Het maakt niet uit waar ik ben, in elke stad ter wereld waar ik bij mensen op bezoek ga kom ik te zitten tegenover het meubel. Het meubel heeft alleen maar een voorkant, met de achterkant staat het tegen de kamerwand, het is dan ook een wandmeubel.
Het wandmeubel is een siergevel binnenshuis. Het is uit twee, of drie verticale delen opgetrokken, elk met een aantal verdiepingen. De onderkant is gesloten, met deurtjes, of ladefronten. Maar de bovenhelft heeft open planken waarvan een aantal met glazen deuren zijn afgeschermd. Daarachter bevinden zich de voornaamste bezienswaardigheden. Soms steekt de onderkast naar voren en vormt het bovenblad een soort terras, net als de bovenplank, even onder het plafond. Het meubel is meestal uitgevoerd in donkerbruin gefineerd hout, met deuren van getint glas en verchroomd sluitwerk. Vóór het wandmeubel bevindt zich de zithoek, met driezitsbank, twee of drie fauteuils in bijpassende uitvoering en een ook al bijbehorende lage salontafel; ernaast een kleine tafel op zwenkwielen, met een televisietoestel boven, en onder, de geluidsapparatuur, ook al in donkere kleuren en met een metalig accent.
Behalve in advertenties voor binnenhuisinrichting wordt een dergelijk ameublement uitsluitend beschreven in honende bewoordingen, voor een publiek dat beter weet en beter woont; 'Wandmeubel': knipoog.
Maar dit meubelstuk is vaderlandsloos, contextvrij, overal, en bovenal, van deze tijd. Het staat voor moderniteit, het is een teken van vooruitgang en ontwikkeling. Wie zo'n meubel in zijn kamer heeft staan woont in een stenen huis aan een geplaveide weg, heeft een vaste baan en schoon werk. En dat meubelstuk is hetzelfde overal ter wereld, omdat het de verwezenlijking is van een ambitie die overal hetzelfde is: de ambitie om net zo goed te zijn als de mensen overal elders in de grote, wijde wereld
Omdat mijn gezelschap al gauw heeft opgegeven om ter wille van mij Frans te spreken en zich onderling heel goed vermaakt in het wolof, zit ik mij stierlijk te vervelen en heb alle tijd om het wandmeubel van onder tot boven op te nemen. En daar is het ook voor bedoeld, het dient om gedenkwaardige en bezienswaardige voorwerpen ten toon te stellen. Het is een eengezinsmuseum. Achter glas zijn souvenirs uit verre landen uitgestald. Hier in Dakar zijn kleinigheden uit exotische, haast onbereikbare landen als Nederland of Oostenrijk zeer in trek en in Nederland staat in net zo'n wandmeubel de afrikanerie. Maar mijn gastheer heeft porseleinen herderinnetjes, Delfts blauwe tegeltjes, koperen vaasjes, alles van grove, waarschijnlijk Chinese makelij, in een halve cirkel opgesteld rondom een goudpapieren model van Vaticaanstad (Moslems vinden de Paus pikant). En terwijl door de open ramen een cascade van bougainville en hangalampoe's te zien is, staat op het onderstel van het wandmeubel een boeket van plastic bloemen in kleuren waar de natuur na een miljard jaar evolutie zelf nog niet opgekomen is.
De souvenirs beduiden dat de bewoner verre reizen heeft gemaakt, of in ieder geval familieleden of kennissen heeft die op hun tochten aan hem gedacht hebben. Dit is de kosmopolitische vleugel van het huiskamermuseum.
Het tweede thema dat in het wandmeubel wordt bespeeld is dat van de Ontwikkeling (Literatuur, Kunst, Filosofie, Geschiedenis). Al is in huis verder geen boek aan te treffen, in het wandmeubel staan achter glas een driedelige encyclopedie, een fotoboek, de verzamelde gedichten van de eerste president, alles gebonden in goudgestempeld kunstleer of met kleurenplaat op de kaft, soms nog in het vacuumplastic waarin ze werden aangeschaft en steeds met een titel van zeer omvattende strekking als Wonderen der Techniek, Vrouwen van Afrika, de Mensheid op Weg, Schoonheid der Schepping. Dit zijn de blijken van algemene vorming en brede belangstelling. Het gaat hier niet zozeer om naslagwerken, maar meer om de identiteitsbewijzen van de bewoner als een geschoold, gediplomeerd en ontwikkeld persoon. De huisbibliotheek verwijst niet zozeer naar zijn eigen belezenheid als wel naar een universele cultuur die hij zich met dit boekenbezit heeft eigen gemaakt.
De derde vleugel van het huismuseum is gewijd aan de gezinsgeschiedenis. Hier staan de kleurenfoto's in verzilverde, vergulde, of rijkversierde houten lijsten, of nauwgezet ingeplakt in alweer kunstlederen albums: De oudste zoon in schooluniform met diploma, de huisvader in militair tenue, in reiskostuum te midden van congresgangers, met jasje, vest en das aan het banket van de Rotary club; de moeder met twee dochters in traditioneel gewaad bij het werkbezoek van de Minister, het verenigde huisgezin in ceremoniële opstelling rondom de grootouders, ooms, tantes, neven en nichten. Alle personages zijn verstijfd van ernst, met glanzende konen onder het flitslicht, de ogen strak op de lens gericht die even strak teruggekeken heeft. In een reeks van honderdste seconden zijn de hoogtepunten van het gezinsleven belicht.
Eén thema ontbreekt in het wandmeubel: de religie. Daar gaat het in het huismuseum niet over. Portretten van religieuze leiders, votiefstukken, heiligenbeelden, planken met heilige spreuken horen er niet thuis, die hebben een plaats in een andere hoek van het huis, op een altaartje, aan een aparte wand, met een geheel eigen ernst. Het wandmeubel is werelds, wereldwijd, eigentijds.
Evenmin bevat het wandmeubel iets dat de huisgenoten zelf gemaakt hebben of dat vervaardigd is door lokale ambachtslieden: geen borduursel of houtsnijwerk, geen versierde potten of geweven doeken, hoogstens een ingelijste schooltekening van het jongste kind. Alle objecten zijn kant en klaar contant gekocht. Niets is ter plaatse, op maat, naar smaak, door een iemand voor een ander iemand gemaakt. De collectie gaat daaraan voorbij, is al veel verder in de wereld.
En juist in deze allerpersoonlijkste tentoonstelling van de allereigenste verworvenheden verschijnen de bewoners in hun alleralgemeenste gedaante, als kleinburgers, maar dan toch ook als wereldburgers.
Abram de Swaan, NRC 6 januari 1996
Abram de Swaan, NRC 13 januari 1996
In ouderwetse dictaturen werd het buitenlandse bezoekers onmogelijk gemaakt om in contact te komen met de plaatselijke bevolking: gidsen, spionnen en agenten zorgden ervoor dat het nooit tot een ontmoeting met de bewoners kwam.
In Noord-Korea gaat het geloof ik nog steeds zo. Maar in heel veel landen komt er helemaal geen staatsinmenging aan te pas om vreemdeling en inboorling van elkaar gescheiden te houden: daar heerst de dictatuur van de armoede en die maakt elke toenadering evenzeer onmogelijk.
Wie arme landen bereist en niet van het gebaand traject voor zakenlieden of toeristen afwijkt weet waarover ik het heb: vreemdelingen zijn daar op straat meestal omstuwd door mensen die in hun buurt trachten te komen, hun aandacht proberen te trekken, die hun hun koopwaar opdringen of hun gebrek voorhouden. De reizigers worden overvallen door medelijden, schaamte en ergernis.
Dat medelijden is begrijpelijk: elke leproos in lompen, vervuilde mankepoot, blinde hongerlijder veroorzaakt groot alarm in de meldkamer van het meegevoel. Er moet iets aan gedaan worden, een muntje wordt verstrekt, desnoods een bankbiljet. De drom rondom de gever wordt alsmaar dichter, nog meer handen reiken, monden mummelen, ogen smeken, maar de vreemdeling heeft niets meer over dan zijn grootgeld en zijn cheques. Dan houdt het op.
Nu overheersen ergernis en schaamte. Wat moet dat gebroed ook op zijn pad, het stoort de natuurbeleving, bederft de couleur locale en vertraagt het marstempo. Bovendien, niemand wil zich zo oppermachtig voelen tegenover een armoelijder die voor zijn overleven van de dag op hem is aangewezen en niemand wil zich zo onmachtig voelen tegenover al die ellendelingen die samen ook door hem niet te redden zijn. De ergernis, de overmacht en de onmacht, ze zijn allemaal beschamend voor mensen die zo'n overdosis aan misère te verwerken krijgen. Koppig, met een rood hoofd en met lege handen staat de reiziger in zijn kring van smekelingen, een gedwongen hoofdrolspeler temidden van de figuranten in dit permanente straattheater. En met geen inboorling is op die manier ook maar een zinnig woord te wisselen of een persoonlijk contact te leggen.
Zoiets overkomt alleen de beginneling. Al gauw leert de reiziger met lege blik over mismaaktheid, waanzinscène of crepeergeval heen te kijken en elk aanbod van edelstenen, antieke maskers, of levende meisjes met een haast onmerkbaar hoofdschudden af te wijzen. Nu is hij precies de blanke naarling die hij gedacht had nooit te zullen worden, even ongenaakbaar als zijn inheemse kennissen (die hem daarin hebben opgevoed). Misschien kan hij het nog goed maken in zijn werk of bij het personeel.
Het zou goed zijn reizigers naar die landen er bij de verplichte inenting meteen op te wijzen dat zij een vast parcours voor vreemdelingen gaan volgen waarlangs permanent een haag van demonstranten van de armoe staat opgesteld. Die route vormt maar een minieme uitsnede van het land: de weg van het vliegveld naar het centrum van de hoofdstad, van de bezienswaardige ruïne hier, langs het wildreservaat daar, via het natuurwonder verderop, naar de badplaats ginds. En dan heb je het eigenlijk helemaal gehad. Langs dat traject strekt zich een lintbebouwing van ostentatieve armoede, een lopende band van venters en bedelaars geheel voor buitenlands gebruik.
Tien meter verderop is het al anders, misschien nog wel armer, maar niet voor andermans oog bedoeld.
Langs die erehaag van zwendelaars, ronselaars, sjacheraars, bedelaars, mismaakten, wezen en predikers marcheert het defilé in korte broek en blote schouders, met strohoed en zonnebril, van hotel naar strand en terug. Bekijkt met kennersblik en vooral zuinig de armbandjes en de oorbellen, de vingerringen en de halskettingen, de asbakjes en de prullenbakjes, de pindabakjes en de wattenbakjes.
Groeten uit Dakar.
Daar kennen ze ons. 'Ami, mon ami' roept een opgeschoten schooier met uitgestoken hand. En als ik hem negeer, sist hij 'Raciste!'. Wil ik een Afrikaan de hand niet schudden? Dat zal geen toerist zich laten zeggen, integendeel, die is de donkere medemens juist zeer welgezind. Dat misverstand zal hij dus even recht zetten, al moet het in het Frans.
Hebbes en beet. Want een vriend van de derde wereld zal toch zeker wel dit fraaie souvenir tegen een spotprijs willen aanschaffen, of anders zich door zijn pas gevonden medemens als gids laten vergezellen?
Zij hebben door dat de blanke Noorderling niet graag voor koloniaal of racist doorgaat en weten zijn sociaal geweten te bespelen. Die Noordelijke blanken zijn kennelijk veranderd sinds de koloniale tijd.
De samenspraakjes en tafereeltjes in deze komedie van het leed zijn tamelijk onschuldig en meestal geweldloos. Maar soms wordt er gerold en geroofd. In Dakar gaat dat volgens vaste procedure, en met zijn tweeën. De een benadert de buitenlandse passant met souvenirs, met cassettebandjes, of met een intekenlijst. Terwijl de voorbijganger zijn aandacht bij de een heeft, komt de ander naderbij en duikt in een snelle beweging naar zijn enkel die hij even omvat. Bij deze aanraking buigt de toerist zich onwillekeurig voorover; in die gebogen houding vouwen zijn broekzakken zich als bloemen open en plukken de jongens aan weerszijden met gestrekte vingers de biljetten eruit. Nog vóór de toerist door heeft wat hem is overkomen zijn ze alweer verdwenen.
Toen het mij gebeurde had ik niets in mijn zakken maar ontstak toch, tot mijn verbazing, in een daverende woede en bulderde het uit, in het Engels nog wel. Een van de twee was al weg, maar de ander bleef staan; een lichte, ranke jongen, uitdrukkingsloos van angst, leek me. Ik begon me in mijn rechtvaardige razernij steeds machtiger te voelen, maar mijn handen hield ik toch maar thuis.
Later overkwam het een kennis terwijl ik naast hem liep. Weer was er niets te halen, weer werd één van beiden betrapt en bleef als verlamd staan. Even later werd hij meegenomen door de politie om op het bureau te worden afgeranseld.Abram de Swaan, NRC 13 januari 1996
Abram de Swaan, NRC 20 januari 1996
Terug van verre reizen ben ik weer thuis, in Amsterdam ja, in Nederland ook. Maar weer terug in Europa? Nee, zo voelt niemand dat: thuis in Europa. 'Back in the USA' is een gevoel, 'Heim ins Reich' was het misschien ook, maar Europa is oninvoelbaar. Alles aan Europa is bedacht en berekend, en alle Europees gevoel is vals gevoel. De naam alleen al gaat na enige tijd tegenstaan.
En toch ziet dat er van buiten anders uit. Mensen zijn niet blij of trots dat ze Europeaan zijn. Maar vreemd genoeg zijn andere mensen wel treurig en gepikeerd dat ze niet Europeaan zijn. De bewoners van Hongarije, Tsjechië en Polen voelen zich uitgesloten van de Europese Unie, miskend in hun gemeenschappelijke Europese oorsprong. Letten, Esten en Litauers geloven dat iets hen van hun Oosterburen onderscheidt en dat zij daarom tot het Verenigd Europa horen toe te treden. Zelfs Bulgaren en Roemenen menen dat zij tot die volkerengemeenschap moeten worden toegelaten.
Finnen, Oostenrijkers en Zweden zijn inmiddels tot de Unie toegetreden, maar dat heeft het gevoel van verwantschap met die volkeren bij de andere naties in de Unie niet versterkt. Het kan niemand wat schelen en het maakt niemand wat uit. De Noren willen er niet in en de Denen zouden er wel weer uit willen. Ze gaan hun gang maar. Nee, het lidmaatschap is niet gebaseerd op tussenvolkse sympathiegevoelens.
De Europese Unie is een oefening in rationele integratie. Collectieve emoties komen daar niet aan te pas. Dat maakt de Europese eenwording uniek: een vrijwillig en een verstandelijk samengaan, zonder dwang van buiten en zonder gevoel van binnen. Nu is dit toch al niet de epoche van de grootscheepse emotie, het saamhorigheidsgevoel kan nog net een dorp omvatten of een stadswijk, maar op groter schaal gaat de rek eruit: nationaal besef, patriottisme, vaderlandsliefde hebben iets lachwekkends, lichtelijk obsceens meegekregen. En al helemaal niemand beleeft die emotie op continentaal niveau, als liefde voor Europa.
Europa is niet om van te houden, maar om van te leven. De Europese Unie is geen gemeenschap maar een rekeneenheid: geen beslissing valt ooit voordat het belang van elke lidstaat is afgewogen en ingecalculeerd. Verschuift ergens een deelbelang, dan stokt of schuift ook het gemeenschapsbeleid.
Maar dat werkt niet op den duur.
Dat bleek al in Bosnië, met tragisch resultaat. De Europese Unie kon daar niets beginnen, elke lidstaat draaide er een pirouette en maakte zich belachelijk, of verloor, zoals Nederland, zijn eer, totdat goddank de Amerikaanse bevrijders binnenrukten met zwaar materieel. Maar Amerika is een natie en Europa een belangencalculus.
Dat blijkt zelfs niet te werken op het deelgebied waar het voor bedoeld is, de gemeenschappelijke markt. De Europese monetaire unie loopt bij voorbaat al vast omdat de hele onderneming is gereduceerd tot economische berekening, waarop iedere partij wel iets heeft af te dingen, zonder dat de politieke betekenis van die gezamenlijke munteenheid nog een rol speelt.
Zouden de Europese kiezers dat willen, een en hetzelfde geld overal in de Unie? Willen zij die eenheid wel en met welke volkeren willen ze dan vereend zijn? Het is ze niet gevraagd. De Europese Unie is immers geen democratie maar een autoritaire ambtenarenstaat boven op een aantal min of meer democratische lidstaten.
Van begin af aan is geprobeerd om door economische integratie, door de vorming van een gemeenschappelijke markt, geleidelijk tot een politieke eenheid te komen. Dat is niet gelukt, eenvoudig omdat de Europese staten zelden bereid waren om politieke bevoegdheden over te dragen aan de Unie.
Soms wordt met vele bombast en bombarie de Europese eenheid gezocht in een Europese culturele essentie, het Christendom, of toch maar liever de Grieks Romeinse oudheid, of desnoods de Renaissance of de Verlichting, maar echt aanslaan doet het niet. Er is ook geen grootst gemene deler van cultuur waaraan alle Europese lidstaten en kandidaat-lidstaten deel zouden hebben en andere volkeren niet. Europa is geen verenigd cultuurgebied.
De Europese Unie is een politieke constructie en is uiteindelijk niet te rechtvaardigen met economische of culturele redeneringen maar alleen met politieke argumenten.
Dat zijn uiteraard overwegingen van machtspolitiek, maar ook van politieke cultuur.In Europa zijn in de afgelopen eeuwen drie grote bijdragen aan de politieke beschaving ontwikkeld: de rechtsstaat, de representatieve democratie en de verzorgingsstaat. Ze zijn jammer genoeg niet in alle Europese landen volledig verwezenlijkt en gelukkig in veel landen buiten Europa wel. Maar gedrieën vormen ze de kern van de Europese politieke cultuur.
Die drieslag is voldoende om de Europese Unie op te grondvesten en genoeg voor een Europees beleid. Er zijn afdoende criteria aan te ontlenen voor de toelating tot het lidmaatschap van de Unie en goede maatstaven voor de interventie aan de buitengrenzen. Europese volkeren die overtuigend overtuigd zijn van de beginselen van rechtsstaat, volksvertegenwoordiging en verzorgingsstaat mogen toetreden en andere niet. En waar in Europa dezelfde principes met grof geweld worden geschonden heeft de Unie goede redenen om in te grijpen.
Maar wil de Europese Unie de belichaming worden van de Europese politieke cultuur, dan moet ze eerst zelf hervormd worden van een autoritaire ambtelijke bovenstaat tot een sociale en representatieve democratie.
In de voornaamste lidstaten van de Unie zijn de drie maatstaven van politieke beschaving gerealiseerd, maar vreemd genoeg is er in die afzonderlijke landen nauwelijks een beweging die streeft naar de realisering van dezelfde beginselen voor de Unie als geheel. Dat komt omdat de politieke elites in al die lidstaten daar blijkbaar geen belang in zien. En zonder die politieke vernieuwing komt er van verdere eenwording, of het nu een gemeenschappelijke munteenheid of een eenheid van buitenlands beleid is, niets terecht.Abram de Swaan, NRC 20 januari 1996
Abram de Swaan, NRC 27 januari 1996
Het gesprek kwam op Verschrikkelijke Zinnen. Het ging niet om de vorm, om spelfouten of stelfouten, maar om hun vreselijke inhoud. Snel werd men het erover eens dat de allerverschrikkelijkste zinnen heel onschuldig lijken, maar vernietigend werken. De ommestanders moeten liefst helemaal niets merken en de aangesprokene moet zelf niet begrijpen waarom hij opeens zo treurig wordt.
Erg is: 'Wat leuk dat jij zoveel zorg aan je uiterlijk besteedt.' Erger is: 'Wat leuk dat jij nog zoveel zorg aan je uiterlijk besteedt.' Een dubbele dosis valsigheid samengebald in dat ene 'nog', nauwelijks een woord, meer een knor. Maar dit genre is al te zeer vertrouwd, daar kan men zich tijdig tegen wapenen ('Wat goed dat jij dat nog ziet').
Heeft 'nog' een tegenhanger in 'al'?
Is de zin 'Wat moedig van je dat je al op jezelf gaat wonen' wel kwetsend genoeg? Nieuwe kamerbewoners vinden vast van wel. Maar 'al' houdt 'jong' in en dat wordt minder, en 'nog' houdt 'oud' in en dat wordt erger.
'De ergste zinnen', opperde K., die in het dagelijks leven hoofd is van de onderzoeksafdeling Sociale Kwaadaardigheid, de allerergste zinnen beginnen met 'Ik wil me nergens mee bemoeien, maar...'.
- En wat komt er dan?
Meestal zoiets als, 'Je laat je door Claire wel erg op je kop zitten...' of 'Een bruine blazer met een spijkerbroek, dat kan gewoonweg niet'. De vervolgzin is openlijk vervelend om te horen, maar de inleiding dwingt tot een soort dankbaarheid: het werd je niet uit eigenbelang gezegd maar juist voor je eigen bestwil.
Voor je 'eigen bestwil'. Die woorden maakten veel los in het gezelschap. Krenkingen en vernederingen uit de kinderjaren vlogen over de tafel, de één had het nog moeilijker gehad dan de ander, maar de ander was achteraf nóg gevoeliger geweest. Maar die 'bestwil' heeft zijn uitwerking nu wel verloren en is onherroepelijk gedateerd.
Nog een verouderde verschrikkelijke zin kwam ter tafel: 'Nou nou, wat laat jij je kennen.' Even gruwde het gezelschap bij de herinnering aan een allereigenste emotie die ooit eens zo allerergst gekleineerd was.
Is het tijdperk van de verschrikkelijke zin eigenlijk niet al voorbij, is de basisformule van gehuichelde vriendelijkheid en verborgen kwetsing niet achterhaald in deze tijd van openhartigheid? Heel modern en toch verschrikkelijk, kan dat wel?
Jazeker, ik weet er een: 'Wat vind je er zelf van?'. Iemand heeft je net zijn laatste zelfgemaakte prentje, stukje, dansje, toetje, boeketje laten zien en staart je verwachtingsvol aan, zegt nog net geen 'nou?' en dan komt luchtig als een mokerslag: 'Wat vind je er zelf van?' Een uitnodiging tot zelfophanging, je zou er een stuk touw bij kunnen aanreiken.
Dat verschrikkelijke zinnetje komt natuurlijk van de psychotherapeut, want die mag van zijn vak zijn eigen mening niet zeggen. Maar in het gewone leven betekent het dat iemand je die eigen mening maar liever wil besparen.
Weet je wat ik vreselijk vind: 'Nee hoor, daar krijgen we nooit klachten over.' Trillend van woede sta je bij de bakker met een brood waarin een restant dode rat. 'Nee hoor, nooit geen klachten.' Andere mensen eten zo'n stukje rat er gewoon bij op. Andere mensen proeven dat niet eens. Bij andere mensen gaat zo'n rat niet in hun broodje zitten sterven. Andere mensen komen daar niet over klagen.
We naderden nu de hoofdgroep gruwelzinnen van de gedaante: 'Dat kan iedereen wel zeggen.' (Iemand strompelt hevig bloedend een winkel binnen, 'mag ik even bellen, ik heb een aanrijding gehad' - Ja ja, dat kan iedereen wel zeggen).
Wat ik onverdraaglijk vind, riep M.: 'Gewoon achter aansluiten, net als iedereen'.
- Nee, dáár moet je tegen kunnen.
- Daar zal je het dan wel naar gemaakt hebben.
- Hij vráágt er ook om.
Even viel er een gespannen stilte. De stemming was eruit. Met verschrikkelijke zinnen valt niet te spotten en de sfeer werd onverwacht kribbig. Bedachtzaam nam B.K. het woord. De allerergste zin, zei hij, de wanzin in oervorm, luidt: 'Wat heb je nou gedaan!?'
Een collega strompelt na de kerstvakantie op krukken het kantoor binnen en iemand begroet hem: 'Wat heb je nou gedaan?'.
Iedereen viel stil. Dit was, er was geen twijfel mogelijk, de allerverschrikkelijkste zin, een ontologisch monstrum. Want, zei B., de medemens wordt hier aansprakelijk gesteld, als dader voorgesteld, voor iets dat hem is overkomen, dat haar is aangedaan en waar ze niets aan doen konden.
Die zin betekent dus in het geniep: dan had je maar beter moeten uitkijken.
Erger nog, die zin is eigenlijk triomfantelijk: dat was mij niet overkomen, sukkel die je bent.
Nee, het is nóg erger: die zin is leedvermaak, 'net goed', zonder dat de spreker daar op aan te spreken is.
Nog dieper ging de zinsontleding: er zit ook een geruststelling in, want als alleen stuntels hun benen breken, dan kunnen wij als we maar heel goed oppasen het onheil nog ontkomen.
'Het was vast wel goed bedoeld.' En dat is de verschrikkelijkste tegenzin.
Abram de Swaan, NRC 27 januari 1996
Abram de Swaan, NRC 3 februari 1996
In geen duizend jaar mogen de Serven tot de Europese Unie toetreden, de Kroaten moeten nog honderd jaar wachten, voor de Bosniërs staat een proeftijd van tien jaar. En nemen we de inheemse Balkan ideologie van de etniciteit ernstig - afstamming bepaalt geaardheid - dan zullen die volkeren tot in alle eeuwigheid in de buitenste barbarij verbannen blijven.
Wat moeten de buurlanden nu aan met een land als Servië in hun midden? De eerste opwelling is om maar meteen alle Serven voor hun land aansprakelijk te stellen: dat heette niet zo lang geleden 'collectieve schuld'. Daar is iets voor te zeggen: het is veel te ingewikkeld om de persoonlijke aansprakelijkheid in elk individueel geval exact toe te rekenen. Daar komt bij dat de Serven er collectief veel voordeel van gehad zouden hebben als de regering die ze bij meerderheid gekozen hadden wèl geslaagd was in haar opzet van een grote veroverings- en uitroeiingscampagne (zoals de Kroaten nu collectief profijt hebben van de veroveringen en deportaties door hún regering). Verkeerd gegokt, dat is de minste schuld die een meerderheid van Serven persoonlijk kan worden aangerekend.
Hoe moeten de bewoners van die landen zich nu rehabiliteren?
Om te beginnen is dat misschien helemaal niet nodig. Er wordt met grote haast gewerkt aan een namaak-Europa, waarin quasi-democratieën een imitatielidmaatschap kunnen krijgen. Rusland is toegetreden tot de Raad van Europa en daarmee houdt dat toch al zieltogende lichaam in feite op te bestaan. In feite wel, maar in schijn niet. Het is net echt, en geknipt voor zulke pseudo-democratieën als Bulgarije, Roemenië, Slowakije en al die andere retro-communistische twijfelaars.
Het is een schijnoplossing en daar zal dus nog veel ellende van komen. Nu al raakt de Europese rechtspraak in de klem door toetreding van staten die helemaal niet van plan zijn zich aan de mensenrechten te houden. Bovendien vermindert zo'n schijnmanoeuvre de druk op die regimes om in eigen land een rechtsorde op te bouwen.
De politici die nu aan de macht zijn in Servië en hun zetbazen in Servisch Bosnië zijn rechtstreeks betrokken geweest bij misdaden tegen de menselijkheid, en ook Kroatische machthebbers hebben zich daaraan schuldig gemaakt. De bedoeling is dat die feiten alom genegeerd worden, dat alles subiet vergeven en vergeten wordt en niets ernstig wordt genomen: lid van de Europese Unie kan Servië uiteraard niet worden, maar in de Raad van Europa worden alle landen van ex-Joegoslavië toegelaten.
Volgens hun eigen Balkan-ideologie kunnen de Serven of de Kroaten niet veranderen; van de Europese mogendheden hoeven ze niet te veranderen, maar als ze ooit op gelijke voet als buurvolkeren serieus genomen willen worden zal het daar toch heel anders moeten worden. Herstel van de rechtsorde en de bestraffing van oorlogsmisdadigers zijn dan de eerst noodzakelijke hervormingen.
Dat moet van binnenuit komen. Een rechtsorde kan niet extern worden opgelegd en de opsporing van politieke en militaire criminelen kan niet zonder brede binnenlandse medewerking. Serven en Kroaten die zich inzetten voor dat rechtsherstel dragen bij aan de rehabilitatie van hun land en mensen die zich daartegen verzetten maken zich achteraf nog eens medeplichtig aan wat hun land misdreven heeft, en nu met volle kennis van de toedracht. Met dat rechtsherstel krijgt dus ook de individuele aansprakelijkheid van Servische en Kroatische burgers opnieuw betekenis. En daarom is het een blijk van solidariteit met die landen om van ze te verlangen dat ze hun misdadigers berechten of uitleveren.
Maar in ex-Joegoslavië is toch ook een voortdurende buitenlandse druk en internationale steun vereist om die rechtspleging op gang te krijgen. Daarvoor is een wereldwijde organisatie nodig die overal en telkens weer aandringt op de berechting van oorlogsmisdadigers; een vereniging die niet vergeet, die niet vergeeft, totdat de straf is toegemeten en uitgezeten, die blijft zoeken, blijft aanklagen, blijft vervolgen totdat de misdadigers eindelijk worden voorgeleid en die dan helpt om bewijsmateriaal te vinden, die getuigen opspoort, en optreedt voor de slachtoffers of functioneert als nevenaanklager waar dat wordt toegelaten.
Simon Wiesenthal was een voorganger, maar het is nu na een halve eeuw te laat om de misdaden uit de Tweede Wereldoorlog nog te vervolgen. Amnesty International strekt tot voorbeeld, maar in de nieuwe organisatie gaat het niet om genade maar om gerechtigheid. Voor de opsporing van misdadigers is iets vereist van de vindingrijkheid en de durf die Greenpeace heeft getoond bij de bestrijding van milieucriminaliteit.
Justice International, zo moet de wereldwijde actiegroep heten die zich inzet voor de berechting van misdaden tegen de menselijkheid.
Justice International moet zich uiteraard niet beperken tot de Balkan: de organisatie zou zich nu al moeten inzetten voor de berechting van de genocide in Rwanda en kunnen helpen bij de opsporing van de schuldigen die in Frankrijk en België (en via Europese relaties ook in Senegal) een onderkomen hebben gevonden. Justice International moet ook de publieke opinie mobiliseren om de berechting van oorlogsmisdadigers te eisen en om de bestaande internationale gerechtshoven moreel te ondersteunen.
Nu al zijn er tientallen comités die zich inzetten voor de rechtsbedeling in een bepaald land, of die voor de rechtspleging opkomen namens een bepaalde beroepsgroep, zoals juristen of journalisten. Justice International komt daarbij en werkt wereldwijd.
Abram de Swaan, NRC 3 februari 1996
Abram de Swaan, NRC 10 februari 1996
Een wereldwijde organisatie die zich inzet voor de vervolging van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, daar zou ik wel lid van willen zijn, schreef ik vorige week. Zoiets als Amnesty International, maar dan om gerechtigheid jegens de daders, en niet zozeer om genade voor hun slachtoffers.
De berechting van oorlogsmisdadigers is allereerst een politieke noodzaak. Het vorige bewind heeft verschrikkingen begaan, of minstens toegelaten, en het nieuwe regiem moet voor de eigen bevolking en voor de buitenwereld overtuigend aantonen dat daar nu een eind aan gekomen is: 'dát nooit meer.' Berechting van de daders is de meest sprekende en beeldende, de meest theatrale manier om dat voornemen uit te dragen. Er gaat bovendien een soort onuitgesproken ambtseed in schuil: de straf die nu de daders wordt opgelegd mag ook ons worden aangedaan als wij ooit zulke misdaden zullen begaan.
Maar kan dat niet gewoon op een getypt en ondertekend A-viertje, moet daarvoor de hele santenkraam van de rechtspraak worden opgezet? Moeten daarvoor de Rwandese Hutu-militanten of de Bosnisch-Servische leiders worden geofferd op het altaar van de wereldpolitiek?
Ja, dat moet. Dat is de symbolentaal waarin een politieke werkelijkheid wordt verwoord en waar gemaakt. Zonder het ceremonieel van schuld en boete gaat het niet.
Er zijn nog andere redenen: de feiten die tot dan toe alleen maar bij geruchte bekend waren kunnen nu met enige zekerheid worden vastgesteld, er komt zicht op de omvang van de misdaden en de kluwen van verantwoordelijkheden wordt een eindweegs ontward. Maar een strafproces is daar niet echt voor nodig en het is niet eens de beste manier om de toedracht te achterhalen: historici kunnen dat beter, met wat hulp van opsporingsambtenaren.Berechting is de best mogelijke benadering van gerechtigheid. Dat is een waarde-in-zich-zelf, maar ook een gevoelswaarde. Het gevoel waar het dan om gaat heet op zijn zondags rechtsgevoel en doordeweeks wraakzucht. Of nog anders: het rechtsgevoel is de gesublimeerde wraaklust, een wens tot wraak die zich heeft laten temmen door het recht. Dat is, zoals alle sublimatie, behelpen. Het rechtsgevoel staat tot de wraakzucht als de huwelijkse liefde tot de geslachtsdrift.
De Leuvense politicoloog Luc Huyse heeft zich grondig verdiept in het vervolgingsbeleid van 'opvolgersregimes' - de regeringen die aan de macht kwamen na de val van een dictatoriaal bewind: hij vergelijkt het naoorlogs optreden van de regeringen in bevrijd West-Europa met dat van latere opvolgersregimes in Centraal Europa, Somalië, Zuid-Afrika, Rwanda. Helemaal bevredigend verloopt het nooit, zegt Huyse.
'In Frankrijk, België en Nederland lagen bij de bevrijding alle mogelijke opties open en nu, een halve eeuw later, blijkt dat deze landen nog altijd met de erfenis van de oorlog worstelen. Met het voortschrijden van de tijd zijn de spoken van het verleden niet verdwenen.' Toch hadden de regeringen in deze landen de vrije hand, want het voorafgaand bewind was onvoorwaardelijk verslagen. De opvolgersregimes die later elders optraden waren meestal wel gedwongen om te pacteren met hun voorgangers, die de laatste restjes van hun machtspositie probeerden in te ruilen voor straffeloosheid. Dat leidde tot veel halfhartigheid en grote verwarring. Het rechtsgevoel werd daarmee niet bevredigd, de wraaklust al helemaal niet.
Dan is de Zuid-Afrikaanse formule, waarin bij voorbaat wordt afgezien van vergelding, nog te verkiezen: een commissie zal de waarheid over de wandaden vaststellen en daar blijft het bij. Dat vergt dan wel een nationale, collectieve onthouding, van de wraakdrift. Ik zie daar niets hoog-ethisch in: de Zuid-Afrikaanse politie heeft haar troeven uitgespeeld en amnestie verkregen, dat kwam bij het ANC een aantal militanten met een kwaad geweten heel goed uit. Men legt zich daar nu maar bij neer, in nogal arren moede.
Vergiffenis, dat is toch prachtig! Ja, als je het lemmet al op de strot van je vijand wet. Maar eerder niet. Vergeven is alleen mooi als machtsdaad, het Zuid-Afrikaans pardon doet denken aan iemand die zijn berovers nog naroept dat ze van hem zijn spullen allemaal houden mogen.
Nico Frijda, de psycholoog van De emoties, heeft over de wraakzucht geschreven dat die niet alleen hoogst destructief kan zijn, maar ook heel functioneel: de wraak dient om de positie van slachtoffer te boven te komen en weer iemand te worden die greep heeft op de wereld. Die wraakzucht moet beheerst en beschaafd worden (Het bijbels 'Oog om oog, tand om tand' moet al gelezen worden als een aansporing tot matiging: 'oog om oog, maar meer ook niet'). Rauwe wraaklust is pure vernietigingsdrang die niet overgaat; zachtgekookt is de wraakwens een onmisbaar bestanddeel van het rechtsgevoel.
Maar recht moet toch voor iedereen gelijkelijk gelden en komt de wreker soms niet alleen op voor zichzelf en de zijnen? Nee, wraakgevoelens kunnen kennelijk ook gewekt worden door leed dat anderen is aangedaan, zelfs vreemdelingen, verre vreemden. Naarmate mensen hier zich meer vereenzelvigen met mensen daar, neemt ook hun verlangen toe om het kwaad dat die anderen berokkend wordt gewroken te zien.
Als nu mensen eisen dat de genocide op de Rwandese Tutsi's wordt bestraft of de massamoord op Moslims in Srebrenica wordt berecht, dan is dat omdat ze de slachtoffers zien als net zulke mensen als zijzelf zijn en de daders niet beschouwen als barbaren en wildemannen van wie je zoiets kunt verwachten en die je het niet kunt aanrekenen, maar juist als volledig aansprakelijke en toerekeningsvatbare medemensen, die dus bestraft dienen te worden.
De universele, belangeloze en getemperde wraakzucht, dat is de adem van de wrekende gerechtigheid. En daarvoor moet Justice International opkomen.
Abram de Swaan, NRC 10 februari 1996
Abram de Swaan, 17 februari 1996
In alle opschudding over de ontsporing van de opsporing leek Nederland heel even net zo corrupt, crimineel en frauduleus als Italië of de V.S. Maar de Nederlandse recherche is lang niet zo verdorven en veel potsierlijker. Toen alles voorbij was had de Nederlandse politie de onderwereld in totaal twee keer zoveel hasjiesj toegespeeld als in een heel jaar in heel Nederland verbruikt wordt. En tot nu toe is daarmee nog geen boef gevangen, geen grote boef tenminste, waar het allemaal om begonnen was.
Ditmaal zou niet alleen de kleine straathandelaar worden gepakt, men zou zelfs niet ophouden bij de middelbare tussenpersoon, nu zouden eindelijk de grote jongens achter de schermen worden aangepakt.
In elke politieserie is dit het vast stramien: twee wildebrassen met hartjes van goud gaan door roeien en ruiten om in deze aflevering eindelijk eens de grote man achter de schermen in te rekenen. De commissaris onderbreekt hen halverwege, herinnert ze aan wet, reglement en de minimaal vereiste behoedzaamheid, en dreigt hun de politiepenning te ontnemen. Zijn tekst is getoonzet in 'tut tut tut' en 'ho ho ho' en dat zijn ook de grondtonen van het rapport van de commissie Van Traa.
De rechercheurs liepen rond met miljoenen aan contanten. De informant kreeg per transport een miljoen, de chauffeur vijfentwintig duizend. Maar wat hielden de detectives eraan over?
Het commissierapport zegt daarover: 'De politie heeft gebruik gemaakt van crimineel geld om vervoermiddelen en communicatieapparatuur aan te schaffen en loodsen te huren.' Parbleu!
De rechercheurs kochten een zendertje, een wat snellere auto, huurden een opslagruimte, en daarmee uit. Ze schaften aan wat het belang van de dienst vereiste. En van al die duizenden duizendjes verdween niets, althans bijna niets, in eigen zak. Er komen in het rapport wel een aantal platte agenten voor, maar zelfs zij lieten zich niet zozeer omkopen voor geld, maar pleegden hun verraad eerder uit familietrouw: niet voor het gewin, maar voor het gezin.
Er gingen honderden miljoenen om die stipt werden uitbetaald aan de penose, zonder dat de rechercheurs er een cent van zagen. In geen ander land zou men dat geloven. Maar de commissie heeft er nauwelijks moeite mee, en ook in de algemene discussie is het kennelijk niet erg opgevallen.
Hoogstwaarschijnlijk is het gewoon wáár: Nederlandse agenten stelen in de regel niet. Ik belde prof. dr. Frank Bovenkerk, een van de criminologen die voor de enquêtecommissie onderzoek hebben verricht. Hij zat gewoon op zijn werk en nam meteen op. 'De ambtelijke moraal is hier uitzonderlijk hoog' zei Bovenkerk. Ik vroeg hem: 'Wat raad je de lezers van NRC/Handelsblad aan, als zij worden aangehouden en een agent wil hun papieren zien: een briefje van vijfentwintig in het rijbewijs steken, of toch maar liever niet?'
'O nee!' hoorde ik hem opeens heel preuts uitroepen, 'daar krijg je de grootst mogelijke last mee.'
Dat klopt ook wel met mijn beperkte maatschappelijke ervaring. In de ambtelijke dienst waar ik ben aangesteld worden met elke begrotingspost de vreemdste capriolen uitgehaald, maar de salarissen worden stipt op de 23e uitbetaald en ik heb in al die jaren, ondanks de verschrijvingen, manipulaties en creatieve overboekingen nog nooit gehoord dat wie dan ook in dat bedrijf ook maar een cent in zijn eigen zak stak. En zo hoort het ook.
De ambtelijke moraal is kennelijk nog niet aangetast. Hoe is dat te verklaren?
Een onomkoopbaar mens, dat is iemand aan wie nog nooit een hoog genoeg bedrag geboden werd. De steekpenningen die Nederlandse ambtenaren worden voorgehouden blijven ver onder hun corruptiedrempel. Zijn de omkoopgelden hier dan zoveel minder? Nee, maar Nederlandse ambtenaren zijn veel duurder.
Dat komt allereerst door de vaste aanstelling en de pensioenregeling. Reken maar uit: Iemand wordt voor het eerst ernstig in verleiding gebracht, stel, rond zijn dertigste. De omkoopsom moet dus meer bedragen dan vijfendertig jaar verdiencapaciteit van een onbesproken functionaris, vermeerderd met twintig jaar pensioen, verminderd met het te verwachten inkomen van een onteerd persoon over evenveel arbeidsjaren, alles gekapitaliseerd tegen dagwaarde en vermenigvuldigd met de pakkans. Dat komt voor een gewone straatagent al gauw neer op zo'n anderhalf miljoen. Als op het verscheuren van een bekeuring in beginsel oneervol ontslag staat, met strafkans 10%, moet de agent toch minstens anderhalve ton in rekening brengen, wil de transactie voor hem een beetje interessant zijn. Ik reken met opzet slordig, net zo slordig als die agenten.
Daar komt iets bij. Als alle collega's onkreukbaar zijn, kan de ene die omkoopbaar is er niet op rekenen dat zijn collega's hem wel zullen dekken omdat ze zelf ook iets te verbergen hebben. De eerste die zich laat corrumperen loopt dus ook het meeste risico. En zolang er één beambte rondloopt die nog niet is omgekocht kunnen de omkoopbaren niet echt gerust zijn.
De ambtenaren blijven dus eerlijk omdat ze veel meer waard zijn dan ze wordt geboden en omdat ze denken dat alle anderen ook eerlijk zijn. Ze geloven in hun eigenwaarde en in de ambtelijke moraal omdat ze geloven dat alle anderen daarin geloven. En dat is ook zo.
Nu maar hopen dat het zo blijft.
Abram de Swaan, NRC 17 februari 1996
Abram de Swaan, NRC 24 februari 1996
Op de deurmat lagen de kleurenfolders van een paar dagen ongewenste bezorging. In een oogopslag, al van de andere kant van de gang, was te zien dat daar tweederangs goed werd aangeboden tegen afbraakprijzen. Er moet in Nederland een hele branche bestaan die zich toelegt op de vervaardiging van perfect uitgevoerd en toch afzichtelijk drukwerk, van folders die vol staan met luide kleurenplaatjes van goedkope spullen.
Maar waarom ziet dat drukwerk er zo lelijk uit? Waarom zijn de artikelen zelf zo lelijk? Is dat opzettelijk zo gedaan?
Ik heb het hier niet over lelijk als de mislukking van mooi, als het falen van de ontwerper of de kunstenaar. Een lelijk schilderij zit even goed in zijn verf als een mooi werk, het zit hem niet in de lijst of het doek, maar in de maker die het niet mooier kon.
In het Rijksmuseum is nu een tentoonstelling te zien over 'De Lelijke Tijd': meubilair en serviesgoed uit het midden van de negentiende eeuw. Dat was een tijdperk van grote stijlverscheidenheid en eclecticisme. De meeste ontwerpers raakten dan ook danig in de war en dat is aan de tentoongestelde werken af te zien. Elk pronkstuk werd met de grootste toewijding vervaardigd uit de kostbaarste materialen. Op enkele uitzonderingen na zijn de resultaten grotesk en monsterlijk: de voortbrengselen van een bloedschennige stijlvermenging die ook na honderd jaar nog smeken om in gruzelementen uiteen te mogen vallen.
De Lelijke Tijd heeft het nageslacht nog wel erger aangedaan: Het Rijksmuseum zelf, die opgeschminkte klomp baksteen. Maar goedkoop was het allemaal niet en de makers bedoelden het mooi.
Ik heb het over anders lelijk, niet als een ongewild tekort, maar als een bewuste toevoeging. Het gaat mij om een mysterie van de moderne consumptiemaatschappij: heel veel gebruiksartikelen worden met opzet, weloverwogen, met voorbedachten rade lelijk gemaakt.
Uiteraard, om een product goedkoop te houden moet het uit minderwaardig materiaal gemaakt zijn en kan er minder zorg aan de fabricage besteed worden. Daaraan ontleent het zijn technische lelijkheid. Dan is er nog een tweede laag van lelijkte: veel goedkope producten moeten op dure producten lijken, maar dan langs de weg van de minste weerstand: ze hebben veel krullen en veel verguldsel, sierstrips en namaakfineer, schijnbont, imitatieleder en pseudo-merken. Die nabootsingen zijn soms zo goed gelukt dat dure dingen van de weeromstuit op goedkope gaan lijken: dat is leer en zijde al overkomen en dreigt met bont te gebeuren (de dierenbeschermers hoeven de bonthandel niet te bestrijden, ze moeten zorgen dat er nog betere imitaties op de markt komen).
Maar meestal zie je de namaak er toch meteen van af: grover, vlakker, gelijkvormiger. Dat is de imitatieve lelijkheid van goedkope artikelen en ook die is moeilijk te vermijden als iets moet lijken op iets wat het niet is.
Maar er is een derde niveau van lelijkheid en daar gaat het mij om: goedkope dingen worden expres nog lelijker gemaakt. Dat is de derde, de toegevoegde lelijkheid. In de kledingfolder op mijn mat lijken de fotomodellen oude meisjes met diep geplooide konen en tanden zo vlak wit als in een kunstgebit. Een omlijning verraadt hoe de plaatjes zijn uitgeknipt en gemonteerd. Die folder wordt in miljoenenoplaag voor een vermogen verspreid. Zo armoedig, zo keurig net en slodderig tegelijk, dat gebeurt niet vanzelf, daar is aan gewerkt. Er moeten diep in de kelders van reclamebureaus geheime afdelingen zijn waar aan rijen tekentafels de bedervers zitten met de opdracht alles nog wat lelijker te maken.
Waarom gebeurt dat? Of beter, waarom willen mensen die op goedkope artikelen aangewezen zijn, arme mensen dus, lelijke dingen kopen, nog lelijker dan nodig is?
Het zou natuurlijk kunnen zijn dat arme mensen, die vooral ongeschoolde mensen zijn, het onderscheidingsvermogen missen, dat ze het verschil niet zien tussen lelijk en lelijker. Het lijkt me niet.
Ik heb het ze nooit gevraagd, omdat ik dat niet durf. Maar je hoort wel eens wat. Ik denk dat veel arme mensen feilloos kiezen voor lelijke spullen omdat ze vinden dat het bij hen hoort. Ze willen, net als de meeste mensen, hun lotgenoten niet jaloers maken en vooral niet de indruk wekken dat ze zich boven hen verheven voelen. Ze moeten het gezellig houden, en dus passen ze zich bij elkaar aan. Iets wat stijlvol is of gedistingeerd wordt onmiddellijk herkend als een insigne van de naast hogere sociale laag. Wie zich met zo'n onderscheidingsteken vertoont is al een halve verrader: een kapsoneslijder.
Maar als ze allemaal voor mooie kleren zouden kiezen dan zouden hun kleren, al was het maar uit geldgebrek, toch nog altijd minder mooi zijn dan die van rijkere mensen en zouden ze vervallen in een bij voorbaat al verloren concurrentie.
(En dat is precies wat ongeschoolde werkeloze jongeren die mee willen in de jeugdmode overkomt). De toegevoegde lelijkheid is dus noodzakelijk bestanddeel van de saamhorigheid: de sociale solidariteit van binnenuit gezien.
Deze met opzet aangebrachte lelijkheid komt alleen voor bij moderne massaproducten. Bij klederdracht, uniformen en werkkledij is het uitgesloten, want die markeren al meteen het groepslidmaatschap van hun dragers en sluiten alle concurrentie met buitenstaanders uit. Maar confectiekleren suggereren en maskeren een sociale positie. In dat spel zijn lelijke kleren voor arme mensen wel zo veilig.
Maar wie zal zeggen wat mooi of lelijk is? - ik hoor de tegenwerping al. Dat is de vraag die altijd opgeworpen wordt en die het zicht ontneemt op vragen die veel interessanter zijn, en veel pijnlijker.
Abram de Swaan, NRC 24 februari 1996
Abram de Swaan, NRC 2 maart 1996
Het vroor nog en in de straten tochtte een ijzige wind. Alles was schraal en grauw die dag. Toen ik mijn huis uitkwam zag ik kouwelijk een optocht voorbij trekken. Het was te zien dat dit een optocht van arme mensen was. Maar geen protest klonk uit hun rijen op. Zij marcheerden niet in dichte drom maar kuierden met tussenpozen in groepjes voorbij. In de stoet reden bestelauto's en vrachtwagens mee die soms lang moesten wachten tot ergens verderop een onzichtbare stremming was opgelost. In de laadbak van die auto's stonden luidsprekers waaruit gebonk klonk en doffe, schorre stemmen die op gebiedende toon woorden scandeerden als 'Willemien', of ook wel 'Schanke, schanke, schanke'.
Op die maat legden de wandelaars hun route af en wanneer ze de ene auto voorbij liepen en binnen het geluidsbereik van een andere kwamen was er even wat geschuifel en gedrentel op twee maten door elkaar, dan verschikten ze hun pas en stapten voort op de maat van het volgende gebons. Soms passeerde een wagen met geluidsboxen die op volle sterkte niets dan ruis en kraak lieten horen. Dat leek niemand te deren en er werd op doorgewandeld als was het marsmuziek.
Op de laadvloer van de vrachtwagens stonden mensen in dikke jassen waar hier en daar een strook crêpepapier aan hing. Zij hadden zich de een achter de ander opgesteld, de verkleumde handen op de schouders van hun voorganger, en tilden tegelijk het ene en dan het andere been op in een schommelende beweging alsof zij zware zakken een loopplank op moesten dragen. Maar bij gebrek aan ruimte kwamen zij in die laadbak niet van hun plaats.
Het was feest. Boem, boem.
De optocht had te maken met de carnavalsviering, maar een carnavalsoptocht was het niet. Er was niets te bekennen van praalwagens, van woorddronken prinsen, van raadselachtige vermommingen, van reusachtige poppen die zich dreigend naar de omstanders buigen of van meisjes in enkel veren en pailletten die boven een door tractors voortgetrokken landschap zweven, van muziek die niet enkel dwong om in de maat mee te stappen maar die ook zou lokken om de stoet te volgen naar een wenkend en vervoerend feest. Er was geen zang, geen dans, geen sprankje vreugde.
Maar in deze stoet wilde niemand dreigend zijn, of grappig verleidelijk, raadselachtig of ontroerend. Niemand deed zijn best voor wat dan ook. Men stapte voort van de ene maat naar de andere of deinde voort in de laadbak. De meeste feestgangers hadden zich voor de optocht lelijker gemaakt dan ze in hun gewone doen waren. Sommigen hadden een oude kiel of jack aangetrokken, anderen hadden zich gewikkeld in een rol roze schuimplastic waarop ter hoogte van de borst twee rode stippen waren aangebracht, van buiten naakt van binnen aangekleed. Maskers, kostuums, banieren kwamen er niet aan te pas. Alleen de buurtfanfares die voor elke optocht worden opgetrommeld marcheerden kek voorbij, in de pas, in eigen uniform met kolbak en tressen, met dansmariekes langszij, voorop de tamboer majoor met zilveren staf en helemaal achteraan de buurtidioot met zijn kornet.
De feestgangers die deze optocht hadden opgezet wilden niets meedelen, niets uitdragen, niets verbeelden. Ze wilden alleen zichzelf zijn, helemaal en met zijn allen zich zelf zijn. Daar hadden ze verder niets voor nodig, geen kostumering of versiering, of wat voor attribuut dan ook behalve één: een blikje bier. Haast allemaal hadden ze een blikje bier in de hand. Een enkeling schonk uit een zakfles een plastic bekertje vol en keek daarbij guitig om zich heen alsof hij iets deed waar een klein beetje moed voor nodig was en dat bij het publiek zeker vertedering of zelfs bewondering zou wekken.
Ik stond dat zo een tijdje aan te kijken, eerst verwonderd maar al gauw met oplaaiende haat. Die haat verbaasde me. Niemand in die optocht had mij iets misdaan, het evenement bezorgde mij niet de minste last. Maar ik was, begreep ik, ten prooi aan culturele klassenhaat.
Het zou niet moeilijk zijn om met een paar welgekozen snieren die woede op de lezers over te brengen Ik zou dan de term 'armen' (de armen verdienen onze sympathie) moeten vermijden, en schrijven over Nederlanders die nu eenmaal niet weten wat feestvieren is. De lezers zouden meteen begrijpen dat ik met die 'Nederlanders' hen niet bedoelde en ook niet mijzelf, maar andere, mindere mensen. Wij zouden wat gniffelen om hun stijlloos vertoon, ons ergeren aan hun lompe verschijning en pas echt kwaad worden om de wansmaak en het gebrek aan manieren. Wij zouden ons daarin zeer verbonden voelen. Een klasse, ja, maar dan toch een culturele klasse.
Maar er werd daar op straat een heel nieuw mensenrecht opgeëist: het recht om desnoods onbeduidend en onwetend te zijn, om misschien wel onbeschaafd, onbegaafd en nietszeggend te zijn en toch - nee juist daarom - voor een wintermiddag met zijn allen en in het openbaar de aandacht op te eisen.
Dat recht, om zonder enige verdienste toch het middelpunt te zijn was tot nog toe voorbehouden aan heel kleine kinderen en aan koningen. Alle anderen moeten om de aandacht te trekken iets te melden hebben of iets presteren. Maar meer en meer verschijnen 'gewone mensen' op radio en televisie en die gewone mensen doen ook nog 'gewoon'. Tot nu toe moesten ze daarvoor dan wel iets prijs geven, een avontuurlijke belevenis of een familiegeheim, ze moesten erg geleden hebben of veel gewonnen. Maar dat was in die optocht al niet meer nodig, daar hoefde niemand nog iets anders te doen dan gewoon maar mee te lopen.
Het hoogste mensenrecht is het recht op aandacht. Tot nu toe moesten mensen andermans belangstelling verdienen door zich voor die anderen interessant te maken. Maar de oninteressante mensen zijn veruit in de meerderheid en zij zijn het die het overgrote deel van de aandacht opbrengen.
De tijd is gekomen dat zij een evenredig aandeel in de publieke belangstelling opeisen.
Abram de Swaan, NRC 2 maart 1996
Abram de Swaan, NRC 9 maart 1996
Nog nooit sinds de vestiging van de staat Israël zijn de joden zo veilig geweest als in de afgelopen jaren. De laatste keer dat een Arabische staat het land aanviel, tijdens de Golfoorlog, richtte Irak met zijn raketten forse schade aan en bezweek één burger van opwinding aan een hartaanval. Van tijd tot tijd komen Israëlische militairen om bij een schermutseling. Regelmatig vallen door terreuracties burgerslachtoffers: honderdveertig doden en vierhonderdvijftig gewonden in de tweeënhalf jaar sinds het akkoord tussen Israël en de PLO. Alleen al de bomaanslagen in de laatste twee weken kostten zestig mensen het leven en maakten honderdnegentig gewonden. En daarmee is het de fanatici en hun bespelers gelukt om de Israëlische verkiezingen te sturen en het vredesproces te stoppen. De kansen van Peres op herverkiezing lijken verkeken en de terugtrekking van Israëlische troepen uit bezet gebied loopt uitstel en misschien zelfs afstel op.
Dat is erger voor de Palestijnen dan voor de joden. Israël heeft de inwoners van de westoever en de Gaza-strook nauwelijks nog nodig als goedkope arbeidskrachten; immigranten uit Oost-Europa en ex-Communesië nemen graag de opengevallen plaatsen in. De afsluiting van de bezette gebieden schaadt de prille democratie in Palestijns gebied en dat is spijtig voor de vrijzinnige minderheid daar en ook voor de democraten in alle Arabische landen die geregeerd worden door dieven, tovenaars en moordenaars.
In die waanwereld van islamisme, arabisme en nationalisme, waar het altijd weer uitdraait op onderdrukking, uitbuiting en terrorisering van de eigen bevolking, ligt Israël als een terp van recht en rede. De olielanden hebben hun natuurlijke rijkdommen verkwist aan geavanceerd wapentuig en rijkversierde polshorloges en nooit komt er iets nieuws, iets zinnigs uit die streken, behalve een gestaag stroompje vluchtelingen die hier als een vuurkooltje in hun stoof de Arabische en de islamitische beschaving levend houden tot de verdwazing ginds voorbij is. Die tirannieke regimes vormen voor hun eigen bevolking een voortdurende, dodelijke dreiging, voor hun buurlanden een onberekenbaar gevaar, maar Israël heeft eigenlijk nog maar weinig van ze te duchten. Dat machtsevenwicht kan nog verschuiven, maar zo ligt het nu.
In die context verschijnen de zelfmoordaanslagen voor wat ze zijn: sabotagepogingen van buiten spel gezette Arabische dictaturen en wanhoopsdaden van een beweging die door de eigen kiezers al terzijde is geschoven. Maar dat maakt die aanslagen niet minder effectief. Want kennelijk laten de Israëli's zich erdoor van de wijs brengen. Waren ze maar onverschilliger; de heftigheid van hun reacties beloont de daders en lokt nieuwe aanslagen uit. Waren ze maar meer bij het vredesproces betrokken, dan zouden ze juist nu samen met geestverwante Palestijnen opkomen voor een verzoeningspolitiek.
Aan beide zijden opereren op de extreme vleugel de provocateurs. Maar de Arabische dwepers hebben veel meer succes bij de Israëli's dan de eigen, joods orthodoxe fanatici. Toen vier maanden geleden een talmudstudent uit woede over de ontruiming van bezet gebied de eerste minister doodschoot, schaarde het Israëlisch publiek zich van de weeromstuit achter het vredesbeleid van de regering. Maar als een Arabische terrorist een bus vol mensen opblaast uit afkeer van hetzelfde vredesproces dan geven de Israëli's hem achteraf gelijk door zich daar ook van af te keren.
De orthodoxe extremisten willen onder rabbinaal toezicht hetzelfde als de islamitische fanatici onder terroristische leiding; niet een oorlog waarin ze zouden worden weggevaagd en niet een vrede waarin ze hun voorkeursbehandeling zouden verliezen, maar iets daartussenin: een toestand van permanente geweldsdreiging waarin het ene extreem kan verwijzen naar het gevaar van het andere extreem om zich steeds weer voorrechten te laten toedelen.
De joodse fanatici zijn het probleem van de joodse staat en de Moslim terroristen zijn de zorg van de Palestijnen. Beide volkeren hebben moeite met de demobilisatie van hun extremisten en beide gaan een confrontatie uit de weg met de dwepers die zo lang het kwade geweten van de gematigde meerderheid wisten te bespelen.
De terreur van Hamas is ook een affront voor de Palestijnen die toch in vrije verkiezingen hun steun voor het akkoord hebben uitgesproken en de militante stroming hebben afgewezen. Nu moet dus de Palestijnse autoriteit in de bestrijding van de terroristen haar gezag en slagkracht aantonen en bewijzen dat ze tot een staat kan uitgroeien.
Maar is er wel iets te beginnen tegen terreur, en helemaal tegen acties waarbij de dader ook zichzelf vernietigt?
In islamitische landen worden dode terroristen voorwerp van devotie en die aanbidding trekt weer navolgers onder eerzuchtige jongeren. Anoniem sterven willen ze niet, want het gaat hun om de glorie. Maar voor de postume adoratie van de martelaars moet hun identiteit worden onthuld en daarmee wordt ook hun familie bekend. Tot nog toe is tegen de nabestaanden zelf niets ondernomen. Daar is ook geen enkele rechtsgrond voor, maar wel enige aanleiding. Want het vooruitzicht dat hun familieleden kwetsbaar achterblijven kan de martelaren afbrengen van hun drieste voornemens.
Het is voor moderne staten helemaal niet onmogelijk om een eind te maken aan het terrorisme. Maar landen als Engeland, Spanje of Israël accepteren een zekere mate van terreur omdat ze willen vasthouden aan de beginselen van de rechtsstaat. Vervolgens wordt regelmatig aan die principes gemorreld in de praktijk van de terreurbestrijding. Maar dat gebeurt net zo goed vanwege een principe: mensen die willekeurig mensen doden moeten bestreden worden. Ook dat is een verheven beginsel; de rest is afweging.
Abram de Swaan, NRC 9 maart 1996
Abram de Swaan, NRC 16 maart 1996
'En dan gaan we nu weer door met ons programma Beet!' Tudotuditudidu. Ring!.
'De telefoon gaat over. Ja. Goejemmmmmmmmmmmmmo eh middag... Dit is Beet! het radiomiddagpraatprogramma voor het hete nieuws en de koele babbel. Dag meneer de Swaan. Joer on die èr. Heeft u even een momentje?'
- Nou eh...
'U gaat een stukje schrijven in het NRC, nietwaar?'
- Eh... Hoezo?
'Juist ja. En dat wordt deze keer een stukje over de radioverslaggeving.'
- Hoe komt u daar nou bij?
'Voor u een vraag, voor mij een weet. De vrije nieuwsgaring zullen we maar zeggen. Je hoort wel eens wat van deze of gene. En zo is het dus alweer bekend dat u over de radio aan het schrijven bent.'
- Maar ik ga helemaal geen stukje schrijven over radioverslaggevers.
'U ontkent dus?'
- Eh...ja.
'En u blijft glashard ontkennen!'
- Het was zelfs nog helemaal niet bij mij opgekomen.
'Wij hebben aanwijzingen, ik mag wel zeggen zeer sterke aanwijzingen dat u een stukje gaat schrijven over radioverslaggeving. En wel een heel kritisch stukje. Om niet te zeggen een frontale aanval op de Nederlandse radioreporter.'
- Ik weet van niets.
'U weet van niets. Maar moet u in uw vak dan niet van de feiten uitgaan, net zo goed als iedereen? Als u van niets weet kunt U toch niet zomaar in het wilde weg wat aantijgingen tegen de bonafide Nederlandse radioverslaggeving op gaan schrijven. Of houd u het erop dat er allicht altijd wel iets van zal blijven hangen, ook al is er niks van aan. Zo van Waar rook is is vuur, nietwaar?'
- Tja, dat zeggen de mensen wel eens.
'En u gaat er dus van uit dat wat de mensen zeggen, dat je dat zo maar voor zoete koek kunt aannemen en zonder meer voor waar in de krant kunt zetten.'
- Nou, nee dat zult u mij niet horen zeggen.
'Dat wilt u niet gezegd hebben. U slikt het dus in. U krabbelt terug! Dus u trekt uw mening in dat het met de radioverslaggeving in dit land - en ik citeer! - dat het met de radioverslaggeving in dit land droef gesteld is.'
- Maar meneer, dat is mijn mening helemaal niet. Ik heb helemaal geen mening over radio, ik heb er eerlijk gezegd nog nooit bij stil gestaan.
'Dan roept u dus gewoon maar wat in die stukjes van u, kijken of de mensen reageren, vuurtje aanwakkeren, lekkere rel trappen, terwijl de jongens van de radio voor dag en dauw al met microfoon en recorder van hot naar her door het land trekken om de vinger aan de pols te houden voor het Nederlands publiek. Met plezier en hart voor de zaak hoor, daar niet van.
Dit is Beet! een radiomiddagpraatprogramma voor het hete nieuws en de koele babbel. Jet, mag ik even de jingle.' Fluut fluut fluut. Tiede tiede bom. Fluut fluut.
'Beet! Luisteraars we zijn rechtstreeks verbonden met de hoofdstad, en daar in het hart van Amsterdam hebben wij live verbinding met Abram de Swaan die op dit zelfde ogenblik vanuit zijn comfortabele werkkamer een nietsontziende, keiharde aanval aan het schrijven is op de radioverslaggeverij in Nederland. We gaan hier met hem in de slag. Nu. Voor de microfoon. Aan de telefoon. Keihard, máár fair èn sportief. Dis-cussie!
Abram, de radioverslaggeving die moet worden afgeschaft, ja of ja?'
- nou, nu u het zo zegt...
'Ja?'
- ik kan me indenken...
'Voor de draad ermee!'
- het is uiteraard een métier met zekere ingebouwde beperkingen, het is niet altijd mogelijk...
'Dus: weg met de praatradio?'
- om amusement, meningsvorming en nieuwsvoorziening...
'Wat gaat het worden? Het een of het ander? Recht voor zijn raap. Afbreken die handel? Dus de radioreporters de laan uit, want daar komt het toch op neer. Ontslag op staande voet voor zevenhonderd tweeëntwintig keihard werkende collega's en collego's. U neemt nogal een verantwoordelijkheid op zich.'
- Maar meneer, ik heb van mijn levensdagen nog nooit wat beweerd over radioverslaggevers. Niets goeds, niets kwaads, helemaal niets. Niemendal.
'Ondertussen bent u toch maar mooi bezig om de radioverslaggevers systematisch af te schilderen als luidruchtige domoren, kletsmajoors die de mensen uit hun tent proberen te lokken, enkel en alleen om meteen hun woorden te verdraaien.'
- Ik zeg niets meer.
'Nee dat hoeft ook niet, want u laat mij het vuile werk opknappen.'
- Ik ga ophangen.
'O nee. Ons kent ons. U hangt niet op vóór u uw stukje af hebt.'
- Maar, voor het laatst meneer, ik schrijf helemaal geen stukje over radio.
'En dat wou u nog steeds volhouden? U heeft wel lef.'
- Het is dat ik niet onbeleefd wil zijn tegenover uw luisteraars, maar ik ga nu toch echt afbreken.
'Dan gaan we er nu uit. Ik wens uw lezers nog veel leesgenoegen. En u bedankt voor de medewerking.'
- Niets te danken. Graag gedaan.
'Dit was Beet!'
Fluut fluut fluut. Tiede tiede bom. Fluut fluut.Abram de Swaan, NRC 16 maart 1996
Abram de Swaan, NRC 23 maart 1996
In de Verenigde Staten, waar veel gevlogen wordt, is het luchttransport een zinkend cultuurgoed. Dat klinkt al onheilspellend, maar het komt erop neer dat tegenwoordig Jan en alleman maar het vliegtuig neemt. Daarmee daalt het vliegverkeer in aanzien. De rangorde van transportmiddelen begint onderaan bij bus en trein, dan volgt fiets, taxi, eigen auto, vliegtuig en, helemaal bovenaan, privé-vliegtuig. Dat is de Amerikaanse volgorde. In Nederland staat de alomtegenwoordige fiets het laagst en komen taxi's nog boven eigen auto omdat ze zo duur zijn.
Wie in Nederland het vliegtuig neemt is al op weg naar verre buitenlanden. In de VS zijn de meeste vluchten binnenslands, en voor heel veel passagiers gaat het gewoon om woon-werkverkeer. Van de weeromstuit zijn vliegtuigen een soort bussen geworden, luchtbussen, even krap, ongemakkelijk en onvoorspelbaar. Zelden vertrekt een binnenlandse vlucht op tijd en er hoeft maar dàt te gebeuren om het hele rooster overhoop te halen. Als het hard regent of zachtjes sneeuwt, als er een zon- of feestdag aankomt, of als er waar ook ter wereld terreuralarm geslagen is, dan is het luchtverkeer in Amerika meteen geheel van slag.
En als er helemaal niets aan de hand is, dan is het ook in de war. Daar is altijd wel een goede reden voor te bedenken. In zijn dwingende eenvoud is het beste excuus dat deze vlucht verlaat is omdat de vorige vlucht ook al te laat aankwam. Dit verwijst naar het leerstuk van de erfvertraging waarin alle laatkomers nog steeds het Eerste Uitstel uitboeten. Maar meer verlichte denkers menen dat het komt omdat de oerknal al een half uur te laat kwam.
Toen ik per taxi keurig op schema op O'Hare gearriveerd was kondigde de grondstewardess achteloos een vertraging van een half uur aan. Het vertrek werd vervolgens met drie schijven van een half uur opgeschoven en de verontschuldigingen wonnen daarbij geleidelijk, niet zozeer aan overtuigingskracht, maar toch aan overredingswil. Eerst hield men het nog op algemene redenen: 'Vanwege technische omstandigheden...' Dit roept het beeld op van een technicus die gehaast in de bedrading prikt, opgejaagd door een nerveuze piloot. Abstracter nog was de verklaring: 'Due to operational reasons...', waarbij niemand zich iets kan voorstellen, maar wat toch vagelijk militair en gewichtig klinkt. Na een uur kreeg het excuus narratieve structuur: 'Het toestel komt uit Mexico, moest bijtanken in Houston en daarna nog worden ingeklaard ('decustomized', zei ze) in La Guardia. Mij leek het dat al deze tegenvallers minstens een jaar tevoren te voorzien waren geweest, maar ze werden daar met frisse ootmoed opgedist.
Wanneer zo het ene uitstel achter het andere wordt gekoppeld begint zich in de wachtruimte een versnelde verwording te voltrekken. Je ziet voor je ogen de passagiers om je heen verleppen. Het gezinsdecorum brokkelt af. De enscenering van het liefhebbend ouderpaar met hun schattebout van een dochtertje was op hooguit een uur berekend en nu zet een verjengeling in waarbij warempel opeens een moederhand naar een kinderoor uitschiet. Liefdespaartjes blijken na een half uur al uitgezoend en wat erger is, na anderhalf uur volledig uitgepraat. Sommige reizigers hebben zich in bochten, lussen en knopen over de stoelen geplooid en houden zich slapend. De afvalbakken raken vol, de dozen van Pizza Hut en MacDonalds liggen over de vloer, popcorn knispert onder de vermoeide voeten. De gezichten beginnen van kleur te verschieten als de fijne vleeswaren die al enige tijd in de uitstalling van een snackbar hebben gelegen, een verdroging en verkruimeling treedt op aan de rand van mond en ogen, de vingers, haren en oren vergroezelen. Al na een uur of twee ziet de wachtruimte eruit als een vluchtelingenkamp, door de hulpverleners opgegeven, bedreigd door cholera en banditisme: ongetwijfeld een voorproeve van de rampen die deze samenleving nog te wachten staan.
Maar eindelijk verwaardigt het toestel zich toch om op te stijgen. De passagiers worden gesommeerd om zich in rijen op te stellen in volgorde van plaatsnummer. Bij het instappen gaan eersteklas en business passagiers voor, daarna volgen ouden van dagen en moeders met kinderen, dan pas zijn gezonde volwassenen aan de beurt: exact de volgorde waarmee de opvarenden van de zinkende Titanic de reddingsboten ingestuurd werden.
Mak en mokkend worden de passagiers het vliegtuig ingedreven. Maar eerst wordt nog een kleine territorium oorlog uitgevochten: de reizigers proberen zoveel spullen als ze kunnen met zich mee de cabine in te slepen, de rijksten omdat ze bij aankomst niet op hun bagage willen wachten en de armsten omdat ze in grote plastic tassen en kartonnen dozen van alles en nog wat meezeulen voor hun familie ginds. De kunst is nu dat allemaal in de bagagevakken te proppen. Als daarin geen ruimte meer is moet vlug andermans mantel worden verfrommeld of een sporttas leeggeschud om voor eigen spullen plaats te maken.
Eenmaal gezeten dienen de passagiers zichzelf in hun stoel te knevelen en af te wachten of ze nog toestemming krijgen om van hun plaats te komen. Nooit en nergens werd vrijheidsberoving zo duldzaam ondergaan.
Net nu lees ik in de krant dat regelmatig passagiers in opstand komen, het personeel de huid vol schelden of een stewardess aanvliegen. Daar blijken zware straffen op te staan. Maar meestal maakt de vliegmaatschappij er geen zaak van. Men wil het vliegend publiek niet op een idee brengen.
Maar hoe heeft het ooit zover kunnen komen in deze toch zo welvarende en verlichte samenleving? Daar is een antwoord op: dit is allemaal het gevolg van de deregulatie, de ontregeling waarmee het luchtverkeer werd uitgeleverd aan het mechanisme van de vrije markt.
En vergeet niet: hoog boven dit alles spoeden zich in hun particuliere straalvliegtuigen geheel onbelemmerd de rijken en de machtigen naar hun gewichtige bestemming.Abram de Swaan, NRC 23 maart 1996
Abram de Swaan, NRC 30 maart 1996
Al een paar nachten lig ik te lezen in een onweerstaanbaar spannend boek: The coming plague van Laurie Garrett (Penguin, ¦33,90). Het gaat over de onverwachte opkomst van besmettingsziekten, juist nu de mensheid meende daar voorgoed van verlost te zijn.
Al duizenden jaren geleden hebben de mensen de strijd met alle andere roofdieren gewonnen. Voortaan hadden mensen geen macroparasieten meer te duchten, alleen nog hun eigen soort. Zo'n vijfentwintig jaar geleden dacht men dat de strijd tegen de microparasieten ook gestreden was: de pokken waren uitgeroeid, polio verdwenen, tb bedwongen, malaria gesmoord, en venerische infecties konden gemakkelijk verholpen worden met antibiotica.
Voortaan maakte men zich andere zorgen: over het milieu en over degeneratieve ziekten, zoals hartkwalen en kanker, die te maken moesten hebben met de vervuiling en met de slechte gewoonten van het modern bestaan. Ook in ander opzicht bleek de mens zelf zijn ergste vijand: in de auto-immuunziekten waarbij het afweerstelsel de eigen lichaamsstoffen niet als eigen herkent maar ze als vreemde elementen begint af te breken. Meer en meer ook worden erfelijke aandoeningen gevreesd, die steeds beter en steeds eerder worden opgespoord, maar daarmee nog niet geneselijk zijn. Besmettingsziekten werden beschouwd als een aflopende zaak. Een paar inentingen in de eerste levensjaren en nog eens een prik bij vertrek naar verre, warme landen, dat leek genoeg voor levenslange, afdoende bescherming.
Dat is dus anders gelopen. Ziektekiemen blijken zich heel snel en effectief te kunnen aanpassen aan hun bestrijders. Te pas en te onpas worden antibiotica toegediend, heel vaak wordt de kuur niet afgemaakt wanneer de symptomen eenmaal verdwenen zijn: sommige micro-organismen slagen er dan ook in om die halve maatregelen te overleven. Het zijn deze, meest aangepaste, varianten die zich vermenigvuldigen. In een volgende confrontatie worden opnieuw de stammen met de meeste weerstand uitgeselecteerd. Zo zijn nu heel wat ziekteverwekkers terug van weggeweest: er zijn malariaparasieten, tuberkelbacillen, streptokokken en staphylokokken die elk bestrijdingsmiddel kunnen weerstaan.
Maar er doen zich ook geheel nieuwe besmettingsziekten voor. Sommige ziektekiemen bleven tot nu toe onopgemerkt in kleine, geïsoleerde gemeenschappen, en hun menselijke dragers waren er in de loop van de tijd tamelijk immuun voor geworden. Andere micro-organismen houden zich schuil in diersoorten die met de mens verwant zijn of die met mensen samenleven. Door mutaties of door een plotselinge verandering in de omstandigheden raken ze verbreid onder mensen die er geen weerstand tegen konden opbouwen en dan grijpt een nieuwe epidemie om zich heen. Oorlog, prostitutie, het gebruik van besmette injectienaalden door artsen en verslaafden hebben zo het HIV-virus over de wereld verbreid.
Laurie Garrett heeft over die nieuwe en teruggekeerde plagen een adembenemend boek geschreven: ze laat de lezers puzzelen en griezelen met een reeks volmaakte misdaadverhalen waarin de boosdoeners dit keer de microparasieten zijn, en ook, telkens weer, de autoriteiten: laf, leugenachtig en kortzichtig.
Dezer dagen wordt buiten haar om een nieuwe aflevering aan de reeks toegevoegd: onverwacht is het vermoeden gerezen van een samenhang tussen een runderziekte, bovine spongiforme encephalopatie ('gekkekoeien ziekte') en een zeldzame hersenziekte bij mensen: Creutzfeldt-Jakob. Hoe die overdracht werkt is onbekend, de incubatieperiode kan vele jaren duren en statistische gegevens ontbreken tot nog toe volstrekt. Een risicoberekening is dus onmogelijk, er zijn alleen veronderstellingen en onzekerheden. Maar de gebeurtenissen doen onheilspellend denken aan de beginfase van de aidsepidemie. Hopelijk loopt het dit keer beter af.
Tegen alle adviezen van deskundigen zijn de consumenten een kopersstaking begonnen. Rundvlees eet je immers voor je plezier en als je bij het kauwen steeds maar aan hersentering moet denken vergaat je allicht de eetlust. Alleen daarom al is die afwijzing van Brits vlees begrijpelijk: de smaak is er af. Dan zijn de gezondheidsrisico's nog niet eens aan de orde.
De Britse regering heeft nu besloten alle oude koeien te 'vernietigen', maar ze leven nog en moeten eerst gedood worden. Als reden wordt niet de zorg om de volksgezondheid opgevoerd, maar de 'vertrouwenscrisis' onder de consumenten. Dat is onhebbelijk. De regering meent blijkbaar dat de burgers nu al hun verstand verloren hebben en dat hun daarom maar een brandoffer gebracht moet worden van honderdduizend of desnoods een miljoen koeien.
Maar zo is het niet. De burgers geloven de regering niet en ze geloven de geleerden die zijn opgetrommeld als getuigen niet. Daar hebben ze gelijk aan. Bij eerdere bedreigingen van de volksgezondheid hebben gezagsdragers en deskundigen zich de kop van de romp gelogen: over de kernramp bij Chernobyl, of over het met HIV-virus besmette transfusiebloed.
Ook nu gaat het om zulke onvoorspelbare eventualiteiten. Er doet zich een heel kleine mogelijkheid voor van een heel groot ongeluk. Daar weet het gevoelsleven niet mee om te gaan: voor het gevoel is een mogelijk ongeluk òf nu al een zekerheid, òf volstrekt en voorgoed uitgesloten. Tussen die uitersten slaat de wijzer van angst en loochening wild heen en weer. Daar helpt geen professor of minister aan.
Iets zegt mij dat dit brandoffer van talloos vele runderen de goden niet welgevallig is. Laat ze toch grazen. Het vertrouwen van het publiek wordt niet met rundermoord hersteld, maar door eerlijke, belangeloze, onafhankelijke deskundigen en een onomkoopbare, onvermurwbare, al even onafhankelijke keuringsdienst. Dat kan nog even duren.
Abram de Swaan, NRC 30 maart 1996
Abram de Swaan, NRC 6 april 1996
Goedkope spullen zien er lelijk uit omdat ze uit minder materiaal haastig in elkaar geflanst zijn: dat is hun technische lelijkheid. Ze zien er vaak ook slecht uit omdat ze moeten lijken op iets wat ze niet zijn, iets anders, iets beters: dat is hun imitatieve lelijkheid. Maar ik heb hier al eens beweerd dat er ook een toegevoegde lelijkheid bestaat: goedkope dingen worden door de fabrikant met opzet nog wat lelijker gemaakt. Dat gebeurt omdat de kopers met hun pas gekochte spullen geen afgunst willen wekken bij hun gelijken en geen jaloezie bij rijkere mensen.
Maar is dat wel zo?
Ik ben er nog niet zo zeker van. Misschien is er voor alle toegevoegde lelijkheid wel een technische verklaring te vinden en blijkt dat die lelijke details inderdaad de productiekosten verminderen en dus niet omwille van de lelijkheid waren aangebracht. Zoiets moet uit te zoeken zijn door technische specialisten en bedrijfseconomen.
Maar wat als toch zou blijken dat er lelijke kantjes aan een product zitten die helemaal niet kostenverlagend werken. Zijn die dan met opzet toegevoegd om het nog lelijker te maken? Zo'n vlekkerig pantermotief in plaats van een helder grafische zebrastreep, wie zal zeggen of dat lelijker is?
Niemand toch?
Laat ik het dan maar doen: Pantervlek is lelijker dan zebrastreep.
Toegegeven, gezaghebbend ben ik niet in diermotieven, laat staan in kwesties van mooi of lelijk in het algemeen. Er zijn wel mensen met een toonaangevende smaak die met de zekerheid van een slaapwandelaar tot hun oordeel komen: modeontwerpers, museumdirecteuren; maar die geven nooit een omschrijving van hun maatstaven. Dat is ook meer een taak voor filosofen die zich in het bijzonder met de esthetica bezig houden. De weinigen die zich daarin specialiseren zullen over zulke vragen geen uitsluitsel bieden want dat wordt veel te moeilijk als je er een keer voor gestudeerd hebt.
Als er dus al details in een goedkoop product worden ontdekt die niet te verklaren zijn als kosten besparend, dan moet nog worden aangetoond dat ze het ding niet verfraaien maar juist lelijker maken en daarvoor ontbreekt een alom aanvaard criterium.
Maar stel, een aantal mensen met kijk op ontwerpen zou concluderen dat aan goedkope massaproducten inderdaad regelmatig lelijkheid wordt toegevoegd, dan was dat toch een ontdekking van formaat, van minstens evenveel belang als de vondst van nog een mu-boson of van een zoveelste ziekte-gen.
En toch, als dit belangrijk feit zou worden aangetoond, dan zou driekwart van de lezers reageren met de verzuchting dat ze dat allang wisten en dat je maar één keer hoeft te gaan winkelen bij de prijzenkraker of de stunthal om dat op te merken. Maar nu ik dit hier zomaar uit mijn blote hoofd opschrijf weet datzelfde driekwart van de lezers dat ik er volkomen ongelijk aan heb.
Er is nog een verschil met de natuurwetenschappen. Niemand weet vóór de ontdekking of zo'n elementair deeltje en zo'n ziekmakend gen bestaan. Maar wie weet zijn nu in geheime kelders ontwerpers in het diepste geheim doende met de verlelijking van het Nederlandse productenpakket. Eén enkele bekentenis of zelfs maar een anonieme brief (met veelzeggende ontsierende details) zou de ontraadseling al een eind op weg helpen.
Zelfs als het verschijnsel van de Toegevoegde Lelijkheid eenmaal onomstotelijk is aangetoond, dan nog blijft het pure speculatie om te beweren dat arme mensen lelijke spullen kopen om zo jaloezie en afgunst in hun omgeving te vermijden.
Misschien willen ze wel iets heel anders bereiken. Misschien vinden ze voorwerpen waarvan inmiddels objectief zal zijn vastgesteld dat ze onnodig lelijk zijn wel mooier. Dat zou dan kunnen liggen aan hun voedingsgewoonten of hun bloedsuikerspiegel of hun beperkt scholing, het zou zelfs een nevenwerking kunnen zijn van het gevreesde armoede-gen (dat ongetwijfeld snel ontdekt zal worden zodra het biologisch onderzoek geheel geprivatiseerd is en zich eindelijk kan aanpassen aan de noden van de vrije markt).
Er zit ook iets vervelends in die beschouwingen over arme mensen: alsof het over een heel ander soort wezens gaat die zelf niets hebben bij te dragen aan de discussie die over hen, zonder hen, gevoerd wordt. Maar bijna alle sociaal-wetenschappelijk onderzoek gaat over arme en zielige mensen. Alleen heten die dan anders en een lange reeks verhullende termen moet het feit maskeren dat zij en de onderzoekers niet sociaal gelijk zijn aan elkaar. Uiteraard zijn de onderzoekers weer de minderen van rijke, aanzienlijke en machtige mensen. Maar die kijken wel uit om zich te laten onderzoeken, die hebben helemaal geen tijd voor vragenlijsten en gooien de enquêteurs gelijk het huis uit. Machtige en rijke mensen hebben zelf onderzoekers in dienst die van nog weer andere mensen nagaan wie wel wat harder kan werken en wie nu aan de beurt is voor ontslag.
Armoede is maatschappelijk tekort, om het even aan wat: aan geld, gezondheid, onderwijs, woonruimte, zeggenschap, prestige, en, waarom eigenlijk niet, ook aan liefde. Maar ik zou meer willen weten van iets anders dat om arme mensen hangt, de lelijkheid. 'De esthetiek van de marginalisatie' zou dat komen te heten in het modern idioom, in dat jargon dat alles interessant maakt en alles verhult.
Met de zekerheid van een slaapwandelaar weet ik dat de spullen voor arme mensen nog lelijker gemaakt worden dan nodig is en dat zij ze ook daarom kopen. Maar tijdens mijn wakkere uren kan ik daar niets van bewijzen.
Abram de Swaan, NRC 6 april 1996
Abram de Swaan, NRC 13 april 1996
De universiteit is er om kennis bij te brengen die te moeilijk, te saai en te nutteloos is om zelfstandig te leren. Bijna alles kun je ook wel ergens anders te weten komen. Als het om nuttige leerstof gaat, zoals Eerste Hulp Bij Ongelukken of kleine reparaties in en rond het huis, dan is daar altijd wel een cursus of een leerboek voor. En als het niet te saai is en ook niet al te moeilijk, dan staat het wel in de krantenbijlagen die in de loop van een week het hele universum van wetenswaardigheid bestrijken. Daar hoeft niemand voor naar college.
Sommige vakken die aan de universiteit worden beoefend hebben desondanks enig nut. De medische studie kan ooit nog van pas komen, als iemand opeens niet goed wordt en er is geen dokter in de buurt. Maar dat praktisch nut is een vrij recente toevoeging. Tot voor honderd jaar was medicijnen nog een echt universitair vak, dat moeilijk was en tamelijk saai en dat in de praktijk zijn onbruikbaarheid bewezen had.
Sindsdien zijn enkele doeltreffende geneeswijzen en werkzame geneesmiddelen ontwikkeld, maar niemand heeft eraan gedacht het medisch onderwijs discreet van de universiteit te verwijderen en onder te brengen waar het nu, net als alle andere nuttige vakken, hoort: bij het hoger beroepsonderwijs.
Ook rechten hoort eigenlijk niet aan de universiteit, het is zeker saai genoeg, maar iets te makkelijk en veel te nuttig, voor juristen. Als de maatstaven strikt worden toegepast doorstaat maar één vak de toets: de filosofie, moeilijk, vervelend en nutteloos, en dus door en door universitair.
Er zijn vakgebieden die ook al onverwacht en onbedoeld nuttige kennis opleveren, zoals de natuurkunde of de sociologie. Maar fysici laten die toepassingen over aan ingenieurs en technici, die elders worden opgeleid en sociologen laten de praktijk aan maatschappelijk werkers, die gevormd worden aan hogescholen.
Als het niet saai, nutteloos en moeilijk is heb je de universiteit er niet voor nodig. En waarom zou iemand het zichzelf aandoen om saaie, nutteloze en moeilijke dingen te leren? Dat die kennis saai, onnut en moeilijk is, maakt haar nog niet zinvol of van waarde. Maar wel bevat alle waardevolle wetenschap saaie, moeilijke en onnutte elementen.
Als elke schakel in een redenering simpel was, als iedere fase in een onderzoek amusant zou zijn, als iedere volgende stap iets bruikbaars opleverde, dan kwamen mensen er al gauw vanzelf wel op. Er is in alle gevestigde wetenschappen iets dat je alleen maar met een omweg, met uitstel, door inleiding en inwijding kunt leren. Ik denk dat het in de natuurkunde te maken heeft met een begrip voor afstand en omvang van meson tot kosmos en ik vermoed dat het in de biologie gaat om een gevoel voor tijd, voor de miljarden jaren waarin de evolutie zich voltrokken heeft. Maar dat kun je niet rechtstreeks leren, daar moet je in groeien. Dat gaat moeizaam en er is moeite voor nodig.
In de sociologie draait om het inzicht dat mensen met elkaar samenlevingen vormen en samenlevingen weer de mensen vormen die er deel van uitmaken. Het kan anders, misschien zelfs beter gezegd worden, maar daarmee wordt het nog niet beter begrepen. Daarvoor is kennis nodig van talloze maatschappelijke constellaties en van een reeks theorieën die de wisselwerking nader omschrijven. Veel daaraan is nogal vervelend, weinig is dadelijk bruikbaar, geen onderdeel is op zich erg moeilijk, maar een inzicht in de samenhang is moeilijker dan in elk ander vak.
Waarom zou iemand in zo'n wetenschap willen worden ingewijd? Het is dat het me nooit gevraagd wordt, maar wat moet je anders doen als je nog zestig jaar bij je verstand te leven hebt, dan je een wetenschap of anders wel een kunst eigen maken die je voor de rest van je bestaan bezig kan houden?
Een voldragen wetenschap is een levensbeschouwing. Je kunt de wereld natuurkundig zien, je kunt biologisch leven, je kunt een economische bestaansvisie hebben en de psychologische beginselen aanhangen. Ik leef vanuit historisch-sociologische grondslag.
'- En bevalt het?'
Ik kom erop, omdat een rare onwaarachtigheid zich in de universiteiten verbreidt. In een wanhoopspoging om studenten te lokken doen de universiteiten zich lollig en gemeenzaam voor. De Vrije Universiteit adverteert met een leesplank en de Universiteit van Amsterdam koketteert in de reclame met het grotestadsleven. De universiteiten willen de 'studeerbaarheid' vergroten. Ze paaien studenten met studies die een goede baan, of tenminste een baan in het vooruitzicht stellen. Dat zijn een soort beroepsopleidingen en wie er zo een heeft voltooid is daarna alleen geschikt als vrijetijdsexpert of media-adviseur of personeelschef of beleidsambtenaar en als in die vacatures eenmaal is voorzien door de vorige lichting studenten leidt zo'n studierichting alleen nog op voor blijvende werkeloosheid, en volgt noodzakelijk alsnog de algehele omscholing.
De studenten die straks aankomen zullen in hun leven nog vaak van baan veranderen, ze zullen lange tijden zonder werk zitten en zich meer dan eens in een heel andere werkkring moeten inwerken. Ze zullen waarschijnlijk geen armoede lijden, maar soberder moeten leven dan hun ouders. De meesten zullen minder geld en meer tijd hebben dan vorige generaties.
Op zo'n toekomst moet je je niet voorbereiden met een smalle, strak geregisseerde opleiding die geheel gericht is op een beroep waar nu nog vraag naar is maar over drie, vier jaar waarschijnlijk al niet meer. Je moet kiezen voor vorming in een wetenschap die veel te moeilijk, te saai en te onnut is om ooit nog te leren nadat je studietijd voorbij is, maar die je wel een leven lang bezig houdt en bij blijft. Daarna kun je nog altijd een beroepsopleiding volgen. Want die wetenschappelijke wereldbeschouwing, die heb je dan al.
Abram de Swaan, NRC 13 april 1996
Abram de Swaan, NRC 20 april 1996
Elke keer word ik door een rare schaamte ervan weerhouden om te schrijven over de universiteit, want daar werk ik. Ik weet het, dat komt in de beste kringen voor. Maar ik heb er mijn belangen en dan hoor je daarover niet te schrijven, vind ik blijkbaar en nu ik weet dat ik dat vind, vind ik het niet meer.
In deze krant werd kort geleden het rapport van een Leidse commissie aangehaald die het onderzoek aan vijf faculteiten had beoordeeld van dubbelplus tot dubbelmin. Ook over de wijsbegeerte was het gezelschap tot een oordeel gekomen: Het was 'kleinschalig en nogal gefragmenteerd'. Dat was geen aanbeveling. Maar doen filosofen eigenlijk wel onderzoek? Of zitten ze gewoon wat te lezen, denken eens na en schrijven in het beste geval af en toe iets op. Zou dat nu echt beter gaan in programmatisch groepsverband waarin elke medewerker honderd pagina's Heidegger krijgt toebedeeld en daarover per kwartaal in vijftien bladzijden rapporteert?
Toch wordt al twintig jaar zulke groepsvorming haast dwingend opgelegd van hoger- en van lagerhand. Hogerhand vindt dat een mooi gezicht, alles opgedeeld in teams, het hele stelletje compleet, allemaal met een program aan het begin en een verslag aan het eind. Lagerhand wil dat ook, want wie niet in een groep zit verliest zijn bescherming en kan worden weggeorganiseerd. Zo trekt iedereen zijn papieren schermen op en gaat daarachter min of meer zijn eigen gang. Dat is maar goed ook, want de paar keer dat mensen andermans gang gaan, zijn de resultaten er ook naar.
Maar het echte gevaar in al deze pseudo-ordening is de onontwarbare verstrengeling van belangen. Elke groep moet onderzoeksgelden werven, hoe meer subsidies hoe hoger de groep staat aangeschreven. En de hoogst aangeschreven groep krijgt weer de meeste fondsen. Geen wonder dat de voorzitter van de Leidse commissie over de beoordelingsmaatstaven beweert: 'De wegwijzers wezen gelukkig toch meestal dezelfde kant uit.' Een gave cirkelredenering - de ene beoordelaar gaat af op het oordeel van de andere instantie, die nu net het eerste oordeel had overgeschreven.
Dit lijkt allemaal heel modern: stroomlijning, evaluatie, marktgevoeligheid. Maar het onderzoeksbeleid is voor de meeste wetenschappen op zijn best irrelevant en op zijn ergst destructief. Al die organisatie en programmering is nergens voor nodig in de geestes- en maatschappijwetenschappen. Toch draait de schroef onstuitbaar verder en niemand die zich er nog tegen verzet.
De verliezers klagen niet uit vrees om voor wrokkige onbekwamen te worden aangezien en de winnaars zeggen niets omdat alles naar hun zin gaat. Ik heb wel eens verloren en ik heb wel eens gewonnen.
Vreemd genoeg is dit streven naar ordening van het wetenschappelijk onderzoek zelf niet op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd. Het is het resultaat van een kongsi van ambtenaren en bestuurders met gezaghebbende geleerden die in dat beleid werden bevoordeeld en het op hun beurt met hun wetenschappelijk prestige politiek aanzien verschaffen. Ook de voorkeur voor 'toponderzoek' en 'speerpuntprogramma's' dient enkel de gevelversiering. Het komt erop neer dat werk dat internationale waardering verwerft ook binnenlands de voorkeur krijgt. Maar die internationale reputatie wordt vooral door Amerikaanse tijdschriften toebedeeld. Voor de exacte wetenschappen is dat minder bezwaarlijk dan voor de sociale wetenschap, die toch ook nationale of regionale interesses moet volgen en veel meer aan de eigen taal en de eigen stijl gebonden is. En waarom met het allemaal zo top zijn, zo spectaculair, zo prestigieus? Het is misschien wel beter om bescheiden en beperkte onderzoekingen te steunen, als ze maar gedegen zijn en goed doordacht. Ik preek een beetje tegen eigen parochie, want mijn domein is de transnationale samenleving en niets minder dan het wereldstelsel.
Als er één manier is om de kwaliteit van het onderzoek te verbeteren, dan is het door de onderzoekers met rust te laten. Maar het stelsel dat nu heerst bereikt precies het omgekeerde: juist de beste, meest belovende geleerden wordt de kop gek gemaakt met alle mogelijke rapportages, subsidieaanvragen, adviseursfuncties en commissieklussen.
Zelfs het kleinste onderzoek is naar zijn aard al onoverzichtelijk en de resultaten zijn onvoorspelbaar. Als ze voorspelbaar waren zou het geen zin hebben om eraan te beginnen. Meestal weet je van tevoren niet wat je moet lezen en ook niet hoe je aan je gegevens moet komen, niet eens welke gegevens nodig zijn. En het staat vooraf ook niet vast met welke collega's je het best kunt overleggen.
Het ligt veel meer voor de hand om juist die onvoorspelbaarheid en onbepaaldheid van het onderzoek als uitgangspunt te nemen in het wetenschapsbeleid. Dan moet er dus zo min mogelijk organisatie zijn, juist minimale ordening en tegelijk de maximale ruimte om in een wirwar van sporen het pad uit het labyrint te vinden. Wetenschapsbeleid, net zoals kunstbeleid, moet gegrondvest worden op de onwrikbare beginselen van de anarchie.
Maar dat wil iedereen wel in kunst en wetenschap en ook daarbuiten: De volledig vrije beschikking over eigen tijd en andermans geld. Dat is misschien wel het hoogste voorrecht dat deze samenleving te bieden heeft. Er moet dus selectie vooraf zijn en verantwoording achteraf. Dat kan ook. Al bij de eerste selectie is bekend wat kandidaten tot dan toe gepresteerd hebben, in hun studie of in eerder onderzoek. En na gedane zaken ligt er een verslag ter beoordeling.
De vraag is wie moet selecteren en beoordelen. De beoordelaars zijn nu degenen met de meeste connecties en de grootste belangen in hun wetenschapsgebied. En zelfs als zij onbevooroordeeld willen beslissen kunnen zij er niet op vertrouwen dat de andere beoordelaars niet voor hun eigen groepsbelang zullen opkomen. Zij zouden dus hun eigen zaak tekort doen door niet op hun beurt hun eigen belangen te behartigen. De belangeloosheid berust op de verwachting van andermans belangeloosheid.
Het probleem van het wetenschapsbeleid is het beleid zelf, een vermenging van belangenbehartiging en beoordeling die in een perverse spiraal omlaag fladdert van oordeel naar belang.
Is daar een oplossing voor? Ik heb een voorstel, wat wereldvreemd zoals meestal, maar voor de draad ermee: beoordeling van wetenschappelijk onderzoek moet een beroep worden, een taak waarvoor men wordt opgeleid en die in volle onafhankelijkheid kan worden uitgeoefend, ongeveer zoals dat nu aan rechters is gegund. Dat vergt eerst een brede vorming in een wetenschapsgebied, een periode van scholing in een onderzoekspraktijk en dan nog studie van de filosofie, methodenleer, geschiedenis en sociologie van de wetenschap. Maar het veronderstelt ook de vorming van een beroepsethos, van een eigen eergevoel in de kring van beoordelaars. Pas dan groeit het wederzijds vertrouwen dat hen in staat stelt om hun resterende belangen opzij te zetten.
Ook de beoordelaars kunnen beoordeeld worden: op de resultaten van het onderzoek dat zij begunstigd hebben. Wie veel mislukkelingen heeft helpen uitkiezen is zelf een brekebeen en wie de grote successen heeft voorzien, heeft het vak blijkbaar in de vingers.
In vreze wacht ik het komend oordeel af.
Abram de Swaan, NRC 20 april 1996
Abram de Swaan, NRC 27 april 1996
Het is alweer bijna een half jaar geleden dat ik in het dienstbelang in Chicago verbleef, de stad van de wind. In het hotel waar ik de nacht doorbracht moest ik ook overdag van de ene zaal naar de ander om sprekers aan te horen. Als de verveling me te machtig werd, droeg ik ook een opmerking bij die dan weer verwaaide in de verveeldheid van de andere toehoorders. Na een dag zat ik alleen nog maar in het café te praten met vakgenoten die toevallig langskwamen, zonder program, agenda of plan. Ik zal er vast iets van opgestoken hebben, maar wat dat dan wel was, is ook alweer weggewaaid uit mijn geheugen. Er was niets dat erop wees dat mij in die stad en niet ver van dat hotel een ongehoorde belevenis wachtte. Ik kan achteraf alleen maar zeggen dat ik eraan toe was. Het was, kan ik nu denken, hoog tijd.
Op de middag van de tweede dag schoof ik wat schuldig het hotel uit en ging kijken in het Art Institute van Chicago waar de schilderijen niet bijeenhangen naar school, land of periode maar elke zaal gewijd is aan de collectie van een weldoener. Zo kom je dezelfde romantici of oude meesters soms in drie verschillende zalen tegen en anderen ontbreken geheel. Langs de verplichte impressionisten, de glas-in-lood-ramen van Chagall, de driehoek van Stella en de grote Boeddha liep ik naar de Afrikaanse collectie.
Daar op de hoek stond in een vitrine nog steeds het beeld uit het hof van de Ogaga van Ikere in Yorubaland. De koning zit op een troon zo groot dat zijn voeten niet bij de grond komen en buigt zich bezorgd voorover naar twee kleine smekelingen. Achter de troon die tot haar navel reikt, torent de wrekende gestalte van zijn eerste gemalin, haar handen op de leuning alsof zij het is die de koning aan het volk toont en zijn troon voor vallen behoedt. Het beeld is een politiek traktaat dat zich in één blik laat lezen en in die oogopslag de intiemste geheimen van de macht openbaart.
Mijn beeld was er nog en ik wist het weer. Ik had genoeg gezien en liep naar buiten, stak over en kwam langs de Chicago Symphony Hall waar de matinee juist zou beginnen. Mijn hoofd stond er niet echt naar, maar als het programma me beviel, als er nog een kaartje was voor een redelijke plaats en als het niet te duur was, dan kon ik best even binnenlopen en desnoods halverwege weer weg. Er was nog een schappelijke plek, eerste rij midden, tweede balkon. Berio en Shostakovitch stonden op het program en Seymon Bychkov was de dirigent. De zaal was vol oudere mensen, zo te zien van Europese komaf. Donkere gezichten en jonge mensen zie je in Amerika op zo'n concert alleen op het podium.
Ik bleef ook na de pauze toch nog maar even luisteren naar de elfde van Shostakovitch. Ik zat hoog en keek uit over de zaal. Ik had een breed zicht op het podium, in het verlengde van het perspectief waarin de dirigent zijn musici overzag. Het orkest was voltallig uitgerukt, met veel koper, riet en slagwerk dat de zaal tot in elke nis en uithoek aanspeelde.
Ver beneden mij zette de trompettist een solo in. Zijn adem bracht de opgerolde buis in trilling en het was zijn luchtkolom die daar boven hem rechtop in de zaal bleef staan, bevend maar onverzettelijk. Wat wij hoorden was hoe hij langzaam, krachtig en nauwkeurig uitademde. Alle lucht die in de zaal was moest daarin mee.
Nu ik dat zo begon te ondergaan, kon ik ook zien dat de strijkers niet anders waren dan strelers die hun snaren lieten trillen en in opeenstapelende lagen diezelfde lucht in golving brachten. De dirigent kon al niet veel meer doen dan daarop meewaaien. Ook mijn adem was overgenomen door de luchtkolommen en de luchtlagen die met wat strijken en wat blazen in beweging waren gebracht door de kleine figuurtjes ver beneden. Zingen is niet anders dan muziek uitademen, en dit was het omgekeerde, de muziek inademen.
Het leek alsof boven ons een lichte, doorzichtige tent welfde, die oprees en inzonk met de aangeblazen en aangestreken lucht. Daarop nam de zaal die golving over en werd een balg die zich om de trillende lucht sloot, uitdijde en terugdrukte.
Ik bevond me nu in het binnenste van een geweldige borstkas die door de muziek beademd werd en die weer ieders ademhaling aanblies. Daaruit haalde ook ik mijn diepe adem en daarin moest ik ook weer diep uitzuchten.
Voor ik het wist was ik hevig en onbeheerst, stemloos en schokkend, aan het snikken. Ik huilde.
Zodra ik dat besefte was het al anders. Ik bette mijn tranen, keek uit mijn ooghoeken naar de oude dametjes aan weerskanten en was niet langer iemand die in de lucht was, maar alweer een concertganger die de ontroering even te machtig was geworden. De oude dametjes knikten instemmend, naast hen was een jongmens, een gevoelsmens, een muziekliefhebber kennelijk diep door de muziek geraakt en ook zijzelf waren daar niet onberoerd door gebleven.
Naarmate men ouder wordt snikt men steeds vaker. En ook steeds meer op het juiste moment. Dus vaker.
Maar ik, ik had zojuist een mystieke ervaring doorgemaakt. Dat wist ik ook pas achteraf. Toen ik er nog in was, was er niets dan adem die in en uit ging. Mijn mystiek was louter fysica: trillingen, frequenties, amplitudes en het gewicht van de lucht. Zoals elke mysticus had ik alleen maar heel even de werkelijkheid beleefd zoals die is: aan mij deed ze zich voor als lucht in golving. Frits Staal heeft ooit over de mystiek geschreven als een volstrekt rationeel onderzoek naar de mogelijke toestanden van het bewustzijn; mij overkwam een zuiver fysieke beleving van de muziek.
Toen ik weer buitenkwam bleef me een lichtheid bij, een hevige opluchting. Er was mij in die muziekzaal een groot verdriet ontvallen. Niet dat ik het nu voor goed kwijt zou zijn, in tegendeel. Ik was ervan bevallen en had het in de wereld gezet, waar ik er voortaan mee leven zou.
Abram de Swaan, NRC 27 april 1996
OVER DE DODEN
Abram de Swaan, NRC 4 mei 1996
Mensen die niet in een hiernamaals geloven houden elkaar graag voor dat een dode voortleeft in hun herinnering. Daar zullen zelfs de gelovigen het mee eens zijn, maar die verwachten nog meer van het leven na de dood. Voor ongelovigen blijft het bij de nagedachtenis hier op aarde. Dat mag wat karig lijken maar het schept voor de nabestaanden grote verantwoordelijkheden. Wie zijn geliefde gestorvene vergeet begaat daarmee niet minder dan een postume moordaanslag. Als er geen andere overlevenden zijn die de gestorvene in de herinnering houden is het met diens leven na de dood gedaan.
Zo voelt dat ook. Wie rouwt over een verloren geliefde voelt pijn bij elke herinnering, maar vreest tegelijk de dag die zal verstrijken zonder zelfs maar een gedachte aan de gestorvene, die dan dus nog eens zo afgestorven zal zijn.
Als verdriet het laatste is dat je nog aan een dode overhoudt dan wil je zelfs van dat verdriet niet af. En als die rouw het laatste is dat de dode nog doet voortbestaan, dan mag je ook van dat verdriet niet af.
De opvatting van het voortleven der doden in de herinnering van de overlevenden schept nog meer verantwoordelijkheden. Er is dan geen andere instantie die over de gestorvene oordeelt en hem recht doet dan het geheugen van de nabestaanden. Voort te leven in de herinnering, met verwijten overladen, nog achteraf gevreesd en gehaat, dat moet dan wel het equivalent van de hel zijn, het memorisch inferno. En omgekeerd, op tedere en liefdevolle herinneringen, in een bewonderende en dankbare nagedachtenis zweeft men als in de hemel. Maar daarmee wordt op de nabestaande een zware last gelegd. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het postuum welbevinden van hun geliefde en trouwens ook gehate doden.
In moderne overlijdensadvertenties kun je de nabestaanden zien wrikken aan de nagedachtenis van hun gestorvene: niets minder dan zijn hiernamaals. 'We verliezen in hem ons beste maatje' is zo ongeveer de hoogste lof in dit seculiere genre, persoonlijk, intiem, informeel, egalitair, spontaan, warmhartig. 'Wij zullen haar nooit vergeten' is niet minder dan een belofte haar het eeuwig leven te gunnen op de donzige wolken van de herinnering.
'Maar je zou haar toch nooit vergeten!'
- 'Ja gunst, daar heb ik gewoon even niet aan gedacht.' Met een klap stort het onstoffelijk overschot uit haar paradijselijke plaats in het lange termijn geheugen neer in het niets der ongesorteerde neuronen en synapsen.
- 'Maar nu denk ik toch weer aan haar!'
Tot het geloof der ongelovigen hoort ook een gedachte voor gebruik tijdens het leven: mensen zijn niets anders dan wat ze voor andere mensen betekenen. Maar daarmee is iemand levenslang veroordeeld om spiedend rond te waren in de spiegelkamer van zijn medemensen, waar elke reflectie een oordeel inhoudt dat terugkaatst op zijn zelfwaardering. Wat kan mij het schelen wat ik beteken voor iemand die niets voor mij betekent!
De zin moet geamendeerd worden: mensen zijn niet anders dan wat ze voor hun medemensen, die iets voor hen betekenen, betekenen. Maar daarmee verliest dit humanistisch inzicht aan diepte, want wat let je om iemand die een geringe dunk van je heeft enkel en alleen om die reden flink wat lager in te schatten, helemaal als je daarmee je eigen betekenis als mens voor devaluatie kunt behoeden. En ook bij het voortbestaan in het hiernamaals der geheugens kan die manoeuvre nog van pas komen. Want wat maakt het voor iemand uit hoe hij voortleeft in de nagedachtenis van onbeduidende mensen, het gaat erom hoe mensen die voor hem van belang zijn zich hem herinneren.
Het leven na de dood, beste levenden, is niet anders dan postume reputatie. Daar kan de dode niets meer aan doen, er valt niets meer bij te stellen of goed te maken. Als een ledepop moet hij in de herinnering der levenden met zijn nagedachtenis laten sollen.
Ik kom erop omdat het vandaag 4 mei is, de dag van de nationale dodenherdenking. In die korte poze van stil gedenken moet elk jaar zwaar gedachteniswerk verricht worden. Het gaat om niets minder dan een kortstondige wederopstanding van de oorlogsdoden, in de herinnering van al die herdenkende mensen.
Als de kwaliteit van het bestaan in het hiernamaals wordt bepaald door de aard van de herinneringen die de levenden bewaren aan de gestorvenen, dan is die herdenking dus een jaarlijks oordeel waarin over de doden wordt beschikt. Wanneer dan een Amerikaans historicus (Daniel J. Goldhagen) schrijft dat ook gewone Duitse politiemensen en dienstplichtige soldaten met gretigheid en inzet deelnamen aan de jodenvervolging en de jodenmoord, dan gaan dus evenzo vele Duitse moederszonen en gezinsvaders alsnog, meer dan een halve eeuw na dato, naar de hel.
In de plaats van het godsoordeel komt het oordeel van de geschiedenis dat beslist over de herinnering aan de doden in de hoofden der levenden. Niemand kan zich helemaal aan de gedachte onttrekken dat geschiedschrijving en herdenking iets uitmaken voor de gestorvenen, dat hun alsnog recht gedaan moet worden en dat niet alleen hun nagedachtenis levend moet blijven, maar dat zij daardoor zelf voortleven. Wat halen de mensen zich aan.
Zonder god is het leven zo'n werk!
De mensen lopen rond in de draaideur van de twijfel, de gelovigen willen eruit aan de kant van het eeuwige leven en de ongelovigen willen dat hij stopt aan de kant van het niets-dan-herinnering. Maar rondlopen blijven ze.
Wie gelooft nu echt dat een dode die in zijn hoofd zo aanwezig is daarbuiten helemaal niet bestaat? Als ongelovige behoor je dat nu eenmaal te geloven.
Maar van Wie eigenlijk?Abram de Swaan, NRC 4 mei 1996
Abram de Swaan, NRC 11 mei 1996
Het was kort na middernacht, de na-avond van Koninginnedag.
In de straten lag het vuil op hopen en het plaveisel was bedekt met een dichte laag scherven van plastic bekertjes. Het feest was onmiskenbaar afgelopen, de kinderen lagen moegezongen in bed, hier en daar hield nog en kluitje feestvierders de stemming erin, maar de meeste mensen die nog op straat waren spoedden zich naar huis. Ik ook.
Ik liep al op mijn gracht toen een jonge vrouw me tegemoet kwam. Ze liep gehaast en keek me in het voorbijgaan angstig aan. Ik vroeg me af of het mijn verschijning was die haar op de donkere gracht zo bang maakte. Maar nu verscheen een eind achter haar een jonge man die snel voortstapte.
Ik passeerde ook de man en even later draaide ik me om. In het licht van de straatlantaarns zag ik dat hij het meisje ingehaald had. Hij gaf haar een knalharde schop. Ze sloeg tegen de treden van de hoge stoep en bleef ineengedoken liggen. Dat hielp haar niets. De man begon uit alle macht op haar in te schoppen en te slaan. Het leek niet op een aframmeling, het zag eruit als doodslag.
Het kostte een halve seconde, hooguit een seconde, voordat ik merkte wat ik ging doen. Van dat kort moment herinner ik me scherp dat ik liever iets anders had gedaan. Maar er was al besloten.
Ik zette een stem op en bulderde over de gracht dat hij daar onmiddellijk moest ophouden. Was hij helemaal gek geworden. Is het afgelopen of niet.
Ik heb dat wel eens eerder gedaan. En toen hielp het. Het is de stem, het zijn de woorden die iedereen wel eens als kind op heterdaad gehoord heeft als hij zijn geringe krachten uitprobeerde op een kleiner, zwakker wezen. En ook een volwassen geweldenaar weet in zijn razernij meteen dat die stem voor hem bedoeld is en dat hij iets doet wat niet mag.
Nu ook. De man hield op met beuken, rechtte zijn rug, keek even verwezen om zich heen, zag mij en kwam op mij af. Tot zover was het makkelijk geweest, nu kwam het moeilijke. En het werd moeilijker dan ik verwacht had, want tegenover me stond een doorgetrainde vechtersbaas, niet groter dan ik, niet breder dan ik, maar steviger, vlakker, plat en driehoekig als een figuur op een Egyptische reliëf, en vooral veel jonger. Hij was even verbouwereerd geweest, maar was allang weer diep beledigd. Ik had me met zijn zaken bemoeid. Met zijn onvervreemdbaar mensenrecht om zijn allereigenste medemens stuk te meppen en kapot te trappen.
Maar ik had gelijk.
En dat is niet genoeg, dat begreep ik ook.
Het meisje was aan zijn zijde komen staan en jammerde 'Doe het niet, Romeo, doe het niet.' Ik wou ook wel dat Romeo het niet ging doen maar ik vreesde dat zij hem daar niet vanaf kon brengen. Eigenlijk voegde zij met haar gesmeek nog aan zijn dreiging toe.
Geoefend in de zelfverdediging, en blijkbaar ook in andermans verdediging, zag ik meteen dat ik hier mijn meerdere ontmoet had. Maar ik had mijn groot gelijk, mijn moreel overwicht en het gezag van een heer op leeftijd en op eigen territoor. Ik week geen centimeter, vertrok geen spier, keek hem recht in zijn gezicht, bleef kalm en onverzettelijk. Maar ik zag ook dat het helemaal verkeerd ging aflopen. Ik haalde mijn handen uit mijn zakken, gereed om een aanval af te weren, maar ik nam toch maar geen gevechtshouding aan.
Daar verscheen op de brug een fietser die traag op ons af sulde. Ik liep op hem toe. 'Meneer, zei ik, ik heb uw hulp nodig.' Hij zette een voet op de grond en keek het eens aan. 'Ik heb een verschil van mening met die meneer daar, zei ik, en die is veel sterker dan ik.' Hij deelde kennelijk mijn inschatting van het krachtsverschil, maar maakte geen aanstalten om er vandoor te gaan. Integendeel.
'Nou, zei hij, dan lopen we toch even samen op.'
Nog een moedig mens.
Romeo besloot tot de aftocht en liep met het meisje dat zich nu meer en meer zijn vriendin betoonde de kant op waar hij vandaan gekomen was. Die richting moesten wij ook uit. We liepen dus een eindje achter hem.
Kort voor de hoek draaide Romeo zich om, geërgerd dat hij gevolgd werd en kwam op ons af. 'Wat moet dat, waar zijn jullie nou mee bezig?'
'Doe het niet, Romeo', riep het meisje weer.
't Is tijd om naar huis te gaan, om te gaan slapen', zei de onbekende fietser, om de vechtlust te smoren in een huiselijke loomheid. Maar het had ook iets neerbuigends en daar moet je mee uitkijken.
'Ik knal zo een paar gaten in je kop.' zei de geweldenaar.
'Doe het niet', jankte het meisje.
Had hij een wapen bij zich? Had hij daarom niet gevochten? Was dat waar zij zo bang voor was?
'Nou, nou, nou' zeiden de fietser en ik, als antwoord op zijn dreigement. Maar om nu in koelen bloede en in arren moede twee voorbijgangers af te knallen, dat was hem blijkbaar toch te gortig. Hij draaide zich om en sloeg een straat in. Het meisje wuifde hij weg. Zij holde de andere kant op.
Ik had geluk gehad. Ik hoefde me niet te schamen. Maar ik had evenmin de prijs van mijn ingrijpen hoeven te betalen. Geen gaten in mijn kop, niet eens een klap, nog niet een kwaad woord, goed beschouwd.
Wie had eigenlijk wie gered, van wat? De man op de fiets had ons allemaal voor erger behoed. Maar had ik het meisje gered van haar belager of zij mij van haar vriend?
En ik? Bang als ik was had ik niet eens laf durven zijn.
Zo voelt moed van binnen.Abram de Swaan, NRC 11 mei 1996
Abram de Swaan, NRC 18 mei 1996
Het zijn voze tijden voor Europa. De mensen hebben er geen zin meer in en je kunt ze geen ongelijk geven: toen het er echt op aankwam, in Bosnië, bleef er van de Europese eenheid niets over, diplomatiek niet, militair niet en humanitair ook niet.
Eigenlijk zou de hele Europese Unie voor straf ontbonden moeten worden.
Maar er is zo gauw niets anders te bedenken dat in plaats van een Verenigd Europa kan komen. Wat moeten al die halfkleine en halfgrote landen anders? Langzaam de zee inzinken, zoals Engeland? Voor Noorwegen is het gemakkelijk, dat kan als enige buiten de Unie blijven en een soort Hongkong van Europa worden.
Het kwam mij altijd wel aantrekkelijk voor, zo'n Europese eenheid. Ik moet bekennen dat ik van grote gehelen houd, het staat zo overzichtelijk. En eerlijk gezegd heb ik me er altijd een soort Nederland bij voorgesteld, maar dan een slag groter: Duitsland dus, maar zonder dat verleden. Ik had me er dus eigenlijk niets bij voorgesteld.
Als het ooit wat wordt, dat Verenigd Europa, dan zouden de inwoners ervan meer contacten met elkaar moeten onderhouden dan ze nu doen. Daarbij doet zich een taalprobleem voor. Want in de huidige Unie gelden al elf officiële talen, en dan is het Iers nog niet eens meegerekend, want dat is niet als landstaal ingebracht, en het Catalaans ook niet dat weliswaar geen landstaal is, maar door het Europees parlement op een onbewaakt ogenblik erkend is.
In werkelijkheid is het taalprobleem niet onoverkomelijk, want van de jongere inwoners van de Unie spreekt tweederde tot driekwart matig tot goed Engels. Dus die redden zich wel. Ze hebben die taal allemaal op school geleerd en omdat steeds meer kinderen middelbaar onderwijs genieten, leren ook steeds meer scholieren Engels. Dus de oplossing komt vanzelf.
Dat is nu net de moeilijkheid. De Fransen hebben van meet af aan gedaan wat ze konden om de verbreiding van het Engels tegen te gaan, behalve de ene maatregel die voor de hand zou liggen, die taal afschaffen als schoolvak. Maar dat komt omdat ouders in Frankrijk net als overal elders willen dat hun kinderen vooruit komen in de wereld en begrijpen dat daar Engels voor nodig is. In Frankrijk nog het meest: meer dan waar ook in Europa wordt daar in personeelsadvertenties vaardigheid in het Engels verlangd. En evenveel als waar dan ook wordt er tijdens internationale bijeenkomsten Engels gesproken, ook al is tegenwoordig de eerste subsidievoorwaarde dat daar alleen nog Frans gesproken wordt.
Tot nog toe komt Duitsland mondjesmaat voor het Duits op. Eens per jaar gaat er een brief naar de Europese Commissie waarin de bondskanselier beleefd doch elke keer wat dringender verzoekt om het Duits als werktaal te bevorderen. Dat gebeurt ternauwernood, want Duitse ambtenaren spreken uitstekend Engels en de andere ambtenaren slechts zelden Duits.
Het beginsel blijft de gelijkberechtiging van alle elf of twaalf Europese talen. In de werkkamers en wandelgangen van de Europese ambtenarij is dat uiteraard onmogelijk. In het vrije verkeer van personen, geld, goederen en woorden zal het Engels vanzelf het voornaamste medium worden.
Maar in het Europese parlement moeten alle talen gesproken worden, althans gesproken mogen worden. Dat is een principekwestie, maar ook een zaak van respect voor de kiezers. Bovendien moet het iets verklanken van de rijkdom en verscheidenheid aan Europese culturen.
Als dat parlement ooit een echt besluitvormend lichaam wordt, zullen de afgevaardigden allicht met elkaar gaan debatteren en wie weet proberen elkaar te overtuigen. Dan is het in hun belang om een taal te spreken die door een groot deel van de parlementariërs verstaan wordt. Ik weet nu al welke talen dan niet gebruikt zullen worden en ik weet ook al welke taal de eerste zal zijn. Maar wanneer de vertegenwoordigers willen pronken voor hun eigen thuisfront willen ze de taal van hun kiezers kunnen spreken.
Op dit punt in de discussie is er altijd iemand die elf met tien vermenigvuldigt, of voor de nabije toekomst veertien met dertien en vervolgens concludeert dat dan bij elke zitting honderd tien tolken, of straks zelfs honderd tweeëntachtig, nodig zullen zijn voor de simultaanvertaling. Nou en? Nu al gaat een kwart tot de helft van het parlementaire budget op aan vertaaldiensten. Maar wat geeft dat?
Dat kost nog altijd veel minder dan een taalconflict dat uit de hand loopt. En wat is er eigenlijk mooier, Europeser, dan het zacht gemurmel van tientallen tolken die het ene volk met alle andere proberen te verbinden? Ik zou geen beter symbool van eenheid in verscheidenheid kunnen bedenken dan dat constant gefluister, geen beter monument dan dat memento van de moeite om elkaar te begrijpen. Dat het gesprokene meestentijds strontvervelend is, dat ligt niet aan de tolken maar aan de sprekers. Zend de debatten uit in al die talen, zorg dat ze interessanter worden.
Het Europese Parlement moet een school oprichten waar tolken worden opgeleid die rechtstreeks leren vertalen van het Portugees naar het Fins, van het Nederlands naar het Grieks, van het Deens naar het Frans, en straks van het Spaans naar het Tsjechisch, van het Pools naar het Italiaans, en van het Hongaars naar het Zweeds. Op die school wordt niet alleen de vertaling van verbalisantenproza onderwezen, maar ook van de onparlementaire letteren, van gedichten, romans en essays. Vandaar gaan de vertalingen heen en weer en her en der door Europa. Dat wordt de kern van het Europees cultuurbeleid.
Dit voorstel verdient het te worden opgenomen in de handelingen van het Europese Parlement, in alle huidige en toekomstige talen van de Unie.Abram de Swaan, NRC 18 mei 1996
Abram de Swaan, 25 mei 1996
In de 'Z'-bijlage van vorige week stond een groot artikel afgedrukt van George Steiner. Hans Ree veegde het in zijn column van dinsdag al luchtig van de tafel. Maar bij mij is het toch blijven hangen. 'Het einde van de literaire grootspraak' luidde de ondertitel'. Mij leek het juist een hoogtepunt in dat genre.
Elke auteur bouwt een verstandhouding met zijn lezers op. Het leukste van Steiners stuk is de aanhef, waarin hij met een uiterst geleerd citaat aankomt en zich vervolgens excuseert omdat zijn lezers dat natuurlijk allang zullen kennen. Maar vanzelfsprekend heeft geen lezer het ooit onder ogen gehad. Met die overdrijving van het omgekeerde verschaft Steiner zich de ruimte om in de rest van zijn betoog geleerd te kunnen zijn zonder daarmee het publiek van zich te vervreemden. Hij is nu eenmaal een vakidioot die uit obscure Roemeense tijdschriften citeert terwijl de lezers uiteraard wel wat beters te doen hebben. Laat hem nu maar begaan als dwaze geleerde en geniale gek, en lees. Wie weet wat je nog te weten komt.
Na alzo de welwillendheid van zijn publiek te hebben veroverd lanceert Steiner zijn betoog naar een stationaire baan in de ruimte. 'De boodschap is duidelijk. Heeft de literatuur ooit een toekomst gehad? Waarschijnlijk nooit.' Maar mij is die boodschap niet duidelijk. Want wat betekent de vraag? Waarschijnlijk niets.
De literatuur, zegt Steiner, heeft maar een 'heel, heel korte loopbaan gekend.' Van Ambrosius tot het begin van deze eeuw. Dat is dus anderhalf millennium. De meeste lezers zullen dat helemaal niet kort, laat staan 'heel, heel kort' vinden, maar juist heel, heel lang. En van de weeromstuit zullen zij zichzelf kortzichtig vinden in vergelijking met een denkmeester die op zo lange baan schouwt dat duizend jaar voorbij schieten in een oogwenk. Ze worden hier zonder dat ze het zelf in de gaten hebben door de auteur even gekortwiekt.
Steiner vervolgt met de opmerking van Augustinus dat zijn leermeester Ambrosius de eerste was die hij ooit zag lezen zonder zijn lippen te bewegen. Een mooie anekdote, al vaak verteld, zo uit de diepvries de magnetron in; vast heel veelzeggend, maar wat zegt hij eigenlijk?
Niets minder dan: 'Dit soort persoonlijke, in afzondering beleefde relatie met de tekst, gekenmerkt door herinneren en nogmaals opslaan, door tekst die tekst verwekt, vindt haar einde omstreeks 1914 - bij het begin van de ontwrichting van onze westerse cultuur.'
Bedenk, lezers van Steiner, dat hij u kort tevoren nog eerst als leek had neergezet en u vervolgens uw kleingeestigheid had ingepeperd. Dat zal u niet nog een keer overkomen. U staat al op uw stoel te wieken met uw armen om mee te mogen fladderen in Steiners hoge vlucht. Maar voordat u zich weer bezeert is het goed zijn zin nog eens te herlezen.
Heeft stil, of hardop, of murmelend lezen iets te maken met persoonlijke beleving van het geschrevene? Kun je niet net zo goed in je eentje hardop lezen? Waarom duidt stil lezen op groter afzondering? En houdt het een of het ander eigenlijk wel enig verband met 'herinneren en nogmaals opslaan' van een tekst? Nee, op de keper beschouwd eigenlijk helemaal niets.
Het zijn maar kleinigheden, maar eenmaal opgemerkt wekken ze het wantrouwen, ongeveer zoals een vaasje dat iemand op bezoek bij een kennis op het raamkozijn ziet staan terwijl hij al een week of wat precies zo'n vaasje van de schoorsteenmantel mist.'t Zal vast toeval zijn. Toch maar eens vragen, straks, op een geschikt moment. Leuk vaasje, meneer Steiner.
'Een tekst die tekst verwekt.' Daar zit wat in. Neem nu het artikel van Steiner, dat roept reacties op, dus als het ware verwekt het andere teksten. Maar daarover heeft Steiner het niet. Hij heeft het over stil of hardop lezen en daarbij verwekt de tekst helemaal geen tekst, maar gemurmel dan wel stilte en, mogen we hopen, herinnering. Het lijkt warempel wel een valse munt, maar ach het zijn maar een paar woorden, een nietig bedrag, wat geeft het, zeker vergist bij het uittellen.
Nu wordt het Steiner ernst: De persoonlijke relatie met de tekst, dus eigenlijk de literatuur, 'vindt haar einde omstreeks 1914 - bij het begin van de ontwrichting van onze westerse cultuur.' Het is nog te vroeg in het betoog voor de vuist op de katheder, maar ik schat deze zinsnede toch zeker op een slok water en een proevende blik de zaal in. Heel even heeft de auteur zijn gehoor, en ook zijn lezers, bijna al zijn lezers, in de armen gesloten: 'onze westerse cultuur'. Maar echt gezellig wordt het niet, want die cultuur van ons raakt sinds 1914 steeds verder ontwricht.
Is alles dat sinds de Eerste Wereldoorlog gemaakt is dan verwrongen en verdraaid, is er nooit meer iets goed in elkaar gezet? Of wat bedoelt Steiner eigenlijk?
Ik denk dat hij niets bedoelt, maar iets wil oproepen, een stemming: Omstreeks 1914? Dat was toch zeker de Eerste Wereldoorlog? Erg, hè. En toen kwam de Tweede, en toen nog de Koude, en nu is het ook al niet pluis. Dus de schrijvers zullen er vast niet beter op geworden zijn. Kun je nagaan. Dinges. Weet je wel.
Dit zijn nog maar twee alinea's in Steiners opstel. De rest is van hetzelfde laken een pak. Maar wat maakt het uit? Waarom daar zoveel tijd en ruimte aan besteed? Omdat het stuk een schoolvoorbeeld is, van humbug, branie en bluf. In Nederland zijn er niet veel die dat lef evenaren behalve misschien Harry Mulisch wanneer hij eenmaal goed op dreef is in een gelegenheidsrede, maar zijn stijl is beter.
Net als elke kwakzalver lukt de truc van Steiner hem alleen door zijn gehoor een beetje bang te maken: bang om dom te lijken. Dat is de verstandhouding die hij met zijn publiek aanknoopt.
Maar op welke verstandverhouding met de lezer is dit stuk dan weer gebaseerd?Abram de Swaan, NRC 25 mei 1996
Abram de Swaan, NRC 1 juni 1996
In Afrika wordt het ene land na het andere verwoest door bendeoorlogen en daar lijkt niets, helemaal niets aan te doen. Sinds jaar en dag zijn het Afrikanen die daar Afrikanen, inheemsen die inheemsen afmaken, van Algerije tot Angola en van Rwanda tot Liberia. In de dertig tot veertig jaar die sinds de dekolonisatie zijn verstreken is gebleken dat ze voor die slachtingen de Europeanen helemaal niet nodig hebben.
Eerst kon het nog lijken dat het hier ging om de onvermijdelijke krampen waarmee de Afrikaanse landen een nieuw machtsevenwicht moesten vinden. In een latere fase werd dat bloedvergieten gezien als een gevolg van het westers imperialisme, van Koude Oorlogsstokerij en van de Afrikaanse dependencia, de afhankelijke positie in het wereldsysteem.
De laatste tijd wordt de oorzaak vaker gezocht in de binnenlandse verhoudingen, in de zwakte van kerken, vakbonden en het verenigingsleven, van de civil society. Bij gebrek aan houvast in andere sociale verbanden moeten mensen steeds weer steun zoeken bij hun clangenoten. Veel is ook te wijten aan het ontbreken van behoorlijk bestuur, good governance. Er is teveel corruptie, bureaucratie en incompetentie. Het belastingstelsel werkt niet, de ambtenaren krijgen hun salaris niet meer en gaan zelf met de pet rond. De soldaten ontvangen geen soldij en komen hun geld gewapenderhand bij de burgers halen. Ondernemende officieren beginnen voor zichzelf met een handvol rekruten en bevechten de concurrerende kleine zelfstandigen in het krijgsbedrijf met anderhalve tank en wat infanterie. De burgers worden geplunderd en uitgemoord, de rest slaat massaal op de vlucht en de ravage grijpt nog verder om zich heen. Dat gebeurt niet overal, maar her en der, en telkens weer.
Het is niet de schuld van het kolonialisme, al heeft die ellendige geschiedenis er veel mee te maken. Het komt ook niet door westerse inmenging, al spelen België, Frankrijk en de VS er een uiterst dubbelzinnige en ondoorzichtige rol in. Zonder twijfel hangt het samen met de mentaliteit van de Afrikanen, vooral voor zover die lijkt op de mentaliteit van de Amerikanen, Europeanen of Aziaten die zich in deze eeuw aan even erg geweld te buiten zijn gegaan. Het ligt ook aan de toevloed van modern wapentuig dat nog eens zoveel slachtoffers maakt. Maar enkel met knuppel, sikkel en mes werden in Rwanda toch ook in de kortste keren vele honderdduizenden afgemaakt.
Vroeger wisten de mensen in het Westen daar niet van. Of zorgden dat ze het niet wisten. Of ze trokken het zich niet aan, want die inboorlingen waren nu eenmaal zo verschillend, die hadden een harde hand nodig en ze stonden trouwens heel anders tegenover armoede, ziekte en dood.
Maar nu weten we het wel. Regelmatig worden de tv-spelletjes en de sterreclame onderbroken voor een blok mensenleed en wie niet tijdig heeft gezapt is medewetend. Maar daarmee is nog niet gezegd dat ze er ook iets aan kunnen doen.
In Somalië hebben westerse troepen geprobeerd een eind te maken aan de bendeoorlog. Dat is slecht afgelopen. In Bosnië moet het nog goed aflopen. In Rwanda, Algerije, Liberia is de ellende niet te overzien.
Al ruim een jaar is onder Afrikaanse intellectuelen een discussie gaande over de 'herkolonisering' van delen van Afrika. Ze bedoelen dat letterlijk. De toonaangevende Afrikanist Ali A. Mazrui heeft heel behoedzaam voorgesteld om uit overwegend Afrikaanse landen een veiligheidsraad te vormen die met de wapens een eind moet maken aan de meest bloedige conflicten. Die raad moet daarna nog vele jaren het bewind voeren over de gepacificeerde gebieden.
De Amerikaanse auteur William Pfaff heeft vorig jaar in Foreign Affairs en jongstleden zaterdag in de International Herald Tribune nog een driester voorstel gedaan: hij wil de meest geteisterde landen onder het mandaat brengen van de voormalige koloniale mogendheden, die immers bij uitstek terzake kundig en belanghebbend zijn.
Inderdaad, de Fransen blijven zich intens bemoeien met hun vroegere koloniën. In hun voormalige bezittingen zijn ze in het geniep even hard aan het stoken als ze in het openbaar aan het blussen zijn. Daar komt vreemd genoeg nauwelijks kritiek op. Maar verder is het niet goed denkbaar dat een grootscheepse westerse ingreep in Afrika geaccepteerd zou worden. Het koloniaal verleden van die landen boezemt nul en generlei vertrouwen in. Integendeel, zo'n buitenlandse interventie zou de ideale aanleiding zijn voor eensgezind verzet en de ergste roverhoofdman zou daarbij nog kunnen doorgaan voor een Afrikaanse held.
Maar ook het gematigde voorstel van Mazrui stuit op verwoede tegenspraak, bijvoorbeeld in het zeer leesbare CODESRIA-bulletin (Postbus 3304, Dakar, Senegal; fax +221 241289). Archie Mafeje vraagt zich af wat ooit de morele grondslag zou kunnen zijn voor een bestuursmandaat aan de landen die Mazrui noemt, Nigeria, Zaïre, Zuid Afrika, Ethiopië en Egypte. En waar moeten die landen het geld en de bestuurders vandaan halen? Waarom zouden de krijgsheren zich opeens wel de wet laten stellen door buitenlandse voogden? Op die vragen kan ook Mazrui geen afdoend antwoord geven. Maar hij zoekt tenminste in een wanhopige situatie met de moed der wanhoop naar een oplossing.
Ik weet niet of het mogelijk is om met militaire macht de vrede te herstellen in ontoegankelijk gebied waar gewapende krijgsbendes elkaar bestrijden. Daar zou een groot, geoefend en goed toegerust leger voor nodig zijn. Alleen de Verenigde Naties kunnen dat op de been brengen. Als de leden, de VS voorop, hun contributie eens zouden betalen was daar misschien nog het geld voor ook. Maar zonder interventie van buitenaf rest er niets anders dan maar afwachten tot het geweld in Afrika ooit een keer zal zijn uitgewoed.
Abram de Swaan, NRC 1 juni 1996
Abram de Swaan, NRC 8 juni 1996
Kort na elkaar moest ik een paar dagen in Berlijn en in Parijs zijn. Dat klinkt leuker dan het is. En dan is het nog heel leuk. Maar dan moet het wel meezitten. In Berlijn was juist de lente begonnen en in Parijs brak volkomen onverwacht de zomer uit. Daar worden de mensen onwillekeurig al hartelijker van. En van de ontvangst hangt het af in vreemde steden.
Berlijn verwestert steeds verder en daar vrolijkt de stad flink van op. Waar ooit de muur stond ligt nu een brede strook braak. Daarachter voltrekt zich een campagne die naar omvang en hevigheid alleen te vergelijken is met een volgehouden veldslag. Het Westen, dat Oost-Berlijn niet heeft veroverd maar gekregen, eigent zich dat stadsdeel alsnog toe door het van de grond af aan te herbouwen. Dat gebeurt met groot machtsvertoon van gehelmde manschappen, zwaar materieel op rupsbanden en ratelende boren, met loopgraven en verschansingen, niet voor de destructie maar voor de constructie. En ieder die het ziet begrijpt meteen wie hier voortaan de baas is.
Het werd de hoogste tijd. Alles in Oost-Berlijn is verrot, verroest, vergaan, verzakt, kortom kapot. Als de muur niet gevallen was, of omvergelopen, dan was de DDR letterlijk ineengezakt, wegens vergaande bouwvalligheid. De communistische autoriteiten deden niet aan onderhoud, dat stond niet in het plan.
Waarom niet? De mensheid is in te delen in slordige vernieuwers en zorgzame behouders. Nomadische volkeren laten hun gereedschap achter wanneer ze verder trekken. Op de volgende plek vlechten ze opnieuw een hangmat en snijden nieuwe pijlen. Agrarische volkeren zijn zuiniger op hun spullen. Ze besteden meer moeite om die uit schaars hout en zeldzaam ijzer te vervaardigen, en dus ook om ze te onderhouden.
Maar de communisten waren toch zeker geen nomaden? Integendeel, ze dwongen rondtrekkende zigeuners om voorgoed een staatswoning te betrekken. Er moet nog een andere verklaring zijn voor de versloddering. In de communistische wereld had men evenals in de islamitische en de antisemitische wereld een hekel aan rente; en dus ook aan inkomens die ontleend worden aan de beschikbaarstelling van duurzaam en onroerend goed, zoals pacht en huur. In de communistische landen waren de huizen onteigend en behoorden dus eigenlijk niemand meer toe. De huren waren dan ook miniem, te laag om de woningen behoorlijk van te onderhouden. Het grootste deel van het Oost-Berlijnse woningbestand is inmiddels onbewoonbaar, wordt voor een habbekrats verkocht en peperduur gerenoveerd. Met de spoorwegen en het stadsvervoer was het net zo gesteld: je mocht haast voor niets meerijden. Voor onderhoud of afschrijving was dus geen geld en er waren geen belanghebbenden die opkwamen voor de instandhouding van hun eigendom. Nu moeten alle pijlers van de verhoogde S-baan in Oost-Berlijn heel omzichtig vervangen worden, eerst de oude er onderuit en dan een nieuwe erin. In eindeloze rij maakt stil verwijt plaats voor groot gelijk.
Het winnende westen graaft, sloopt en bouwt. Wat een triomf, en wat een triomfalisme. Wat zal daar nu van komen?
Of het mooi zal worden kan ik niet beoordelen. Maar dat het straks alom mooi gevonden zal worden, weet ik zeker. Want het kan niet anders of in het stadsmidden van Berlijn, aan weerszijden van de oude muur, verrijst de hoofdstad van het verenigd Duitsland, het zwaartepunt van de Europese Unie, het middelpunt van een nieuw Europa, niet langer verdeeld, maar ook nog niet verenigd. Dat machtscentrum herrijst niet uit as en puin, maar wordt gebouwd in volle vredestijd en algemene welvaart. Nooit eerder werd zo'n volledige overwinning behaald zonder ook maar en schot te lossen.
Nu al bedragen de tekorten van het stadsherstel vele tientallen miljarden mark. Maar wat maakt dat nog uit? Het schatrijke Duitsland zal er niet bankroet aan gaan en de vernieuwde hoofdstad zal er nog grootser op worden. En dus zullen de mensen het mooi vinden, want de rilling van ontzag die zo'n zegepraal bij hen oproept ondergaan ze als een esthetische ontroering.
Er is voor het toekomstige Berlijn een precedent. De stad waarin eerder de overwinningsroes versteend is, dat is Parijs. Het centrum werd gesloopt en weer opgetrokken rond een Arc de Triomphe. Al sinds duizend jaar wordt onafgebroken gewerkt aan een stad die in wezen de staatsmacht in steen is.
De ouderdom verzacht het wat. De koninklijke paleizen zijn tot musea getemd, de paradeplaatsen zijn wandelgebied geworden. En wat La défense heet is een reeks reusachtige kantoortorens, precies in het verlengde van de Champs Elysées, voor voetgangers nauwelijks toegankelijk.
De macht die van dat grootse plan en van zo'n weidse ruimte afstraalt imponeert, maar intimideert net niet. Vandaar de aangename huivering die het Parijse panorama oproept. Pas op straatniveau, van huis tot huis, waar bewoners, winkeliers en voorbijgangers de aanblik bepalen, heerst een beweeglijkheid en een verscheidenheid die maakt dat bezoekers zich op hun gemak voelen en hun gang kunnen gaan. Maar ze blijven koraaldiertjes binnen een onverbiddelijk rif.
Zo een stad zal Berlijn worden. Maar dan met de middelen en de vormen die horen bij het begin van het derde millennium. De keus om dat mooi te vinden of niet wordt de bezoeker niet gelaten. Hij heeft de victorie van het westen maar te ondergaan zoals die ingebed zal zijn in het stratenplan, in de opeenvolging van musea en monumenten, van hoofdkwartieren en regeringsgebouwen. Er zijn vast wel actiegroepen en rebelse architecten die de schaal klein willen houden, de buurten saamhorig en de gebouwen op mensenmaat. En toch zal de stad in haar geheel een machtsvertoon zijn, één groot gedenkteken voor de macht van staat en kapitaal. De triomf van het westen, van het Duitse westen, dwingt dat af.
Wat de westerlingen bij al hun besognes nog wel eens vergeten, is dat hun zorgen de zorgen zijn van de overwinnaars.
Abram de Swaan, NRC 8 juni 1996
Abram de Swaan, NRC 15 juni 1996
De meeste mannen die met een vrouw en de meeste vrouwen die met een man getrouwd willen zijn hebben er bezwaar tegen dat een man met een man of een vrouw met een vrouw trouwt.
Ik heb er ook iets tegen. Een tijd geleden kwam ik een belijdende lesbienne tegen die me vrolijk toevertrouwde dat ze die homohuwelijken volslagen flauwekul vond. Wat een opluchting.
Mijn kennis beschouwt de homoseksualiteit als een revolutionaire levenswandel en daarom is ze tegen trouwerijen want die leiden maar tot verburgerlijking.
Maar is homoseksualiteit eigenlijk wel een blijk van opstandigheid? Ik geloof er niets van. Het lijkt me meer een hevig verlangen dat zich bij sommige mensen van jongsaf aan als vanzelfsprekend en onontkoombaar voordoet en waar ze op den duur naar leren leven. En dan willen de meesten in alle andere opzichten zoveel mogelijk als alle andere mensen leven. Dus als een stelletje en als het even kan als een getrouwd stelletje. Waarom zouden homoseksuelen ook nog revolutionairen moeten zijn? Het is al heel wat om voor je geaardheid uit te komen. De opvatting van homoseksualiteit als een revolte is veeleer een reactie op de afwijzing door een overwegend heteroseksuele samenleving die daarvoor van homoseksuele zijde streng berispt dient te worden met politiek protest en deviant vertoon.
Maar mij interesseert iets anders: mijn opluchting. Blijkbaar had ik mijzelf over iets heen moeten zetten om voorstander te kunnen worden van het homohuwelijk. Ik had er dus iets tegen. Maar wat?
Dat is nog niet zo eenvoudig. Er is niet één argument tegen het huwelijk tussen man en man of tussen vrouw en vrouw dat de tegenspraak kan doorstaan.
Neem het argument dat alle vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk ook in een gewone overeenkomst geregeld kunnen worden. Veronderstel dat het zo is. Dan zouden homoseksuelen om die reden dus niet met elkaar hoeven te trouwen. Maar daaruit volgt nog niet dat ze het niet zouden mogen. De enige reden om het gelijkgeslachtelijk huwelijk uit te sluiten is nu juist dat het huwelijk niet alleen een vermogensrechtelijke afspraak is, maar nog iets anders, nog iets meer. En dat is dan ook precies de reden dat sommige homoseksuelen niet alleen hun geldzaken willen regelen, maar met elkaar in het huwelijk wensen te treden.
Beweer dan dat het huwelijk dient om de best mogelijke voorwaarden te scheppen voor het opvoeden van kinderen. Dat lijkt me heel aannemelijk. Maar dat is nog geen reden om mensen die niet van plan of niet bij machte zijn om kinderen te krijgen van die verbintenis uit te sluiten. Integendeel, er staan wekelijks honderden huwelijksadvertenties in de krant van mensen die al te oud zijn om nog aan kinderen te denken. Zijn de huwelijken die daarvan komen er iets minder om? En als heteropartners zonder kinderwens wel mogen trouwen, hoe kun je dan mensen van gelijk geslacht van dat recht uitsluiten?
Kom niet aan met de bewering dat homoseksuele verhoudingen minder achtbaar zijn omdat het daarin nu eenmaal gaat om buitenechtelijk geslachtsverkeer, dus ontucht. Dat komt nu precies omdat het de homoseksuelen onmogelijk gemaakt wordt om hun betrekkingen te wettigen door met elkaar te trouwen.
Probeer ook niet de afwijzing te motiveren door aan te voeren dat homoseksuele relaties kortstondiger, promiscuer of perverser zouden zijn. Want zelfs als ooit zou blijken dat daar iets van aan was, dan nog volgt daar niet uit dat ontrouwe, overspelige of deviante mensen niet zouden mogen trouwen, want ook gemengde huwelijken, dus tussen man en vrouw, worden niet aan die maatstaven getoetst.
Nee, er blijkt maar één manier te zijn om het homohuwelijk definitief af te wijzen: door vol te houden dat de liefde tussen man en man of tussen vrouw en vrouw in wezen minderwaardig is aan de liefde tussen man en vrouw. Daar is geen reden toe, daar is geen grond voor. Alleen in het morele moeras van de religie kan die opvatting blijvend gedijen.
Maar in feite is het helemaal niet zo makkelijk om homoseksuele liefdesbetrekkingen als gelijkwaardig te aanvaarden. Daar zijn historische redenen voor: er wordt pas sinds een jaar of dertig, pas in deze generatie, min of meer openlijk mee omgegaan. En er zijn emotionele redenen voor: de meeste mensen voelen zich vanzelfsprekend en onontkoombaar aangetrokken tot iemand van het andere geslacht. En dan zouden zij de homoseksuele liefde zomaar gewoon moeten vinden? Zo gaat dat toch niet. Ze zullen zich er over verbazen of schamen, zich eraan ergeren of opwinden. Na verloop van tijd begint het te wennen dat er blijkbaar nog andere erotische mogelijkheden zijn. En telkens stuit dat ook weer op emotionele weerstand.
Maar tegenzin is iets anders dan een mening, het is een gevoel. Het gevoel heeft geen goede redenen nodig en die zijn er dan ook niet. Dan is het eerlijker om niet allerhande argumenten aan te slepen, maar dat gevoel te nemen voor wat het is, een tegenzin. Een gevoel kan iemand anders tot niets verplichten en niets verbieden. Een ander kan er rekening mee houden. Dat is al heel wat. Misschien moet bij gebrek aan beter de heteroseksuele meerderheid de homoseksuele minderheid vriendelijk verzoeken om nog even geduld met haar te hebben.
Als een homoseksueel vriendenpaar in mijn kennissenkring zijn zaken zou regelen bij advocaat en notaris zou ik dat vanzelfsprekend vinden. Als ze hun vrienden zouden uitnodigen voor een groot feest waarop ze elkaar nog eens openlijk hun liefde zouden verklaren, dan zou ik mij in hun geluk verheugen. En als ze zich vervolgens in de echt lieten verbinden? Ik kan daar geen bezwaar tegen bedenken, maar ik moet er nog wel even aan wennen.
Homoseksuelen hoeven niet met elkaar te trouwen, maar ze moeten het wel mogen. Op den duur.Abram de Swaan, NRC 15 juni 1996
HET SOORTELIJK GEWICHT VAN DE TEKST
Abram de Swaan, NRC 22 juni 1996
Een week of wat geleden meldde de Herald Tribune dat de Amerikaanse fysicus Alan Sokal in het tijdschrift Social Text een artikel geplaatst had weten te krijgen dat van kop tot voetnoot in kletspraat was gesteld. De redactie had het in volle ernst gepubliceerd.
Een mooi moment. Niet alleen had Sokal aangetoond dat redacteur Andrew Ross en zijn adviseurs hun eigen onzin niet van andermans wartaal konden onderscheiden, hij had dat bovendien gedaan op beproefd wetenschappelijke wijze: met een veldexperiment.
In dat krantenverslag toont Ross zich enigszins uit het veld geslagen. Hij is blijkbaar niet erg bedreven in zijn eigen genre. Want het voorval laat zich zonder de minste moeite inweven in zijn deconstructivistische wereldbeschouwing, die draait om het leerstuk der intertekstualiteit.
Daar moet ik eerst even een kleinigheid voor uitleggen.
U, lezer, bestaat niet. En ik, schrijver, besta ook niet. Maar dit, deze tekst, bestaat wel. En die gaat door.
De fysicus Sokal, of beter 'de fysicus Sokal', is een personage in een reeks van teksten over teksten (over teksten (over teksten))... Het interessante is in dit geval dat in de figuur 'Sokal' twee tekstuele genres samenkomen die vrijwel altijd negatief naar elkaar verwijzen en dan ook meestal door verschillende personages worden vertolkt. 'Sokal' heeft als fysicus deel aan het vertoog over de fysica, maar daarnaast vertolkt hij nog een ander vertoog, dat van het deconstructivisme: het vertoog van de antifysica. Zo begrijpt althans de fysica het deconstructivistisch discours. Dat 'Sokal' dit antifysisch vertoog volstrekt overtuigend kan vertolken is geen weerlegging van de geldigheid van dat betoog. Integendeel, het is de best denkbare bevestiging van het deconstructivisme: de tekst zet zich door, ongeacht of de auteur zich een fysicus of een antifysicus, een bedrieger of onthuller waant, of hij bestaat of niet bestaat. Wat in de fysische context van Sokal een parodie was, bleek in de antifysische context van Social Text zuivere ernst: wat hier mystificatie is, dat is daar demystificatie. Pas in een nog andere context, in een ander tijdschrift, en als nieuwsbericht in het kader van een krant, werd dezelfde tekst die een antitekst wilde zijn maar door kon gaan voor een tekst, alsnog tot een antitekst.
Wacht even! Eén moment. Een alinea die toch was ingezet als een weerlegging loopt hier nu uit op een bevestiging van het deconstructivistisch vertoog. De tekst is weggelopen met de auteur. De tekst is bezig hem op te zuigen in een betoog waar hij nooit aan gewild had. Hoe hij ook tegenstribbelt en spartelt, dat discours zet zich door, door hem, dwars door hem heen, dwars door dit stribbel- en spartelvertoog.
Deze tekst kan alleen nog een andere wending nemen door naar weer andere teksten te gaan verwijzen.
In de wetenschapsbijlage in deze krant van donderdag brengt Dirk van Delft het Sokal-voorval in verband met de discussie onder Nederlandse wetenschapssociologen. 'Maar weten de sociologen wel waarover zij spreken?' luidt de aanhef.
Inderdaad worden in dat artikel de onzinnigste opvattingen met verve verwoord, niet door de aanhangers jammer genoeg, maar in de indirecte rede door een bezorgde fysicus, Michael Nauenberg. Deze 'harde natuurwetenschapper' heeft al die gekkigheden zelf gehoord op congressen over 'culturele studies'. Ik was er al bang voor.
Maar de echte gekken komen helaas niet zelf aan het woord. De sociologen trouwens ook niet, en dat is een gemis. Sprekend opgevoerd wordt daarentegen Stuart Blume, die het Sokal-experiment een misbruik van vertrouwen vindt. Daaruit blijkt al dat hij niet de deconstructivist is die Van Delft moest hebben: hij heeft het nota bene over 'de regels respecteren'. Dat is heel andere tekst dan het vertoog der regelloosheid.
Toch was het de moeite waard geweest Blume wat langer aan het woord te laten, want hij noemt een hele reeks goede redenen waarom onderzoek naar de praktijk van het wetenschappelijk onderzoek van belang kan zijn, en vast ook van nut voor die onderzoekspraktijk zelf.
De fysicus Nauenberg laat in hetzelfde artikel al meteen blijken waarom zulk onderzoek de fysici niet altijd welkom is: 'Het gevolg is dat politici een misvormd beeld krijgen voorgeschoteld, in tijden van bezuinigingen een slechte zaak.'
Dat klinkt vertrouwd, menselijk, al te menselijk.
Die natuurkundigen moeten ook subsidies verwerven en proberen eensgezind naar buiten toe een goede indruk te maken. Zou dat mogelijk ook iets te maken kunnen hebben met het soort onderzoek dat wordt verricht, met de manier waarop de resultaten worden gepresenteerd? Gaat het daar misschien net zo toe als bij een toneelgezelschap of op een politiebureau? Is dat niet net iets voor sociologen om eens uit te zoeken?
Natuurlijk worden ontwikkelingen in natuurwetenschap en techniek deels bepaald door maatschappelijke processen. Je hoeft alleen maar te denken aan bewapeningswedloop, ruimtevaart of ecologie. En evenzeer ligt het voor de hand dat in onderzoeksgroepen wedijver, afgunst, bazigheid en kruiperij net zo voorkomen als in elk ander gezelschap en dat die groepsverhoudingen hun gevolgen hebben voor verloop en uitkomst van het onderzoek. Met die sociale verhoudingen op grote en kleine schaal bemoeien zich dus de wetenschapssociologen.
Vanzelfsprekend is het werkelijkheidsbegrip in de natuurkunde problematisch. Dat is het al tweeduizend jaar. En uiteraard matigen filosofen zich het recht aan daarover te spreken.
Al die onderzoekers van onderzoekers en die denkers over denkers moeten daar vooral mee doorgaan. Of dat de fysici nu aanstaat of niet. De fratsen van de deconstructivisten doen daar niet aan toe en niet aan af, die zijn voor de buitenwacht vooral vermakelijk.Abram de Swaan, NRC 22 juni 1996
Abram de Swaan, NRC 29 juni 1996
Twee weken geleden schreef ik over de weerstand tegen huwelijken tussen mannen en mannen, of tussen vrouwen en vrouwen. Het bleek dat geen redelijk bezwaar tegen die verbintenissen stand houdt. De ene na de andere tegenwerping kon met gemak worden weerlegd (ik had sommige argumenten ontleend aan een boekbespreking door Anthony Appiah in de New York Review of Books van 20 juni).
En toch. Ik betrapte mij erop dat ik desalniettemin iets tegen het homohuwelijk had. Over die onredelijke tegenzin ging het stuk.
Op die beschouwing kwamen een paar reacties. Prof. John Griffiths, hoogleraar in de rechtssociologie in Groningen, wees mij op het artikel dat hij een tijd terug in Het Parool geschreven had. Daarin pleitte hij voor afschaffing van het burgerlijk huwelijk: 'Het houdt in dat de staat zich terugtrekt uit het sacrale deel van wat thans "het huwelijk" heet.'
Trouwen in de overgeleverde betekenis van elkander trouw beloven in het bijzijn van getuigen en in het openbaar, dat doe je voortaan maar bij een club of kerkgenootschap van je voorkeur. De overheid is er alleen om afspraken te registeren over ouderschapsrecht, belastingstatus, erfrecht enzovoort.
Er zit in dit voorstel een verre sprong en een rare draai. De sprong is de afschaffing van de 'sacrale' elementen in de verhouding tussen burgers en hun staat. Kan dat staatsburgerschap van alle irrationele aspecten ontdaan worden en dan toch nog functioneren, ook bij belastingheffing, strafvoltrekking, in oorlogstijd? En de vreemde wending is om nu juist wanneer mannen met elkaar en vrouwen met elkaar willen trouwen dat huwelijk opeens te ontdoen van alle staatserkenning die tot nog toe geslachtelijk gemengde huwelijken wel gegund werd.
Een paar briefschrijvers vielen mij bij in mijn tegenzin. Dat was maar een gevoel schreef ik, het schept voor niemand enige verplichting, hoogstens kan een ander er wat geduld mee hebben. Maar dat vonden de inzenders niet genoeg. Er moest wat meer zijn. 'Het huwelijk als vruchtbare verbintenis tussen man en vrouw is en blijft de biologisch bepaalde en dus universeel erkende perfecte vorm van verbintenis.' Zijn niet het mannenlichaam en het vrouwenlichaam volmaakt op elkaar afgestemd?
Is het allemaal wel zo volmaakt afgestemd? Zouden er niet nog andere manieren zijn om twee lichamen in elkaar te zetten? Maar het meest interessant is de koppeling 'biologisch bepaald en dus universeel erkend'. Er is zoveel dat biologisch bepaald lijkt en toch niet universeel erkend wordt. Integendeel, zou je haast zeggen.
Blijkbaar geldt een biologische argumentatie als modern en verlicht, en tegelijk als dwingend en verplichtend.
Ook een andere correspondent zoekt erkenning van zijn gevoelens in de biologie. Homohuwelijken kunnen hem niet zoveel schelen, zegt hij, maar hij ziet niet graag dat mannen elkaar zoenen, 'en dan met name zoenen op de mond.' Het is maar een gevoel. Maar toch 'ligt het voor de hand dat een levenswijze die niet per definitie tot voortplanting leidt voor de natuur letterlijk een doodzonde is.' Alweer is het besef dat het enkel om een gevoel gaat niet genoeg en moet er erkenning komen. Die bevestiging wordt niet in de kerk gezocht maar in de natuur, niet in het geloof maar in de wetenschap.
De overhaaste biologische rechtvaardiging doet denken aan het leerstuk van de 'vitale afkeer' van de homoseksualiteit dat tussen de wereldoorlogen voor wetenschappelijk gold. Erfelijk gezonde mensen zouden een spontane afkeer hebben van homoseksuelen (en trouwens ook van de omgang met joden, negers en zigeuners). Daar is men op terug gekomen.
Eerlijk gezegd weet ik niet hoe het zit met de natuur en het mondzoenen; ik weet niet of in de mens een gen opspeelt wanneer hij zulk tegennatuurlijk gedrag tegenkomt. (Probeer je eens in te denken wat een ingewikkelde mechanismen van waarneming, beoordeling, waarschuwing, reactie en gevoelsactie daar allemaal al in verondersteld zijn).
Er is nog een andere verklaring van die tegenzin mogelijk. Als kinderen opgroeien mogen ze elkaar steeds minder betasten. Mannen moeten van mannen afblijven en mannen moeten steeds meer van vrouwen afblijven die zich niet uitdrukkelijk voor hen beschikbaar stellen. Niet alleen dat volwassen van alles niet meer mogen doen, ze mogen het ook niet meer willen, van anderen niet en al helemaal niet van zichzelf.
Zou het kunnen dat af en toe een vergeten boosheid om een allang afgeweerd verlangen terugkeert als ergernis over het gedrag van anderen die zich wel permitteren hun verlangens uit te leven?
Deze laatste verklaring, waarin nog een echo van de psychoanalyse meeklinkt, is riskanter dan de biologische. Want wie uitkomt voor zijn tegenzin, maakt zich kwetsbaar voor de repliek dat hij eigenlijk wil wat hij afwijst. Ook dat geloof ik niet. Het lijkt me dat de meeste mensen daar al niet meer naar verlangen, maar zelf niet goed in de gaten hebben wat het hun ooit gekost heeft om die verlangens op te geven. De tegenzin zou dus kunnen zijn ingegeven door een soort ressentiment: 'de dames en heren doen gewoon maar waar ze zin in hebben en nu willen ze nog trouwen ook.'
Maar ook die interpretatie veronderstelt heel veel: de alomtegenwoordigheid van veelvuldige verlangens in de kindertijd waarvan later maar moeizaam afstand is gedaan.
De eenvoudigste verklaring luidt dat het van de liefde komt. Het huwelijk in het algemeen krijgt iets mee van het gevoel dat voor de eigen geliefde bestemd is. Wie aan dat huwelijk tornt, komt al aan die geliefde.
En dat is weer iets te simpel.Abram de Swaan, NRC 29 juni 1996