperringen en politiecordons. Dat was niet bedoeld om ze tegen hun eigen Europese burgers te beschermen, het was bedoeld om sluipmoordenaars en overvallers uit hun buurt te houden. Maar het zag er niet goed uit.
De allereerste slag hadden de terroristen aller landen al in absentia gewonnen. De gekozen leiders van Europa werden gedwongen om te vergaderen bovenop de Nederlandse goudvoorraad, opgesloten in een torenkluis, omringd door een spergebied van een kilometer in het vierkant. Zij moesten de stad door met gepantserde limousines, voorafgegaan en gevolgd door gewapende escortes, langs afgezette routes waar straatmeubilair, vuilnisbakken en fietsen tevoren waren verwijderd. (Maar de straatgekken en de dronkelappen van de Utrechtsestraat, die onder buurtprotectie staan, werden ongemoeid gelaten). Al die beveiliging werkt ook als eerbetoon, of minstens als een bewijs van het levensbelang dat aan het te beschermen personage wordt toegekend. Zo ontstaat in die veiligheidszones een ledigheid, een vacuüm waarin de ego's vervaarlijk beginnen te zwellen. Ook microfoons en camera's oefenen zo'n zuigkracht uit en veroorzaken een onderdruk waardoor de ondervraagde de woorden gewoon uit de mond floepen.
Omringd dus door dienstwapens en kogelvrije vesten, begroet door richtmicrofoons en schoudercamera's, met in de verste verte geen normaal mens te bekennen, verplaatsen zich de leiders van Europa. Maar als ooit mocht blijken dat de ETA geen mensenvlees meer blieft en dat de IRA van zijn bloeddorst af is, dat er geen enkel gevaar meer te duchten valt, dan zullen de staatslieden nog de veiligheidsmaatregelen niet willen opgeven, omdat ze hun nu eenmaal een zeker cachet verlenen: security is de moderne chic.
Niemand kon het helpen en velen hadden het willen voorkomen, maar de Europese top werd een getrouwe uitbeelding van de machtsuitoefening in Europa: besloten, afgeschermd en onbereikbaar.
In afgescheiden stadsdelen, langs bewaakte marsroutes, trokken ondertussen de demonstranten op. Zij moesten de machtelozen, de havelozen en de misdeelden verbeelden en dat ging hun goed af, groezelig en kreukelig van de nachten die ze in bussen en slaapzalen hadden doorgebracht. Ik zag Koerden voorbijtrekken, duizend vrouwen voorop, daarachter duizend mannen. Ik zag werkelozen voortmarcheren in urenlange optocht. Het waren meest Fransen die hun grootste grief, 'chômage', maar moeilijk konden overbrengen, omdat de term hier niet voorkomt in het eindexamenpakket. Maar de demonstranten richtten zich ook niet echt tot de omstanders.
Tegen wie hadden ze het dan wel? Daar deed zich bij demonstranten een groot probleem voor. De enigen die hen zeer zeker niet zouden zien waren de machthebbers in hun torenkluis. In de omstanders die hen wel konden bekijken waren de betogers niet geïnteresseerd. Wat blijft er dan nog over? De camera. Ze waren met tienduizend zielen duizend kilometer opgetrokken voor een photo opportunity, voor sluitertijd op het tv-journaal.
Zoiets moet heel ontmoedigend zijn, je wordt er balorig van en krijgt zin in agenten sarren, een ruit stukgooien of een sierplant vertrappen. Maar waarom stond niet aan het eind van elke optocht de plaatsvervangend hoofdcommissaris van de Europese Unie met ambtsketen en echtgenote tussen de geraniums op het bordes om de petities in ontvangst te nemen? Dat is toch wel het minste blijk van belangstelling. Maar zelfs dat moet de gezagsdragers te riskant geleken hebben of was hun teveel moeite.
Er is tussen de ingezetenen van de Unie en hun machthebbers niet eens een communicatiestoornis, er is geen enkele verstandhouding. De leiders bewegen zich in een luchtledig, in een vacuüm dat met de grootst mogelijke zorg van de ene coördinaat naar de andere over het subcontinent geschoven wordt, zonder dat zij ooit echt ergens op hun plek zijn. Europa is nergens. Er is niet een paleis, een plein, een poort, een standbeeld of een gedenkteken dat staat voor Europa. De Europese Unie is een kamertjeszonde, een binnenskamers, binnenbureels bedrijf dat alle openbaarheid schuwt.
De demonstranten waren met tienduizenden naar Amsterdam gekomen. En terecht. Want het leek of Europa daar heel even een plaats kreeg en een gestalte. Maar eenmaal in Amsterdam konden ze nergens heen, en dus werden ze het vacuüm ingezogen, naar de onneembare torenkluis.
De betogers hadden Europa serieus genomen, ze waren naar Amsterdam opgetrokken, omdat ze verwachtten dat daar een openbaar forum zou zijn voor een politiek debat onder een Europees publiek, voorbij de landsgrenzen en over de taalbarrières heen. Dat openbaar debat op Europese schaal ontbreekt, en dat is het grootste tekort van Europa.
Ik woonde een bijeenkomst bij in de Oude Kerk, middenin de Amsterdamse rosse buurt. Mijn demonstranten waren uit Spanje en Noorwegen gekomen, uit Frankrijk en Oostenrijk, ze waren nog heel jong, doodernstig, een beetje verpieterd van de lange tocht, en wat ze voorstonden was volledige werkgelegenheid zonder milieubederf. Daar werd urenlang over gediscussieerd, in het Euro-Engels zoals Noren, Fransen, Spanjaarden en Oostenrijkers zich dat nu hebben toegeëigend. Moest er revolutie komen, of toch liever niet, moesten de Denen er uit, of de Noren er maar beter in? Wat zou Rosa Luxemburg ervan gevonden hebben? Was het de schuld van het kapitalisme, of meer van het seksisme, racisme, materialisme?
Het klonk nog al eens benauwend vertrouwd, een nagalm van de jaren zestig, maar het leek ook de voorbode van iets wat nog komen moet: een Europese oppositie.
Abram de Swaan, NRC 21 juni 1997
Abram de Swaan, NRC 28 juni 1997
Gewassen, geschoren, de broek in de vouw en de das gestrikt, het hemd onbevlekt en gestreken, de schoenen in hoogglans, verliet Z. als op iedere werkdag om drie minuten over acht zijn onderhandelingshuishouding. Zachtjes trok hij de deur in het slot, wuifde nog even naar zijn partner achter de energiebesparende raampartij, wendde het hoofd naar links, stak de straat over, keek halverwege naar rechts en liep toch nog enigszins gepresseerd naar zijn auto. Die stond schuins tegen het trottoir, tussen de witte strepen, de parkeervergunning van buiten zichtbaar aangebracht. Hij startte en keek zorgvuldig in de achterspiegel, wachtte tot een paar kwetterende schoolkinderen voorbij gefietst waren en manoeuvreerde achterwaarts de rijweg op. Bij de eerste hoek liet hij een overstekende bejaarde voorgaan, bij de tweede wachtte hij tot het rode stoplicht versprong en sloeg de verlaten Breelaan in. Daar liet hij heel even zijn injectieturbo gaan en met zestig per uur raasde hij in een lichte roes door de bebouwde kom. 'Ze moesten hier eigenlijk radarcontrole hebben' bedacht hij schuldbewust, 'voordat het verkeer volledig uit de hand loopt.' Oudergewoonte scharrelde zijn hand al in de zak van zijn colbert, maar sinds twee jaar was daar alleen nog een pakje kauwgum te vinden en haastig schrokte hij twee pastilles op.
Z. parkeerde zijn auto bij het station op de abonnementsplaats met milieureductie en liep het perron op waar juist de trein binnenreed. 'Perfect timing' constateerde hij vergenoegd en koos een raamplaats. Tegenover hem kwam een meisje zitten, het haar met rode en groene spoeling hing in pieken over haar voorhoofd, ze had een leren jekker aan waarop in goud de woorden 'hot crotch bitch' waren gespoten, en over haar gescheurde hemd droeg ze een zalmroze bustehouder. Oren, neusvleugels, lippen en zelfs haar navel waren doorboord met ringen. Het meisje knikte hem toe en boog zich over een boek waarin ze ijverig en zuchtend begon te strepen. Uit haar koptelefoon klonk muziek, 'kill the pig', kon Z. nog juist opvangen, 'suck it, fuck it, whore' deinde het zachtjes door de coupé. Het meisje keek op, 'Heeft u soms last van de muziek, meneer?', sprak ze iets te luid. 'Nee hoor' beduidde Z. 'Anders zet ik hem toch gewoon wat zachter', zei ze.
Even dwaalde zijn blik over haar dijen. Het rokje reikte nauwelijks tot haar liezen, zag hij nog vóór hij zich kon corrigeren: 'Wat flauw om zo te zitten loeren, een kind nog', dacht hij, 'en je kunt er nog zwaar last mee krijgen ook.' Hij sloot zijn ogen, leunde achterover en legde nadenkend zijn vinger in zijn neus.
Toen Z. even later opkeek zag hij op de bank schuin tegenover zich een jonge vrouw in mantelpak ijverig aantekeningen maken op een schootcomputer, terwijl zij hem van tijd tot tijd indringend opnam. Geschrokken trok hij zijn vinger terug en voelde hoe hij tot in zijn nek diep purper kleurde. Op het deksel van de laptop was het logo NRC te lezen, niet een computermerk dat hij kende. Paniek sloeg toe: 'Ik kom toch niet in de krant als neuspeuteraar in het openbaar!' In zijn wanhoop begon hij krachtig met zijn vinger over zijn neus te wrijven, zodat het lijken kon dat die vinger er nooit in geweest was. Maar uit de onderzoekende blik begreep hij dat hij het alleen maar erger maakte: zij vatte het op als een ostentatieve neusmassage.
Op dat moment werd de wagondeur met elan opzij geschoven en kwam een rijzige gestalte de coupé binnen. Hoewel hij gekleed ging in een onberispelijk gesneden costuum haalde toch iedereen onwillekeurig al zijn kaartje te voorschijn.
'Goedemorgen medeburgers', sprak de man met natuurlijk overwicht, 'de naam is De Vuist, Herman de Vuist. Doe die kaartjes maar weer weg, die hadden allang geknipt moeten zijn door het bevoegd gezag. Maar dat zit weer te lanterfanten in koffiekamers of is met ouderschapsverlof, of wegbezuinigd door de Spoorwegen.' Hij zette een grote tas op een vrijgebleven bank en vervolgde: 'Wij bevinden ons hier tezamen in een openbare ruimte. Daar slaat in toenemende mate de verloedering toe.' Het leek Z. of De Vuist juist hem aankeek. 'Het gaat mij niet om kleinigheden als neuspeuteren of koekeloeren, niet eens om te hard rijden in de bebouwde kom.' Een kille rilling liep Z. van zijn oksels tot zijn navel. Het meisje tegenover hem had haar jekker dichtgeknoopt en haalde nu een handdoek uit haar schooltas die ze over haar dijen legde. Ze had de koptelefoon afgezet en staarde De Vuist aan met ogen vol blij ontzag. Hij keurde haar geen blik waardig. De vrouw die zo even nog had zitten observeren en noteren had haar computer dichtgeklapt en keek leeg voor zich uit alsof zij het betoog van De Vuist al ontelbare malen had aangehoord.'De samenleving gaat naar de knoppen', sprak hij, terwijl hij zijn tas opende en er een stapel boeken uitnam. Dat komt door lapswansen die maar niet willen inzien dat de tijd van slap geleuter voorbij is. Toezicht, inspectie en controle, die houden de mensen in het gareel.' Met een handige zwaai pakte hij een dozijn boeken en ging de passagiers langs. Onder zijn colbert was nog juist een discrete ploertendoder zichtbaar. Gretig kochten d reizigers een exemplaar van Terecht!, het zelfgeschreven werk van De Vuist. Z. nam er zelfs twee. 'Braaf zo', sprak De Vuist, en gaf hem een schouderklop.
Zo geschokt en zo geschrokken was onze deerniswekkende Z. na zijn wederwaardigheden in de trein, dat hij op zijn wandeling van station naar kantoor zichzelf niet langer in bedwang had. Hij voelde een onweerstaanbare drang opkomen. Hij wist niet wat hem overkwam, hij was zichzelf niet meer, er was geen houden aan. Hij vond een boom, keek schielijk om zich heen, knoopte open, haalde eruit en loosde.
Hij was een wildplasser geworden: een onmiskenbaar teken van decivilisatie. Nog diezelfde avond stond hij in de courant. Anoniem weliswaar, maar als de onontkenbare voorbode van de onontkoombare ondergang van het avondland.
De volgende ochtend stelde het Ministerie van Sociale Zaken tweeduizend waterwachten aan.
Abram de Swaan, NRC 28 juni 1997
GIDSFOSSIELEN
Abram de Swaan, NRC 5 juli 1997Kort na elkaar kreeg ik het proefschrift van Remieg Aerts, De Letterheren, over het tijdschrift De Gids in de bus en het laatste nummer van dat blad, gewijd aan 'Nederland Gidsland?', een vraag die al bij de oprichting in 1837 aan de orde was.
Een tijdschrift, en helemaal een algemeen cultureel tijdschrift als De Gids, bevat artikelen over alles, het was al een collectief project, lang voordat de kunstenaarscollectieven in en weer uit zwang raakten. Tijdschriftredacties worden samengesteld door coöptatie, de zittende redacteuren zoeken de nieuwe aan.
Die keten heeft De Gids honderd zestig jaargangen ongebroken voortgezet en zo bestaat er in de verte een keuzeverwantschap tussen Potgieter en mij en tussen mij en Xandra Schutte, waar we geen van drieën iets van weten.
Een groot voordeel van die coöptatie is dat nieuwelingen zeker weten dat ze gewenst zijn en dat de zittende redacteuren de onderlinge geestverwantschap kunnen bewaren. Niet een groot nadeel is dat de lezers weinig invloed op de benoeming van de redacteuren kunnen uitoefenen of op het beleid van de redactie: de lezers kiezen immers voor het tijdschrift door zich te abonneren en ertégen met hun opzegging, of ze onthouden zich van stemming en abonnement.
De Gids heeft nooit veel vóórstemmers gehad, in de negentiende eeuw op zijn hoogst tweeduizend en dat is ook tegenwoordig de oplage. Maar met die beperkte lezerskring wist het tijdschrift zeker in het midden van de vorige eeuw groot gezag te verwerven, ook al omdat het zijn redacteuren en abonnees wierf in de gevestigde, men zei toen 'beschaafde', milieus van bankiers, hoge ambtenaren en hoogleraren.
Over 'de tweeduizend van De Gids' zou nog een heel andere studie te schrijven zijn, die het verloop van de onderlinge verbindingen en de verdere connecties van auteurs en lezers traceert. Werden schrijvers die debuteerden in De Gids later toonaangevende auteurs, had het blad dus literaire invloed?
Hebben de ideologische discussies in het tijdschrift, over de sociale kwestie en het koloniale vraagstuk bijvoorbeeld, hun uitwerking gehad op het beleid van de regering, had het blad dus politieke invloed? En hoe werkte die invloed dan? Wie protegeerde, publiceerde, recenseerde de auteurs van De Gids, wie nam de politieke stellingen uit dat blad over in rapporten, wetsontwerpen en beleidsmaatregelen?
Remieg Aerts heeft zich, heel verstandig, beperkt tot de inhoud van De Gids en de discussies in de redactie tegen de achtergrond van het intellectuele en politieke leven van die jaren. Het boek van Aerts is een knoert, meer om in te lezen dan om uit te lezen. De zestig besproken jaargangen en de vele meters archiefdossiers zijn in zevenhonderd pagina's samengevat, een compressiefactor van vèr over de honderd waar geen computerprogramma ook maar in de verste verte tegenop kan. Aerts doet dat uiterst effectief en hoogst elegant: "Ook Veth wilde een 'onverwijlde emancipatie' van de slaven, hoewel tevens "eene voorzichtige"'. Die dertien woorden roepen al een heel betoog op. In een enkele zin wordt de mentaliteit van een tijdsgewricht getypeerd: 'Geen artikel over politiek, over literatuur, over de sociale kwestie of men vroeg om "edele geestdrift", "strenge plichtsbetrachting", "groote toewijding", "opoffering", "bezieling" of "de kracht van 't Ideaal".'
En al die jaren modderden de redacteuren door over het Christelijk geloof, zwaarmoedig geploeter waar niets uit voortgekomen is, men is er gewoon geleidelijk aan mee opgehouden. Die dwangmatige preoccupatie met geloofskwesties doet nog het meest gedateerd aan en toch was De Gids toentertijd een vrijzinnig en verlicht orgaan. Blijkbaar zijn er kwesties waar auteurs die zichzelf en hun tijdgenoten serieus nemen niet aan voorbij kunnen, zolang andere auteurs die als gezaghebbend erkend worden er op door blijven gaan.
Zijn er ook nu onderwerpen die scribenten elkaar opdringen zonder dat ze er ooit een stap verder mee komen? Sinds jaren is er een thema waarvan iedereen meent dat het heel belangrijk is, waarin iedere stellingname haast dwangmatig een tegenstem uitlokt en dat misschien beter een stil ding kan blijven. Dat is de seksuele kwestie. De religieuze preoccupatie is met de eeuwwisseling dadelijk opgevolgd door de seksuele obsessie en daar zijn we nog niet vanaf. Maar net als het religieuze vraagstuk kan het seksuele vraagstuk met twee woorden worden opgelost: Laat maar.
Zo gemakkelijk kan de sociale kwestie, die in De Gids steeds weer aan de orde werd gesteld, niet terzijde geschoven worden. Ook daar een gedurig geworstel tussen belang en beginsel, gevoel en gewenning, tussen afstand en ingreep, tot op de dag van vandaag.
De beschouwingen in het blad hebben het onderwerp een intellectueel cachet verleend en dus de tijdgenoten die bij wilden blijven gedwongen om een standpunt in te nemen. Het sociaal protest was daarmee niet langer schril gekrijs van vreemde raddraaiers en relbeluste nieuwlichters, elke gezeten en welingelichte burger moest zich de misstanden in de volkswijken en de fabrieken aantrekken.
Dat intellectueel prestige is het enige machtsmiddel van De Gids geweest en het heeft soms gewerkt.In de negentiende eeuw kon het tijdschrift de agenda van het openbaar debat grotendeels bepalen, omdat er maar weinig concurrerende bladen waren en nog geen andere media. Een beschouwing die in De Gids verscheen kon toen niet onbeantwoord blijven. Die positie heeft het blad al lang geleden verloren. Maar het kon ook in de jaren zeventig en tachtig van deze eeuw dat intellectueel gezag inzetten om de gevestigde kringen een discussie op te dringen die men daar liever ontliep. Zo heeft De Gids indertijd de provo's intellectueel gecanoniseerd door een rechtstreeks verband aan te tonen tussen de vragen die de provo's stelden en de grote, blijvende vraagstukken die in weldenkende kring hoogst ernstig werden genomen.
Nog steeds is dat de formule van de intellectuele gezagsuitoefening.
Abram de Swaan, NRC 5 juli 1997
Abram de Swaan, NRC 12 juli 1997
Een week of wat geleden ging het debat in de kranten en de Kamer over het onderwijsprogramma in het middelbaar, althans secundair, althans voortgezet onderwijs. Wat moeten de kinderen daar leren? Geschiedenis! Uit een onderzoekje was gebleken dat de Kamerleden daar niet veel van wisten. Dan kunnen scholieren dus ook wel met wat minder toe. Maar nee, men besloot juist dat de scholieren dus nog méér geschiedenis moesten leren.
De rekenvaardigheid van de parlementariërs bleef wijselijk ongetoetst. Iedereen wist zo al wat de scholieren nog meer méér moesten leren: wiskunde. Pardoes werd het wiskundeonderwijs zo ongeveer verdubbeld, en zelfs alpha's die zich al meer dan honderd jaar in talenstudies hadden verstopt, krijgen van nu af aan dwangonderricht in de mathematiek. De wiskunde wordt namelijk steeds onmisbaarder in de moderne samenleving.
Maar wordt de wiskunde wel steeds onmisbaarder in de moderne samenleving? Nee, de wiskunde wordt steeds overbodiger, naarmate de moderne samenleving moderner wordt. Dat is nu precies de historische triomf van het mathematisch en mechanisch wereldbeeld. De mensen zijn omgeven met apparatuur die functioneert volgens de beginselen van wiskunde, elektronica en mechanica, maar van al die vakken hoeft niemand een snars af te weten om de apparaten te kunnen bedienen. Het genie van het technisch ontwerp maakt alle begrip bij het gebruik van de techniek overbodig. Alleen de ontwerpers moeten er iets van begrijpen en dat leren ze later wel, in specialistische opleidingen.
Ondertussen gaat het al heel lang en steeds meer om een andere vaardigheid die ik maar zal omschrijven als 'tactiele intelligentie', waarbij het juist niet gaat om het manipuleren van begrippen, maar om het hanteren van dingen. Bij moderne dingen moet je dan op knopjes drukken: precies wat ik nu zit te doen.
Moderne techniek vereist denken met de handen. Jaren geleden was ik de bauxietmijnen gaan bekijken in het Surinaamse binnenland. Een norse neger in een gescheurde broek, opgehouden met een stuk touw, bestuurde daar heel alleen een huizenhoge graafmachine. Onder zijn handen hapte het gevaarte kieskeurig het erts uit de grond en deponeerde het nauwgezet in de wachtende vrachtwagens. Hij was zo uit de kano de cabine ingestapt.
Van Djakarta tot Dakar besteden straatjongetjes die nog niet eens hun naam kunnen schrijven hun bijeen gebedeld geld in de speelhal, waar ze met razende snelheid en volmaakte finesse racewagens over het scherm laten schieten die ze van hun levensdagen in het echt niet zullen zien, laat staan dat ze er ooit een zouden mogen besturen. Maar ze hebben het al wel volmaakt in de vingers.
Zij denken met hun ogen en hun handen, maar volgens een heel ander beginsel dan dat van de levende natuur die hun van oudsher vertrouwd is. Dieren hebben een eigen zin, de wind waait waar hij wil. Machines gehoorzamen de mechanica, de logica, de mathematica, wat zeg ik, de cybernetica, zij zijn niet anders dan de in materie gestolde rede. Elektronica is nog meer machine, met minder materiaal.
In de jaren zestig moest je nog een programmeertaal leren om met computers om te kunnen gaan, en je had matrixalgebra nodig om een factoranalyse uit te kunnen voeren. Amper dertig jaar later hoef je maar een pijltje te manoeuvreren naar een plaatje op het scherm en het resultaat komt met kleurige grafieken in beeld. Daar komt geen wiskunde meer aan te pas.
Op de lagere school gebruiken de kinderen rekenmachientjes waarmee ze, lees ik in de krant, veel beter overweg kunnen dan hun onderwijzers. Maar, wordt daar zorgelijk bijgezegd, de onderwijzers moeten op cursus om beter te leren omgaan met die calculators en de kinderen moeten leren om ze 'met ínzicht' te gebruiken. Inzicht? Waarin? Toch niet in de micro-electronica die binnen een paar milimeter kubiek al die rekenkunde behelst - dat is zelfs te moeilijk voor ingenieurs. Waarin dan? Ze moeten inzicht krijgen in de wiskunde. Maar waarom? Wie uit zo'n machientje het juiste antwoord weet te krijgen heeft blijkbaar het juiste inzicht al, zo iemand spreekt en verstaat de taal der knoppen. Wat van de kinderen verlangd wordt is niet dat ze kunnen rekenen, want dat kunnen ze al met dat machientje, maar dat ze kunnen vertellen hoe dat rekenen gaat. Dat is iets heel anders en het is niet noodzakelijk.
De moeilijkheid is dat conceptuele denkers niet begrijpen hoe het tactiele denken werkt, omdat het nu eenmaal niet zichzelf verklaart met concepten maar zich bewijst in het doen.
Ondertussen zijn overal mensen met machines bezig, ze spelen ermee, maken er muziek en films op, hanteren ze naar het hun uitkomt. Dat leren ze van elkaar en van de machines, maar niet op school. Want daar wordt hun vaardigheid voor handigheid aangezien, en die geldt niet als ware kennis of echt inzicht. Dat is jammer voor al die scholieren die het wel in hun vingers hebben, maar niet kunnen verwoorden. Die gaan nu zonder diploma's van school af en zullen maar al te vaak niet mogen werken met de geavanceerde apparatuur waarmee ze zo goed overweg kunnen.
Nu pas blijkt ook dat het schaakspel al die tijd al een imaginaire machine was, gebaseerd op een strikte logica maar gespeeld op de tast, door met de stukken te schuiven, en niet door de zetten op grond van de regels in hun onverbiddelijke afloop te overzien. Nu de rekenmachine het schaken overneemt, bereikt het spel daarmee eindelijk zijn oorspronkelijke bestemming.
In een interview in het blad Amerika beschrijft Hofland zijn schrijverswerk als een schaakspel. De pionnen zijn de korte stukken, de essays zijn de lopers. De boeken zijn de koning en de koningin. U zult het voorlopig moeten stellen met het pionnenspel van de grootmeester, twee pagina's verderop.
Ik ga weer eens aan een eindspel werken. Dit is de laatste van Mijn zinnen.
Abram de Swaan, NRC 12 juli 1997