Al enige weken gaat het op deze plek over honden. Hiermee is aan een verwaarloosde minderheid in deze krant eindelijk recht gedaan. Veel te lang is in het redactioneel beleid de voorkeur gegeven aan katten, of beter aan kattenliefhebbers. Enige tijd zag het er naar uit dat de tegenstelling tussen de hondenmensen en de kattenmensen zou leiden tot een scheuring in de redactie. Nog bijtijds is het roer omgegaan en is afgesproken dat het Cultureel Supplement voortaan voor de poes zal zijn, af en toe gelardeerd met stukken over kunst en literatuur, terwijl het in de Zaterdagse Bijlage zal gaan over de hond, in een breder maatschappelijk kader geplaatst met artikelen van nog algemener strekking. Dat hiervoor een wisseling van hoofdredacteuren nodig was duidt al op het belang van de kwestie. Maar dat het ooit zover heeft moeten komen!
Ik beken mij van nu af aan tot de hondenliefhebbers.
Dat is niet vanzelf gegaan. Ik ben niet met dieren opgegroeid en dat is ook nu nog aan alles te merken. Waar een poes in wolligheid leeft, op een tapijt of deken, begin ik dadelijk te tranen en te proesten en ook van hondenpluizen krijg ik het te kwaad. Diep in mijn hart vind ik dieren vies, of eng of ergerlijk.
De hondenliefde was bij mij een late roeping, voortgekomen uit liefde voor iemand die van honden houdt. Ik heb mij dan ook niet tot de soort bekeerd, maar tot een enkel exemplaar: De onvergelijkelijke, onweerstaanbare Kanaänhond Iemah.
In het begin accepteerde ik haar aanwezigheid in huis vooral uit verkapt eigenbelang. Ik hoopte dat Iemah zou leren om 's ochtends met een riks in een beursje aan haar halsband bij de sigarenman de krant te gaan halen, die zij dan in de bek zou klemmen om hem met een toegewijde blaf bij mij op bed te komen bezorgen. Dat is in geen twaalf jaar gelukt. Iemah was meer het soort hond dat geïnteresseerd naar mijn wijzende hand bleef staren als ik een stuk hout weg slingerde dat zij moest apporteren. Later ging ze die stok wel ophalen maar bleef op twee meter afstand staan, de stok tussen de poten, grauwend en grommend, klaar om iedereen aan te vliegen, baas, bazin of baasje, die ook maar naar haar prooi zou wijzen.
Iemah stamt af van halfwilde honden uit de Negev-woestijn die daar in roedels achter de Bedouïnen aantrekken, en even buiten het kamp wachten of er voor hen wat te snaaien valt, net als meeuwen die hoog in de lucht een zeeschip volgen en af en toe in duikvlucht wat afval oppikken. Ze leven wel van de mensen maar niet met de mensen. Ook Iemah vertrouwt mensen niet helemaal en is zelf niet helemaal te vertrouwen. Opeens kan ze de laaiende moordlust in haar kaken krijgen en vliegt vreemde dieren of bezoekers aan. Daar heeft ze dan later wel weer spijt van, of iets wat daar veel op lijkt. Maar ja, ze kreeg even een waas voor d’r ogen.
Ze is eigenlijk een viervoetig voorbeeld van de civilisatietheorie van Norbert Elias. Wij zijn als het ware het staatsgezag dat het geweldsmonopolie uitoefent en zij zou in die beschermde omgeving een meer beheerst en gelijkmatig gedrag moeten aanleren. Zij wil niets liever dan haar baas gerieven en het levend bewijs van die theorie leveren voor de dierenwereld. Maar er blijft nog zoveel te moorden. Alle katten bijvoorbeeld, of al wat vliegt op straat en in de tuin. Die vogels probeert ze te verschalken door ostentatief de andere kant op te kijken terwijl ze quasi-verstrooid hun kant op wandelt, tot opeens na een snelle sprong en toeklappende kaken een gebroken karkasje met twee druppels bloed op de grond ligt en zij weldoorvoed haar aandacht alweer op iets anders richt. Hierom wordt ze streng toegesproken. Dan herneemt het civilisatieproces zijn loop. Maar muizen vangen kan ze als de beste en dat wordt getolereerd, ja zelfs aangemoedigd.
Hier stuiten wij op een heimelijke ambivalentie in het pacificerend staatsgezag: de overheid tracht haar onderdanen in te tomen, tot het moment dat hun sluimerende wildheid haar te pas komt en zij hen met ontblote tanden en gepunte klauwen afstuurt op de vijand. En misschien, heel misschien, ben ik in het geheim wel trots op zoveel moorddadigheid verpakt in rossig bont met wuivende pluim en natbruine ogen: mijn strak aangelijnde, aandoenlijk toegewijde huisfascist.
Dat zou dan een opmerkelijk feit verklaren: hondenbezitters zijn een beetje rechtser in de politiek dan mensen met een kat, zoals Paul Dekker heeft aangetoond (Sociale en culturele kennis, VUGA, 1992).
Maar ontroeren, dat kan Iemah. Daar zijn huisdieren op geselecteerd: de aandoenlijkste, meest vertederende exemplaren werden door mensen opgenomen en vertroeteld. Al sinds millennia voltrekt zich in het huishouden een strijd om het bestaan waarin de aanhaligste dieren overleven. Bij Iemah is dat nog maar enkele generaties aan de gang, maar zij hanteert al de succesformule waarmee ook menselijke psychopaten zich zo goed weten te handhaven: ik maak iedereen van kant behalve jou. Dat bewijst hoeveel ik van je houd. Dus hou van mij, of ik vlieg je aan.
Daarbij doet zich een raadsel voor. Huisdieren vinden het kennelijk prettig om aangehaald te worden. Daar zijn ze in de co-evolutie met de mens op geselecteerd. Maar elkaar zijn ze in geen duizend jaar gaan aaien. En toch, als ze dat zo plezierig vinden, dan zouden huisdieren die hun voorspel met strelingen hebben uitgebreid daarmee een voorsprong moeten verwerven bij teeltkeus en voortplanting. Dus zou de aaineiging zich moeten verbreiden door de soort. Maar nee, hoor.
Er is maar een conclusie mogelijk: in de loop van de domesticatie hebben huisdieren geleerd om net te doen alsof ze het prettig vinden om door mensen gestreeld te worden. Dat gedrag neemt hun bezitters voor ze in en zij zien dat aan voor een liefdeblijk. Want in de huiselijke strijd om het bestaan overwinnen de liefsten.
Abram de Swaan, NRC 10 augustus 1996
Abram de Swaan, NRC 17 augustus 1996
Over vier weken worden in Bosnië verkiezingen gehouden. Dat wordt een volstrekte schijnvertoning, daarover zijn alle waarnemers het eens. De leiders die uit de oorlog omhoog zijn gekropen werpen zich nu op als kandidaten, sluiten alle mededingers uit met eenvoudige intimidatie, dwingen hun volksgenoten om in het eigen etnisch territoir te stemmen, en hebben elk geluid dat afwijkt van hun propaganda gesmoord met straatterreur.
De verkiezingscampagne is een voortzetting van de oorlogscampagne, en niet eens met andere middelen. Maar in dat politieke vrieshuis kan het soms toch nog vrolijk toegaan.Zo begaf zich dezer dagen de clown Christopher in de haastig opgetrommelde menigte, kuste baby’s, streelde kleuters, en riep de omstanders op vooral te gaan stemmen. En als frappe maakte hij zich bekend als de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Want de komedie moet tot elke prijs nog achtentwintig dagen worden gerekt, dan wordt er nog twee maanden in alle stilte doorgehuicheld, tot de verkiezingen in de VS voorbij zijn.
Wat de roverhoofdmannen met de wapens niet gelukt is, wordt voor hen voltooid door de inspanning van de complete westerse alliantie: de algehele segregatie van de bevolking in drie bloedgroepen, Serviërs, Kroaten en Moslims, in drie deelrijkjes, elk onder het schrikbewind van de dienstdoende bendeleider zelf.
Na de verkiezingen komt grootscheeps de internationale hulpverlening op gang: buitenlandse leningen en investeringen, die allemaal zullen verdwijnen in de kas van de vers verkozen opperhoofden.
De vrede is in Bosnië hersteld. Het zal nog lang heel rustig zijn in die contreien. De bendeleiders hebben elkaar gevonden in de grote drieklank van het slotakkoord. De buit is verdeeld. Wie daartegen binnenslands zijn stem verheft wordt afgeschoten, maar met de geluiddemper op de loop. De kritiek in West-Europa en de VS wordt bedaard gesmoord door de gezagsdragers zelf: zonder de medewerking van de Bosnische voormannen is immers de vrede onmogelijk.
Dit is het Andreotti-argument. Wie de orde wil bewaren moet de maffia ter wille zijn. De gevolgen zijn vermakelijk, of beschamend, dat hangt van het morele standpunt af. Op dinsdag luide een kop op de voorpagina van deze krant: 'NAVO wint prestigeslag van Serviërs.' De NAVO, zoals sommige krantenlezers zich zullen herinneren, is de machtigste militaire alliantie in de geschiedenis van de mensheid. De Serviërs waarvan in de titel sprake is, dat zijn de Bosnisch-Servische krijgsbendes die zich als plunderaars, brandstichters, verkrachters, sluipmoordenaars, kampbeulen en met de massale liquidatie van duizenden gevangenen inderdaad een reputatie hebben verworven, maar in het geregeld gevecht vooral uitmuntten in dolle vlucht. Een prestigeslag, vast en zeker, maar dan in het gezicht van de democratie.
Het ging om de inspectie van een wapendepot, vlakbij het hoofdkwartier van de oorlogsmisdadiger Ratko Mladiç tegen wie een internationaal opsporingsbevel is uitgevaardigd. Waar deze Mladiç zich vertoont trekken de IFOR-soldaten de helm diep over de ogen en stuiven blindelings uiteen, uit angst dat zij hem zouden moeten arresteren. Daarmee immers zou het vredesproces in gevaar gebracht worden.
De ergernis die hier zo heftig wordt verwoord hoort tot de laatste stuipen van de Westerse verontwaardiging. Maar wees niet bezorgd, die gaat wel weer over. Nog een paar maandjes slapen en Bosnië is een heel gewoon ellendig landje, zoals er zoveel zijn in die streken en in de rest van de wereld. Ook in Bulgarije en Roemenië is het niet pluis, om van de meeste voormalige Sovjet-republieken maar te zwijgen. In Slowakije zal het bewind met belangstelling kennis nemen van de vorderingen die het etnisch schoonmaakbedrijf in Bosnië onder westers toezicht heeft geboekt. Ook daar moeten nog heel wat inheemse Zigeuners en Hongaren worden weggepoetst.
De Europese Unie kan heel goed voortbestaan met die volkstirannieën aan haar grenzen. West-Europa is niet anders gewend, na vijftig jaar coëxistentie met de volksdemocratieën in het Oosten. Nu de protectie van de Sovjet-Unie is weggevallen zijn die volkstirannieën misschien onwelriekend, maar niet langer bedreigend. Voor Tsjechië, Hongarije en Polen ligt het anders: daar groeit in een broze democratie een prille vrije markt. Die volkeren zijn daarin tot dusverre geslaagd omdat ze vertrouwden op de economische, en vooral op de morele steun van het Westen. Dat kan nu alleen nog blind vertrouwen zijn. En ook de verwachting dat zij zouden kunnen toetreden tot de Europese Unie wordt steeds verder uitgehold. Het wordt immers veel te duur. Dat komt door de subsidies waarop zij dan recht zouden hebben, beweren de Europese gezagsdragers omdat ze de concurrentie van goedkope producten uit die landen vrezen.
Maar daar gaat het niet echt om. Waar het werkelijk op aan komt, dat is de EMU, de Europese Morele Unie. Daar is geen draaiboek voor opgesteld, daar wordt in Brussel en Frankfort niet over vergaderd en daar wordt op de beurs niet in gespeculeerd. Maar dat is de grondslag van Europa.
De Europese Unie is een vrijwillig samengaan van Europese volkeren. Een geweldloze vereniging van naties is in de geschiedenis vrijwel zonder precedent. Dat het in Europa zover gekomen is, bijna halverwege, is al een unicum. Maar verder komt het niet, bij gebrek aan overtuiging.
De Europese Gemeenschap was bovenal een weerwoord op de Tweede Wereldoorlog. Ze was de antithese van het nationaal-socialisme. Die Europese eenheid ontleent zijn waarde aan de drie grote bijdragen die de Europese traditie heeft toegevoegd aan de politieke cultuur: de rechtsstaat, de parlementaire democratie en de verzorgingsstaat. Die politieke beschaving was in het geding in Bosnië en met die missie raakten de westerse mogendheden betrokken bij de strijd. Maar als straks de bordkartonnen zetstukken van de Bosnische verkiezingen zijn weggeregend rest niets dan de grote Europese leegte.
Abram de Swaan, NRC 17 augustus 1996
Abram de Swaan, 24 augustus 1996
'Afmaken moeten ze hem, óphangen!' Ik hoorde het zonder verbazing aan, al golfde het omhoog uit de zoete keel van iemand die ik ken als een zachtaardig en genadig mens, altijd meer bezorgd dan belust. Maar de opwelling kwam me bekend voor. Een acute aanval van wraakzuchtige bloeddorst. Maar mij overkomt het niet gauw bij dit soort misdadiger. De man had kleine meisjes opgesloten, getreiterd, misbruikt en tenslotte verkocht of vermoord. Erger kan haast niet. In de Lage Landen heerste hevige opwinding. In de haast van de terechte verontwaardiging werd het langgerekte, veelkleurige lint van de pedofilie verfrommeld tot een enkele knoop: geile, veile moordlust.
Er zijn mensen met een wat je noemt ongezonde fascinatie met kinderen. En ook met een gezonde. Daartussen zit van alles en nog wat. Ik ben daar geen specialist in. Maar enig onderscheid moet toch bewaard blijven. Een pedofiel staat even ver van een kindermoordenaar als een cipier van een kampbeul. Daarmee is nog niet veel goeds gezegd over cipiers, maar wel veel kwaads over beulen.
Mij gaat het hier om de volkswoede. Als door democratische vernieuwers intussen het elektronisch referendum al was ingevoerd, dan was in de opwelling van deze dagen subiet voor de doodstraf gekozen, zonodig met tweederde meerderheid, en werd per amendement de foltering daar nog aan toegevoegd: 'Castreren en ophangen', zo eist volgens mijn ochtendblad de 'stem des volks' die ook al sinds lange tijd niet meer aan het woord geweest is.
Dat is ook maar gezegd in een volksdriftbui en die waait wel weer over, dat is de aardige kant van die volksstemmingen.
Vreemd genoeg wordt in de alom oplaaiende wraakfantasieën met de kindermoordenaar precies datgene gedaan wat hij met zijn slachtoffers deed: opsluiten, kapotmaken, doodmaken. En dat in een hevige opwinding, al lijkt die niet uit wellust voortgekomen, maar ingegeven door een andere lust, de wraaklust.
Voor goed begrip is het misschien nodig om aan te tekenen dat er nauwelijks kans is dat de lijfstraffen en executies waarom nu in volle verontwaardiging geroepen wordt ook werkelijk worden ingevoerd. De meeste mensen weten dat ook wel en de meesten zouden het ook niet anders willen. Zo is in de openbare meningsvorming een beschermde ruimte ontstaan waarin de mensen met elkaar uit kunnen razen zonder dat hun woorden ook meteen in daden en wetten worden omgezet: een soort psychotherapeutische spreekkamer, maar dan voor gans het volk.
Tenminste, dat hoop ik maar en u kunt dat maar beter met mij hopen.
Wij weten niet wat er in de dader omgaat. Ik denk dat als we het wel wisten een hartverscheurend medelijden met die meisjes en ook met hun moordenaar de overhand zou krijgen, een onoverkomelijk verdriet over de menselijke kwetsbaarheid en de menselijke vernietigingsdrang. Ik wil daarmee helemaal niet voor genade pleiten, en ook geen verzachtende omstandigheden aanvoeren. Het gaat mij nog steeds om ieders allerpersoonlijkste volksgevoel. Wie nu nog woedend is weet niet hoe treurig het eigenlijk is. En daarom kun je maar beter kwaad blijven.
Ophangen, kapotmaken, diezelfde woorden komen bij mij naar buiten spuiten, niet als het gaat om de kleine zelfstandigen onder de moordenaars, maar als ik het te kwaad heb met de grote, bedrijfsmatige doders. Die kinderlokkers opereren in het grootst geheim, in de verborgenheid van kofferbakken en kelders, steeds beducht voor ontdekking en de straf die komen gaat. Maar er zijn misdadigers die met hele legers werken, straffeloos en met de volle dekking van de staat. De samenleving is daar binnenstebuiten gekeerd. Het moorden vindt er plaats in overheidsgebouwen en de criminelen halen hun slachtoffers in het volle daglicht van de straat. Wie daaraan ontkomen wil moet zich verstoppen, steeds beducht om te worden opgepakt en afgemaakt. Dat gebeurt echt en het gebeurt nog steeds. Ik zeg ook dit niet om de misdaad in België te bagatelliseren, maar om die terreurregiems op ware grootte af te beelden. Meer als een gedachtenoefening, dus.
De woede waar ik soms last van heb gaat weliswaar over grotere misdaden dan de Belgische moordzaak, maar dat maakt dat gevoel niet hoger of beter dan de woede die nu zoveel mensen naar de keel grijpt.
Met zulke gevoelens kun je maar beter zuinig zijn. Dat het voorwerp van de verontwaardiging zo verdorven is, maakt de verontwaardiging nog niet heilig. Maar al is het gevoel niet nobel, leerzaam is het wel. Zo'n doorkijkje in de eigenmens biedt een goed inzicht in de medemens, die - dat behoeft geen betoog - veel minder verheven beweegredenen heeft. Heel even biedt het de kans om te beleven wat de vandalen, de geweldenaars, de mensentreiters en al die anderen, van kwaad tot erger, die toch zo onvoorstelbaar anders zijn, voortdrijft in hun wangedrag.
Zou het kunnen dat veel mensen vol zitten met een ongeklaarde razernij die er niet uit mag totdat een gerechtvaardigde zaak gevonden is? Er zit, zelfs in de zachtste zielen, een gorilla die wacht tot hij zijn gelijk krijgt en zijn kans om te brullen en te wurgen. Maar bij beschaafde mensen zit die gorilla rustig zijn banaantje te pellen op de bodem van de ziel tot hij eruit mag van het Groot Gelijk. En zelfs dan mag hij maar heel even aan de halsband buiten spelen en moet voordat hij weer echt kwaad kan terug in zijn hok, terug in het diepste binnenste van het moderne karakter. Het lijkt me beter om het daar vandaag maar op houden.
Abram de Swaan, NRC 24 augustus 1996
Abram de Swaan, NRC 31 augustus 1996
Achteraf denk ik wel eens dat ik toch strenger ben opgevoed dan ik indertijd besefte. Zo mocht ik van huis uit mensen niet op hun uiterlijk beoordelen. Maar die regel vond ik geen opvoeding, die vond ik terecht.
Ik heb me er dan ook heel lang strikt aan gehouden. Zozeer dat ik allerlei uiterlijke kenmerken zelfs niet opmerkte. Luisteren ja, maar niet kijken. Want het geloof komt uit het horen en niet uit het zien, zei Luther (die dat ook weer ergens gehoord moet hebben). Maar van hem heb ik het niet meegekregen.
Dat negeren van uiterlijke kenmerken was bedoeld om rijke mensen niet te bevoordelen boven arme, en misschien ook wel om mooie mensen niet voor te trekken boven lelijke.
Later ben ik daar anders over gaan denken. Hoe beter je registreert hoe iemand eruit ziet, welke indruk zijn kledij en houding maken, hoe beter je je eigen waardering of ergernis in de gaten hebt, des te beter kun je die in de beoordeling of de benadering tussen haakjes zetten.
Maar ik ben ook steeds minder gaan geloven dat uiterlijke kenmerken niets zeggen over het innerlijk. Je trekt het gezicht dat je hebt. In voorkomen, dracht en gang gedraag je jezelf. Er is veel discipline voor nodig om mooi te blijven en veel humor om lelijk te kunnen leven. Een lange lijs van een meid kan zichzelf struis en rijzig maken. En een klein kereltje verandert zichzelf in stevig en compact.
Die afwijzing van alle uiterlijke indrukken had nog een andere reden. De gedachte dat iemands fysiek hem aangeboren is, en beslissend voor zijn karakter, vormt de kern van het racisme. De mensheid was in typen in te delen en die hingen weer samen met de volkskarakters.
Er bestond in die gedachtenwereld een typisch joods voorkomen dat het kenmerk was van een joods volkskarakter: klein en gedrongen van gestalte, een rond hoofd met brede mond en een lange gebogen neus, wat bollende ogen met zware oogleden en donker krullend haar. Dat werd althans in Neder- en Hoogduitse contreien wel beweerd. In het Midden Oosten bestaat een ander beeld van de joden. In Israël circuleert een grap over een vliegtuig van El Al dat in de jaren zestig een noodlanding moest maken in Cairo. Zodra het toestel aan de grond stond stormde de Egyptische politie de cabine binnen om de joden eruit te halen: 'alle blonde, blauwogige passagiers meteen meekomen!'
Maar kun je zien of iemand joods is of niet?
De vraag alleen al wekt onbehagen. Na de oorlog hadden veel mensen in Nederland zo genoeg van het antisemitisme dat in het openbaar nog zelden werd gesproken over wie wel en wie niet joods was en ook niet hoe je dat kon zien. Binnenskamers des te meer.
Maar kun je het nu zien of niet?
Sommige mensen zijn er veel beter in dan anderen. Joden zelf hebben er vaak oog voor en antisemieten misschien ook. Het is blijkbaar een kwestie van interesse. Er zijn ook mensen die er overheen kijken, die met wat anders bezig zijn. Maar veel mensen doen zich hierin graag wat onnozeler voor dan ze zijn. Ze zouden er liever nooit aan denken, maar het onderscheid is hun nu eenmaal ooit eens ingegoten.
De jongere generaties zijn daar minder mee behept, die zijn weer meer opgescheept met het verschil tussen zwart en blank. De ouderen willen dat juist afdoen door zich 'kleurenblind' te houden.
Het is eigenlijk heel onwaarschijnlijk dat er een enkel joods type bestaat dat zich in tweeduizend jaar van ballingschap zou hebben kunnen handhaven in een niet-joodse omgeving.
Het ligt veel meer voor de hand dat er in Nederland of in Europa een paar dozijn joodse typen zijn. Mensen hebben daar een paar van in hun hoofd, en ze hebben hun modellen ooit ontleend aan het voorkomen van joden die ze kennen in eigen kring of als publiek persoon. Komen ze nu iemand tegen die op een van die voorbeelden lijkt, dan proberen ze de overeenkomstige trekken af te wegen tegen de verschillen en zo per saldo iemand in te delen. De filosoof Wittgenstein noemde zulke in elkaar overvloeiende categorieën 'familiegelijkenissen' en hier gaat die term letterlijk op.
Maar de uiterlijke verschijning is vooral een habitus, een manier van doen, een manier van praten en bewegen, een lichaamshouding en gelaatsuitdrukking, een toon, een tempo en ritmiek. Er is ook een joodse habitus, of beter er is een heel gamma van zulke habitus (meervoud). Mensen hebben die meegekregen en hebben zich die ook aangemeten, of ontdoen zich er weer van. Weer anderen herkennen dat of zien eraan voorbij, vergissen zich, of willen het niet zien.
Er zijn nog andere kenmerken waardoor joden zich soms onderscheiden - en soms niet. Er zijn joodse namen, en namen die joden en niet-joden gemeen hebben. Er is een joodse godsdienst en een joodse politieke overtuiging, het zionisme. De meeste aanhangers vinden dat ze daarvoor uit moeten komen. Weer anderen hangen er maar zo'n beetje bij en houden zich op de vlakte. En er is, uiteraard, een joods verleden. Vooral het oorlogsverleden. Dat was de grootste en gemeenste deler.
Nog een complicatie: mensen hebben het niet vrijelijk voor het kiezen. Soms worden ze op hun herkomst aangesproken. Dan werkt een sociale dwang om op te komen voor de eigen groep die daarmee dus eens te meer tot eigen groep gemaakt wordt.
De verwarring is hier zo ordelijk mogelijk uiteengezet.
Ik kom erop omdat nu 'Kroaten', 'Moslims', en 'Serven', en ook 'Tutsi's' en 'Hutu's', die allemaal toch duizend jaar dooreen geleefd hebben, worden vervolgd vanwege die familiegelijkenissen. Daarbij wordt dan alle vermenging afgeschaft en elke verwarring weggewerkt, tot alleen nog scherp gescheiden soorten overblijven die elkaar naar het leven staan. Maar in werkelijkheid zijn de verschillen daar even ingewikkeld, onduidelijk en verwarrend als hier.
Abram de Swaan, NRC 31 augustus 1996
Abram de Swaan, NRC 7 september 1996
Wat weten we eigenlijk van verre landen? Niet zoveel, en heel vaak het verkeerde. We zijn aangewezen op mensen die voor hun vak verslag uitbrengen van wat daarginds voorvalt. Journalisten bijvoorbeeld. En antropologen. We moeten maar van ze aannemen dat ze goed ingelicht zijn en te goeder trouw.
Buitenlandse correspondenten kennen vaak de taal niet van het land waar ze gestationeerd zijn. Ze laten dan geregeld een inheemse medewerker stukken uitkiezen uit de plaatselijke pers om voor ze te vertalen. Als ze toevallig iemand treffen die er een heel eigen mening op na houdt, of als die assistent hun door regeringsgezinde kringen is toegeschoven, dan sijpelt die visie vanzelfsprekend door in de berichtgeving die wij hier van hen te lezen krijgen. Maar hoe beter onze correspondent ter plaatse is ingevoerd, des te meer contacten onderhoudt hij daar die hij nog wel eens nodig kan hebben, en die hij dus in zijn berichtgeving moet ontzien. Dus meldt hij niet alles wat hij weet.
Er zijn ook mensen die verslag doen uit den vreemde, niet per dag of om de week, maar na verloop van jaren. Dat zijn de vakgeleerden, antropologen of andere verwegkundigen, als daar zijn de amerikanisten, sinologen, afrikanisten, aziologen enzovoort. Vanzelfsprekend kennen zij wel de voertaal van hun werkterrein. Ze weten iets van de landsgeschiedenis en de volkszeden, want daar zijn ze in opgeleid. Het is even afwachten tot hun veldwerk voltooid is, de aantekeningen zijn uitgeschreven en het verslag in de vakpers is gepubliceerd, maar dan zijn van die experts toch de feitelijke achtergronden en de ware toedracht te verwachten. Maar zo gaat dat niet. Tenminste niet altijd. Niet zo vaak.
Het gros van sinologen en andere China-experts heeft tientallen jaren lang en vaak tegen beter weten in het schrikbewind van Mao goedgepraat. Dat was soms uit halfhartig geloof in de Chinese revolutie. En wie echt zo goedgelovig was, moet dus ook wel ongelofelijk dom geweest zijn. Maar het was ook omdat die China-kenners allemaal nog een keer naar Bejing terugwilden. Wie daar geen toegang meer kreeg mocht in eigen land de rest van zijn loopbaan alleen nog in stofjas op de archiefzolder doorbrengen. Een groot publiek volgde zuchtend van ontzag de mirakelverhalen van de China-reizigers en door de vakgenoten werden die maar zelden hardop weersproken.
Maar waarom dat China-schandaal twintig jaar later weer opgerakeld? Omdat het probleem in de antropologie en andere verwegkundes nog steeds bestaat. Onder vakgenoten wordt daar liever niet over gepraat. Laatst nog verscheen een bundel opstellen van prof. Peter van der Veer, die daarin van de eerste tot de laatste bladzij koket met kiezels werpt tegen zijn collega's in de antropologie en de Azië-kunde. Zij zouden zich nog steeds bezondigen aan het Oriëntalisme: de sentimentele mystificatie van de eeuwige Oosterling. In feite is de laatste Oriënt-expert die zich dat permitteerde al jaren geleden in het gedenkalbum bijgeplakt.
Maar met zijn schijnkritiek bedekt Van der Veer de tegenovergestelde wantoestand: de dienstbaarheid van antropologen of andere landenkenners aan het tegenwoordige bewind in hun werkgebied. Of, wat nog vaker voorkomt: manipulatie van de feiten om de relaties daar te bewaren, of de opinie hier te paaien.
Laat ik voorbeelden noemen die ik uit de eerste hand heb. Soms ging het voor mijn gespreksgenoot om een knellende gewetenskwestie, maar anderen zaten er helemaal niet mee. Ik noem geen namen en ik verander details.
Een wereldberoemde antropoloog doet moedig onderzoek in de diepste binnenlanden naar de rituelen van een oerwoudvolk. Onder zijn ogen worden de mensen geterroriseerd door het dienstdoend regiem en de bossen worden uitverkocht voor kaalslag. Nu wil de historie dat dit schrikbewind is voortgekomen uit de bevrijdingsstrijd tegen een koloniale mogendheid, vijftig jaar geleden. Als de geleerde, terug van zijn verre reizen, op college iets zou opmerken tegen de huidige dictatuur ginds, dan zullen zijn studenten, weldenkend en antikoloniaal als ze zijn, hem na de eerste zin nooit meer laten uitpraten. Althans, dat vreest hij. En misschien terecht.
Een andere volkenkundige is alom erkende als autoriteit over zeden en gebruiken van eilandbewoners in de Stille Oceaan. Het gaat zijn lievelingsvolk niet goed. De bossen worden platgewalst; scholen, hospitalen, waterpompen komen er niet. Kortom, de regering laat de bosbewoners verrekken, verjaagt ze uit hun woongebieden en heeft al eens een heel dorp uitgemoord. Maar de expert kan niet vertellen wat hij weet zonder te onthullen dat de dorpshoofden, zijn oude vrienden en informanten, door diezelfde regering zijn omgekocht en de belangen van de dorpelingen verkwanselen. Dus zwijgt hij.
Nummer drie. Alweer een antropoloog, een die sinds jaren een onophoudelijke burgeroorlog bestudeert in verre Afrikaanse contreien. Maar het geval wil dat de ene partij hier een ambassade heeft en de andere partij niet ver hiervandaan een onofficiële vertegenwoordiging. De onderzoeker houdt liever voor zich wat hij weet van massacres en van de nevenactiviteiten in de internationale drugs- en wapenhandel. Anders krijgt hij een kogel door zijn hoofd. Tenminste, dat vreest hij. En wie weet met recht.
Een vierde geval is misschien het meest typerend. Een jonge antropologe vertrekt naar Oosterse streken voor onderzoek onder studerende en werkende vrouwen die zich tot de Islam bekennen. Alles wat haar contacten zou kunnen mishagen laat ze doodleuk weg uit haar verslag, want als ze dat onder ogen krijgen, zullen ze niet meer met haar willen praten. En ook zij moet nog een keer terug.
Ik ook.
Dus is dit nog maar een heel behoedzaam relaas over misbruiken en onzeden van het volkenkennersvolk.Abram de Swaan, NRC 7 september 1996
Abram de Swaan, NRC 14 september 1996
Voor afgunst is een woord, maar voor het gevoel dat het bij de benijde opwekt niet. Van andermans woede wordt iemand bang, of kwaad. Maar wat word je van iemands jaloezie? Niet goed.
Ik kom erop, omdat ik even uiterst benijdenswaardig was. Niet dat mijn gezelschap mij iets misgunde.
We zaten in hetzelfde busje, dat door steeds heuveliger landschap gechauffeerd werd, langs bergmeren bochtig omhoog over nog engere wegen tot een poort die elektrisch open zwenkte en vandaar over een oprijlaan die zich door een geheel geprivatiseerd landgoed wrong naar de gastverblijven waar wij door de gastvrouwe werden opgewacht om onze kamers te betrekken, reeds voorzien van naambordje, antiek ingericht, met uitzicht op weids aangelegde wandelparken en op het grauwe meer dat stil en impressionistisch lag te druilen onder grijze luchten met Munchse slierten nevel over het water, waar de bootjes al klaarlagen voor ons spelevaren, terwijl in de hal verweerde knechts uit het naburig bergdorp de koffers overnamen en witgekielde oosterse bedienden de welkomstkoffie inschonken. Mijn reisgenoten werden er wat giechelig van en er ontstond een bewonderend en afgunstig gemompel in vier, vijf talen. Maar voor die stemming is het Nederlands toch het meest welsprekend: Nou, nou, nou, wie het breed heeft; en: Dat zal me een lieve hap kosten.
Het landgoed was na tweeduizend jaar van pronk en praal, brandschatting en verovering, van de Sforza's overgegaan naar de Sfondrata's en, toen geweld eindelijk voor geld moest wijken, opgekocht door de prinses Von Thurn und Taxis die ook maar een meisje Walker was, maar dan eentje van de whisky-miljarden, die het, kinderloos, had nagelaten aan de Rockefellers, al even geweldloos in de olie, en zij hadden het tenslotte opengesteld voor Kunst en Wetenschap. Daar stonden wij dan.
Heel even was ik jaloers op mijzelf.
En, viel het tegen? Natuurlijk.
Het weer klaarde op, de zon verhelderde het landschap tot in de kleinste glooiingen en tot aan de verste villa's. Maar wij moesten van negen tot vijf, in de stijlkamers en onder de adellijke portretten, binnen zitten.
Dat moest van het schema. En zo bespraken wij de vergane en de gaande gruwelen van dit tijdsgewricht. Geweld en trauma, leed en rouw, in psychoanalytisch en antropologisch perspectief.
Daarna mochten wij ons even vertreden in het park. Vervolgens werden wij ontboden voor de aperitieven met lichte conversatie en klokke acht gesommeerd aan het diner in jasjah-dasjah. Nog steeds gold de strakke huistucht die de Prinses ooit aan haar mindere gasten had opgelegd.
Afgunstige mensen stellen zich degeen die zij benijden steevast voor in de meest jaloersmakende omstandigheden: Nu zwiert zij met hem over de dansvloer, denkt de jaloerse minnaar, hij omklemt haar leest en laat heur haren langs zijn lippen spelen. Een kreet van hartzeer welt in de afgunstige op. Nog verder wrikt hij het mes in zijn eigen, gewonde borst: Glimlachend kijkt zij naar haar nieuwe geliefde op, 'vannacht nog' fluistert zij juist hoorbaar boven de klanken van het zigeunerorkest. En de eenzame fantast kermt, Neen, neen, dat niet!
Maar waarom beeldt hij zich dat in? Waarom fantaseert hij niet dat zijn minnares na een door insecten en straatlawaai bedorven nacht nu bij het ontbijt ruziet over de rekening met zijn rivaal op wie zij ondertussen volstrekt is afgeknapt. Dat is toch veel waarschijnlijker. Maar zo werkt de afgunst niet. De nijd wekt zijn eigen pijn.
In mijn herinnering verscheen de rijzige gestalte van Hubert Plaque, met die voor immer tekort gedane trek om de mond. In het verenigingsblad had hij zich bitter beklaagd dat de heren professoren het blijkbaar niet nodig vonden om op de toogdag van zijn geleerd genootschap te verschijnen. Zij waren zeker weer eens op reis, of anders waren zij vast voor veel geld aan het schrijven voor de krant, schreef hij wrang. Of ze wilden het congresgeld niet betalen.
Waarom had hij zich niet realistisch voorgesteld dat zij in een armetierig klaslokaal zaten te kiften over een subsidie, of dat zij zich tot middernacht kromden over stapels kriebelige tentamens? Maar dan was de bitterzoete afgunst hem vergaan en had mededogen of zelfs bewondering hem overweldigd.
Meestal blijft de afgunst achterbaks, met achterklap in onderonsjes. Zelden zie je de nijd in reincultuur, in druk en in het openbaar.
Bij terugkeer kwam het universiteitsorgaan mij onder ogen. Die krant heeft geen abonnees. Het blad gaat naar de rekjes. Daar ligt het tot de bezorger de oude stapel vervangt door die van de nieuwe week. Toch wordt ieder nummer vasthoudend volgeschreven door de geheel onafhankelijke redactie. Geheel onafhankelijk wordt iedere week een artikel gewijd aan de Voorzitter of de Rector van de Universiteit, hun plannen, hun meningen, hun hoeden, hun lievelingspoëzie. De rest van de kopij is in eigentijdse hoon gesteld en striemt en geselt al diegenen, dat kun je tenminste vermoeden, die murw gemaakt moeten worden voor de volgende bezuiniging. Kruiperig en gluiperig. Daar is niet eens een dienstbevel voor nodig. Een onafhankelijke lakei weet uit zichzelf wat hem te doen staat.
Nu was mijn collega Johan Goudsblom het mikpunt van dat anonieme kreulen. Hij deed al dertig jaar hetzelfde. En nog erger, hij was grijs. Dat had een onderzoekscommissie vastgesteld. Er moesten maar eens jonge mensen bijkomen.
Dat zou Goudsblom ook wel willen. Wie niet. Maar sinds tientallen jaren wordt er op zijn staf bezuinigd en zijn knappe promovendi moeten lang wachten op emplooi of vertrekken naar het buitenland. En Goudsblom, na zoveel jaren, zet in zijn vak een adembenemende vernieuwing door; hij tracht evolutie en mensheidsgeschiedenis in één groot verband te brengen. Zo iemand stelt je voor de keus: je kunt hem alleen maar benijden, of je moet hem bewonderen.Abram de Swaan, NRC 14 september 1996
Abram de Swaan, NRC 21 augustus 1996
Voorvorige keer had ik het hier over antropologen en andere verwegkundigen die hun lezers niet de volle waarheid melden over de afgelegen gebieden waarin ze expert zijn. Ze willen daar nog eens kunnen terugkeren. Vandaar dat ze hun zegslieden beschermen en de machthebbers omzichtig bejegenen.
Daarmee doen ze hun lezers tekort. Dat is een veel algemener en ernstiger verschijnsel dan de incidentele overschrijverijen waar het dezer dagen over gaat naar aanleiding van de plagiaris Diekstra. Ik meldde een aantal praktijkgevallen, anoniem en in vermomming, omdat ze me in vertrouwen verteld waren en ook omdat het om reële gewetensconflicten ging.
Eén auteur noemde ik bij naam, Peter van der Veer, maar om een andere reden: omdat hij 'koket met kiezels werpt' naar vakgenoten die zich zouden verliezen in 'modern oriëntalisme'. Daar gaat het niet om, beweerde ik, zulk oosters sentimentalisme komt allang niet meer voor onder de oriënt experts.
In deze Z-bijlage staat een brief van Van der Veer die mij niet gerust stelt. Van der Veer heeft nu één enkel geval van modern oriëntalisme weten op te sporen. Voor de overige moet ik zijn boek eens lezen, schrijft hij. Ik heb het nóg eens gelezen (en niet tegen heug en meug, het is goed geschreven en Van der Veer doet enthousiast verslag van de kosmopolitische discussies in zijn vakgebied).
Al in de eerste regel kondigt hij aan dat zijn bundel gaat over 'oriëntalistische beeldvorming'. Daarbij 'wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen de rationele, seculiere westerling en de irrationele, religieuze oosterling.' En inderdaad, een heel hoofdstuk is gewijd aan Snouck Hurgronje, onmiskenbaar een schoolvoorbeeld van oriëntalisme op zijn vanderveers. Maar Snouck is dood, morsdood. Waar zijn de levenden? Die spoken vaag en ongenoemd door de tekst. Maar op drie pagina's (170-2) worden namen genoemd. Fasseur, Otterspeer en Wesseling. Historici alledrie, en twee van hen schrijven met gemengde waardering over Snouck, net als trouwens Van der Veer. De derde, Wesseling, reageerde 'furieus' toen Van der Veer hem ervan beschuldigde het kolonialisme te bagatelliseren. Maar dat is geen bewijs van oriëntalisme, antiek of modern, het is een blijk van woede.
Wie blijft dan nog over als moderne oriëntalist? Frits Staal. Hij is het doelwit van een polemisch slothoofdstuk. Maar Staal, zegt Van der Veer, beschouwt de oosterse mystiek als rationeel en het christendom juist als irrationeel. Dat is dus precies het omgekeerde.
Is dan helemaal niemand in Nederland en de koloniën een 'modern oriëntalist'? Ik zei al, in de bundel is er geen, maar in zijn brief heeft Van der Veer er toch nog een gevonden. En dat ben ik: 'De Swaan's column is zelf een mooi voorbeeld van modern oriëntalisme.'
Wat heb ik verkeerd gedaan? Waar heb ik de irrationele oosterling schril afgezet tegen de rationele westerse mens? Op deze plaats, zegt Van der Veer, en nog geen veertien dagen geleden. Ik ben er gloeiend bij. Want ik heb toen wèl geschreven over experts in verre landen, maar mooi niet over toestanden in het Westen. Nou, en dan weet je het wel.
Nu ben ik me bewust dat ik als laatst overgebleven, levende, moderne oriëntalist de enige ben die Van der Veer nog kan sauveren. En ik wil niets liever. Maar als ik de deskundigen over verre landen verwijten maak, volgt daar dan uit dat ik de experts over nabije landen schoon was? Nee toch. Natuurlijk niet. Zo'n bewering is een polemische wanhoopsdaad. Dat moet wel fataal aflopen.
Mijn modern oriëntalistische column besluit met de verzuchting dat die antropologen ook nog een keer terug moeten. En daarop volgt: 'Ik ook. Dus is dit nog maar een heel behoedzaam relaas over de misbruiken en onzeden van het volkenkennersvolk.'
Dat ging dus over hier, en nu. Niks oriënt, niks occident.
De problemen met informanten en met machthebbers doen zich overal voor. Ook in Nederland. En daar wordt gretig omheen gepraat. Niet alleen door antropologen maar ook door sociologen en andere maatschappij-onderzoekers. En ik vrees dat het in sommige andere vakken nog veel erger is.
Heel langzaam en nauwelijks merkbaar wordt jaar na jaar de onafhankelijkheid van het onderzoek ondermijnd. Dat is hoofdzakelijk een geldkwestie. Steeds meer willen de universiteiten ondernemend zijn en steeds vaker pressen zij hun personeel tot opdrachtonderzoek in de 'derde geldstroom'. Daar delen bedrijven en departementen de lakens uit.
Maar ook de tweede geldkraan kan verstikkend werken: dat zijn de fondsen die door N.W.O. en Akademie worden verdeeld, op advies van onderzoekers in het vakgebied. Die opdrachtgevers en die vakgenoten zullen niet gauw censuur uitoefenen, laat staan dat ze tot leugens aanzetten. Zo werkt het niet. Maar al die onderzoekers raken geleidelijk opgenomen in een netwerk van goede relaties met de verdelers en de verstrekkers van de gelden. Aan het eind van het jaar worden ze beoordeeld op de projecten die ze hebben 'binnen gehaald'.
Een voorbeeld: vrijwel iedereen in Nederland die zich bezighoudt met de ontwikkelingshulp wordt gefinancierd uit diezelfde ontwikkelingsgelden. Geen van die onderzoekers is simpelweg te koop, en niet één van die fondsbeheerders verdenk ik van onheuse beïnvloeding. Hier werkt de maatschappelijke zwaartekracht, het begrijpelijk verlangen om de goede verhoudingen niet te verstoren. Als het hun niet om eigen belang gaat, dan toch om de belangen van de jonge onderzoekers die op hen aangewezen zijn.
Een ander voorbeeld: nagenoeg iedereen in Nederland die zich bezig houdt met de sociale hulpverlening doet dat in opdracht van hulpverlenende instellingen of belanghebbende departementen. Opnieuw geldt dezelfde bewegingswet. De onderzoeker wil voorkomen dat de hulp vanwege zijn kritische verslaggeving wordt wegbezuinigd. En niemand wil de goede betrekkingen bederven.
Het gaat niet zozeer om kwade wil of kwade trouw, maar om een geleidelijke, nauwelijks merkbare, maar onophoudelijke erosie van de wetenschappelijke autonomie.
Abram de staan, NRC 21 september 1996
Abram de Swaan, NRC 28 september 1996
Tien weken geleden stelde ik in deze krant voor een beloning te zetten op de hoofden van Mladic en Karadzic. Het Joegoslavië Tribunaal in den Haag heeft tegen dit tweetal en zeventig anderen een arrestatiebevel wegens oorlogsmisdaden uitgevaardigd. De IFOR-troepen zijn bevoegd om hen te arresteren, maar ze doen het niet. Elke lidstaat van de VN moet meewerken aan hun voorgeleiding bij het Haagse Tribunaal, maar geen regering is nog in dat pijnlijke parket gebracht. Wanneer de verdachten eenmaal definitief veroordeeld zijn, zullen ze onder Nederlands recht vallen in kwesties van gratiëring of strafverkorting.
Toen ik mijn voorstel deed was het hoogzomer en bleef het doodstil. Maar deze vrijdag was het plan uitgebreid aan de orde tijdens een bijeenkomst in De Balie.
Inmiddels zijn de Bosnische schijnverkiezingen achter de rug en heerst daar nu de schijnvrede. Maar in het echt lopen Mladic en Karadzic nog steeds vrij rond, voor iedereen zichtbaar, maar geheel onvindbaar voor de troepen van de sterkste legermacht ter wereld, de NATO.
Ondertussen is de kans op hun arrestatie nog verder verminderd, omdat niemand de precaire Bosnische evenwichtsact wil verstoren. En ongetwijfeld hebben de Servische Bosniërs bij de onderhandelingen onder de tafel bedongen dat hun misdaden onbestraft moeten blijven, een voorwaarde waar de Kroaten stellig van harte mee zullen hebben ingestemd als hun criminelen ook ongemoeid gelaten worden en waarin de Moslim leiders konden meegaan ter wille van hun eigen slechte vrienden.
Toch blijf ik bij mijn voorstel en herhaal het: breng een miljoen bijeen als beloning voor de aanhouding en voorgeleiding van Mladic en Karadzic. Voor zo'n moeilijk en gevaarlijk karwei is misschien nog wel meer geld nodig, maar er zijn vast wel vermogende sympathisanten die wat zullen bijstorten.
Het is eigenlijk niet meer dan burgerplicht om een voortvluchtige verdachte te helpen aanhouden. In dit bijzonder geval zijn ook alle staten tot medewerking verplicht. Voor alle duidelijkheid, het gaat juist om het tegendeel van eigenrichting, de bedoeling is nu net niet om het recht in eigen hand te nemen, maar om te zorgen dat het Tribunaal zijn werk kan doen en het recht zijn loop heeft.
Dat is een heel bijzonder recht. Voor het eerst sinds de tribunalen van Neurenberg en Tokio hebben de Verenigde Naties besloten tribunalen in te stellen voor de berechting van oorlogsmisdadigers, in Arusha voor de genocide in Rwanda, in Den Haag voor de oorlogsmisdaden in het voormalige Joegoslavië. De twee Tribunalen zijn gekoppeld, ze hebben dezelfde aanklager en dezelfde kamer van beroep.
De Veiligheidsraad heeft nu een begin gemaakt met een internationaal strafrecht voor misdrijven van de allerergste soort: misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en volkerenmoord. Juridisch zijn die tribunalen nogal stevig toegerust, ze hebben forse bevoegdheden en krachtige rechtsmiddelen meegekregen. Het Joegoslavië-tribunaal had ook de middelen om de aanklachten behoorlijk voor te bereiden, het Rwanda-tribunaal moest het met minder doen. Maar daarmee houdt het op. De aanklagers beschikken niet over een politiemacht die de verdachten ook metterdaad voor de rechter kan brengen. Voor de uitvoering van het vonnis zijn de tribunalen aangewezen op staten die de veroordeelden gevangen willen houden. Die staten zijn dan ook bevoegd om gratie te geven of de straf te verminderen. Voor de gevonnisten van het Joegoslavië-tribunaal krijgt Nederland die functies.
Recht zonder macht heeft hulp nodig. Van oudsher is er een hulpmiddel bij de opsporing van verdachten waar ieder die dat wil gebruik van kan maken: de beloning. De nieuwe tribunalen zijn karig toegerust, maar hun zwakte kan worden goed gemaakt door de steun die ze ondervinden van medestanders waar ook ter wereld.
De tribunalen hebben aanklachten voorbereid en arrestatiebevelen uitgevaardigd. Ze hebben dat ook alom bekend gemaakt en om medewerking gevraagd. Als de verdachten zich niet uit zichzelf melden moeten ze door anderen worden opgebracht. De vredesmacht in Bosnië doet dat tot nog toe niet omdat de deelnemende regeringen er kennelijk niet aan willen. Dan ligt het nu het meest voor de hand dat particulieren het initiatief nemen door een prijs te stellen op de hoofden van de twee grootste misdadigers, levend en gezond. De eigenlijke aanhouding, ontvoering en voorgeleiding van die twee is het werk van verklikkers, premiejagers, commando's en andere vaklieden. Die zullen hun karwei zonder al teveel schade moeten zien te klaren, maar daar hebben ze voor geleerd.
Karadzic en Mladic hebben in Bosnië veel vijanden en buiten hun eigen versterkte kampement hebben ze geen schijn van kans om te overleven. Buiten Pale is voor die twee een cel in Den Haag de veiligste plaat op aarde, de enige plek waar ze geen gevaar voor executie lopen.
Maar het gaat niet zozeer om de bestraffing van deze twee misdadigers. De inzet is de vestiging van een wereldwijde strafrechtsorde. De Veiligheidsraad heeft met de instelling van de twee Tribunalen een eerste stap gezet. Nu doet zich een kans voor om de rechtsgang uit een impasse te helpen met een poging om de aangeklaagden op te pakken. De wervingscampagne voor zo'n beloning is natuurlijk meer dan een inzameling. Het is vooral een manier om de betrokken regeringen onder morele druk te zetten en om te laten zien dat de vervolging van oorlogsmisdadigers op brede steun kan rekenen.
Die beloning is maar een eerste initiatief dat zijn voortzetting moet krijgen in een Vereniging van Vrienden van de Tribunalen in Arusha en Den Haag. Of beter nog, een Justice international, dat zich inzet voorde berechting van oorlogsmisdaden waar ook ter wereld. Die beweging zou de werkwijze van Simon Wiesenthal moeten combineren met die van Amnesty International en die van Greenpeace: steeds maar blijven speuren, overal en altijd pressie uitoefenen en met opvallende acties de publieke opinie mobiliseren. Jesaja zei: 'en het werk der gerechtigheid zal vrede zijn.'
Abram de Swaan, NRC 28 september 1996
Abram de Swaan, NRC 5 oktober 1996
Wat gebeurt er wanneer iemand tot armoede vervalt? Dat kan in dit land de twee miljoen mensen overkomen die moeten leven van een minimaal inkomen. Er hoeft maar iets mis te gaan of ze komen tekort.
Wat er dan gebeurt? Die anderhalve gulden voor een gesneden wit heeft iedereen wel. Armoede manifesteert zich in dit land vooral als langdurig en landerig gezeur aan balies en loketten. Maar er komt een moment dat de ambtenaren en de hulpverleners zijn uitgepraat. En dan?
Dan wordt er afgesloten. Na de eerste rekening komt een herinnering en nog een tweede herinnering, dan komt een ingebrekestelling, en nog een, en daarna een laatste en een allerlaatste waarschuwing, daarop volgt soms een schikkingsvoorstel, waarna zich eerst per post en later aan de deur het incassobureau meldt met omhaal van dreigementen, en daarna pas, wanneer een kwartaal of half jaar verstreken is verschijnt de man van het water of van de elektra met een hele grote tang en sluit de leiding af.
Nu worden arme mensen door die afsluiting ernstig geschaad, maar dat wil nog niet zeggen dat iemand anders er mee gebaat is. Integendeel. Als de buren zonder water komen te zitten, gloort voor de hele straat de tyfus en de cholera. Vandaar dat wanbetalers ook zelden of nooit van het riool worden afgesloten. Daar zijn 'externe effecten' te ingrijpend voor.
De mensen zijn ondergronds door leidingen en kabels verbonden en hebben daarom bovengronds belang bij elkaar. Als van een arme, zieke, oude vrouw de telefoon wordt afgesneden verliest ze elke verbinding die verder dan haar stem reikt. Geen geringe sanctie voor een onbetaalde rekening.
De maatschappelijke kosten van de ingreep zijn een veelvoud van het achterstallige bedrag. De wijkzuster kan niet meer even bellen, maar moet voor elk wissewasje langskomen. De kinderen die anders dagelijks van zich lieten horen zijn onbereikbaar geworden. En in dit geval lijdt zelfs de leverancier verlies door zijn eigen strafmaatregel. Want al die belangstellende telefoontjes die per tik werden afgerekend moet PTT Telecom nu missen.
Communicatienetwerken hebben een kenmerkende eigenschap: elke abonnee heeft er belang bij om met zoveel mogelijk abonnees verbonden te zijn. Hoe meer aansluitingen, hoe meer elke aansluiting aan waarde wint. Communicatienetwerken (en transportnetwerken trouwens ook) zijn 'hypergemeenschappelijk'.
Ook al wilt u helemaal niet praten met arme, oude, zieke mensen, hun familieleden willen dat wel en die zijn nu weer de gretige gespreksgenoten van een abonnee met wie u dolgraag belt. Zo raast door koperkabels en glasvezels het onderling belang .
Afsluiting van abonnees schaadt dus de andere gebruikers, het telefoonbedrijf incluis. Maar anderzijds is ook wanbetaling een schadepost, voor het bedrijf en dus op den duur voor de abonnees.
Het telefoonbedrijf heeft geen belang bij afsluiting, maar het heeft er alle belang bij dat de abonnees geloven dat ze zullen worden afgesloten als ze niet betalen. En van zijn kant zal de calculerende telefoongebruiker zijn rekeningen niet betalen als hij denkt dat hij toch niet wordt afgesneden. Maar hij betaalt liever dan dat hij afgesloten wordt.
Deze situatie staat bekend als het dilemma van de angsthaas ('chicken') in de speltheorie. Want een dilemma is het, en theoretisch is de uitkomst onbepaald. Praktisch trouwens ook. De voorlichters die mij het beleid van hun bedrijf beschreven wilden mij eigenlijk het liefst vertellen dat een gebruiker nooit wordt afgesloten wegens wanbetaling, behalve in geval van wanbetaling.
De nutsbedrijven proberen aan hun dilemma te ontkomen door een hardheidclausule te hanteren voor 'schrijnende gevallen'. Bij een zieligheidsgraad van 2 à 2.5 Pitié wordt het uitstaand bedrag kwijtgescholden. Dat vergt dan steeds vaker en steeds indringender een onderzoek door de Sociale Dienst of door de Bedrijfsadviseur voor Medemenselijkheid.
Voor de telefoondienst bestaat een veel betere uitweg uit het dilemma. Nu al wordt de lijn bij afsluiting niet echt doorgeknipt. Over een afgesloten lijn kan nog altijd 06 11, het alarmnummer, gebeld worden, en, heel plagerig, 06 0404, 'voor vragen en klachten over de telefoonnota'. Dat kan morgen al beter, door ook toegang te geven tot 06 0410 en 06 0101: op die nummers kan voor een paar gulden extra een gesprek met omgekeerde kosten worden aangevraagd. In één keer is daarmee voor de afgesneden medemens iedereen bereikbaar die voor hem of haar de luttele gesprekskosten over heeft. En PTT Telecom verdient met elk verbinding het tarief voor een 'collect' gesprek.
Maar het kan nog veel beter. Lever iedereen die eens voor een aansluiting heeft betaald desgewenst en geheel gratis het 'passief pakket': daarmee kan iemand wel gebeld worden, maar kan zelf niet naar buiten bellen, behalve op de vier 06-nummers. Zo blijft iedereen bereikbaar en dat is ook in het belang van alle anderen, PTT Telecom incluis.
Alleen mensen die tamelijk gesjochten zijn zullen om een paar tientjes in de maand te sparen de mogelijkheid willen opgeven om zelf naar buiten te bellen. Sommige mensen zullen een passief pakket willen hebben, enkel en alleen om voortaan gratis bereikbaar te zijn, bijvoorbeeld studenten die buitenshuis gaan wonen. Daar is niets tegen. Wie hen belt betaalt gesprekskosten.
Maar hoofdzaak is dat niemand van zijn verbinding wordt beroofd. Dat kan met het passief pakket: sociaal beleid uit particulier belang.Abram de Swaan, NRC 5 oktober 1996
Abram de Swaan, NRC 12 oktober 1996
Het vliegveld Charles de Gaulle bij Parijs is gebouwd als een reusachtige sorteermachine. Het ronde hoofdgebouw is omgeven door 'satellieten', en daaromheen staan de wachtende vliegtuigen geparkeerd. De binnenruimte is met glas overkoepeld: een kathedraal, kriskras doorsneden met manshoge, ook al doorzichtige buizen waarin de reizigers op roltrappen en transportbanden ieder naar de vertrekhal van hun bestemming zweven, als kerkgangers op Hemelvaart. Tussen passagiers met geldig plaatsbewijs wordt geen ander onderscheid gemaakt dan naar herkomst en reisdoel.
Behalve bij de toiletten. Daar geldt nog de strikte sanitaire scheiding tussen man en vrouw, die in de vliegtuigen zelf al opgeheven is.
In de wachtruimte voor Amsterdam en Frankfort stond bij de Dames een lange, wat geagiteerde rij. Opeens maakte een vrouw zich los uit de gelederen en stapte gedecideerd de mannen-WC binnen, waar nog heel wat deurtjes op Vrij stonden.
Een inbreuk op de orde der geslachten. Wat nu? De urinerende en handenwassende mannen besloten woordeloos en unaniem dat ze haar niet gezien hadden: een gentlemen's agreement. Maar de oppasser der herentoiletten begreep dat hier een hoger en algemener belang in het geding was waarover hij diende te waken. Hij belde de ordedienst en prompt verscheen een veiligheidsbeambte. Hem werd rapport uitgebracht over het incident. Het gesignaleerd subject bevond zich nog steeds in afzondering, met het haakje erop, en het was meteen duidelijk dat de Veiligheidsinstructie niet in deze situatie voorzag. Moest hij op de deur gaan bonzen, zich met de noodsleutel toegang verschaffen, haar half beplast, huilend en spartelend, opbrengen in houdgreep met halve verwurging?
Als zij nu ten minste nog een AK46 in de aanslag hield, haar lendenen had omgord met explosieven, en de pin al uit een granaat had getrokken, dan had de bewaker geen ogenblik geaarzeld. Maar een plassende vrouw arresteren, daar is meer moed voor nodig. De bewaker droop af om nadere instructies te gaan halen. De oppasser mokte. De vrouw kwam na gedane zaken weer te voorschijn uit haar hokje en stapte, toch nog besmuikt, naar buiten.
Mijn sympathie had ze, en die van velen met mij. Ze had een kleine heldinnendaad verricht. Had ze zich opgeworpen als demonstrante, half verhuld door ludieke spandoeken, dicht omringd door bondgenotes met pamfletten, dan was daar minder lef voor nodig. Gedeelde durf is halve durf. Maar zij was alleen en zonder rekwisieten. Gewoon een zakenvrouw, die haast had en nodig moest, en niet van plan was het nog langer op te houden enkel vanwege het decorum.
De overweldigende schaamte die zij overwinnen moest, die ken ik, want ik ben wel eens per vergissing het damestoilet binnen gestapt en merkte het pas toen ik daar werd betrapt door een gebruikster. Daar stond ik, ingegoten in een glazen blok van schaamte.
Wat deed ik daar? Misschien werd ik wel aangezien voor een gluurder, een exhibitionist, een snufter, wie weet een verkrachter. Precies het slag viezerik dat meteen een doorzichtig excuus klaar heeft. In zo'n geval is elke verontschuldiging een zelfbeschuldiging en kan men zich alleen nog volkomen overmand door schaamte en verwarring vertonen. En dat gaat vanzelf.
Maar vrouwen zetten zich daar nu blijkbaar overheen. De gebeurtenis die ik had meegemaakt was geen uitzonderlijk voorval, maar integendeel een symptoom van een veel bredere maatschappelijke omwenteling. Dat weet ik nu uit de krant.
De Herald Tribune meldt dat in New York de bezoeksters van het theater in opstand zijn gekomen omdat ze in de pauze in lange rijen moeten wachten en vaak niet bijtijds verlichting kunnen vinden, terwijl bij de mannen, die hun besogne blijkbaar sneller afhandelen, nog volop vrije plaatsen zijn. De vrouwen namen de mannenhokjes in gebruik en verwekten groot schandaal.
Maar waarom kan dat wie dan ook maar een snars schelen?
Het gaat hier om niets minder dan een moment in de voortgaande onttovering van de wereld. Alles wat met ontlasting te maken heeft is met schaamte belast. Niet dat mensen er onder elkaar niet over praten, maar ze vervallen dan al gauw in een schurkende lacherigheid. Als de gêne niet kan worden weggegiecheld, bedient men zich van sluikwoorden als 'stoelgang', of 'ontlasting'. En in dit geval botsen bovendien nog de geslachten.
De fantasie, de onreine kinderfantasie wil zich daar van alles en nog wat bij voorstellen, wil achter deuren en onder rokken kijken, scheve blikken werpen in het belendend urinaal. De verdorven kinderziel wil dat er getoond, vertoond, gepraald wordt met alles wat moet worden weggestopt in broekjes en hansopjes, of dat wordt weggegooid en doorgetrokken. De reine grotemensengeest wil daar niet van weten en is het toch niet geheel en al vergeten. Wat zich dan in de geesten voltrekt is een soort griezelen, en dan niet over iets engs, maar over iets vies. Een soort viezelen dus.
Zo laat zich dat duiden in psychoanalytisch perspectief. En zoals Adorno heeft gezegd, 'de psychoanalyse is alleen waar in haar overdrijving'. Dat is overdreven en dus waar.
Maar het gaat nog verder terug, tot de naakte strijd om het bestaan. Wie bij het hurken gezien werd of geroken, was weerloos voor zijn tegenstander, roofdier of roofmens. En ook nu nog is het geurgeheim een verborgen machtsmiddel.
De uitkomst van de komende, kleine wc-oorlog is eigenlijk al voorspelbaar. Vrouwen willen een eigen domein, waar ze ongehoord en onbespied door mannen kunnen roddelen en broddelen. Maar vrouwen eisen ook onmiddellijke verlichting. Straks mogen mannen dus nog steeds niets op vrouwen-wc's, maar vrouwen wel op mannen-wc's. En weer moeten mannen iets leren inhouden. Ik heb daar vrede mee.Abram de Swaan, NRC 12 oktober 1996
Abram de Swaan, NRC 19 oktober 1996
Het weer is omgeslagen. Dat zal niemand ontgaan zijn, maar echt meegemaakt hebben de meeste mensen het niet; de meeste stadsmensen niet, tenminste. Het is misschien ook rustiger zo, zonder al die voornemens van forse bos-, strand- en heidewandelingen waar het toch niet van komt.
Een week of twee heeft het nog nagezomerd, een toegift, of meer een compensatie achteraf, nadat bij de verrekening van zonuren een ernstige achterstalligheid gebleken was.
In de Verenigde Staten heet zo'n periode van mooi weer in de late herfst een Indian summer. In de woorden van de Random House dictionaire 'a period of mild, dry weather usually accompanied by a hazy atmosphere.' Dat komt goed overeen met de weersomstandigheden van de afgelopen weken hier. Maar het gaat vooral om 'mild' en 'hazy', zacht en heiig dus, en ook wel nevelig, wazig, dampig, mistig. En toch droog en zonnig.
Als je uit het niets zou ontwaken, zonder besef van tijd en plaats, zou je toch meteen weten dat het nazomerde in herfsttijd. Dat zou je merken aan de lage zonnestand, en nog aan iets anders: al was het overdag behaaglijk, er was een vermoeden van kilte. Dat komt volgens mij omdat de gesteenten van de stad, het plaveisel en het baksteen, al verkild zijn en tegen de zon in nog hun kou afgeven.
Wat die nazomer kenmerkt is het scheve, laag invallende licht. Dat wordt door de breedtegraad bepaald, en zou dus overal rond vijftig graden Noorderbreedte hetzelfde moeten zijn. Daar komt nog iets bij: de nabijheid van de zee. Die maakt het vochtiger, maar geeft ook een lichtweerkaatsing over de hele laagvlakte. Het licht moet dus weer anders zijn in de buurt van een hooggebergte. Dit zou allemaal nauwkeurig moeten worden uitgezocht en in subtiele tinten kunnen worden weergegeven in een Lichtatlas van de Gehele Aarde. In iso-fotische gebieden, waar dezelfde lichtlijnen lopen, voelen de Nederlanders zich vanzelf thuis, en als ooit de wens tot emigreren of de noodzaak tot vluchten zich voordoet, kunnen ze nog het beste naar zulke streken vertrekken.
De Nederlandse weersgesteldheden moeten zich al vele duizenden jaren telkens op dezelfde wijze herhaald hebben. En dus is daaraan nu nog na te voelen hoe mensen zich indertijd hebben gevoeld. Het is ook aan de Amsterdamse binnenstad af te zien op wat voor weer en wat voor licht die herenhuizen eens gebouwd zijn. Niet voor de hoge zomertijd en ook niet echt voor barre winters. Amsterdam is gebouwd op het helle, lage licht dat 's zomers invalt na een lange, hete dag of dat in nazomertijd bijna de hele dag blijft duren en dat na de winter opeens verschijnt met lange schaduwen op straat, en dan heel kort pal op de gevels staat.
Aan weersbeschrijvingen wordt tegenwoordig niet veel tijd meer verspild. Uit de literatuur zijn ze vrijwel geheel verdwenen, en ook de aanblik van het landschap of het uiterlijk van de personages krijgt daar niet meer de aandacht die er in de negentiende-eeuwse romans aan werd besteed. Het is nu allemaal veel beter en veel sneller weer te geven met foto, film en video. Zoals het realisme uit de beeldende kunst verdwenen is, zo komt ook de verwoording van wat te verbeelden is niet meer voor in de literatuur.
In plaats van weersbeschrijvingen krijgt het publiek een weersvoorspelling, en dan verbeeld, niet zoals de mens het hier beneden ziet, maar zoals het er van boven uitziet voor een denkbeeldige ruimtevaarder die trager dan de tijd reist, want de weergave is in versnelde computersimulatie.
Eerst werd daar nog een weerkundige voor aangetrokken, die wat schoolmeesterachtig stond te schutteren met een aanwijsstok, maar tenminste ongekunsteld vertelde wat voor depressies en koudefronten uit de Sahara of Siberië in aantocht waren. Die presentatie is inmiddels opgeklopt en op de zenders, kabels en kanalen is nu het woord aan malle weermannetjes, liefst met een innemend spraakgebrek, vertederende haaruitval en een hartverscheurend kakatoekleurig kostuum. In Amerika worden daar al dikkertjes en dwergen voor uitgekozen, dat maakt het weerbericht nog leuker. Maar ook hier klinkt steeds vaker de toon van terminale hypomanie, waarop een kleuterleidster na drie weken verregend kinderkamp de kleintjes oproept om toch nog maar weer een keer te gaan zaklopen.
Televisie is voor arme mensen, dat begrijp ik ook wel. Kosten en moeite worden gespaard bij die programma's. Het moet allemaal in een vloek en een zucht. Meteen buiten het beeldkader zit de boekhouder te letten op de kleintjes.
Maar een mooi weerbericht, hoe zou dat eruit zien? Elke dag wordt een schrijver, een schilder of een danser gevraagd die de gesteldheid van de dag weet weer te geven. In het Nederlands klimaat zouden Maarten 't Hart en Koos van Zomeren vaste verschijningen zijn en een groot aandeel is ook weggelegd voor Van het Reve (die een smoorhete zomerdag eens beschreef als 'een pikstaanderig weertje').
Het Nederlands talent leent zich in het algemeen bij uitstek voor kwakkelweer, motregen, wisselende bewolking en een verhoogde kans op neerslag. Er is een schaarste aan mooiweerspelers in kunst en letteren, aan warme, zonnige, onbewolkte kunstenaars, en daar is dan nu meteen een verklaring voor.
Voor deze tijd van het jaar zijn schilders en fotografen het meest geschikt want alles moet komen van heel kleine variaties in de grijzen en grauwen van de lucht. Wintertijd is typisch iets voor beeldhouwers.
Zo in april verschijnt tot ieders opluchting Harry Mulisch, de lucht klaart op, er waait een vroege lentebries. Het wordt de tijd van het jaar voor Willem Breuker, Jan Wolkers, en als hevig onweer voorspeld is, Peter Schat.
Zolang het zover nog niet is, blijft er een alternatief: naar buiten kijken.Abram de Swaan, NRC 19 oktober 1996
Abram de Swaan, NRC 26 oktober 1996
Op een mooie zomermiddag in New York zat ik op het bordes van de homokerk aan de Zevende avenue bij de Elfde straat te praten met Deborah die daar overdag op de stoep kantoor hield achter haar klaptafeltje. Als het haar goed ging had ze tweedehands boeken en gedragen kleren te koop, want het oogt toch aardiger als je de mensen iets te bieden hebt. In slechte tijden zat ze op de stenen trede met een deken om zich heen en stond haar bedelnap, een koffiebekertje, tussen haar voeten op de stoep. Omdat ik indertijd om de hoek woonde en niet veel aanspraak had ging ik af en toe eens bij haar langs.
Deborah was goed gezelschap, altijd opgeruimd van zin en met een in scepsis en ironie gegroeid gezicht: krullende lippen, een lange, wat gebogen neus en zware oogleden die ze met honend ongeloof kon luiken. Ze was altijd aan het hopen op een huis, of toch nog op een baan en dat liep altijd weer mis. Maar dat heb ik jaren geleden al eens verteld.
Op den duur ging ook ik begrijpen dat er toch meer met haar aan de hand was dan alleen aan pech te wijten kon zijn of aan de ongenaakbaarheid van de Amerikaanse samenleving. Ze stak goed in de kleren en was net gekamd, maar ze verwaarloosde haar gebit op een aangrijpende manier. Op haar kin misstond een plukje haar. Ik schreef dat toe aan de nawerking van de pillen tegen angst en razernij.
Haar pogingen tot zelfredzaamheid hadden telkens een verraderlijke afloop. In haar flat werd al ingebroken nog voor ze erin getrokken was. Ze werd als verkoopster in de museumwinkel, of als laborante in het ziekenhuis ontslagen voordat ze haar loon kon beuren. Bij zoveel tegenslag resteerde op den duur nog maar een verdachte: dat was zij zelf.
Ze had twee kinderen, in tehuizen bij de broeders, en toen ik haar voor het laatst zag was ze zwanger van een man die alweer een andere slaapplaats had gezocht. Toen wist ik het ook niet meer en eigenlijk keurde ik haar gedrag af. Men eigent zich tegenover de armen al gauw morele rechten toe.
Maar op die mooie zaterdag waren we beiden nog zonnig gestemd. Het was de dag van de grote homo-parade die elk jaar over de Vijfde Avenue trekt. De homoseksuelen in Amerika zijn zich steeds meer gaan gedragen als een etnische groep, net als de Ieren, de Grieken of de Koreanen, allemaal met een eigen geaardheid waar ze aan hechten en die ze op de afgesproken feestdag openlijk willen uitdragen met vlagvertoon en dansjes. Zo'n volksgroep toont zich dan op zijn mallotigst maar gaat daar voor één dag juist prat op. Op de praalwagens dragen de Griekse en de Schotse mannen graag rokjes, de homo's liever lange jurken. De voorkeur voor leer en uitzinnige uniformen is op die toogdagen bij Amerikaanse minderheden algemeen en de agenten die voor het escorte zorgen zijn er ook gek mee. De Ieren zijn in hun optocht het dronkenst, de homo's het blootst. De homo's zijn ook niet de enigen die gehaat en geminacht worden door de andere minderheden, die met elkaar altijd weer de meerderheid vormen. Maar ze wekken van allemaal toch de meeste weerstand.
Er is nog steeds durf voor nodig om in zo'n optocht mee te lopen, maar de meeste moed hebben de gewoonste mensen nodig die de volgende dag weer terug moeten naar hun kantoor, werkplaats of winkel en die zich niet kunnen verschansen in het onderons van de homo-scene.
Als volksgroep zijn de homo's maar in één opzicht echt uniek: ze zijn telkens weer de eerste generatie.
De stoet was al ontbonden en er kwamen heel wat meelopers op weg naar de Village, de homowijk van Manhattan, langs het tafeltje van Deborah, opgewonden van hun betoonde moed en vol hoon over de ergernis en schaamte die ze bij de ommestanders hadden gewekt.
Een jonge homo, rank en licht van tred, licht gekleurd als een koningskind van overzee, bleef staan. 'Dag zuster, hoe gaat het met je?' zei hij tegen Deborah, ook donker, net als vier miljard van zijn medemensen. Het was een dag waarop hij de verwantschap in het groot wilde beleven. 'Voor mij ben jij een zielszuster. En ik voel mij helemaal niets beter dan jij, weet je dat wel? Hij stopte niet één maar twee quarters in Deborah's piepschuimen bekertje. 'Dank je en wees gezegend' zei Deborah, beroepshalve.
'Wil je roken?' Hij bood haar twee filtersigaretten aan.
'Onthoud goed wie ik ben. Ik heb je wel vaker iets gegeven.
Weet je dat niet meer? Nee? Nou, ik verander mijn kapsel nogal eens, dat zal het zijn. Maar jij moet wel onthouden wie je goed doet. Je mag de hand niet bijten die je voedt.'
Opzij van het tafeltje stond een mevrouw uit de buurt al een tijdje te wachten met een grote, kartonnen doos vol kleren. 'Heb je daar iets aan?' Deborah keurde het aanbod. 'Ja, die kan ik goed gebruiken'. Het was een heel sympathieke dame en dat vond ze zelf ook: 'Allemaal pas gewassen en gestreken.' Deborah liet haar oogleden erkentelijk zakken en tuitte haar brede mond in dankbaarheid.
Op dat moment greep haar nieuwe zielsbroeder in. 'Sta ik met je te praten, laat je me vallen en begin je een gesprek met iemand anders .' Opeens vervuld van kippendrift greep hij met zijn smalle hand in het koffiebekertje om zijn geld terug te pakken. Hij moest even wringen en graaien, maar toen had hij de munten tussen zijn vingertoppen, stak ze met een pianistiek gebaar terug in zijn zak en beende op hoge poten nijdig weg.
Eens gegeven blijft gegeven. Deborah kwam niet meer bij van het lachen. Beroofd was ze, haar beker weggegrist door zuiplappen, haar spullen afgepakt door zwervers, zijzelf aangerand door nachtelijke passanten, maar nooit eerder was een gift haar weer afgenomen wegens gebrek aan betoonde aandacht. Had ik maar een foto van hem kunnen nemen met zijn vingers in die beker en met zijn beeldschone gezicht scheef van kwaadheid.
Abram de Swaan, NRC 26 oktober 1996
Abram de Swaan, NRC 2 november 1996
In het ondoordringbare Oosten van Zaïre is een burgeroorlog uitgebroken. Wat daar precies gebeurt is onduidelijk want in het tijdperk van onbeperkte communicatie is het ongeregeld krijgsbedrijf nog steeds ontoegankelijk voor de verslaggeving. Journalisten posteren zich met verrekijkers op het dak van het enige hoge gebouw in de wijde omtrek en vertellen elkaar wat zij in die wijde omtrek zien. De berichtgeving is dan ook opvallend eensluidend.
Blijkbaar zijn in dat grensgebied nabij Rwanda een aantal groeperingen in opstand gekomen, nadat ze door de plaatselijke Zaïrese autoriteiten met uitdrijving bedreigd werden. Ze worden in de nieuwsberichten 'Tutsi's' genoemd en ze noemen zichzelf 'Banyamulenge'. Dat betekent 'mensen uit Mulenge' in het Kinyarwnda, naar 'Mulenge', de streek waar ze nu verblijven. Ze wonen daar 'sinds tweehonderd jaar', schrijven de kranten. Geschreven documenten, laat staan bevolkingsregisters en kadasters waren er in die tijd niet. Dus hoe 'Tutsi' die Banyamulenge werkelijk zijn is onbekend.
In de antropologische literatuur over Rwanda woedt een generatieconflict, en terecht. De tweedeling 'Hutu/Tutsi' gaat terug op een onderscheid dat antropologen bij het begin van de kolonisatie aan de Europese rassentheorie ontleenden. De onderzoekers spraken bij voorkeur met de plaatselijke heersers die uiteraard gretig de suggestie bevestigden dat ze afstamden van een herenvolk dat door geboorte gerechtigd was om over een slavenvolk te regeren. De rassentheorie werd vervolgens door de koloniale autoriteiten in de jaren twintig waar gemáákt door de invoering van persoonsbewijzen waarop voor iedereen zijn afstamming vermeld werd. Die administratieve indeling ging daarna over van vaders op kinderen.
De Rwandezen spreken dezelfde taal en hebben deel aan dezelfde cultuur. Huwelijken tussen mensen met verschillende registratie kwamen veel voor. Wat door toedoen van de antropologische rassenkundigen en daarna door de koloniale administrateurs bestendigd en verhard is, was niet een erfelijk of zelfs een etnisch onderscheid, maar meer een vage en vloeiende overgang tussen een heersende groepering die vooral van de veeteelt leefde en een horige boerenstand die tot herendienst verplicht was: een arbeidswang die door het Belgische bestuur nog eens zo zwaar werd opgelegd. De onderworpenen der aarde hebben zich na de bevrijding van de Belgen meermalen bloedig op de inheemse heersende klasse gewroken, onder de verzamelnaam 'Hutu's' in een 'rassenstrijd' tegen de 'Tutsi's'. De rassenleer kwam de extremisten in het postkoloniale regime in Rwanda goed van pas bij de haatcampagne die uitliep op de uitroeiing van de 'volksvijandige Tutsi's'.
Nog tijdens de genocide werd Rwanda veroverd door een leger dat was gerekruteerd uit verjaagde 'Tutsi's', met Uganda in het Noorden als uitvalsbasis. Het 'Hutu-regiem' vluchtte naar het Zuiden en dreef de boerenbevolking voor zich uit, voor zover die niet al op de vlucht geslagen was uit angst voor wraak vanwege de moordpartijen. Op dat punt greep Frankrijk in en zond commando's om de verjaagde 'Hutu-militanten' een wijkplaats te verschaffen. Het Frankrijk van Mitterrand deed in Rwanda in allerhande kwade zaken. De Fransen kwamen te laat en meer dan een miljoen 'Hutu' vluchtelingen stroomden de grens over naar Oost-Zaïre. Vandaar hadden ze snel terug kunnen keren naar Rwanda. Het nieuwe regiem garandeerde hun veiligheid en onder westerse druk zou het die belofte ook wel nagekomen zijn.
Maar westerse organisaties die tijdens de genocide niet hadden ingegrepen, begonnen nu met grootscheeps hulpvertoon kampen voor de vluchtelingen in te richten. Binnen de kortste keren maakten de 'Hutu' milities daar de dienst uit, eigenden zich de hulpgoederen toe en terroriseerden de kampbevolking die niet naar Rwanda terug mocht. De Banyamulenge zijn nu als 'Tutsi's' in opstand gekomen tegen hun dreigende uitzetting. Ze hebben de vluchtelingenkampen beschoten en strategische posities ingenomen, waarschijnlijk met hulp van het nieuwe regiem in Rwanda. Dat heeft twee ingrijpende gevolgen. Het bewind in Zaïre, voor zover dat nog bestaat, is niet bij machte die aanval af te slaan en de chaos in dat land blijkt nu volkomen. Maar bovendien stromen nu eindelijk de kampen leeg. De 'Hutu-milities' kunnen de vluchtelingen niet langer dwingen en de buitenlandse hulpverleners kunnen hen niet langer lokken om te blijven. Met de moed der wanhoop kiezen de verdreven Rwandezen nu voor terugkeer.
Weer heeft een onzalig verbond tussen buitenlandse hulpverleners en inheemse terreurbendes miljoenen burgers jarenlang in gijzeling gehouden, net als indertijd in het grensgebied tussen Thailand en Cambodja en net als later in Bosnië. Nu kan daar een eind aan komen als de hulpverlening wordt ingezet in Rwanda zelf en de vluchtelingen dáár worden opgevangen. De Rwandese regering en het Arusha Tribunaal hebben bijstand nodig bij de opsporing en de berechting van de schuldigen aan de volkerenmoord van 1994. Dat zijn dezelfde milities die destijds hun 'eigen' boeren tot medeplichtigheid hebben gedwongen, die hen op de vlucht voor zich uit hebben gedreven en jarenlang de kampen terroriseerden.
In Oost-Zaïre hebben buitenlandse hulpverleners en militairen niets meer te zoeken. De chaos daar is een bijverschijnsel van de algehele ineenstorting van Zaïre. Maar in Rwanda zelf kunnen de buitenlandse hulpverleners zich nog wel nuttig maken, door te doen wat al twee jaar geleden had moeten gebeuren: helpen bij de huisvesting van de vluchtelingen, de beslechting van geschillen over grondbezit, de opbouw van een behoorlijk burgerlijk bestuur, de inrichting van de rechtspraak en de vorming van een representatieve regering.
Al die tijd hebben westerse hulpverleners misschien niet willens, maar wel wetens, bijgedragen aan het voortduren van de ellende. Wie daaraan heeft meebetaald, heeft dus indertijd op het verkeerde nummer gestort.
Abram de Swaan, NRC 2 november 1996
Abram de Swaan, NRC 9 november 1996
Het wereldwijde monsterverbond dat tot nog toe de Afrikaanse staatsindeling in stand heeft weten te houden dreigt in te storten. Wat Afrikaanse staatshoofden elkaar ook hebben aangedaan, vrijwel steeds hebben ze elkanders landsgrenzen gerespecteerd. Dat was de voornaamste, misschien wel de enige regel in de machtsstrijd op dat continent, het enige artikel uit het charter van de Organisatie van Afrikaanse Staten van 1963 dat metterdaad is nageleefd. En wat de grote mogendheden in die dertig jaar ook hebben uitgespookt in Afrika, uiteindelijk hebben ze die verkaveling van het continent toch niet willen herzien. Dat is te begrijpen, want er dient zich geen enkele andere indeling aan als alternatief voor de status quo die teruggaat op de verdeling van invloedssferen tussen de Europese mogendheden op het congres van Berlijn in 1884. Tot nog toe gold dat zelfs de ergste misorde beter is dan de volstrekte wanorde.
Dat die staatsinrichting nu wordt ondermijnd ligt aan de samenloop van twee omstandigheden. Zaïre verkeert in verregaande staat van ontbinding en heeft alle greep op de grensprovincies in het Oosten verloren. Aan de andere kant van die grens heeft zich in Rwanda een ondernemend bewind gevestigd, dat vastbesloten lijkt in het belendend niemandsland een eigen orde te scheppen. Sterker nog, het zag zich gedwongen om in te grijpen, want van over de grens vielen Hutu-infiltranten uit de kampen met regelmaat doelen in Rwanda aan en ondertussen werden bevriende volksgroepen in Oost-Zaïre door de autoriteiten daar met uitzetting bedreigd. Die Banyamulenge grepen naar de wapens, en met wat hulp uit Rwanda veroverden ze in de kortste keren een groot deel van de Oostelijke provincies. Hun commandant wil nu doorstoten naar Kinshasa, de hoofdstad van Zaïre, tweeduizend oerwoudkilometers verderop.
In die wildernis van Oost-Zaïre zwerven nu honderdduizenden mensen in volkomen ontreddering. Ze zijn onvindbaar voor westerse verslaggevers en onbereikbaar voor hulpverleners. Het is onduidelijk waar ze heen trekken en eigenlijk ook voor wie ze op de vlucht zijn. Ze verwijderen zich steeds verder van de kampementen waar hulpverlening nog mogelijk zou zijn en verdwalen steeds dieper in regenwouden waar nauwelijks voedsel of onderkomen te vinden is. Hun grootste vijand, de regering van Rwanda, wil niet anders dan dat ze daarheen, naar hun land van herkomst, terugkeren; daar zijn alle andere regeringen het mee eens. Hun eigen beschermheren, de milities van de Hutu-partij, verhinderen hun terugkeer en drijven hen steeds dieper de bossen in. Die milities hebben uiteraard bij terugkeer iets te vrezen: bestraffing wegens volkerenmoord. Hun aanwezigheid in de kampen maakte de vluchtelingen daar ook tot doelwit van de Banyamulenge rebellen en hun Rwandese helpers.
In deze volstrekte verwarring en verbijstering moeten nu de westerse mogendheden interveniëren. Humanitaire bijstand is op dit moment nagenoeg onmogelijk, want de vluchtelingen zijn op de vlucht en rond de kampen smeulen nog de gevechten tussen de Hutu-milities, de Zaïrese soldaten, de opstandelingen en waarschijnlijk eenheden uit Rwanda. Maar de buitenlandse bemoeienis wordt ook ingegeven door politieke overwegingen: de vrees dat Rwanda het Oostelijk deel van Zaïre zal bezetten. Nog afgezien van alle chaos en misère zou daarmee het indelingsprincipe voor het Afrikaanse continent weerlegd zijn. Dat is een inbreuk op het grondbeginsel van de continentale machtsstrijd. En bovendien hebben Frankrijk, België en de VS zakelijke belangen in die regio. Al bestaat Zaïre nauwelijks nog als staatsverband, er ligt een heel dun, langgerekt en taai netwerk over het grondgebied van satellietverbindigen, schaarse luchtlijnen en weinige wegen, dat de mijnen en plantages verbindt met de hoofdstad en de haven. Dat netwerk stelt buitenlandse ondernemingen in staat hun boodschappen, goederen en mensen over te brengen, ongeacht wat er in de rest van het land gebeurt. Ook dat moet beschermd worden door buitenlandse interventie.
Frankrijk is opnieuw de drijvende kracht achter een humanitaire interventie door buitenlandse mogendheden. De vorige keer dat het in de regio een reddingspoging ondernam, was het om de op de vlucht geslagen Hutu-milities een vrijstaat in het Zuid-westen van Rwanda te verschaffen. Dat lukte niet en de kampen moesten over de grens, in Zaïre, worden ingericht. Ook toen slaagde de Franse regering er alleen in om zichzelf te overtuigen van haar zuiver humanitaire motieven. Dit keer wil Frankrijk niet alleen opereren en zoekt het de samenwerking met andere landen. De hulpverleners moeten uiteraard met militaire macht beschermd worden tegen lokale gewapende bendes. Maar als die buitenlandse troepen eenmaal ter plaatse zijn zullen ze ook dienen om westerse belangen te verdedigen en om een schending van de Afrikaanse indeling te voorkomen.
Daar is veel voor te zeggen, en ook veel tegen. Waar het om gaat is dat de buitenlandse hulpverlening, in elk geval in Afrika, sinds jaar en dag een onafscheidelijk onderdeel is van politieke machtsuitoefening en militair ingrijpen. Ook nu wordt een interventie voorbereid waarbij rampenhulp de dekmantel en het bijproduct is, en machtsbehoud de voornaamste reden. Dat is niet op zichzelf verwerpelijk. Maar het vergt een ander soort gesprek dan het zuchtend en betraand vertoog van medemenselijkheid en hulpbereidheid dat nu in publiek wordt afgestoken.
Daarbij rijzen andere vragen: zijn de vluchtelingen in Oost-Zaïre wel te helpen, of moeten ze daartoe eerst terugkeren naar Rwanda? Wat zijn de gevolgen van hulpverlening nu voor het vluchtelingenprobleem op lange termijn? Wat betekent de aanwezigheid van een buitenlandse troepenmacht in Oost-Zaïre voor de machtsverhoudingen in dat gebied, voor de bescherming van westerse belangen in Zaïre, Rwanda en Burundi, voor de ordehandhaving in de regio, voor de instandhouding van het Zaïrese staatsverband?
Ook dat zijn humanitaire overwegingen.
Abram de Swaan, NRC 9 november 1996
EEN PLEIDOOI VOOR PARTIJDIGHEID
Abram de Swaan, NRC 16 november 1996
De wereld brandt, dus geef mij geld. Dat is de kern van het humanitair program.
Is er in het Verre Oosten een overstroming, in het Midden Oosten een burgeroorlog of in het Nabije Oosten een aardbeving, barst een vulkaan uit in het Verre Westen of verstuiven de akkers in het Diepe Zuiden, hier in het naastbije Westen verschijnen in de huiskamers radeloze mensen op het scherm en wordt vervolgens een inzameling gehouden en een hulpactie opgezet.
Welke rampen de mensheid ook treffen, er komt altijd nog een gironummer. Zo hoort het ook. Mensen moeten elkaar helpen. Ze hebben waarschijnlijk een neiging meegekregen om hun naasten bij te staan (en vermoedelijk ook een neiging om hun tegen te staan). Wat niet van alle tijden is, maar tamelijk recent, is het medeleven met verre vreemden overzee - een paradoxale erfenis van het kolonialisme dat Europeanen hun soortgenoten overzee heeft leren kennen. In het koloniale tijdperk konden westerlingen zich nog met allerhande uitvluchten harden tegen mogelijk meegevoel: de Aziaat zou niet zo aan het leven hechten; de Afrikaan gaf niet om geld of goed, dat zat zo in hun aard. De Europeaan bewees hun eigenlijk een gunst door hen uit te buiten, op te sluiten en desnoods af te maken, ter wille van de beschaving in het algemeen en hun eigen bestwil in het bijzonder.
Het besef dat de mensen daar ongeveer net zulke mensen zijn als de mensen hier, en misschien onderling wel even verschillend, is in het Westen denk ik pas doorgedrongen toen ze daar in opstand kwamen tegen de westerse overheersing. In hun verzet werden zij voor het eerst herkenbaar, vandaar ook dat het zo'n woede wekte.
Voor de koloniale hoogmoed is een nieuw en voos soort nederigheid in de plaats gekomen: Je mag de buitenwesterse medemens niet tegenspreken, want die heeft toch al zo geleden en is bovendien diep geworteld in de natuur en innig verweven met het verleden, ook nog eens kunstzinnig hoogbegaafd en religieus hevig gedreven (wij kunnen daar in het Westen nog heel veel van leren).
Maar wat nooit verdwenen is, dat is de bemoeizucht, de drift om in te grijpen en om goed te doen, ook als niemand daar aantoonbaar beter van wordt, of het moest de ingrijper zelf zijn. Die ontspoorde naastenliefde manifesteert zich nu maar al te vaak als ontwikkelingswerk en rampenhulp. Het bezwaar tegen al die hulpverlening is niet dat ze niet nodig is, maar dat ze zo vaak niet helpt. Soms is die hulp zelfs schadelijk, een enkele keer gewoonweg moorddadig op het genocidale af. Die enkele keer is nu. Wat zich dezer dagen afspeelt in Oost-Zaïre is de schuld van de Hutu-extremisten. En het zijn de westerse hulpverleners die hun dat jaar in jaar uit mogelijk hebben gemaakt. Zij zijn daar tegen hun zin, maar met volledig medeweten medeplichtig aan geworden.
Het is ze ook nu nog niet genoeg geweest. De hulporganisaties staan te popelen om weer te mogen ingrijpen. En wat gaan ze doen? Ze zullen voedsel uitdelen en medicijnen, dekens en tentdoeken verstrekken. Wie nemen die goederen in ontvangst? Dat weten al die hulpverleners donders goed: de gewapende Hutu-milities van de Interahamwe. En die zullen zich met hun gekregen spullen verschansen achter een levend schild van burgervluchtelingen.
Een van de zeer weinige journalisten die zich buiten Goma hebben gewaagd in de Zaïrese wildernis, Sam Kiley, meldt in de London Times, hoe Hutu-extremisten 's nachts in de nabije dorpen op rooftocht gaan, de bewoners de keel afsnijden en de kleine kinderen mee terug nemen als gijzelaars. Dat zijn de tegenstanders die de VN-soldaten beleefd doch beslist buiten gevecht zullen moeten stellen.
Daar hebben die soldaten niet voor geleerd. De afloop is voorspelbaar. De Hutu-milities krijgen hun zin, er komen nieuwe kampen waar zij ruimhartig worden onderhouden door westerse hulporganisaties zolang zij die kunnen blijven chanteren met de burgervluchtelingen binnen hun schootsveld. Van tijd tot tijd gaan ze in omgeving op rooftocht of uit moorden in het aangrenzende Rwanda.
De buitenlandse soldaten zijn niet opgewassen tegen de Hutu-milities. Niet door gebrek aan slagkracht, maar door een teveel aan scrupules. De enigen die kunnen afrekenen met de
Interahamwe zijn de Zaïrese rebellen en hun Rwandese bondgenoten, die daar al mee bezig waren. Het is te hopen dat niet nog veel meer burgervluchtelingen omkomen door de ontberingen en de gevechten. Maar ik ben daar niet gerust op.
De drijvende krachten achter de internationale interventie zijn Spanje en Frankrijk, precies de twee landen die de Interahamwe steeds van wapens hebben voorzien. De hele operatie dient Frankrijk als dekmantel voor een bliksemactie tot behoud van de eigen invloedssfeer.
De westerse mogendheden kunnen alleen in Rwanda nog iets ten goede uitrichten door daar te helpen bij de opvang van terugkerende vluchtelingen.
Maar bovenal is het nodig om verder te kijken dan deze crisis. Het humanitair bedrijf bestaat bij de gratie van de crisismentaliteit: 'de mensen sterven nu, er moet nu geholpen worden. Óf het ook helpt, dat zie we later wel. Wie nu twijfels oppert verraadt de medemens in nood.'
Al te vaak is gebleken dat het niet hielp, dat niemand er beter van werd, behalve de hulpverleners met hun zwaarbewapende en doorgecorrumpeerde parasieten. De medemenselijkheid heeft zich tegen de medemens gekeerd. Het is pervers om te willen helpen zonder aanzien des persoons, zonder inzicht in de gevolgen, zonder uitzicht op verbetering.Niet alle mensen moeten altijd geholpen worden. Soms moeten mensen bestreden worden, als ze de oorzaak zijn van de ellende. Daar helpt geen lievemoederen aan. Dan is het nodig om partij te kiezen.
Abram de Swaan, NRC 16 november 1996
Abram de Swaan, NRC 23 november 1996
De plicht drijft mij dezer dagen heen en weer tussen Amsterdam en Parijs. Je zou als een elektron uitsluitend in de ene of in de andere kwantumtoestand willen verkeren, her of der, en nooit er tussenin. Maar zo gaat het niet op het bovenmoleculair niveau waar de mensen leven. Er moet gereisd worden. Op de strekke van en naar Parijs doet de keuze tussen auto, trein en vliegtuig zich het scherpst voor. Op langere afstanden wint het luchtverkeer, op kortere afstand de trein. De auto krijgt pas weer een kans op de binnenlandse trajecten. Ik heb het over werkverkeer, want wat mensen allemaal voor hun plezier ondernemen, daar wil ik niet bij stilstaan.
De lijn naar Parijs en Brussel wordt door een nieuw treintype bediend, een hogesnelheidstrein die 300 kilometer per uur kan en nog sneller. In Noord-Frankrijk gaat de trein inderdaad zo hard, maar benoorden Brussel boemelt hij maar wat voort en in Nederland rijdt hij gewoon, net zoals alle andere treinen. De tijdwinst bedraagt een half uurtje, een klein vooruitgangetje.
De verbetering zit in de details. Al gaat hij nog zo snel, de nieuwe trein maakt nauwelijks lawaai (zodat je meer hoort van naburige conversaties dan je weten wil) en zweeft haast zonder trilling voort: je kunt er met de hand schrijven en het later zelfs teruglezen. Er zijn gemakkelijke stoelen, handige tafeltjes en leeslichtjes die op de bladzij schijnen en niet er onderlangs (zoals je tegenwoordig ook in de duurste hotels vindt - blijkbaar lezen de opdrachtgevers en de ontwerpers niet in bed).
Maar dat die flitstrein zich zo moet inhouden tussen Amsterdam en Brussel, waar nog niet de goede sporen liggen, heeft iets kleinerends. De buitengewesten kunnen weer eens niet meekomen met het Franse tempo. Het is dus hoog tijd voor een mission civilisatrice uit Parijs. Dat steekt. Daarom komt er een heel nieuwe verbinding, met kilometerslange tunnels, tientallen viaducten en andere bouwkundige kunstwerken waarvan de Nederlanders denken dat de Fransen er van onder de indruk zullen zijn. De Fransen zullen nooit van de Nederlanders onder de indruk zijn.
Ik was voorstander van die nieuwe lijn. Om te beginnen houd ik van Grote Werken, van ondergrondse goederensporen, van vliegvelden in zee, van kunstmatige stuwmeren voor krachtopwekking, door duizend molens volgepompt, zelfs van hoge torens rond de stad en metrolijnen eronderdoor. Dat is de faraonische mentaliteit. Hoe meer er met aarde en steen gesleept en gestapeld wordt, hoe breder en hoger, des te onsterfelijker. Alle grote werken zijn in wezen tombes of catacomben.
De nieuwe trein naar Parijs is eigenlijk nu al te goed voor al die grootscheepse vernieuwingen. Hij doet er vierenhalf uur over en een reiziger is dus van deur tot deur, van de ene naar de andere binnenstad, nog geen zes uur onderweg. Het vliegtuig hangt op dezelfde afstand drie kwartier in de lucht, maar met af- en aangereis, controles en ander ongerief duurt het van huis tot huis toch nog een kleine vier uur. Voor die twee uur tijdwinst wordt duur betaald. En niet alleen in geld. Die uren worden vermorst met muizenis en ongemak. De krant lezen gaat nog net, maar voor echte lectuur is de reis te zeer verbrokkeld.
De trein biedt de reiziger ruim vier uur solide rust om ongestoord en ononderbroken te doen wat hem aanstaat. Dat is geen verloren maar gewonnen tijd.
Voor het nieuwe, razendsnelle spoor tussen Antwerpen en Amsterdam moet rond de tien miljard gulden geïnvesteerd worden. Stel dat het bedrag in dertig jaar moet worden afgeschreven, à driehonderd miljoen per jaar en dat er jaarlijks zeven procent rente bijkomt over gemiddeld vijf miljard, dat is dan nog eens driehonderdvijftig miljoen, in totaal zeshonderdvijftig miljoen per jaar. Dan kost die nieuwe treinverbinding een kleine twee miljoen per dag extra, twee ton voor iedere rit. Dat komt neer op vierhonderd gulden bijkomende kosten per passagier, enkele reis. Halveer dat bedrag desnoods door het uit te smeren over andere reizigers die van hetzelfde traject gebruik maken. Dan is het nog teveel, veel te veel.
Het gaat ook niet om de snelheid, maar om het gemak en de rust. Comfortabeler treinen die gegarandeerd op tijd vertrekken en arriveren, en die veel vaker gaan, hebben de reiziger meer te bieden dan verbindingen die sneller zijn, maar minder plezierig, betrouwbaar en frequent. Het tijdverlies ontstaat ook doordat vertrek- en aankomsttijden niet passen in de plannen van de reizigers, doordat ze gedwongen worden om op te staan voor dag en dauw, eerder aankomen dan nodig is, buitenshuis moeten overnachten en bang zijn om de trein te missen als de volgende pas vier uur later gaat.
De hogesnelheidslijn is spectaculair, maar niet slim genoeg. Het hele plan is gebaseerd op een verkeerd begrip van tijd. Er zijn tientallen kleine, intelligente verbeteringen te bedenken die het tijdverlies beperken, niet door de reistijd te verkorten, maar door de reiskwaliteit te verhogen. En ook de reistijd kan nog verder beperkt worden met kleine, verstandige ingrepen.
Het spoor, dat is de staat. Groots, star en onverbiddelijk. Maar als de farao's hun tekstschrijvers indertijd niet hadden laten gaan waren ze nu de onsterfelijke voorvaders van het Boek geweest. Niet de hardware van de treinen, staal en beton, moet veranderd worden, maar de software, de dienstregelingen, de inrichting en de bediening.
In de trein liet ik mijn tas staan. Mijn rechterhand herinnerde zich zijn koffer, maar op het perron wist opeens mijn linkerhand zich leeg. Terwijl de wagon al traag begon te schuiven sloeg de wilde paniek toe. Verloren voorwerpen bellen? Met de taxi erachteraan? Zonder een woord gaf de passagier die achter mij was uitgestapt me mijn tas. De bewaarengel van de treinen was met mij meegereisd. Ik mag niet klagen.
Abram de Swaan, NRC 23 november 1996
Abram de Swaan, NRC 30 november 1996
Het Franse weekblad Nouvel Observateur heeft Fransen en Duitsers gevraagd naar hun mening over de betrekkingen tussen de beide landen. Het gezamenlijk Frans-Duitse televisiestation Arte dat in Nederland jammer genoeg niet op de kabel wordt doorgegeven was medeopdrachtgever en besteedde er uitgebreid aandacht aan. Het deed dat zoals meestal bekwaam, intelligent, maar ook steeds pijnlijk beleefd.
Je moet bij Arte de goede wil met een spatel van het scherm schrapen. Dit keer liet de redactie zich al dadelijk van de cijfers afleiden door een alweer verflauwd schandaaltje: In de populairste Duitse reisgids was een onwaarachtige passage opgenomen over het Franse dorp Ouradour waar de SS in de Tweede Wereldoorlog de bevolking heeft uitgemoord. Was die verdoezeling niet schandelijk? Ja zeker, dat is heel schandalig beaamde de Duitse gasthoogleraar in Parijs en ook de redactrice van de reisgids vond het desgevraagd een grote schande. Dat is het ook, maar is het een halve eeuw later nog wel de kern van de Frans-Duitse betrekkingen? Natuurlijk niet, maar het plichtmatig schuldbetoon is wel een vast bestanddeel van het Europees familiedrama dat daar werd opgevoerd. Als de Fransen dat verlangen wordt door de Duitsers prompt en uitvoerig schuld beleden.
Wat is de functie van die vrijblijvende schuldbelijdenissen? Iets daarvan laat zich raden: Duitsland is opnieuw groot, rijk en machtig. Frankrijk gaat het ook bepaald niet slecht, maar het blijft in rijkdom en slagkracht toch de mindere van het verenigd Duitsland. Maar daar staat iets tegenover in de collectieve fantasie: Frankrijk is zuiver en zedig, Duitsland heeft heel erg gezondigd.
In Frankrijk, ik weet niet of dat in Duitsland ook zo is, wordt de toenadering tussen de twee landen bij voorkeur beschreven als een verloving, een huwelijk voor het jaar 2000. (De vergelijking gaat terug op een uitspraak uit 1969 van De Gaulle aan Malraux en is dus sacrosanct.)
Een huwelijk. Omdat in het geestesleven van de collectieve fantasten de gelijkgeslachtelijke verbintenis wordt uitgesloten moet er dus een vrouwelijke en een mannelijke deelgenoot zijn. Elke lezer kan foutloos gissen welk land in de ene rol geschoven wordt en welk land in de andere. Dat ook een Nederlands publiek daarin kan meevoelen bewijst dat er in elk geval één Europees fantasieleven bestaat.
In dezelfde fantasie van de exclusieve verbintenis past ook dat alle bijgedachten aan een 'fâcheux troisième' worden geweerd. En toch is die droomfiguur er ook: dat is Engeland, dat in deze eeuw al tweemaal Frankrijk heeft helpen bevrijden van Duitse overheersing. Op den duur kan iemand alles vergeven, maar niet dat een ander - en nog wel bij herhaling - hem het leven heeft gered.
In de Franse fantasiewereld, waarin de meeste commentaren en beschouwingen zich bewegen, spoken de 'Anglo-saxons'. Met die voorwereldlijke term worden Groot Brittannië en de Verenigde Staten aangeduid. (Als gedachtenoefening: welke inwoners worden daarmee in de VS en het Verenigd Koninkrijk allemaal uitgesloten?).
Wat in de enquête opmerkelijk ontbreekt zijn vragen naar de indrukken die de Fransen van de Duitsers hebben en omgekeerd. Dat is het soort vragen waarop indertijd in Nederland veel jongeren zo aanstootgevende antwoorden gaven dat er prompt een Instituut voor Duitslandkunde werd opgericht. Ik kan me zo voorstellen wat de reacties op zulke vragen in Frankrijk zouden zijn geweest en dat konden de opdrachtgevers voor deze enquête kennelijk ook, want ze hebben er blijkbaar wijselijk van afgezien, òf - dat houd ik niet voor onmogelijk - de resultaten maar liever achtergehouden.
Voor een huwelijk is liefde ook niet echt nodig. Voor een Europese Unie die aan de politieke fantasmagorie kan ontstijgen is zelfs de vriendschap tussen de volkeren een randversiersel. Nodig is dat de burgers van die Unie hun verschillen kunnen bijleggen in geregeld overleg. Daarin heeft Europa wel een traditie en wel een erfgoed: de representatieve democratie, de rechtsstaat,en bovendien de verzorgingsmaatschappij. Dat zijn de drie grote bijdragen van de Europese politieke cultuur aan de beschaving van de mensheid. De Europese Unie kent een eigen rechtsorde, een sociaal Europa verkeert nog in een eerste beginfase, en die Europese democratie, die komt er niet. Zie wat de echte baas van Europa daarover te vertellen heeft, Helmuth Kohl, ditmaal in het Frans, de taal van Frederik de Grote: 'Wij moeten het Europese Parlement meer betrekken bij het proces van de Europese eenwording en het aandeel van de nationale parlementen in de verantwoordelijkheden voor de opbouw van Europa verbeteren.' Wat is dit voor gebrabbel? 'Het is wezenlijk dat de Europese instellingen gebaseerd zijn op de instemming van de Europese burgers.' Dit is het staatkundig gestotter van de konkelaars. Een parlement laat zich door niemand nergens bij betrekken, een gekozen parlement beslist en binnen de grenzen van de grondwet die het zelf aanvaard heeft beslist het zelf waarover het wenst te beslissen. Een parlement is niet verantwoordelijk voor de opbouw van wat dan ook, het eist verantwoording van de regering die het heeft benoemd. De volksvertegenwoordigers zijn aan niemand anders verantwoording verschuldigd dan aan hun kiezers. Zo is dat geregeld na vijf eeuwen strijd van diezelfde volkeren van Europa.
De Europese Unie houdt er een namaakparlement op na in een schijndemocratie. Daarom ontbreekt het de Unie aan het gezag en de legitimiteit waar Kohl zo wellevend over weet te wauwelen. En hij weet heel goed waar hij het niet over heeft.
Daarom heeft de Unie niet kunnen optreden tegen het bloed en bodem geboefte dat achter haar zuidoostelijke grenzen huishoudt. Toch is daar de Europese identiteit te vinden, haarscherp en in het negatief. Als Europa iets kan betekenen, dan is het in de bestrijding van de tirannie.Abram de Swaan, NRC 30 november 1996
Abram de Swaan, NRC 7 december 1996
Al sinds een jaar of twintig zijn er kleine, goedkope benzinemotortjes op de markt, waarmee een stroomgenerator kan worden aangedreven of een waterpomp. Zo kan iemand zelf elektriciteit opwekken of drinkwater uit de grond halen. Die apparaten maken iemand in één keer tot een kleine zelfstandige die los van het leidingnet kan opereren.
In ontwikkelingslanden en in stagneringslanden, waar strijk en zet de stroom uitvalt, zijn die privé-generatoren gemeengoed in kantoren, winkels en in de huizen van de rijken. Ze bieden een toonbeeld van privatisering.
De waterpompen dienen vaak niet om water uit de bodem te halen, maar om het uit het leidingnet te zuigen. Want 's ochtends als iedereen zich wassen wil en 's avonds als overal de vaat gedaan wordt komen in hooggelegen of afgelegen buurten alleen nog roestbruine druppels uit de kraan. Wie dan een motorpomp in huis heeft slurpt voor zijn beurt het water uit de leiding en zuigt zijn buren temet van de buis, terwijl bij hem het water dartel uit de kraan klatert. Maar zo iemand is een uitzuiger van het gemeentenet, die privatiseert niet, die parasiteert.
Als iedereen dat nu deed? Als iedereen thuis een pomp op de waterleiding zette zou het water als een scheet door het net schieten. Daar kan geen waterwinning tegenop. De reservoirs raken in de kortste keren leeg, De gemalen draaien dag en nacht op volle kracht, de waterspiegel daalt en het water wordt almaar schaarser.
Wie zelf stroom opwekt of zelf het water uit de grond pompt doet de buren in eerste instantie niets tekort. Maar hoe meer het verschijnsel om zich heen grijpt, hoe groter de overlast die anderen ervan hebben. De motortjes maken lawaai en ze stoten kwade dampen uit die met de uitlaatgassen samengaan in één gemeentelijke gifnevel. En als in elk huis een pompje draait, verdwijnt het grondwater steeds dieper de bodem in. Wanneer waterwinning en krachtopwekking eenmaal een zaak geworden zijn van de enkeling met zijn eigendom, hebben de burgers minder belang bij de openbare energie- en watervoorziening en die verkommert dan ook steeds verder. Dan zien ook de laatste klanten van de nutsbedrijven zich gedwongen om af te haken en voor zichzelf te beginnen. Wat eerst een mogelijkheid was voor enkelen, wordt tot een noodzaak voor iedereen.
Technische ontwikkelingen kunnen een samenleving in de richting van de privatisering drijven, of juist een collectivisering opdringen. Een tijd lang had ieder huis een tv-antenne. Toen werd de kabeltelevisie ingesteld en werd elk huishouden met ferme hand bekabeld (er is zelfs geprobeerd om privé-antennes te verbieden). Inmiddels zijn kleine schotelantennes verkrijgbaar die in combinatie met satellieten honderden malen efficiënter zijn dan de antennes van vroeger en ook beter dan de kabel van vandaag. De gruwel van de kabeltelevisie is dat een anoniem bedrijf een voorkeuze uit de zenders doet en zijn programpakket met gedwongen winkelnering aan alle ingezetenen oplegt. In dit geval is de privatisering door particuliere schotels een bevrijding.
Ook in de telefoontechniek gaat het die kant op: een zwaar netwerk van koperen kabels raakt overbodig door de komst van de mobiele telefoons die alleen maar hier en daar een steunzender of een satelliet nodig hebben. Concurrerende telefonie-ondernemingen kunnen elk een eigen rooster van signaalversterkers installeren en de consumenten kiezen desnoods per gesprek voor een verbinding door de ene of de andere aanbieder.
Het wereldwijde computernetwerk ontstond zonder tussenkomst van overheden of grote ondernemingen als een uitdijend systeem van afspraken tussen computercentra waar individuele gebruikers op inhaakten.
Windmolens en zonnecellen kunnen energie leveren per huishouden zonder dat er onderliggende of overkoepelende netwerken aan te pas komen.
Telkens weer maakt technische vernieuwing centrale installaties, centrale planning, coördinatie en dwang overbodig of onmogelijk. De nieuwe technieken tenderen naar de anarchie.
En toch zijn al die innovaties het resultaat van doordacht speurwerk, van georganiseerde productie en uitgekiende verkoopmethoden. In de meest geavanceerde sectoren, zoals computerchips, zonnecellen, of communicatiesatellieten, concurreren telkens een paar reuzenondernemingen met elkaar om de wereldmarkt. De consumenten kunnen voor elk product kiezen tussen twee, drie merken, maar daarbuiten is geen alternatief en zelf maken kunnen ze het al helemaal niet. De gebruikers zijn dus onderworpen aan een chipsregiem, of een benzineregiem, of een satellietregiem, met telkens een keuze tussen drie, vier marktpartijen. Maar de gebruikers die aangewezen zijn op deze technische regiems zijn daarmee als burgers minder afhankelijk aan het worden van de collectieve voorzieningen in hun stad of staat.
Dringt de techniek die afhankelijkheidsverhoudingen aan de mensen op, of zijn het bestaande machtsverhoudingen die de techniek op die wijze modelleren? Er zitten in technische toepassingen meer keuzemomenten verborgen dan wel lijkt.
Waarom worden de spoorwegen alleen gebruikt voor gemeenschappelijk vervoer in aaneengesloten treinen en waarom worden straatwegen vooral gebruikt voor vervoer in particuliere auto's met maar één of enkele reizigers? Is daar een sluitende technische verklaring voor, of lag het aan de maatschappelijke omstandigheden die overwogen bij de aanleg?
En is er in het ene of het andere geval door wie of wat dan ook iets aan te doen?Abram de Swaan, NRC 7 december 1996
Abram de Swaan, NRC 14 december 1996
Het was tegen vieren dat het vliegtuig landde, maar de schemering was al ingevallen. Het mistte en miezerde op weg naar de stad, langs zacht wenende voorsteden, een buitengordel van uitgehuilde arbeiderswijken en een druilend stadscentrum waar voetgangerszones werden ingesloten door parkeergarages. Ik had het kunnen weten. Maar toen de uitnodiging mij bereikte was het nog volop zomer geweest, december was nog leeg en daar kon voor de afwisseling nog wel een reisje in.
Ik was aan het internationaliseren, zoals dat in het Nederlands wetenschapsbeleid uitdrukkelijk is voorzien.
Internationale contacten worden door de overheid aangemoedigd, geïnventariseerd en gesubsidieerd. Aan het eind van het boekjaar worden ze opgevoerd in het jaarverslag en per dienstreis afgerekend. Dat is volkomen terecht, om redenen die ik bekend veronderstel. Maar ook internationale contacten moeten klikken. Vaak valt zo'n postordergeleerde bij eerste kennismaking tegen. Toch moet het reisbudget worden opgemaakt en dus worden ruimschoots op tijd de buitenlandse gasten geïnviteerd. Dat is vragen om een schijnvertoning. Al in de taxi bekroop mij het vermoeden dat ik dit keer gevraagd was voor het jaarverslag.
De ontvangst was hoofs en zuinigjes. Ik vind dat best. Ik zit niet in de consultancy of in de ontwikkelingshulp, dus ben ik het sober gewend. Op het tevoren ge-emailde tijdstip diende zich in de lobby van het hotel een zorgelijke jongeman aan in tweedjasje, corduroy broek en op vetleren schoenen. Kamergeleerden hebben een vaste voorkeur voor buitensportkledij. Het was hem aan te zien dat hij door zijn professor was gestuurd en dat zijn positie hem, hoewel gedoctoreerd, nog niet toestond nee te zeggen. Al bij zijn eerste woorden begreep ik dat hij mij behoedzaam ging voorbereiden op een doodklap aan mijn zelfbeeld. Het is dan op zo'n dag juist pakjesavond, of er is een algemene staking, naaktdansen op tv, examenweek, of de cholera is uitgebroken. 'In elk geval, u begrijpt, er komt, vrees ik, niet veel publiek.'
Het gaat ook wel eens anders. Drommen studenten die ellebogend een zitplaats zoeken op het middenpad, hongerige vragen over een artikel dat ik al vergeten waande, een publiek dat nog wel uren door zou willen discussiëren, de lovende heildronk na afloop aan het collegiaal souper. Maar dat is uitzondering. En triomfen schrijven niet zo lekker weg, niet in de ikvorm.
Dit was het andere uiterste, en dat komt vaker voor. Je weet het pas als er geen terug meer is. De grauwe doctor had, begreep ik, nog andere zorgen. Zijn stem daalde, viel haast weg van pure discretie. Op een toon of hij mij vroeg naar het telefoonnummer van een pedofiel circuit wilde hij mijn onkostendeclaratie en gironummer weten. Dit is een schaamte die ik niet deel, maar hij leed eraan voor twee: 'Wij worden nu eenmaal uit de publieke middelen gefinancierd' mompelde hij verontschuldigend alsof hij mij met zijn vraag groot onrecht had aangedaan.
Wij waren intussen bij een ingestorte villa aangekomen en betraden de zaal. Waar de kroonluchter uit het gestuukte plafond gesloopt was hing een peertje met een papieren slinger. De zaal baadde in een lauwe noodverlichting. Er werd ook hier, dat was onmiskenbaar, bezuinigd op het onderwijs ter voorbereiding van de Europese munteenheid.
Tegen de achterwand ontwaarde ik een tafel met twee stoelen, twee glazen en een karaf met zeer oud water. Helemaal aan de andere kant van de zaal waren twintig stoelen opgesteld. Het ruime middenveld was eerbiedig leeg gelaten. Op de achterste stoelen hingen een paar studenten die zich onbespied van de koffie hadden bediend. Nu waren ze er gloeiend bij en zouden de lezing moeten uitzitten. Dat was op te maken uit de meedogenloze blik waarmee de doctor hen fixeerde.
'Het is nog vroeg' fluisterde hij, 'er zullen vast nog wel meer toehoorders komen'. De secretaresse die even om de deur kwam kijken werd dwingend naderbij gewenkt. Bij de ingang werden nog twee studenten geronseld. Een oude geleerde druppelde de zaal in, ging zitten, nam zijn aktetas op schoot, en nog voor hij daar iets uit kon halen overviel hem een diepe, rustige slaap. Dat lag dus nog niet aan mij.
Na de inleiding begroette ik mijn gehoor en deelde dadelijk twee forse kwinkslagen uit. De toehoorders, een tiental nu, bleven onbewogen voor zich uitstaren. Er schortte kennelijk iets aan het internationaal contact.
Geen wonder. Mijn 'dames en heren' galmde van de wanden terug als 'amen eren'. Zo kaatste elke volgende zin op de vorige. Er was, vermoedde ik, ook nog een taalprobleem. Ik schakelde terug naar dicteersnelheid. De studenten herkenden tempo en nadruk waarmee op college de tentamenstof wordt aangegeven en begonnen gewoontegetrouw alles op te schrijven. Ik sprak voort met de moed der routine.
Maar toen ik onder een retorische pauze de zaal inkeek, zag ik haar, op de voorste rij, godlof: het lezingfeetje. In aandacht verzonken speelde zij met een potlood langs haar halfopen mond, haar ogen wijd en strak op mij gericht. Zij vond mij knap, dat zag ik, en wilde alles, alles van mij leren.
Zo bleef zij mij aankijken. De volle drie kwartier hield zij het vol en, dankzij haar, ik ook. Ik hervond mijn ponteneur en vervolgde nu als bariton voor haar mijn recitatief. Weer had het wondere lezingfeetje de spreker uitgetild boven zijn gehoor dat nu aandachtig naar hem opzag. Zo zijn veel lezingen gered.
Toen het tijd was voor de vragen was zij onopgemerkt verdwenen, met medeneming van de student naast haar en met achterlating van nog eens een lege rij.
'Wat denk u, heer professor, van de toekomst van de verzorgingsstaat?'
Wat ik daarvan denk? Dat is, dames en heren, een heel complex probleem, probleem, probleem.Abram de Swaan, NRC 14 december 1996
Abram de Swaan, NRC 21 december 1996
Straatvechters en aanranders schrijven niet, ze hebben wel wat beters te doen. Wanneer hun verantwoording wordt gevraagd tonen ze berouw en goede bedoelingen, en dat berouw heeft al een bijbedoeling. Maar als ze vrijuit praten geven ze gretig en met gemak zichzelf gelijk en alle anderen ongelijk. Allemaal staan ze voor hun goede recht.
Boze lieden zingen soms. 'Geen woorden maar daden', dat is een versregel als een vuistslag. Het gevoel kan niet beter, korter, krachtiger verwoord worden, alleen een stomp of schop is treffender. Wie dat lied hoort schallen kan alleen maar hopen dat het duurt en duurt, want zodra het stil valt gaat het geram beginnen.
'Hou me vast of ik bega een ongeluk' geeft de opwelling ook goed weer, maar doet nog een beroep op de beheersing. Het zijn de laatste woorden die iemand nog in zelfbeheersing uit kan brengen, als een drenkeling die nog één keer bovenkomt en om hulp roept, voor hij voorgoed kopje onder gaat in zijn drift. De ommestanders moeten het nu overnemen, hem vasthouden voordat hij buiten zinnen iets aanricht dat hijzelf nog net kan aan zien komen als een 'ongeluk', maar dat hem de volgende seconde al een groot gevoel van bevrijding zal geven: een geluk bij een ongeluk.
Als dichtregel heeft 'Hou me vast' al veel meer lagen. De geweldenaar staat klaar om er op los te meppen, maar vreest nog de gevolgen. Hij wil wel, maar hij wil het nog niet willen. Nu wil hij dat iemand anders het voor hem niet wil. Dat is te ingewikkeld voor de pure vechtlust, het is de begeleidende tekst voor de enscenering van een gevecht. Hier gaat het om het voorspel tot een vechtpartij, om de maatschappelijke vormgeving van de agressie. En een vechtpartij staat tot puur geweld als een stervensaria tot een doodsschreeuw.
Maar zelfs een fraai maatschappelijk vormgegeven vechtpartij, met een aanleiding en een uitdaging, met inleidende dreigementen, beschuldigingen en beledigingen, met een eerste plaagstoot, een snelle slagenwisseling, een gevechtspauze voor tussentijdse bemiddeling, een trage hervatting met houdgreep en halve verwurging, een korte vlucht, een achtervolging, en buiten adem nog een twistgesprek dat eindigt in een schouderklop, omhelzingen, en veel verzoenend klinken, ook zo'n goed getempereerd gevecht voor twee heren, is meer dan de meeste mensen aandurven of zich zelfs maar durven indenken.
Dat komt omdat die meeste mensen zich zelf alleen gewelddadige gedachten toestaan als hun voorstelling aan twee strenge voorwaarden voldoet: zij moeten tamelijk onbeschadigd winnen (liefst tegen grote overmacht), èn - daar gaat het hier om - zij moeten gelijk hebben. Een groot deel van hun verbeeldingskracht gaat op aan het bedenken van een episode waarin zij niet alleen de kracht maar ook het recht aan hun kant hebben. En hun fantasieverhaal moet goed in elkaar zitten.
Daarin stemmen seksuele en agressieve dromerijen overeen: de fantasie heeft een voorkeur voor het realisme. 'Daar lag zij spiernaakt en ik nam haar' is niet genoeg. En 'Ik schoot Hitler gelijk een kogel door zijn kop' voldoet ook niet. De fantasie wordt pas opwindend als het verhaal waarschijnlijk is. Het moet eerst stevig in de werkelijkheid worden verankerd en daar dan geleidelijk van losraken: 'Het winkelmeisje knipoogde en heupwiegde voor mij uit de paskamer in'.
Dat had gekund, waar of niet? Het verloop laat zich indenken, maar al wordt het steeds onwaarschijnlijker, de startmotor van de opwinding is toch het realisme waarmee het verhaal begint.
Ook in de geweldsfantasie is die aanloop uit de alledaagse werkelijkheid noodzakelijk om het opwindend machtsgevoel te bereiken. Maar er is nog meer nodig. Er moet een rechtvaardiging gevonden worden. Ook dat vereist zwaar werk van de verbeeldingskracht.
Hoe ik dat weet? Ik sta in rechtstreeks contact met een proefpersoon die mij zijn heimelijkste fantasieën onvervormd doorgeeft.
'Het was noodweer, edelachtbare,' fantaseert mijn proefpersoon, die zich blijkbaar een strafproces indenkt, zo ongeveer de allerongunstigste omgeving voor een lustvolle beleving van de aanvalsdrang of welke drang dan ook. Maar kijk eens hoe zijn zelfverdediging verder gaat: 'Ik liep alleen op straat, de duisternis was al ingevallen en daar kwamen ze met hun drieën met getrokken mes op mij af.' Een huivering gaat door de toga's.
'Zij eraan of ik eraan: ik moest wel toeslaan'. Zelfs de officier schudt begrijpend haar donkere lokken. (Hier dreigt de fantasie een zijweg in te slaan). 'Ik greep een baksteen en in één vloeiende beweging sloeg ik de eerste tegen de grond, vloerde met een beenveeg de tweede man en trof de derde met een vuistslag vol in het gezicht.' Op de publieke tribune wordt diep gezucht. 'Twee liggen er nog steeds in het ziekenhuis' probeert de officier nog te verwijten maar ze kan een ondertoon van bewondering niet vermijden.
Door het vastberaden optreden van beklaagde kon een gevreesd roverstrio eindelijk worden opgepakt. De verdachte gaat vrijuit. Buiten op het bordes van het gerechtsgebouw klinkt aarzelend gejuich.
Waarom trapt en stompt en mept mijn proefpersoon er in zijn verbeelding niet gewoon op los dat het een lieve lust is? Dat mag hij niet. Hij mag het van zichzelf niet, omdat hij zelfs in het diepst van zijn gedachten een brave burger is die ook in volle opwinding eerst nog gelijk moet hebben.
Wanneer zulke beschaafde personen zich ooit een keer inbeelden dat ze al het gelijk van de wereld aan hun kant hebben en wanneer ze zich daarbij ook onbedreigd en straffeloos wanen, hou ze dan vast, want anders begaan ze nog een ongeluk.
En in de mensen een welbehagen.
Abram de Swaan, NRC 21 december 1996
De grenzen van de grenzenloosheid
Abram de Swaan, NRC, Zaterdags Bijvoegsel, 28 december 1996
Stel, de wereld is een leerschool en elk jaar is een les. Dan wordt in deze week les 1996 overhoord. Niemand hoeft bang te zijn voor een beurt, want iedereen gaat elk jaar over. Zittenblijvers zijn er niet, het is erin of eruit. Wij zijn er dus nog in. Wie uitstapt komt nooit meer iets te weten. Dat alleen al is een reden om nog even bij de les te blijven: om te zien hoe het verder gaat.
Wij kennen wel de korte inhoud van het voorafgaande, maar onze voorgangers wisten niet hoe toen het vervolg zou zijn. Elke volgende generatie weet dus meer dan de vorige. Het heelal dijt uit, en de geschiedenis wordt ook steeds langer. Maar worden mensen daar wijzer van?
Historia non docet, sed forte homines discant (Cyc. cant. XII:28): De geschiedenis leert niets, maar misschien kunnen de mensen iets leren.
Wat heb ik dan wel geleerd van een jaar lang wereldles? Ik was er eerlijk gezegd met mijn hoofd niet altijd bij. Onder Binnenlandse Politiek raak ik gauw afgeleid, bij Sport en Media ga ik liever voor mezelf werken. Maar bij Europa heb ik opgelet en bij De Wereld ook.
Als er uit deze jaarles iets te leren viel, dan was het over de beperkingen van het internationalisme: de belemmeringen van de Europese integratie, de tegenslagen in de interventies rond Bosnië en Rwanda, de pervertering van de humanitaire hulpverlening.
Europa, dat gaat meer en meer over Duitsland, en Duitsland gaat steeds meer over Europa. Nederland is nog net geen deelstaat van Duitsland, omdat het al een lidstaat van de Europese Unie is. In de E.U. kan Nederland met dertien andere landen proberen Duitsland tegenspel te bieden, zonder de E.U. zou het nu al gauw een buitengewest van Duitsland worden. De enige manier voor Nederland om nog een zekere nationale zelfstandigheid te behouden is integratie in de Europese Unie.
Het had anders kunnen gaan, en het kan misschien nog anders lopen, als Engeland zich weer tot Europa zou bekeren en met Frankrijk samen een tegenwicht zou vormen in de machtsbalans met Duitsland. Binnen die landendriehoek zou Nederland als vanouds een eigen, afgeperkte manoeuvreerruimte kunnen behouden.Maar zo is het niet.
Duitsland geeft de doorslag in Europa en Frankrijk heeft zich daar al naar geschikt, Engeland houdt zich afzijdig. Dus rest Nederland niets anders dan zich daar ook naar te voegen.
Nu is het helemaal niet erg om als middelklein land de vazalstaat te zijn van een grote mogendheid. Nederland was een halve eeuw lang vazal van de VS en dat beviel uitstekend. Het kan heel goed de volgende vijftig jaar voortbestaan als satelliet van Duitsland. Dat land is nu een democratie, een rechtsstaat en een verzorgings staat. Dat is meer dan van de Europese Unie gezegd kan worden. Daar is alleen de rechtsorde gewaarborgd, maar is de democratie een schijnvertoning en blijft 'sociaal Europa' een luchtspiegeling.
In een federaal Europa zal over Nederlanders meebeslist worden door Grieks nationale dwepers, Oostenrijkse neonazi's en door eigenvolkse stokers uit nog tien andere landen. Dat wordt nog even wennen. De financiële regie wordt opgedragen aan een comité van bankiers, maar daar is Nederland al op voorbereid.
De voorpret in de grote Europese eenheid is ondertussen wel vergaan en de grondstemming is nu een van druilerig gemor. Die tegenzin verkeert in Nederland nog in de pre-politieke fase, veel gemopper en niet veel doordachte tegenstand. Maar de euroscepsis wint snel aan aanhang. Voor een anti-Europese beweging is dat nog niet genoeg. Die zou met een alternatief programma moeten komen. Maar alles lijkt al beslist, ergens anders, door iemand anders en de integratie zet zich als vanzelf door. Dat 'vanzelf', die suggestie van onomkeerbaarheid en onontkoombaarheid, die maakt de mensen murw, onwillig en toch voegzaam.
De Europese Unie is verworden tot een ambtenarenstaat met een namaakdemocratie en een pseudo-parlement. Wie wil daar voor gaan stemmen? Men kiest niet voor een parlement dat zelf niet kiezen mag of wil. Die sluimerende tegenzin krijgt in Nederland geen politieke uitdrukking. In de landen waar de tegenbeweging zich wel heeft laten gelden werd de oppositie tegen de Europese Unie gevoerd als een nationaal streven: daar golden dan Deense, Noorse of Britse belangen. Maar net als het Europeanisme, is ook het anti-Europeanisme een Europese stellingname, die in Europees verband moet worden uitgedragen.
Als het in Nederland gaat over de gemeentelijke of de provinciale autonomie, dus over de beperking van het centraal gezag, dan komt die eis niet van de gemeente Dordrecht of de stad Amsterdam, niet uit Drente of uit Zeeland, maar wordt die decentralisatie een politieke strijdvraag van landelijke partijen, te beslechten op nationaal niveau. De Europese Unie, daarentegen, kent geen Europese oppositie, alleen tegenstand in afzonderlijke landen. En omdat er geen brede anti-Europese beweging is, kan een pro-Europese stroming ook geen ruime aanhang krijgen. Er bestaat geen Europese openbaarheid, geen openbare meningsvorming die zich afspeelt op Europees niveau. Er zijn geen Europese kranten, radiostations of televisiezenders. Er is geen politieke discussie waarin alle Europeanen elkaar kunnen treffen. Hoe zou dat ook kunnen met een dozijn verschillende talen? Alleen op specialistisch deelgebied weten de vakgenoten elkaar te vinden met eigen tijdschriften en beroepsverenigingen. Daar overbrugt gedeelde vakkennis de taalbarrières. Maar brede politieke kwesties worden in elk land apart besproken, daar is geen Europees forum voor. In feite blijft de politiek van Europa beperkt tot bestuurlijk overleg in de krapte van de binnenkamers.
De Europese eenwording die zo van bovenaf is doorgezet culmineert nu in een monetaire unie en dat zou ook wel eens haar eindpunt kunnen blijken; vandaar zet de ontbinding in. Want voor een politieke Unie is meer nodig, een onderling debat, een gedeelde morele inzet, een minimum aan saamhorigheidsgevoel. De afzonderlijke regeringen hebben daar geen behoefte aan en de Europese Unie is daar niet op ingericht. Het Europese parlement is een vergadering van landelijke delegaties die elk al hun politieke fracties van huis hebben meegenomen. De voornaamste tegenstelling die zich op Europees niveau voordoet is zelf geen onderwerp van strijd tussen Europese partijen. Er bestaat geen Europese democratisch- federalistische partij en evenmin een Europese tegenpartij van vrijzinnige subsidiaristen.
Het is te vergelijken met een nationaal parlement waarin de Gelderse middenstandspartij zetelt naast de lijst 'Fries belang' en de Noord-Zuid-Hollandse vrijheidsbond. Nee, het is nog erger: dat parlement kan niet eens de regering afzetten, want die is benoemd door de provinciale commissarissen van de koningin. En bovendien, de Zeeuwen verstaan de Limburgers niet en de Friezen evenmin, van de Hollanders willen ze allemaal niet weten, en dat is wederzijds.
Zo komt Europa niet verder. En dat blijkt al. Europa is niet alleen een binnenmarkt, er is ook nog een buitenwereld. Het Europees buitenlands beleid is een benauwende mislukking, de bemoeienis met Bosnië een dagelijkse blamage. Elke lidstaat opereert voor eigen rekening. Of het nu op de Balkan is of in Midden-Afrika, overgeleverde verbintenissen en koloniale banden blijken zich nog steeds door te zetten. De Fransen voelden meer voor de Serviërs en de Duitsers gaven nog steeds de voorkeur aan de Kroaten. De Europese Unie heeft in ex-Joegoslavië dan ook niets weten te realiseren. Elke doorbraak werd bereikt met Amerikaans ingrijpen, niet door een Californisch of Texaans initiatief, maar door een interventie van de Verenigde Staten van Amerika.
Dat is tragisch, want in Bosnië had de Europese Unie haar identiteit kunnen vinden, maar dan in het negatief: de uiteindelijke bestaansreden van de Europese Unie is om juist alles te bestrijden wat daar is aangericht. Dat bestaansrecht heeft de Unie niet weten te veroveren.
Dat was een harde les. Maar wat is er van geleerd? In Nederland niet veel. De commandant te velde werd na zijn aftocht uit Srebrenica bevorderd door de luide generaal, die vervolgens met pensioen mocht van een minister die nog steeds in functie is. Voor het leger, dat zich na de Koude Oorlog had opgeworpen voor vredesmissies in den vreemde, bleek na het debacle geen passende taak meer te bedenken. Gelukkig het land dat zijn leger missen kan.
De jaargenoten van 1996 hebben nog meer geleerd over de grenzen van het grensoverschrijdend ingrijpen.
Zodra ergens ter wereld de hulpverleners maken dat ze wegkomen, is het zeker dat daar ter wereld hulp nodig is. Geef ze eens ongelijk.
Ook in en rond Rwanda heeft Europa niets goeds kunnen uitrichten, de Verenigde Staten trouwens evenmin. Maar Europeanen hebben er wel veel kwaad gedaan. Frankrijk dat onder het oude regiem het leger en de Interahamwe milities had geoefend en uitgerust bij de voorbereiding van de grote moordpartij probeerde opnieuw zijn bondgenoten te hulp te schieten onder de dekking van humanitaire bijstand. De milities hadden zich in de vluchtelingenkampen verschanst. Daar werd door menslievende organisaties grootscheeps en ruimschoots hulp verleend. De hulpgoederen kwamen terecht bij de beulsknechten van het oude regiem. Die hielden daarmee een schrikbewind in stand en dwongen de vluchtelingen bij honderdduizenden om in de kampen te blijven. Ze verkochten de voedselvoorraden om wapens aan te schaffen en ondernamen bliksemacties op Rwandees gebied. Dat alles werd mogelijk gemaakt door de royale steun van de verzamelde buitenlandse hulporganisaties, van 'Redt de Kinderen' tot het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. Alleen Artsen zonder Grenzen bleek toch nog grenzen te stellen en trok zich terug.
Deze symbiotische idylle tussen mensenredders en mensendoders had nog lang kunnen voortduren van ieders gulle gaven als in Oost-Zaïre niet een opstand was uitgebroken onder de Banyamulenge, een met de Tutsi's uit Rwanda gelieerde bevolkingsgroep die door de autoriteiten met uitzetting was bedreigd. Zij wisten de Hutu-milities uit hun bases in de kampen te verjagen. Op de vlucht dreven de Hutu-soldaten hun kampgenoten als gijzelaars voor zich uit de wildernis in.
Wat nu volgt zal nog vele jaren verplichte leerstof blijven. Frankrijk nam het humanitair initiatief: er moest worden ingegrepen. Allereerst moesten daarom de vliegvelden in Oost-Zaïre heroverd worden op de rebellen. Anders konden daar immers geen vliegtuigen landen met hulpgoederen, en ook niet met Zaïrese commando's en hun Franse adviseurs, die de opstand zouden gaan bedwingen. Heel de humanitaire zakenwereld, de Franse regering en ook nog Europees commissaris Bonnino eisten op de allerhoogste toon onmiddellijke interventie. Maar terwijl de wereldleiders talmden, verloren de Hutu-milities hun greep op de vluchtelingen die nu, bevrijd van hun beulen en ontglipt aan hun helpers, en masse terugkeerden naar Rwanda.
Zijn ze daar veilig? Natuurlijk niet. In elk dorp en op elke heuvel beginnen nu de burenruzies tussen de moordenaars van toen, de schaarse overlevenden en de talrijke repatrianten, die ooit voor het oude regiem gevlucht waren en inmiddels de verlaten huizen en akkers hadden bezet. De eerst nog onweerstaanbare drang tot hulpverlening is opeens bekoeld. De nieuwe regering van Rwanda, die door Tutsi's wordt gedomineerd, laat zich ook niet zo gretig helpen. Maar als de hulpverleners beleefd komen vragen of er nog een karweitje voor ze is kunnen ze zich nu misschien verdienstelijk maken. Wat moet de klas van 1996 daarvan leren? Dat mensen blijkbaar nog niet geleerd hebben om vrede af te dwingen tussen zwaar bewapende partijen die elk een eigen belang hebben bij het voortduren van de strijd. En nog een les, die haast nog pijnlijker is om te verwerken: onder die omstandigheden baat humanitaire hulp meestal niet en kan ze zelfs omslaan in haar tegendeel, de strijders sterken en het geweld nog verder voeden. De humanitaire organisaties hebben zich hardnekkig en hardleers betoond. De helpers moeten nu eenmaal aan het werk blijven en het geld moet blijven rollen.
Dat is de lering van les 1996: Om over de grenzen heen en op de lange afstand met elkaar te kunnen verkeren, moeten mensen nog veel leren. Als de geschiedenis het hun niet leert, dan misschien de toekomst.
Volgende les.
Abram de Swaan, NRC, Zaterdags Bijvoegsel, 28 december 1996