HET NEDERLANDSE VOLKSHUMEUR


Abram de Swaan, NRC 6 juli 1985

 

 

Nog liever dan verre samenlevingen te leren kennen zou ik mijn eigen omgeving een keer wilen zien alsof het voor de eerste keer was: met de ogen van een vreemde.
Wanneer ik uit het buitenland terug kom probeer ik te blijven kijken als een vreemdeling en doe mijn uiterste best om me te verbazen. Heel even ziet de Haagse weg er nog raar uit, dat platte, groene land en al die blauwe en grijze borden, maar bij de brug over de Amstel ben ik mijn ontwende blik al kwijt.

Wat jammer is dat toch: om een volk te leren kennen moet je erin opgenomen worden, maar ben je er eenmaal deel van dan merk je het eigenaardige niet meer op. Dat gaat eigenlijk ook op voor zelf-kennis, je moet er al een tijd lang jezelf voor zijn en toch jezelf al die tijd met andere ogen gadeslaan. Een onmogelijke opgave. En dat is ‘ons-kennis’ evenzeer. ‘Ons kent ons’ betekent dan ook ‘ons dekt ons’.

Alleen vreemdelingen die hier al heel lang leven en toch buitenstaander zijn gebleven, mensen die hier wel wonen maar niet wennen, kunnen ons ons eigen volksgeheim vertellen. En dan nog blijft er een vraag: Als ze Nederland zo goed kennen, waarom zijn ze dan zelf nog steeds niet gewoon Nederlands, even blind geraakt voor het volkseigene als wijzelf? Tonen ze ons ons volkskarakter, of hun eigen aanpassingsproblemen?

Ik kom daarop door het boek van Derek Phillips, De naakte Nederlander (Bert Bakker, Amsterdam). Phillips is een socioloog, hij heeft dus voor dit probleem gestudeerd. En hij is een Amerikaan die sinds dertien jaar in Nederland woont en werkt. Zijn schets van ons nationaal karakter heeft irritatie gewekt, ook al omdat hij die kenschets op de televisie nog eens puntig en stekelig heeft samengevat.

Phillips begint met een overzicht van de typeringen die eerdere waarnemers van de Nederlandse volksaard gegeven hebben. Er is nogal wat overeenstemming. Maar op één punt wijkt Phillips van die eensgezindheid af. Hij vindt ons niet individualistisch, maar integendeel sterk op de groep gericht en bang om voor eigen mening en geaardheid uit te komen.

Dat komt al meteen hard aan, want als er een leus is die hier telkens weer in spreekkoor wordt opgedreund, dan is het wel: ‘Wij zijn een volk van in-di-vi-dua-listen!’ En Phillips heeft gelijk: dat is niet waar. Nu hij het zegt, er is inderdaad een grote terughoudendheid om met iets eigens en enigs, iets anders dan een ander voor de dag te komen.

Phillips vergelijkt ons met ‘de Amerikanen’ en ik vind dat een grote zwakte in zijn betoog. Amerika is een continent, Nederland een stadsgewest in een landje. En ik denk dat er binnen Amerika zo grote verschillen zijn van streek tot streek, van groep tot groep, dat de Nederlanders altijd wel wat meer zus dan sommige en wat minder zo dan andere Amerikanen zijn. Maar daarmee is Phillips’ constatering niet weerlegd.

‘Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’, dat is de eigenlijke Nederlandse wapenspreuk. En Phillips verbindt het collectivisme en de groepsgebondenheid van de Nederlanders aan hun afkeer van alles wat ongewoon is, maar ook van iedereen die naar beter streeft of meer bereikt. Dat is alweer raak.

Zo wordt een kind dat heel mooi is of heel slim van dat feit met grote zorg onkundig gehouden door zijn omgeving, als leed het aan een fatale ziekte: en, inderdaad, zo'n kind groeit op in het besef dat er een geheim is dat het wel vermoedt, maar toch niet geloven kan.

Nederlanders moeten ook hun ambities voor elkaar verbergen als waren het schandelijke voornemens. In een studiegroepje liet een student zich eens ontvallen dat hij ooit wilde promoveren: 'Jij laat je ook wel kennen', schamperde een ander. Die student had iets laten merken waarvoor hij zich moest schamen. Een afgrond van collectieve hypocrisie gaapte daar: want veel studenten zouden toch willen promoveren als ze er het talent voor hadden, daar komen ze voor.

Die groepsdruk om alle bijzonderheid, vooral uitnemendheid, te verhullen, wreekt zich in de persoonlijkheidsvorming van de Nederlanders, het maakt huichelachtig, vals bescheiden en zet een domper op het plezier in prestaties. Maar het bevrijdt weer van een andere hypocrisie die Phillips onwillekeurig beschrijft als hij een voorbeeld geeft van de royale wijze waarop een Amerikanen een collega geluk zou wensen met een succesje: het voorbeeld dat hij geeft van die generositeit walmt van de nauw verholen afgunst.

Phillips heeft de Nederlanders dertien jaar meegemaakt,maar in een bijzondere fase: in de hitte van de collectieve emancipatiestrijd: studenten, vrouwen, homoseksuelen, Molukkers, Surinamers, zij ketenden zich groepsgewijs aaneen in naam van een collectief vrijheidsstreven. Die bevrijdigsstrijd is nu geluwd en daarmee misschien ook de groepsdruk.

Die fasen voltrokken zich min of meer parallel in Amerika en in Europa, maar Phillips maakte die periode van collectieve emancipering niet mee in Amerika maar in Nederland, en schrijft dat collectivisme onverkort toe aan de Nederlandse volksaard. Hij heeft het over een tijdeloos volkskarakter en nergens breekt het inzicht door dat ook een nationaal karakter in ontwikkeling is, dat er dus net zo sprake kan zijn van een volkshumeur en zelfs een wereldstemming.

Ik zeg dit niet om Phillips’ waarnemingen weg te werken: die Hollandse groepsdruk en die kleinering van talenten ligt loodzwaar op de samenleving. Nederlanders leven met een zelfopgelegde middelmatigheid en zijn daar van dag tot dag tevreden en op de lange duur ongelukkig mee. Wij vinden onszelf netjes, maar ook minnetjes. Er bestaat een Hollandse zelfhaat die verborgen ligt in de tweeslachtigheid van het woord ‘Hollands’ zelf: net als ‘burgerlijk’ helemaal geen compliment is voor burgers, is ‘Hollands’. ‘typisch Hollands’ iets dat eigenlijk geen Nederlander zijn wil. Tussen ‘Nederlands’ en 'Hollands’ schommelt het nationale zelf-gevoel: Phillips’ ‘Naakte Nederlander’ is een ‘botte Hollander’.

Abram de Swaan, NRC 6 juli 1985

 

WEG WILDERNIS


Abram de Swaan, NRC 13 juli 1985

 

Mijn reizen hebben mij ver van huis gebracht tot diep in het Hollands polderlandsschap aan de rand van de Nieuwkoopse plassen water, open land, even geen zon, maar dan toch wind en regen.

Dus zit ik binnen te blokken, tevreden dat ik niets mis. Klaart het toch op, dan trek ik er met de kano of de zeilplank op uit dat is wel het minste wat ik doen kan.

Het is allemaal heel mooi, daar niet van, het landschap, de luchten, de waterpartijen, maar er komt al gauw een eind aan. Dat hele natuurgebied is maar een paar kilometer in het vierkant en eigenlijk ook niet zo natuurlijk. De plantjes die honderd meter verder machinaal worden uitgerukt blijven hier vol piëteit gespaard en ze staan er zo nadrukkelijk bij als beschermde exemplaren dat ik haast medelijden krijg. Zo'n natuurgebied lijkt wel een oorlogskerkhof, elk bloempje een grafmonument voor zijn soort.

Natuurgenot in Nederland is doen alsof je doofhouden voor het rommelen van het verkeer verderop en gauw de ogen afwenden van de einder, waar altijd wel een torenflat of hoogspanningskabel te zien is. Dat achtergrondgeluid en die horizon ergeren mij niet zo, maar wel de pretentie van het reservaat waarin de natuur even vrij mag tieren als de reeëen in een hertenpark.

Er is niets wilds en niets gevaarlijks aan, alles keurig ingezaaid en gesnoeid voor eigen bestwil. Volgend jaar al wordt bij elke paddestoel een bijsluiter gevoegd om de natuurliefhebber te waarschuwen voor schadelijke bijwerkingen.

Dat natuurgebied is allemaal cultuurgebied, niet alleen omdat het met de grootste zorg en precisie in stand gehouden wordt, maar ook omdat het is ontstaan uit duizenden jaren mensenwerk. Het is drooggelegd of afgegraven, omgeploegd, bemest, bebouwd, verkaveld en verkocht als bouwland, totdat het opeens herkend werd als iets anders, dat van nu af aan hetzelfde blijven moest.

De natuurgebieden in Nederland zijn historische monumenten agrarische openluchtmusea waar het landschapsgebruik uit vroeger tijden is tentoongesteld; de rietsnijders, keuterboeren, pachters, melkmeisjes, schaapherders zijn zorgvuldig weggewerkt: die zijn niet echt, niet wild genoeg.
Er is in Nederland geen vierkante meter ongerepte natuur meer over, in heel Europa niet, behalve in het hooggebergte.
Oerbossen zijn alleen nog te vinden in Siberië en ook die zijn waarschijnlijk tientallen keren door nomaden platgebrand. Zelfs de woestijnen zijn niet van god gegeven, maar ons geschonken door dezelfde mensenhand die de bomen kapte of verstookte, zodat de grond verstoof.

Op hoge zee dan, daar is tot in de wijde omtrek geen spoor van de mens te bespeuren, totdat ook de oceanen met een heel dun laagje chemicaal zijn afgedekt. Een behagelijk ideeº de hele aarde menseljk ingericht, een beetje smoezelig, hier en daar wat uitgewoond, maar toch de eigen, oude, vertrouwde thuisplaneet.

Natuurgebied in Nederland is agrarisch werkterrein bewaard in oude staat. In welke toestand wordt dat landschap bevroren? Zoals het was vóór de komst van de auto en de tractor. Dat vinden moderne mensen pikantº een onverhard gebied, helemaal zonder bandensporen. En zelfs in Afrika moeten op last van de voormalige kolonialen die daar nu terugkeren vermomd als natuurbeschermers, hele provincies gefixeerd worden in de oude toestand, precies zoals ze waren voordat de Europese kolonisten kwamenº alsof geweer en jeep er nooit geweest zijn.

Natuur is cultuur minus industrie. Natuurbeschermers spelen graag pre-industrieeltje en eisen daarvoor onmetelijke pretparken op.

Het grondgebruik sinds de industriële revolutie is even natuurlijk of onnatuurlijk als de bewerking van het land voordien. Het post-industrieel landschap heeft een eigen schoonheid, op een anders schaal, bij een andere snelheid. Dat kan de trage, kortzichtige wandelaar niet zien, dat blijkt pas bij honderd kilometer per uur, als de bruggen en verkeerpsleinen hun ritme en samenhang krijgen in een strak landschap van stipt verkavelde vlaktes, her en der gemarkeerd door een mast of een toren. Heel Nederland is een landschapspark, uit de auto of de trein te bezichtigen. Voor dat tempo is het gemaakt. Die rare bosjes en plukjes, waar voetgangers rondhangen, moeten eruit. En verder moet alles behouden blijven precies zoals het nu is, vóór de komst van de ondergrondse kogeltrein en de eenmansraketjes, in zijn ongeschonden, pre-futuristische, natuurlijke toestand.

Midden in het post-industrieel landschapspark de Randstad, waar brede betonbanen hun patroon trekken tussen bebouwde kom en industrieterrein, is hier en daar wat bewaard gebleven uit de tijden dat mensen nog in het klein aan het landschap knoeidenº wrakke veeneilandjes en morsige poeltjes, een slordige rietkraag rond sompige weiden, de Nieuwkoopse plassen.

Daar in het plassengebied wordt een ruimharitg minderhedenbeleid gevoerd. De subhumane soorten die elders diskreet verwijderd zijn, worden hier van overheidswege positief getolereerd.

Er wordt hier bij zonsopgang en zonsondergang onmiskenbaar getwinkeleerd gedurende de 'kwetter-uren’ zoals die in de Suburbane Geluidsnota zijn aangewezen voor pluriforme en multi-speciële auditieve expressie door non-humane doelgroepen. (Te denken valt hierbij aan de honderdduizend lijsters, driehonderduizend merels, achttienhondrerd leeuweriken, zevenentwinitg koekoeken die in dit gastvrije landje toch nog altijd de B-status gegund wordt zolang zij zich van hun kant tenminste ook aan onze spelregels houden). Daar zweeft een zwaluw langs, zo'n aardig uitheems dier, dat mij in het voorbijgaan nog even gauw zijn doorreisvisum toontº 'alles dik voor mekaar, meneer’ en weg is 't ie naar zijn primaire leefverband.

Een dichte motregen nevelt over de stille plas, diepe rust, verveling haast, stilte en nattigheid.

De kalmte, de opluchting, de ontspannen kracht die heel even in mij opwelt, het geluksgevoel, dat is allemaal reeds voorzien in de Nota Ruimtelijke Ordening.

Abram de Swaan, 13 juli 1985

 

GELIJK DE BESTE (I)


Abram de Swaan, NRC 27 juli 1985

 

De verschillen tussen mensen zijn ongelijk verdeeld. In het ene land kan bijna iedereen hardlopen, boomklimmen en kopje duikelen, in het andere zijn de meeste mensen vadsig en onbeholpen, maar zijn er een paar die kunnen rennen, springen en klauteren als de besten. De eerlijkste vergelijking tussen zulke volkeren is een vergelijking tussen de snelsten en behendigsten die zij hebben voortgebracht, want daaruit blijken de grenzen van hun mogeljkheden, althans op dat tijdstip.

Zulk vergelijkend onderzoek is wel eens gedaan op het gebied van de intelligentie, maar dat bleef dan steken in taalbarrières en verschillen in gewoonten. Het volk dat de IQ-test had bedacht beschouwde dat op zichzelf al als het onomstotelijk bewijs van eigen intelligentie en verlangde van het andere volk dat het precies die proef aflegde, maar weigerde de zang- en trommelproef te doen die dat andere volk nu juist voor doorslaggevend hield als blijk van geestelijke vermogens.

Er zou dus een meting moeten worden gehouden van prestaties die alle volkeren van belang achten en volgens regels waarmee ze allemaal instemmen. Die proef zou dan niet eenmaal, maar over vele jaren telkens opnieuw moeten worden gehouden, zodat iedere groep de kans krijgt de meest geschikten uit te zoeken en in de opgave te oefenen.

Het spreekt vanzelf dat de wetenschap aan zulk vergelijkend onderzoek nog niet toe is, de wetenschap is immers zelf een soort proef, maar dan wel een heel oneerlijke waarbij het volk met de meeste wetenschappers alle wetenschappelijke tests wint.

Toch worden die vergelijkende metingen al bijna een eeuw uitgevoerd, met eendrachtige medewerking van bijna alle volkeren, in vrijwel volstrekte eensgezindheid over de maatstaven en met de grootst denkbare nauwkeurigheid. Iedere keer weer wordt onder wereldwijde belangstelling een hele testbatterij afgewerkt; de uitslagen worden zorgvuldig vastgelegd en alom bekend gemaakt.

Die vergelijkende lichaamswetenschap is uiteraard de atletiek en de Olympische Spelen zijn het reizend laboratorium waar dat vergelijkend onderzoek elke vier jaar gehouden wordt. Elk tak van sport is tot in het kleinste detail gereglementeerd om een goede vergelijking te kunnen garanderen, en ook in dat detaillisme en formalisme is de sport verwant aan het wetenschappelijk experiment: een wedstrijd is een standaardtest met wereldwijde geldigheid. Die internationale normering is in de sport beter gelukt dan op enig ander gebied.

Om een wedloop op het ene tijdstip te kunnen vergelijken met een andere ergens anders is objectieve tijdmeting vereist. Zonder chronometers zijn alleen gelijktijdig uitkomende renners te rangschikken en bestaan er geen onderling vergelijkbare records. Die tijdmeting is een kwestie van techniek records worden pas sinds de jaren vijftig algemeen tot in honderdsten van seconden gemeten en ook de 'foto-finish’ is een nieuwigheid.

Maar veel belangrijker is de reglementering van elk Olympisch nummer, waardoor de opgave steeds dezelfde blijft en de prestaties op elke plaats en op elk tijdstip met elkaar vergeleken kunnen worden. Die sociale organisatie van de tijdmmeting maakt de sportprestaties tijdloos en universeel. De tijd van Eddie Tolan in Los Angeles in 1932: 10,3 seconden geldt overal ter wereld en bleef dertig jaar ongeëvenaard. Dat Tolan toen Metcalfe en Jonath voorbijliep zou in vroeger tijden het beslissende feit in zijn heldenverhaal geweest zijn, maar in de moderne sport is het irrelevant Tolan loopt met die ene ren van 1932 ook nu nog de grote meerderheid van de Olympische atleten voorbij in Moskou in 198o liepen er maar twee sneller dan hij, vier jaar later in Los Angeles zes.

De Olympischhe atletieknummers zijn sinds 1896 bijna elke vier jaar op vrijwel identieke wijze herhaald. Ze leveren daarmee een uniek vervolgonderzoek op. De eerste paar keer is het nog wennen op zo'n onderdeel en zijn de resultaten grilligº de eerste marathon van de moderne tijd werd gewonnen door Spiridion Louîs, een Griekse boerenjongen die gewoon heel hard bleef lopen. De Amerikaan Robert Garrett won in dat beginjaar het discuswerpen voor de grap hij had het ding nooit eerder vastgehouden.

De Olympische Spelen waren tot in de jaren twintig vooral een treffen van Amerikanen, West-Europeanen en de Gemenebest-landen; de Amerikanen overheersten, vooral op de korte fstanden. En in die eerste fase werden de records iedere keer met sprongen verbeterd: blanke suprematie en vooruitgangsvetrouwen onder Amerikaanse aanvoering, welsprekend uitgedrukt in minuten en seconden. Maar in de periode tussen de twee wereldoorlogen werd een niveau bereikt dat niet meer zo gemakkelijk te overtreffen was, de records werden stabiel en bleven soms tientallen jaren ongebroken. Amerikaanse negers, Aziaten, Oost-Europeanen, Latijns-Amerikanen en Afrikanen gingen meedoen. Na een gewenningsperiode bleek in elk Olympisch onderdeel dat ook nieuwkomers konden winnen. De opkomst van de socialistische landen en de dekolonisatie werd al even scherp uitgedrukt in cijfers achter de komma.

De eerste conclusie uit de honderdjarige wereldwijde Olympische vergelijkingstest is dat na een aanloopperiode de verschillen tussen de allerbesten miniem zijn en dat geen volk, ras of continent de alleenheerschappij heeft in enig onderdeel. De verschillen tussen die kampioenen en gemiddelde sportlieden zijn aanzienlijk en tussen hen en gewone mensen enorm. Maar over een verloop van tijd of binnen een veld van renners ontlopen de besten elkaar niet zoveel.

In heel ver uiteengelegen plaatsen van de wereld, onder de meest verschillende omstandigheden matten atleten zich af om het allerhoogste niveau te bereiken, en wanneer zij elkaar dan eindelijk treffen blijken ze tot op de seconde en de centimeter aan elkaar gewaagd; en van het ene jaar op het andere kunnen atleten de prestaties van hun voorgangers maar met een fractie verbeteren.

Abram de Swaan, NRC 27 juli 1985


GELIJK DE BESTE (2)


Abram de Swaan, NRC 3 augustus 1985

 

Met de actualiteit bemoei ik mij niet, ik ben pre-actueel: vorige zaterdag had ik het over atletiekrecords en prompt werden die dag in Oslo drie wereldrecords gebroken. Het waren stabiele records, want ze werden met een miniem tijdsverschil verbeterd: op de 5000 meter met één honderdste seconde, een fractie die dertig jaar geleden nog maar nauwelijks te meten was geweest.
De besten van alle volkeren zijn aan elkaar gewaagd, beweerde ik in het vorige stukje, de verschillen tussen de kampioenen zijn maar heel gering. Dat blijkt het best in een nummer dat al bijna een eeuw gelopen wordt, de Olympische honderd meter. Al sinds tientallen jaren wordt het record niet meer spectaculair verbeterd. En alleen de allerbesten lopen sneller dan de recordtijd van 1932: 10,3 seconden. Het huidig wereldrecord ligt daar 0,37 seconden onder, een verbetering van 3,6 procent in meer dan vijftig jaren waarin het aantal hardlopers toch verveelvoudigd is, mededingers uit tientallen landen erbij gekomen zijn en de looptechniek en oefenmethodiek eindeloos zijn verfijnd. Die allersnelsten komen uit Duitsland, Rusland, Jamaica, de Verenigde Staten, Engeland, Trinidad, Cuba, Canada, het zijn blanken en zwarten, maar allemaal rijzig en pezig.

Hoe klein de verschillen tussen de allerbesten zijn blijkt ook uit de tijden van de eerste en, zeg, de achtste binnen één veld: bij de finale van Los Angeles in 1984 respectievelijk 9,99 seconden (dat was Carl Lewis) en 10,33 seconden: een tijdsverschil van 3,3 procent.

Nu is die honderd meter sprint een uiterst specialistisch kunststuk; zo'n stormloop komt in het dagelijks bestaan maar weinig voor. Dat nummer wordt vooral beoefend in landen die al een moderne sportcultuur hebben ontwikkeld. Maar wedrennen op de langere afstanden bestaan ook in samenlevingen die tot voor kort niet meededen in de internationale topsport; die landen kunnen dus toch meteen al cultuurtalenten inzetten.
Dat blijkt ook uit de resultaten op de 1500 meter. Ook hier werden de Olympische records aanvankelijk telkens met grote verschillen verbeterd: in 1924 liep Paavo Nurmi uit Finland al bijna veertig seconden sneller dan de Australiër Edwin Flack nog geen dertig jaar tevoren bij de eerste moderne Olympiade van Athene in 1896. Het duurde vierenveertig jaar voordat er nog eens twintig seconden van het record waren afgehaald, toen Kipchoge Keino uit Kenia in 1968 de anderhalve kilometer liep in 3 minuten en 34,9 seconden. Daarmee was het record stabiel geworden: het tegenwoordig wereld record is maar 4,14 seconden sneller, nog geen 2 procent in zestien jaar.

Eenzelfde stabiliteit blijkt uit de tijden binnen een veld van renners, opnieuw de finale van Los Angeles in 1984. De Engelsman Sebastian Coe liep de 1500 meter in 3 minuten 32,53 seconden en de achtste man deed er 4,18 seconden langer over; ook hier een tijdsverschil van minder dan twee procent. In die kopgroep liepen twee Engelsen, twee Spanjaarden, een Keniaan een Amerikaan, een Zwitser en een Soedanees; nog meer verscheidenheid, zoals verwacht.
Hetzelfde beeld van minieme tijdsverschillen tussen de allerbesten over een verloop van jaren en onder de koplopers in een veld blijkt nog overtuigender uit de resultaten van de marathon en ook daar komen die kampioenen uit alle windstreken van de wereld. De Fin Albin Stenroos liep dat nummer in 1924 in 2 uur 41 minuten en 22,6 seconden, ruim zeventien minuten sneller dan de legendarische Spyridon Louis in 1896 (over een 195 meter kortere afstand). In 1952 ging Emil Zatopek weer ruim achttien minuten sneller dan Stenroos en in 1964 liep Abebe Bikila uit Ethiopië de marathon nog eens bijna elf minuten vlugger: in 2 uur 12 minuten en 11, 2 seconden. Daarmee had die afstand zijn tijd gevonden.

Twintig jaar later, in Los Angeles, ging de Portugees Carlos Lopes nog niet drie minuten sneller, een tijdwinst van een goede twee procent in al die jaren. De achtste man was 2 minuten 18 seconden langer onderweg, binnen de kopgroep waren de verschilen dus nog minder. En toch kwamen daar, behalve de Portugees, een Ier, een Brit, een Japanner, een Australiër, een Tanzaniaan, een Keniaan en een loper uit Djibouti tegen elkaar uit. Al twintig jaar ontlopen die kampioenen uit alle continenten elkaar nauwelijks, maar verschillen enorm van gewone mensen waar ook ter wereld die al blij zouden zijn als ze die afstand binnen een dag konden lopen.
Al die topatleten zijn mannen. De grote scheidslijn loopt niet tussen de volkeren, maar tussen de geslachten.

Nog wel, ja, maar niet lang meer. De vrouwensport verkeert nu in dezelfde instabiele beginfase die de mannenatletiek aan het begin van de eeuw doormaakte. Alleen op de Olympische honderd meter die al sinds 1928 door vrouwen wordt gelopen raken de tijden gestabiliseerd: maar daar ligt Evelyn Ashford minder dan á‚áá‚án seconde achter op Carl Lewis en bij de voorrondes in Los Angeles waren heel wat mannen minder snel dan zij. Had ze maar meegedaan, dan had ze in een sneller veld vast een nog betere tijd gelopen.
Pas sinds 1972 komen vrouwen uit op de Olympische 1500 meter. Tatyana Kazankina was de snelste, met een tijd van 3 minuten 56,6 seconden. Daarmee was ze in 1920 nog Olympisch kampioen bij de heren geworden en als ze in Los Angeles met de mannen had mogen meedoen was ze in de voorrondes zeker niet als laatste geëindigd.

De winnares van de vrouwenmarathon van Los Angeles, Joan Benoit, zou bij de mannen als 51e zijn geëindigd met nog 57 lopers achter zich. Tot 1960 zou ze met haar tijd Olympisch kampioen in alle geslachten geworden zijn. En dat meteen al de eerste keer dat een Olympische marathon door vrouwen werd gelopen.

Het wordt hoog tijd dat vrouwen die zich weten te kwalificeren worden toegelaten tot de Olympische nummers waar mannen nu nog onder elkaar concurreren. Binnen tien jaar zal een vrouw Olympisch kampioen zijn in de mensenatletiek. Over dertig jaar zal dat gewoon zijn.

Hoe meer de mensen streven naar voortreffelijkheid, des te meer blijken daarin hun overeenkomsten.

Abram de Swaan, 3 augustus 1985

 

ELECTRONISCH PANDEMONIUM


Abram de Swaan, NRC 10 augustus 1985


Televisie is klassikaal en video is Montessori. Met een video kan iemand zijn eigen programma's samenstellen en zelf films maken. Iedereen zijn eigen thuisomroep, de wurggreep van het bestel gebroken. Maar daar is allemaal niets van terecht gekomen. De videorecorder werkt alleen maar als een tijdmachine: de slechte films komen er toch, een paar uur of een paar dagen later. Bioscoopfilms van een jaar of twee geleden verschijnen weer op video in de verhuur. Maar ook daar enkel vertraging, geen verruiming van het aanbod. In die videotheken zijn alleen films te krijgen voor het grote publiek, terwijl ze nu toch bekeken worden door een klein publiek: de thuiskijker en zijn vrienden. In zo'n huisbioscoopje passen rariteiten, documentaires, huiskamerdrama's, maar de videotheken hebben alleen werken in grote bezetting te bieden die bedoeld zijn voor een zaal. En dan vooral het grofste, goorste in het genre. Klassieke films zijn nergens te krijgen en daarmee is de kans verkeken op een privécursus in de filmgeschiedenis, waarvoor zo'n videorecorder nu net geschikt is.

Er is wel een nieuw medium, maar er is geen nieuwe boodschap, geen nieuwe vorm voor. Er is geen filmgenre dat rekening houdt met de omstandigheden waaronder video bekeken wordt: in de huiskamer, op een klein scherm, op het tijdstip dat de kijker belieft, en zolang als het hem uitkomt; passages kunnen worden herhaald, vertraagd, versneld of overgeslagen. Video staat tot film, als een boek tot een preek. Maar er is niets mee gedaan. Het wordt wel eens geprobeerd. In kunstmusea staat in een donker hoekje soms een videorecorder die kunstende beelden vertoont: het publiek schuifelt gegeneerd verder. Terecht; het zijn knullige probeersels, trillerig en vlekkerig, die wegvallen bij het technisch niveau dat de kijker thuis gewend is. Bovendien mag hij nu net niet zelf de knoppen bedienen, het enig voorrecht dat video te bieden heeft; hij leest een boek in een vitrine.

Heel even leek een autonoom genre te gaan ontstaan. In de tijd van de tv-piraten verscheen na middernacht de platste pornografie op het scherm. Dat was eindelijk huiskamerfilm. Opgenomen in klein decor voor vertoning op kamerformaat, met intense en toch overzichtelijke passies aangepast aan intiem gebruik, en uiterst geschikt voor herhaling en detailstudie. Het waren amateuristische producten die noodden tot zelfwerkzaamheid.

Het was onzedelijk en wansmakelijk, zoals alle avantgarde, en het werd verboden. Maar video blijft het ideale medium voor de pornografie en misschien komt er ooit nog iets moois uit voort.
Zelfs de televisie heeft na veertig jaar maar weinig nieuwe vormen opgeleverd. Spelletjes, praatprogramma's, filmfeuilletons zijn allemaal aanpassingen van genres die allang bestonden, wat levendiger, wat sneller, maar niet veel anders. Televisie is nog het meest oorspronkelijk in de verslaggeving van oorlogen of rampen en het medium bereikt een nieuw niveau als de scènes speciaal voor de uitzending worden opgevoerd, zoals bij kapingen gebeurt: marteling en moord als kunstwerk of mensenoffer. Dan pas wordt het medium de boodschap.

Verder is uit de televisie maar één wezenlijk nieuw genre voortgekomen en dat kwam pas heel laat: de videoclip.De clip verwijst ook naar niets anders dan naar een ander massagenre, de popmuziek, die zelf weer naar die filmpjes verwijst. Een videoclip is een heel kortstondig electronisch totaalkunstwerk.
Alles wat electronische componisten en videokunstenaars in hun laboratoria en ateliers niet is gelukt, is opeens in een heel vulgaire vorm gerealiseerd door de producers van de videoclips: desoriënterende montages, subtiele beeldcodes, complexe commentaren van beeld op geluid en terug, efficiente toepassing van vervormingstechnieken. Dat moest allemaal eerst ontdekt worden, nu pas kan zich daaruit een meer autonome video-kunst ontwikkelen. In film en televisie komen de kunstvormen voort uit de populaire genres.

Met moderne tv-toestellen kunnen tekstpagina's worden opgeroepen. Maar als die op het scherm verschijnen blijken ze onleesbaar. Grove, slordige letters, een bonte en rommelige opmaak, de typografie van de kindercomputer en het woordgebruik van de kleuterklas, vol zetfouten bovendien: Teletekst. De letters van de ondertitels op het gewone televisiebeeld zijn scherp gestoken, dus ook het letterbeeld van Teletekst zou goed kunnen zijn, als er wat meer pixels aan waren besteed. Er zit geen systeem in de paginering en dus blijft het zoeken naar de goede bladzijde en het bladeren duurt, omdat de teller eerst alle nummers moet doorlopen.

En dan is er nog niets lezenswaard. Bleke tekstjes over de Beekse Bergen, het omroepnieuws, nuttige wenken voor de doe-het-zelver. Het is zulk broddelwerk dat het wel opzet moet zijn, om de kranten of de omroepen geen concurrentie aan te doen. Weer zo'n toekomstvisie waar niets van uitkomt: de electronische krant blijkt een leesplank.

Met die teletekst worden gewone tv-programma's voorzien van ondertitels voor doven. Daar is tenminste iemand mee geholpen.

Gelijktijdige ondertiteling! Dat is lopend commentaar op de uitzending. Maar als dat kan, doemen ongedachte mogelijkheden op. Ik wil op mijn teletekst synchroon een tegentekst. Als op de televisie Van Aardenne spreekt, wil ik uit het tekstbestand zijn doopceel onder het beeld kunnen lezen. Ik wil bij mijn programma's ongewenste achterklap, verdonkeremaande feiten, buitenissige meningen kunnen oproepen met de afstandsbediening in de hand. Ik wil vooral tegenspraak, polemiek en hoon, het commentaar van K. Schippers, Hein Donner, Jan Blokker, Piet Grijs, Ischa Meijer, Gerrit Komrij, Tamar, in teksten dwars door het beeld. Ik heb Hillenius en Karel van het Reve nodig bij de EO en Heldring en Van Doorn bij de VPRO. Ik kan helemaal niet zonder die Teletekst. Van wie is die eigenlijk? Kan er geen piraat op? Breek in, roof een beeldpagina, geef de kijker de titels die hij nodig heeft.

Abram de Swaan, NRC 10 augustus 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

ELECTRONISCH PANDEMONIUM (2)


Abram de Swaan, NRC 17 augustus 1985


Wie nu nog gelooft heeft het goede nieuws nog niet gehoord: het is allemaal veel wonderbaarlijker dan wie ook maar ooit heeft kunnen bevroeden.
Wat voorspeld is, is ook uitgekomen en meer dan dat. En zonder dat er een god, geest of wonderdoener aan te pas kwam. Het is bedacht door onderzoekers, ontwikkeld in laboratoria, in fabrieken geproduceerd en door de commercie aan de man gebracht. En er bleek helemaal geen genade voor nodig, alleen maar een gebruiksaanwijzing. Het komt allemaal van de techniek. En die houdt maar niet op.

Bij het aanschouwen van een wijds landschap, een zeepanorama, of het uitspansel bij nacht, is het gepast om zich te laten overweldigen door een gevoel van nietigheid in het oneindige, ontzag voor de schepping en nederigheid voor de grootsheid van het wereldraadsel.
Ik heb dat niet zo. Als ik de verte of de lege hemel inkijk denk ik aan iets anders: ik stel me voor dat ik de radiogolven horen kon die daar voortschieten met de snelheid van het licht. Als ik er zin in heb, pak ik mijn zesde zintuig om ze te kunnen verstaan: Een zakradio vangt een dozijn zenders op, een kortegolf-ontvanger maakt er wel honderd verstaanbaar, met een draagbare tv kan ik ze ook nog zien. En dat zijn nog doodgewone electronica, met speciale apparatuur, scanners en radar, manifesteren zich nog veel meer frequenties.

Die straling is er dus al en omgeeft mij, zonder dat ik het ooit beseffen zou als het me niet verteld was, zonder dat ik het ooit merken zou als ik geen ontvanger binnen handbereik had. Allemaal gebabbel en gemurmureer, beweeg en geflonker, steeds en overal om mij heen. Muziek der sferen, een electromagnetische volte, dichtgestouwd met gepraat en gedoe dat tussen mensen heen en weer gaat. Geen ontkomen aan, behalve in een ijzeren kooi. Daarover verbaas ik mij: de eindeloze deining van de mensenzee die onmerkbaar voortklotst in de ether. Veel diepe zin wordt daarin niet rondgezonden, denk ik, maar zinlozer dan de natuur zelf kan niet. De zin is dat het er is.

Een eeuw geleden was de ether nog leeg, alleen maar het ongehoord gemompel van wat sterren die uitzenden van voorbij de melkweg.
Wat moet ik daar nu van denken? Een hele onzichtbare geestenwereld, die ons overal omringt en die zich manifesteert, zodra de transistor aanstaat.

Niets daarvan werd vroeger vermoed en het was er ook niet; er waren electro-magnetische golven, maar niemand ving ze op, en die golven droegen ook geen enkele boodschap.

Zo willen zij taal uit wartaal verklaren en zin uit onzin. De natuurkunde is al moeilijk genoeg, maar met wat rekenen en redeneren toch nog te begrijpen. Maar zij willen de Tao erbij halen of de Openbaring. Dat maakt het interessanter, dieper denken zij en rijker ook misschien. Maar niet duidelijker. En niet nuttiger. Een Yin-radio, daar komt tot het eind der tijden geen geluid uit, maar uit een simpele kristalontvanger wèl en meteen. En dus is met het ontwerp van dat apparaat iets begrepen, iets ingezien over de wereld.

Er moet toch meer zijn, iets anders, iets hoezalikhetzeggen hogers? Ik weet het niet. Het zal wel. Maar wie daar naar hangt en zucht, die heeft nog niet de diepte en de verte begrepen van de techniek en van de wetenschap. Dat is hem teveel moeite, dat is hem te gewoon; dat heeft een begin dat moeilijk is en niet al dadelijk een eind dat makkelijk is en voor dwepers meteen te bereiken.

Nu worden de kwezels bits en komen met verwijten. Al die scientistische vernieuwing, wat heeft het de mensheid gebaat?
Wat voor goeds is daaruit voortgekomen? De atoombom en het milieubederf soms? De antroposofie en de astrologie, die zijn tenminste milieuvriendelijk en niet-destructief. En natuurlijk afbreekbaar bovendien.

Er is dus een etherisch rijk dat door onze wereld heendringt en onmerkbaar alomtegenwoordig is. Dat lijkt de nauwkeurigste vervulling van voorspelling en verkondiging over onstoffelijke wezens, over boodschappen die door de wereld zweven, over de geest die waait waar hij wil. Dat is de radio, of beter, de electromagnetiek.

De wonderen komen de wereld in. Maar het vreemde is dat de gelovigen die al die tijd in den blinde aan het gissen waren nu niet opgelucht kennis nemen van de oplossing van de geloofsraadselen en zich voortaan wijden aan zelfstudie in de electrotechniek. Nee, zij negeren de nieuwe mirakels. Die nieuwigheden zijn echt en ze doen het, en dus gelden ze niet als ware wonderen, want die zijn niet echt en die doen het niet. Of erger nog, de geloofsgetrouwen leggen een verband tussen de nieuwe technieken en de oude leer waarin het allemaal al werd aangekondigd: 'Zie je nu wel' - Nee, ik zag niets en nu zie ik wel wat, niet in de oude leer, maar op een beeldscherm.

Ja, wat is de zin van de techniek, werkt ze ten goede of ten kwade? Dat is weer zo'n eindvraag voor luie dwepers. Pas als de gelovigen verklaren kunnen waarom hun opperwezen of almachtsbeginsel het kwaad in de wereld toelaat, zijn zij toe aan een eindoordeel over zin en waarde van de techniek. Eerst de theodicee, dan de technedicee. Ik beweer niet dat wetenschap en techniek het goede dienen, maar dat ze ware kennis behelzen over de wereld. Dat is al heel wat.

Zo leef ik in mijn geestenwereld, omringd door electronische demonen. Geen stap buitenshuis zonder transistor: ik moet weten wat er in de ether om mij heen gefluisterd wordt. Op mijn werktafel de televisie afgestemd op het kabelkanaal dat alle tien zenderbeelden tegelijk weergeeft, mijn FM-radio zacht ruisend op de tast naar verre stations, binnen handbereik het telefoontoestel miljoenvoudig gekoppeld, grammofoon, cassette en compact-speler klaar in de aanslag; en op mijn
computerbeeldscherm vormt zich deze tekst. Ik sta in contact.

Abram de Swaan, 17 augustus 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

WEGRECENSIE


Abram de Swaan, NRC 24 augustus 1985

 

Al weer vele jaren exposeert het kunstenaarscollectief Rijkswaterstaat op een aantal plaatsen in het land zijn monumentale projecten: betonplastieken van kloek formaat, strak uitgevoerd en van een welhaast dwingende lijnvoering. Telkens vormt een brede, vlakke baan het hoofdstramien, als het ware even uit het landschap gelicht door parallelle aarden wallen en geulen. De textuur van de eigenlijke objecten lijkt van een afstand glad en structuurloos, maar blijkt van nabij van een fijnkorrelige en tactiel bijna provocerende complexiteit, een graniet-achtige materie die gestold lijkt te zijn uit een primordiale lavastroom, als was de oertijd hier voorgoed bevroren. Datzelfde paleolithische effect wordt nog eens versterkt door de grauwgrijze kleurstelling, een monocolore in de meest beginselvaste Klein-traditie die in zijn kleurloosheid het coloriet overstijgt tot iets wat nog slechts naar analogie met de muzikale atonaliteit is te omschrijven als a-coloriteit. Maar ook aan deze vaderlandse kunstenaarsgroep is de hard edge stroming niet voorbijegegaan: de expressieve ascese van het continue grauwe fond wordt polemisch doorbroken met een paar strakke witte lijnen die asymptotisch in de lengterichting doorlopen, soms gesloten, soms speels onderbroken als een stippellijn.

In recenter werk introduceert Rijkswaterstaat een nog verder reikend materiaalcontrast: we zien dan een inlijsting van de objecten in kaders van dubbelaluminium, alweer lengtegewijs en parallel, want het gaat nog steeds om verkenningen van longitudinale potentiëlen: linten, stroken, banen - een verwijzing naar bewegingsrituelen, naar een verplaatsingsdrang die het kunstenaarscollectief blijkbaar sinds jaar en dag obsederen. Maar deze preoccupatie met koers en richting, die nadere gestalte krijgt in de detaillering van de objekten met kleinschalige en soms in het geheel wat priegelige decoraties - ronde en vierkante panelen in rood, wit, blauw of zwart met een toch overtuigend semiotisch signaaleffect - weigert elke transcendentale lading: de objecten blijven gewild en opzettelijk plat, horzontaal, aards.

Dit in tegenstelling tot een ander monumentaal werk van dezelfde groep: de correcties op de Zeeuwse kustlijn, die met hun torenende en verticale structuren, onmiskenbaar omhoogwijzen, verwijtend naar de hemel uit het water verrijzen om een almacht (een wrekende god, een nalatige gezagsdrager?) rekenschap te vragen van de nietsontziende verwoesting die de stormvloed hier ooit heeft aangericht en waarvoor Rijkswaterstaat met dit Deltawerk een gedenkteken heeft willen oprichten.

Met dit monument wordt de mens door het beton gewroken: met elk getij wordt het water als in een rituele boetedoening gedwongen door de poorten en de gangen van deze monumentale structuur te gaan, om in de achterliggende bekkens stil en brak tot bezinning te komen zonder dat van vergiffenis ooit sprake zijn kan in deze nooit aflatende loutering.

Van zo een elementaire transcendentie is in de lintstructuren van Rijkswaterstaat geen sprake. En toch zijn ook daar aspecten van verheffing aan te wijzen. Zonder aanwijsbare noodzaak buigen hier en daar stroken af om zich in een gespannen ritmiek over de baan te welven, in sommige objecten twee, drie overkoepelingen boven elkaar, en aan de andere kant weer terug te krommen in een aansluiting op andere stroken die zich dan tot ver in het landschap voortzetten. Hier refereert het collectief aan een Gothische lijnentraditie, uitgewerkt in fundamentele, maar in hun totaliteit verrassend complexe geometrische figuren.

Juist bij die overspanningen en verbindingen doorbreekt Rijkswaterstaat even de anonimiteit en de abstractie waarin deze high-tech betonwerkers zich bij voorkeur hullen: in reusachtige belettering verschijnt dan opeens het signatuur van de auteur en is er wel en ook expliciet sprake van 'kunstwerken'. De kunstenaar is aanwezig, maar vergroot zichzelf zozeer, voorziet zichzelf van zo ironiserende epitheta als 'directoraat', 'departement', 'maatschappij', dat zijn individualiteit toch verloren gaat in deze welbewuste grootspraak. Zelfs waar het collectief signeert blijft de kunstenaar als zodanig afwezig in het werk.

Na zovele jaren en een zo lange reeks projecten is het langzamerhand mogelijk een totaalbeeld te vormen van de monumentenketen die Rijkswaterstaat in het Nederlandse landschap heeft gelegd. Er wordt voortgewerkt in de school van de Amerikaanse highway, maar er is vooral aansluiting gezocht bij de Duitse Autobahn en ook de minder plezierige connotaties van die volkse en tegelijk totalitaire traditie zijn niet steeds vermeden: De aardse platheid van het werk doet soms ook vulgair en populistisch aan.

Misschien mede daardoor heeft dit toch compromisloos en extreem esthetiserend genre, een op zich ongenaakbare synthese van land art, concrete art en minimale kunst, een zo brede respons gevonden bij het Nederlands publiek. Op elk uur van de dag en op elke dag van de week worden de werken druk bezocht. Rijkswaterstaat heeft dan ook niets nagelaten om de projecten toegankelijk te maken voor een brede massa van geïnteresseerde bezoekers die zich anders niet zo gauw aangetrokken voelen tot de avantgardistische kunst. Talloze liefhebbers zijn dagelijks op de banen aan te treffen en velen richten hun dag zo in dat ze een project 's ochtends van de ene kant kunnen bekijken om het aan het eind van de dag nog eens van de andere kant in ogenschouw te nemen. Steeds meer mensen kiezen zelfs hun woonplaats zo dat ze elke dag van en naar hun werk zo'n monumentaal parcours kunnen afleggen. Hier structureert de kunst het leven. Een groter compliment is voor een kunstenaar niet denkbaar. Men kan slechts met spanning afwachten hoe Rijkswaterstaat het Nederlanse landschap zal voltooien.

De volkeren verschillen van elkaar in hun middelmaat, maar ze lijken op elkaar in hun uitersten.

Abram de Swaan, NRC 24 augustus 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987
ook in: De draagbare De Swaan, Prometheus, 1999

 

DE KRANT EN HET CULTUURSTELSEL


Abram de Swaan, NRC 31 augustus 1985

 

De krant bespreekt maar wordt niet besproken. Theater, film, kunst en literatuur worden gerecenseerd, de televisie ook nog wel, van tijdschriften en zelfs weekbladen wordt in de krant een rubriek bijgehouden, maar besprekingen van kranten bestaan niet. Zijn kranten wel bespreekbaar? Bij elk dagblad zijn zo'n honderd journalisten in de weer die iedere dag een nieuwe afleve­ring maken. Elke dag een monsterproductie en elke dag première.

Een groot deel van wat in de krant verschijnt wordt kant en klaar geleverd door de persbureaus en de inhoud wordt goeddeels gedicteerd door de nieuwsfeiten van de dag. Wat telt als nieuws wordt langzamerhand vooral uitgemaakt door het televisiejournaal van acht uur: daar kijkt vrijwel iedereen naar en die berichten kan dus geen krant achterwege laten.

Er is in die kranten wel veel nieuws, maar niet veel nieuwig­heid. Bijna alles wat in de krant staat verwijst naar vorige nummers, is deel van een lopende serie. De meeste nieuwsberichten zijn afleveringen in een voortgaand verhaal en vereisen dan ook kennis van het voorafgaande. Maar ook de andere rubrieken veronderstellen stilzwijgend dat de lezer bekend is met eerdere bijdragen.

Dat maakt een krant tamelijk onbegrijpelijk voor iemand die haar voor het eerst ziet. Behalve voor het internationale nieuws zijn buitenlandse kranten dan ook uiterst ontoegankelijk zelfs voor iemand die de taal goed kent: de afkortingen zijn abacadabra en de cursiefjes niet te volgen.
Kranten zijn alleen voor ingewijden, maar de vaste lezers beseffen helemaal niet dat ze ooit ingewijd zijn. Wie een onbekende krant opslaat valt midden in een jarenlang en veelvoudig vervolgverhaal, zonder dat iets in de verteltrant hem waarschuwt dat hij veel gemist heeft.

De abonnee kent de weg in zijn krant, hij slaat driekwart over, of negen tiende, en weet op elke bladzijde feilloos wat en wie hij lezen wil. Een krant bestaat dus ook nog eens uit een verzameling van leespaden, waaruit elke abonnee zijn eigen route kiest.
Dat maakt kranten haast onbespreekbaar. Uit het dagelijks aanbod stelt elke lezer zijn lijfblad samen en hij heeft zich met die krant vertrouwd gemaakt in de loop van jaren. Een krant geeft dus gelegenheid tot gewoontevorming, het is een bundel leesgewoonten.

Toch moet een krant in haar geheel te typeren zijn. Er is een eerste, woordeloze indruk die te maken heeft met de papiersoort en de inkt, de koppen en de opmaak, de groezeligheid, de scherpte, de hevigheid of de ingehouden kalmte. En er is een formule, een dieptestructuur, een grondstemming die de hele inhoud van de krant doortrekt.
Zelfs iemand die geen woord Nederlands kent, maar die een beetje krantegevoel heeft, zou in de kiosk de dagbladen kunnen sorteren op hun uiterlijk: De Courant Nieuws van de Dag, De Telegraaf, Het Algemeen Dagblad, Het Parool, Trouw, De Volkskrant, NRC Handelsblad. Alle zeven goed. Dat is de juiste volgorde.
Maar van wat is het de volgorde?
Smoezeligheid heeft er iets mee te maken, en rommeligheid ook. Het gaat van slordig naar net. Maar ook van levendig naar braaf. Van avontuurlijkheid en afwisseling naar kalmte en afstandelijkheid. Het Nieuws van de Dag wil voddig zijn, om te lezen bij het eten, onder het werk, bij het stoplicht; wat er ook mee gedaan wordt, het is nooit zonde van de krant. De NRC Handelsblad wil bewaard worden, zinspeelt op boekdruk, op documentatie en archief.

Dit is nog maar de indruk van de analfabeet; er is nog geen letter gelezen, want dan wordt het nog moeilijker.
Er is nog een andere maatstaf: die van aanhaling en excuus.
Het kan gebeuren dat iemand zich betrapt voelt met De Telegraaf: die leest hij dan alleen voor de annonces of om zich te ergeren aan de showpagina. Voor de Telegraaf dient men zich soms te excuseren, in de lezerskring van de Volkskrant en NRC Handelsblad. Maar omgekeerd kan men juist eer in leggen door die kranten aan te halen in andere lezerskringen ('Ik las laatst Hermans nog over Céline in het CS). De volgorde is er dus ook een van het aanzien dat de krant verschaft.

Maar waarvoor worden de lezers van die kranten dan aangezien?
Ze worden aangekeken op hun culturele vorming. Hun krant is een cultureel identiteitsbewijs. En daarin verwijst de ene krant naar de andere, vormen zij te zamen een systeem van verwijzingen en in dat stelsel is een abonnement een positiekeuze. Met partijpolitiek heeft dat alles wel iets te maken maar niet rechtstreeks. Met zijn krant kiest men zich een plaats in een culturele rangschikking, van laag naar hoog, van ongeschoold tot gevormd.

Die keuzevrijheid is maar heel beperkt, maar ze bestaat. In de meeste sociale posities heeft men zich maar te schikken: aan een inkomen kan iemand maar weinig veranderen, het opleidingsniveau is na gedane zaken niet veel meer te verhogen en daarmee ligt de maatschappelijke plaats al voor een groot deel vast. Maar die dagbladen zijn overal verkrijgbaar en ze ontlopen elkaar nauwelijks in prijs, er is geen ballotage en diploma's worden niet gevraagd. Of toch?
Kan een leraar zich permitteren alleen De Telegraaf te lezen of moet er minstens Trouw of De Volkskrant bij? Zou hij het kunnen opbrengen om elke dag op zijn nuchtere maag het Algemeen Dagblad door te nemen zonder het onder-ons-gevoel te genieten dat de NRC Handelsblad zijn slag elke avond verschaft? Zou hij nog wel ernstig genomen worden als hij niet op de hoogte bleef - dat is dus op het voor hem gepaste cultureel niveau?

De fabrieksarbeider die geen zin heeft in Het Nieuws van de Dag en tijdens het schaften NRC Handelsblad inkijkt, wordt een lezend verwijt aan zijn collega's, maakt hen minder door zich cultureel hoger te plaatsen. Hem wordt op zijn hoogst eens in de week Vrij Nederland gegund. Zo houden de mensen elkaar op hun plaats.

Abram de Swaan, 31 augustus 1985

 

DE KRANT EN HET CULTUURSTELSEL (2)


Abram de Swaan, NRC 7 september 1985

 

Kranten kunnen gerangschikt worden van hoog tot laag. De NRC heb ik bovenaan gezet en Het nieuws van de dag onderaan, op gezag van een denkbeeldige analfabeet die alleen maar afging op de eerste aanblik van slordigheid of netheid, levendigheid of kalmte in de opmaak. Die ordening van landelijke dagbladen klopte ook met het aanzien dat elke krant haar lezers verschaft: met hoge bladen wil men gezien worden en voor lage bladen heeft men de neiging zich te verontschuldigen. De kranten maken deel uit van het Nederlands cultuurstelsel dat ook al strikt van hoog naar laag geordend is.
Ik sla De Telegraaf op van afgelopen woensdag. Veel koppen, veel kaders en lijntjes en vooral veel foto's. En wat opvalt, de berichtgeving gaat over herkenbare mensen: Van den Broek wordt door zijn vrouw van het vliegveld afgehaald, de nieuwe paspoorten worden getoond 'door de heer P. Uiterlinden', en de koningin, geportretteerd over vier kolom, 'drinkt staande een kopje koffie', zoals het onderschrift vermeldt.
De nieuwsfeiten worden in de koppen al vertaald in herkenbare meningen en gevoelens: 'Hinderwet-lijdensweg verdwijnt', staat boven het bericht waar de krant mee opent. En: 'Fiscus zit caravan-verhuurders op hun dak'. Zo weet de lezer meteen wat hij ervan denken moet.

Veel bekende gezichten, veel korte berichtjes en aansprekende koppen, dat alles wekt de suggestie van een wereld in hevige beweging. Maar die heftigheid blijkt bij nader inzien toch maar kleine beroering: 'Tjonge, jonge, 't is me wat', kun je de lezer horen mompelen. Het is allemaal heel erg, het gebeurt vlakbij, maar het gaat allemaal ook gauw weer over. De lezer raakt licht betrokken bij een bericht en wordt ook snel weer afgeleid door iets anders. De artikelen gaan over aanwijsbare mensen, bijzondere voorvallen, en niet over onzichtbare instanties of ongrijpbare ontwikkelingen. De krant meldt een opeenvolging van losse incidenten, maar pretendeert niet om daartussen een verband te leggen. De indeling is er vooral een volgens sympathieën: aardige tegenover onaardige mensen (dat zijn vooral 'arrogante' politici en artiesten); zielige mensen (slachtoffers van het noodlot of van onrechtvaardige bejegening) tegenover hardvochtige mensen (geweldscriminelen en drugshandelaren). Er is een nauwelijks verholen sympathie voor zakenlieden die in het nauw geraakt zijn, zelfs als ze het er ook wel naar gemaakt hebben: het 'onrecht' door Justitie aangedaan aan een voormalig souteneur en bankroetier wordt breed uitgemeten.

Daarmee lijkt de krant in te gaan tegen het overheersend sentiment onder de lezers, die toch in meerderheid lonntrekkers zijn. Maar doordat de zakenman wordt voorgesteld als een kleine sappelaar tegen de verdrukking in, kan ook de lezer in loondienst zich met hem vereenzelvigen. (De Telegraaf trekt zich wel vaker niet veel aan van de vermoedelijke voorkeuren van de lezers: het blad is veel rechtser dan het meerendeel van de abonnees).
De Telegraaf verleidt zijn lezers tot kijken en bladeren, voert hen van het ene korte bericht naar de andere rubriek, confronteert hen met krachtige opinies en sterke voorkeuren.


Dat is de oppervlakte van het blad: incidenten, korte kennismakingen, vluchtige emomties. Maar het is de buitenkant.
Achter elk boulevardblad in Nederland verbergt zich een serieuze krant en ook De Telegraaf is een doodernstig blad. De parlementaire berichtgeving en de economische pagina's veronderstellen bij de lezer kennis van zaken en belangstelling voor de feitelijke kwesties van de dag. Al op de voorpagia staan een drietal volstrekt zakelijke berichten, zonder illustratie, opsmuk of uitroep. Maar zodra de partijpolitiek in het geding is, geeft de krant veel meer ruimte aan verwante standpunten dan aan die van de tegenpartij. Partijdig is De Telegraaf door en door, maar lichtzinnig niet echt.

In De Telegraaf voeren vermaak en verontwaardiging de boventoon: dat zijn de stemmingen van de populaire journalistiek. Maar van de ene kolom naar de andere, van het ene bericht naar het andere kan de toon omslaan naar gedegen, feitelijke berichtgeving (met soms een valse noot van vooringenomenheid). De lezer heeft eigenlijk twee kranten door elkaar in handen en kan naar believen van de ene naar de andere schakelen.
Maar, vreemd genoeg, ook het wufte gedeelte van de krant vereist nogal wat vorming bij de lezer. De showpagina en de sportbijlagen zijn voor niet-kenners onbegrijpelijk. Voor de een moet de lezer op de hoogte zijn van de artiestenwereld, de televisieseries en de lopende films. Voor de andere moet hij de competitie bijhouden en de wedstrijden volgen op de tribune, of minstens op het scherm.

Toch zijn dit de laagste onderdelen van de krant, waar de lezer misschien wel veel plezier aan beleeft, maar niet veel eer mee inlegt. Wie alleen de sportpagina leest of de Privérubriek beweegt zich op de bodem van het Nederlandse cultuurstelsel. Niet omdat hij onwetend zou zijn, want ook die lectuur vereist kennis van zaken, maar omdat die kennis in het geheel niet telt.

In de wereld van de sport en van het amusement wordt men niet ingewijd op school, maar op straat, in de bioscoop, op het veld en de tribune en vooral voor de televisie. Die kennis wordt niet onderwezen, maar opgedaan. Het is vooral feitenkennis: namen, titels, rollen, uitslagen, grote scènes en grote momenten. Maar dat geldt voor de meeste schoolkennis net zo goed.

Kennis van de sport of van het amusement is terloops verworven; een spontane eruditie, geen schoolse vorming, maar juist ongeschoolde. Het is kennis waarvan niemand is uitgesloten, die overal voor het oprapen ligt, en die daarom als vulgair geldt tegenover de esoterische kennis waartoe de school opleidt.

In zijn populaire gedeelten negeert De Telegraaf uitdrukkelijk alles wat naar die hogere vorming verwijst en plaatst zich haast triomfantelijk onderin het Nederlandse cultuurstelsel.

Abram de Swaan, NRC 7 september 1985

 


EEN GOEDGESTEMD MENS


Abram de Swaan, NRC 14 september 1985

 

De vraag is hoe te leven. Ik zal het u laten weten, zodra ik ermee klaar ben. Ondertussen kan men zich spiegelen aan andermans voorbeeld, maar de meest navolgenswaardige mensen lijken ook het meest onnavolgbaar.

Omdat ik zelf al enige tientallen jaren leef, heb ik een eigen deskundigheid opgebouwd; bijna genoeg voor de omgang met mezelf, maar ongeschikt voor algemeen gebruik. Jammer genoeg heeft diezelfde ervaring mij geleerd dat ik veel beter af was geweest met iemand anders dan ik. Maar bij onherroepelijk gebrek aan beter heb ik me maar bij mij neergelegd.

Toch heb ik wel eens mensen ontmoet die weten hoe het moet, die de slag te pakken hebben. Meestal zijn dat helemaal niet mensen wier meningen ik allemaal deel, of die ik hoog acht om hun bijzondere prestaties. Het zijn mensen die de goede stemming heben.
Waar het mij om gaat is een bepaalde vorm van vrolijkheid. Een hele lichte en ingehouden vrolijkheid die helemaal niet afhangt van plezierige voorvallen. Integendeel, het is een vrolijkheid ongeacht de omstandigheden, ondanks de omstandigheden: een gemoedstoestand van mensen die veel tegenslag hebben doorstaan en dat zijn gaan zien als volkomen onvermijdelijk en al helemaal niet meer te herstellen. Het is vreemd genoeg een gevoel dat alles te maken heeft met een besef van onmacht en onverbeterlijkheid.
Het is dus een geestesgesteldheid die heel dicht ligt bij de wanhoop. Maar wanhoop is te pretentieus. Wie wanhoopt protesteert nog: die had gedacht dat er iets beters was en is nu kwaad dat hij zijn verwachtingen moet opgeven zonder er iets voor terug te krijgen.

Waar ik naar toe wil ligt verdacht dichtbij de ontkenning van alle onwelkome gevoelens: doorgaan alsof er niets gebeurd is. Maar dat vereist al te veel inspanning, teveel krampachtigheid.
Als het geen zin heeft zich tegen onvermijdelijke gebeurtenissen te verzetten, waar is het dan goed voor om zich te verweren tegen de gevoelens die ze oproepen? Een ware stoïcijn zou niet alleen tegenslagen moeten kunnen verdragen, maar er zelfs tegen moeten kunnen dat hij die helemaal niet aankan.

Wat ik bedoel heeft ook wel iets te maken met aanvaarding, maar zelfs dat is nog te hoog gegrepen. Er valt helemaal niets te aanvaarden, want als je het niet aanvaardt krijg je het toch. Zelfs in de berusting blijft nog de illusie bewaard dat iemand zich had kunnen verzetten: 'Goed dan, noodlot, deze keer berust ik, maar volgende keer, o wee, dan zwaait er wat.' Maar niemand luistert, er is helemaal geen noodlot, en als het er wel was dan trok het zich er niets van aan, daar is het nu net het noodlot voor. Ik moet wel veel uitleggen en het helpt allemaal niets, want wie het niet kent leert het hier niet en wie het al weet begrijpt het hierdoor niet beter.

Vanwaar dan die vrolijkheid? - Vanwaar welk gevoel dan ook? Niemand heeft om het leven gevraagd, maar iedereen kan eruit. Wie blijft, wil blijkbaar nog niet weg en wat beklaagt hij zich dan? Ik heb het niet over misstanden en wandaden, over wat aanwijsbare mensen elkaar aandoen - daar kan beklag of verzet nog wel eens iets uitrichten - maar over onvermijdelijke en onherstelbare gebeurtenissen. Niets aan te doen, en volgende keer niet eens beter.

Soms wordt iemand daar vrolijk van. Ik heb geen idee hoe dat gaat. Maar ik heb wel eens mensen ontmoet die in die vrolijkheid leefden. Het is een goddeloze en een illusieloze instelling, want wie denkt dat er nog iets of iemand aansprakelijk te stellen is, zal nooit ophouden om met rouwbeklag en beschuldiging, met verzet en vertoon, met gebed en boetedoening te proberen zijn vonnis veranderd te krijgen. Maar er is helemaal niets en bespaar je de moeite.
In de Memoires van Yvo Pannekoek staat een brief uit het concentratiekamp Vught: 'Wanneer jullie de indruk hebben dat ik sentimenteel en melancholiek ben - misschien - dan komt dat omdat ik wat meer aan jullie denk als ik schrijf: buiten die tijden ben ik zo vrolijk dat er door sommige mensen aanstoot aan genomen wordt en veel mensen er plezier van hebben. Ik heb hier voor het eerst behoefte aan philosophie, niet voor mezelf maar voor diegenen die zich nooit hebben afgevraagd waarom ze het prettig hadden en die nu met grote ogen naar de zin van alle ellende vragen; om ze te troosten en aan hun geklets een einde te maken - wat misschien hetzelfde is. Nu het met philosophie niet kan doe ik het maar met een grapje - wat misschien ook hetzelfde is.'

De sleutel tot deze verbazende geestesgesteldheid staat aan het eind van het boek: 'Ik beschouwde mijzelf als ten dode opgeschreven en iedere dag die ik bleef leven als een verrassend geschenk.' Maar dan moet de evenwichtskunstenaar niet teveel in de diepte kijken: 'Ik was wel nieuwsgierig naar de afloop, maar er dus niet persoonlijk bij betrokken', schrijft Pannekoek.
Dat is een verdwazing, maar een die noodzakelijk was om te overleven. En Pannekoek houdt het ook niet langer vol dan nodig is; hij durft nog in het kamp al zijn evenwicht te verliezen wanneer hij zijn vrienden schrijft, dan veroorlooft hij zich om 'sentimenteel en melancholiek' te zijn.
De dwaasheid van Pannekoek is een kunststuk, al geloof ik dat het ongekunsteld is en authentiek. Een stoïcisme tot de tweede macht: tegenslagen te verdragen en het eigen onvermogen om ze te verdragen ook. En over dat onvermogen kan men zich dan vrolijk maken.

Ik kom hierop door de dood van een vriend en leraar, iemand die zo vrolijk leefde, een dokter, een psychoanalyticus, Jacob Spanjaard. Hij leek helemaal niet op Pannekoek, maar hij had een eigen geheimzinnige en aanstekelijke vrolijkheid die maakt dat ik nu niet over hem treuren kan zonder te moeten lachen bij de gelukkige herinnering aan hem.

Abram de Swaan, NRC 14 september 1985

 

THROUGH A GLASS DARKLY


Abram de Swaan, NRC 5 oktober 1985

 

Deze week bereiden de vertegenwoordigers van zeven grote landen zich in Washington voor op de ontmoeting van Reagan met Gorbatsjov en Nederland is daar niet voor gevraagd. Die nationale onbeduidendheid in het internationaal verkeer is wat sneu voor een volk dat zich nu zo intens bezig houdt met kwesties van bewapening, zichzelf een hoge belasting heeft opgelegd voor de ontwikkelingshulp en hooggestemde gedachten uitdraagt over gepast gedrag in het volkerenverkeer.
Maar we zijn het gewend.

De Nederlandse kunsten en wetenschappen krijgen in het buitenland al even weinig aandacht, een paar opvallende uitzonderingen daargelaten. Ook bij dat feit heeft men geleerd zich neer te leggen. Toch steekt er iets paradoxaals in dat de Nederlandse cultuur zo georiënteerd is op buitenlandse invloeden uit allerlei richting en zelf zo onzichtbaar blijft in den vreemde. De Nederlanders kijken oplettend toe en worden niet opgemerkt. 'Het doorkijkspiegeleffect', noemt J. Goudsblom dat in het jubileumnummer van Tirade: hij vergelijkt hen met onderzoekers die achter een 'one-way mirror' hun proefpersonen observeren zonder zelf gezien te worden.

Maar die waarnemers hebben het experiment dat zich aan de andere kant van de spiegel afspeelt zelf opgezet en het verloopt volgens hun regie. De Nederlanders hebben daarentegen in de wereld het nakijken. De situatie doet meer denken aan die oud-vaderlandse gewoonte van het schemeren: het huisgezin zit, terwijl het duister valt, bijeen in de nog onverlichte kamer en kijkt heimelijk en knus naar wat zich buiten afspeelt. Maar ook die vergelijking suggereert nog dat het licht kan worden aangedraaid en de huiskamer alsnog een toonkamer kan worden; ook dat is een Nederlandse avondgewoonte: een gezinsleven zonder gordijnen.

Goudsblom heeft het in zijn bijdrage vooral over de onzichtbaarheid van de Nederlandse sociologie in het buitenland. Maar hij klaagt niet en doet ook niet mee aan de zelfspot die het onderwerp nogal eens uitlokt, hij verklaart: 'Eigenlijk is het opmerkelijk dat Nederland überhaupt een natie is ...en dat deze staat-en-natie zich heeft weten te handhaven ook nadat de gunstige voorwaarden voor zijn ontstaan allang verdwenen waren. In de achttiende eeuw reeds was het zonneklaar dat de Nederlandse staat niet op voet van gelijkheid met Engeland en Frankrijk kon concurreren maar met een mindere plaats genoegen moest nemen.'

Goudsblom schakelt direct van deze politieke achterstand naar een culturele volgzaamheid: 'Het is niet te verwonderen dat bij die machtsverhoudingen vele aanzienlijke Nederlanders er een eer in stelden zich in hun gedrag en voorkomen zo weining mogelijk te onderscheiden van de elites van het superieure Frankrijk.' Dat ergerde dan weer andere Nederlanders, vooral diegenen die niet in de positie verkeerden om zich de Franse manieren zo eigen te kunnen maken.
Iets dergelijks heeft zich na de Tweede Wereldoorlog afgespeeld met betrekking tot het triomferende Amerika, maar dit keer was de culturele navolging van de machtiger natie in Nederland vrijwel algemeen en stond ook ternauwernood ter discussie.

Een deel van de Nederlandse onzichtbaarheid is dus het gevolg van een bijkans volmaakte mimicry: door een Atlantische schutskleur blijft Nederland onopgemerkt. Voor de buitenwereld, en voor de Verenigde Staten helemaal, is de Nederlandse samenleving gewoon 'minder van hetzelfde' en dat is oninteressant.

Niet dat Amerikanen dat zo openlijk laten merken, zij zijn meestal heel wat subtieler dan bijvoorbeeld vele Fransen: bij zijn afscheid verklaarde de Franse ambassadeur genadiglijk dat hij hier de cultuur was komen brengen. De Amerikaanse neerbuigendheid is in alle vriendelijke eenvoud nog vernietigender: 'You speak deutsch?, oh Dutch! Is that a language? Isn't that exciting!'

In Amerika heb ik leren begrijpen hoe Surinamers en Antillianen zich in Nederland moeten voelen; de verhoudingen van politieke overmacht en culturele overheersing zijn dezelfde, maar in omgekeerde richting: 'Papiamento (of Sranan), is dat een taal? Ach wat enig! Zegt u eens iets.'
Nederland staat tot Amerika, als de Antillen of Suriname staan tot Nederland. En veel van die ongrijpbare minachting ten opzichte van mensen uit de West is niet zozeer racisme, als wel hoogmoed van de machtiger natie tegenover de minder machtige.
In Suriname heb ik leren begrijpen hoe Amerikanen zich in Nederland moeten voelen en hoe moeilijk die minzame toon te vermijden is. Daar was men georiënteerd op Nederland en nam Nederlandse gebruiken en ideeën over, maar Surinaamse gewoonten en gedachten waren voor Nederlanders alleen maar amusant of pikant voorzover ze exotisch waren.

Van de weeromstuit gingen Hollanders Surinaamse cultuurtrekken waarop veel Surinamers allang uitgekeken waren, idealiseren en imiteren, misschien wel omdat zij zelf de culturele afstand moeilijk te verdragen vonden en die zo probeerden te verminderen. Dat was dus al in het postkoloniale tijdperk, toen de Nederlandse macht danig was getaand en die sociale afstand penibel werd en pijnlijk. Die Nederlanders waren ook niet langer meer bestuursambtenaren en militairen, maar ontwikkelingswerkers, hulpverleners en universitair docenten die pretendeerden met de landsbevolking om te gaan op voet van gelijkwaardigheid: des te schrijnender en des te verhulder was het sociaal en cultureel overwicht.

Nederlanders aanvaarden de Amerikaanse politieke overmacht en culturele overheersing zonder veel tegenstand: het anti-Amerikanisme is enkel het gemor waarmee men zich daarin schikt. Een betere heer kan dit volk zich niet denken, na ampele ervaring met Fransen en Duitsers en met uitzicht op de Russen aan de andere kant. Maar die politiek en cultureel ondergeschikte positie van Nederland wordt toch als heel beschamend ervaren en blijft daarom meestal onbesproken. Als er al sprake van is, dan kleineren veel Nederlanders alvast zichzelf uit angst dat anders een vreemde het doen zal.

Abram de Swaan, NRC 5 oktober 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

 

WAT STAAT HIER?


Abram de Swaan, NRC 12 oktober 1985


Elk voorwerp belichaamt zijn eigen gebruiksaanwijzing. Een zadel is al een instructie om te gaan zitten en een lepel om te happen. Door de vorm, het materiaal en de kleur verwijst het naar overeenkomstige voorwerpen en wil ook ongeveer zo gebruikt worden. Elk ding heeft zijn plaats en parcours temidden van alle andere dingen. De krant wandelt van de brievenbus naar de luie stoel, rust nog wat op de koffietafel en vouwt zich dan boven op een stapel voorgangers om langzaamaan te vergaan tot oud papier, nog steeds bedrukt maar niet meer om te lezen.

Stoelen zijn niet om op te staan (maar krukjes wel), trappen niet om op te zitten (maar bordessen toch), bloemen niet om te eten (behalve artisjokken) en bijna nooit is iets om aan te likken. De lijst klinkt als een reeks ouderlijke vermaningen en kennelijk laten de dingen hun gebruik door grote mensen onderwijzen aan heel kleine mensen.

Bijna alle dingen zijn voor bijna iedereen om van af te blijven. Als iets voor iemand is om aan te komen dan is dat iets van hem of haar en haast alle dingen, mensen incluis, zoeken zich iemand die aan ze zitten wil. Daarom kan de wereld worden ingedeeld in wat van wie is. Heel grote dingen, bossen en stadhuizen, die toch geen mens kan meenemen, zijn niet van iemand maar van iets of van het.

Er zijn ook dingen die het niet schelen kan wie aan ze komt, zij horen tot de dode natuur, en dingen die willen dat iedereen van ze afblijft, die horen tot de levende natuur. Tegenover de natuur staat de cultuur: dat zijn dingen die gemaakt zijn en die juist willen worden aangeraakt: monogame voorwerpen, die dat maar van één mens accepteren en soms polygame voorwerpen, publieke goederen die het van iedereen toelaten. Eén soort cultuurvoorwerpen lijkt op de levende natuur: kunstvoorwerpen willen ook door niemand worden aangeraakt.

Tot zover de algemene dingkunde, die de grondbeginselen behelst van de indeling der dingen in de wereld. Hoe nu elk afzonderlijk voorwerp nader kan worden ingedeeld is het onderwerp van de bijzondere dingkunde, die niet anders is dan de uitwerking van deze beginselen ten behoeve van de dageljkse praktijk, zowel van de beginnende of gevorderde dingenvriend als van de academisch gevormde dingkundige.

Doel van de bijzondere culturele dingkunde is het determineren van door mensen gemaakte voorwerpen, cultuurvoorwerpen dus. In het Omvattend Overzicht van het Culturele Stelsel worden allereerst twee Hoofdafdelingen onderscheiden: die der tastbare (of concrete) goederen en die der ontastbare (of abstracte) zaken. De tastbaarheden worden ingedeeld in de Afdelingen der roerende (mobilia) tegenover onroerende goederen. Een krant, en dus ook dit krantenstuk, is een voorbeeld van een tastbaar roerend goed uit de Klasse der impressa of gedrukte stukken. Verdere indeling naar onderklasse: ephemeren (eendagsproducten, tegenover periodieken, in afleveringen, en permanenten, zoals boeken).

De gedrukte ephemeren worden onderscheiden in twee ordes: Redactie en Advertentie. Dit stuk valt in de redactionele orde onder de familie der essayaceeën 1 tot 100 pp.; vindpl. Los z., in kranten, bijeen in bundels; stijl hypertroof, stempel erudiet, veelal steriel. 'Gemakkelijk te onderscheiden is deze familie niet. Raadpleeg dus altijd, als ge vermoedt een essayacee voor u te hebben, toch de Eerste Lijst.'

Er is geen Eerste Lijst.
Maar de essayaceeën zijn van verwante families te onderscheiden doordat tussen de aanhalingstekens , ".... ", niet iets wordt vermeld dat in diezelfde tekst gezegd wordt, maar iets dat uit een andere tekst komt, zoals het citaat hiervoor ook niet door iemand in deze regels wordt gezegd, maar - ongeveer zo – door Hijmans, Heinsius en Thijsse in hun Flora.

Binnen deze familie hoort dit krantestuk tot het genus algemeen cultureel, en in dat genre komt één hoogst zeldzame soort voor die zelfbestuivend is: het krantestuk over het krantestuk.
Soort zoekt soort. Deze tekst heeft zichzelf volledig gedetermineerd.

Rest de vraag wat van zo'n stuk de gebruiksaanwijzing is en waar die is te vinden. Niet in de tekst en ook niet tussen de regels. De aanwijzingen schuilen in de opmaak en de plaats. Al staat dit er voor de eerste keer, het is geen nieuws, dat staat voor in de krant, voorzien van actualiteitstekens in de koppen en de aanhef. Dit is allemaal niet dringend of van levensbelang, het hoort in een bijlage, een toegift voor de lezer die de actualiteiten al gehad heeft en nu nog wat wil bijleren.

Ernstig en een beetje moeilijk wil dat katern wel zijn, maar het presenteert zich wuft en wervend: versierd met ruime illustraties vol toespelingen voor de goede verstaander; een speelkwartier voor boekenwurmen.
Daar staat dit stuk in. Het is een opstel, geen nieuwsbericht, recensie, reportage. Het zal zeker leerzaam zijn en vast wel interessant. Toch licht van toon, met kleine raadsels, dat blijkt al uit het plaatje. De lezer neemt zich vast voor het bij eerste gelegenheid eens door te nemen en legt het terzijde voor onderhoudender of actueler lectuur. Zo ligt het nog een week op de stapel 'nodig te lezen', in het zicht van de werktafel of de kleurentelevisie en herinnert de nog steeds aanstaande lezer aan zijn goede voornemens, totdat hij van dat stil verwijt genoeg heeft, de krant weggooit en er een nieuw verplicht nummer voor in de plaats legt. Maar wie dat kan bevestigen, heeft dit gemist en wie dit leest heeft het daarmee al weerlegd.

Abram de Swaan, NRC 12 oktober 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

VALS ALARM


Abram de Swaan, NRC 19 oktober 1985


Ik kan nu even geen stukje schrijven want in de tuinen gilt een sirene. Die is daar aangebracht ter beveiliging van de eigendommen van de huidarts tien huizen verderop. Maar het alarm klinkt alsof het operatief onder mijn schedel is ingebracht. Een onophoudelijke doodskreet, nauwkeurig afgesteld op de golflengte en de frequentie van het paniekcentrum in de hersenen, een schreeuw die telkens opnieuw opwelt, onvermoeibaar aangedreven door de netvoeding. Alsof een robotmoeder haar electronisch kind ontrukt wordt, en zij het uitkrijst, bij elke stroomcyclus van voren af aan. Mood engineering in de hel.

Het gebeurt wel vaker, maar het went nooit. Het is gemaakt om nooit te gewennen. Soms begint het ding ineens te brullen maar verstomt al snel, dan is de assistente blijkbaar door het infra-rood gelopen en komt de dokter op een holletje met de sleutels om het gejank uit te schakelen; er volgt nog één gegeneerd electrisch kuchje en dan valt het stil. Maar op zaterdagen begint de sirene uit zichzelf: die voelt zich dan kennelijk alleen en zet het op een krijsen. De hele buurt weet dan dat de dokter niet goed op zijn sirene past, maar niemand denkt aan onraad want daarvoor is het signaal al te vaak loos gebleken. Het alarm zelf is de aanslag geworden, zoals de sirenes die elke eerste maandag van de maand loeien zelf overval geworden zijn en allang niet meer waarschuwing.

De politie komt pas na een uur of wat eens kijken en dan nog alleen na veel aandrang van buren die buiten zinnen raken. Was ik een dief, ik trok me van de geheime stralingsvelden en de verborgen sensoren waarmee het gegil wordt ingeschakeld, geen snars aan, want niemand reageert erop, de politie niet en de eigenaar zelf al helemaal niet. HH. inbrekers, hier is uw kans. Waar het inbraakalarm klinkt is voor dieven alles veilig.

Er is een vreemde overeenkomst tussen deze terreur van de teveel bezittende klasse en de plunderaars tegen wie zij zich verdedigt: de onbekommerde schaamteloosheid.
Als op de gracht de schemering valt verschijnt de wijkjunk om op zijn gemak de geparkeerde auto's na te lopen, hij gluurt eens door een ruitje of er iets van zijn gading in ligt, morrelt wat aan de portieren en slaat hier en daar een ruit stuk of forceert een slot. Met de radio's, de camera's of de portefeuilles in zijn plastic tas schuifelt hij naar de volgende wagen om zijn inzameling voort te zetten.

Niemand valt hem lastig, al wordt hij soms wel eens in zijn werk onderbroken door de politie als iemand de moeite heeft gedaan om te waarschuwen. De agenten nemen hem dan mee naar het bureau en wat daar gebeurt weet ik niet, maar na een dag of wat verschijnt hij weer om door te gaan waar hij gebleven was. Het beste is maar om niets in de auto achter te laten en ook de portieren niet af te sluiten, want een opengebroken slot alleen al kost zoveel dat een eerzame junk er twee dagen van had kunnen spuiten of een bijstandstrekker er een maand van zou kunnen eten.

In de winkelstraat om de hoek werkt de fietsendief, ook een toegewijd ambachtsman. Hij kuiert de straat op en neer met priem, tang en schroevendraaier onder zijn leren jekker. 'Hier geplaatste rijwielen worden verwijderd'. Daar zorgt dus de straatverslaafde voor. Als de bezitter van de fiets te vroeg een winkel uitkomt en de fietsendief stoort in zijn werk kan hij een grauw krijgen en anders nog een messteek. Het kan immens knus wezen in zo'n oudestadsbuurtje.

Omdat een gros heroïnegebruikers op deze wijze in hun onderhoudsdosis voorzien, moeten een paar honderdduizend mensen elke dag behangen met ketenen, beugels en sloten als dwangarbeiders door de stad zeulen.

Maar dat is allemaal heilige onschuld vergeleken bij de rovers die werken met knuppel, mes en revolver. De juwelier heeft al een paar jaar geleden, volledig invalide geslagen, zijn zaak verkocht. De diamantslijpers drie huizen verderop hebben na vier berovingen met zwaar geweld hun werkplaats naar een andere buurt verhuisd. Ik mis ze, want bij elke voorbijganger keken ze even van hun werk op om een buur of bekende te groeten en nu is van het ambacht op de gracht helemaal niets meer over.

'En de politie doet er niets aan', verwacht de lezer nu. Maar dat is niet helemaal waar. Ze willen best komen als er opgebeld wordt en ze patrouilleren ook nog wel eens, maar ze moeten hun arrestanten meestal laten gaan, bij gebrek aan bewijs of bij gebrek aan cel. Op ditzelfde moment zijn drie agenten, een in burger, een in broek en een in rok, door de tuinen aan het sjouwen, ze klauteren over de ene schutting na de andere om het fort te bereiken waar de huidarts zijn bezit in absentia verdedigt tegen al even afwezige dieven. Zij zijn nu al een half uur bezig zijn gilding uit te schakelen. Maar de ladder blijkt één tree te kort om erbij te komen en het gejank blijft duren. Het schreit ten hemel.

De vijand van mijn vijand is blijkbaar ook mijn vijand.
De dievenjager is zelf dief van andermans rust, van de stilte die van allemaal is en waarvoor elke buur apart zich het genot ontzegt van eigen, particulier en geliefd lawaai. Niet dat de dokter nu zo van sireneklanken houdt, zelfs dat niet; hij laat maar loeien. Zijn huis kookt over en er is niemand thuis.
Eindelijk arriveert de brandweer acht man sterk met groot materieel. Die arm reikt net iets hoger en het geluid valt uit.

Abram de Swaan, NRC 19 oktober 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

WIE VOLGT?


Abram de Swaan, NRC 26 oktober 1985

 

Het huwelijk is de fatsoenering van de liefde. Het is de belichaming van het burgerfatsoen. Waar de burgerlijke gedragscodes overheersten verbreidde zich ook de huwelijksmoraal. Het aantal getrouwde mensen in elke leeftijdsklasse nam sinds de eeuwwisseling dan ook gestaag toe tot voor een jaar of tien: rond 1900 was goed de helft van de mannen vóór hun dertigste getrouwd, in 1971 bijna negentig procent. Het percentage buitenechtelijke kinderen daalde ook, steeg in de oorlogsjaren en kort daarna, daalde sindsdien nog verder en is sinds de late jaren vijftig opnieuw sterk aan het stijgen.
Ook het percentage huwelijken dat eindigt met een echtscheiding steeg langzaam, met een sprong in de naoorlogse jaren en een terugval die duurde tot in de jaren zestig; sindsdien nemen de scheidingen weer toe.
Uit die cijfers is niet af te lezen dat een eeuw geleden veel mensen samenleefden in concubinaat, vooral in de lagere volksklassen die pas gaandeweg bekeerd werden tot burgerlijke fatsoensnormen en daarmee ook tot de huwelijkse staat. Hun scheidingen blijken evenmin in die statistieken en dat flatteert de echtscheidingscijfers uit die voorbije tijd. Dat samenhokken was toen een armeluisgewoonte, die gold als een bewijs van onfatsoen. In de laatste tijd is het ongehuwd samenwonen weer sterk toegenomen, maar juist onder de hogere standen: mensen die ongetrouwd samenwonen blijken hoger opgeleid dan gehuwden.

Kennelijk is in de loop van de eeuw het huwelijk algemeen aanvaard geraakt en diende niet langer als onderscheid tussen nette en onnette mensen. Het scandaleuze ging van het hokken af en in hogere kringen werd het acceptabel, eerst als een 'proefhuwelijk' en nu meer en meer als gelijkwaardig alternatief. Het huwelijk geldt in die ontwikkelde kringen als 'burgerlijk' en in die milieus betekent dat 'kleinburgerlijk' en 'benepen'. Zoals zoveel andere burgerlijke gedragsvormen wordt ook het trouwen, als het eenmaal algemeen gebruik is en dus niet langer de distinctie dient, in toonaangevende kringen opgegeven en overgelaten aan lagere milieus. Het huwelijk is, kortom, een zinkend cultuurgoed.

Er zijn voor die veranderingen in de huwelijksmoraal nog wel andere redenen aan te geven: de mensen leven langer, er worden minder kinderen in het gezin geboren die dan ook eerder de deur uitgaan, de vrouwen in betere kring werken vaker buitenshuis, en voor gescheiden vrouwen is er behalve alimentatie ook de bijstand.

Al met al zijn er nu veel meer ongetrouwde volwassenen dan een jaar of tien geleden. Dat schept verwachtingen over nieuwe samenlevingsvormen die in de plaats komen van het huwelijk. In een dezer dagen verschenen publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau, Binding in vrijheid, gaat Dr. H.M. Langeveld in de vakliteratuur na welke alternatieven voor het levenslange, monogame huwelijk in eigentijdse samenlevingen verbreid raken. Van al die actuele trends blijft in de praktijk niet veel over: het open en het vrije huwelijk, groepshuwelijken, rolverwisselingen, iedereen leest erover, maar bijna niemand doet eraan. In het overzicht ontbreekt één, klassieke, variant: het huwelijk waarin de man en vaak ook de vrouw een vaste geliefde buitenshuis hebben, maar in gezinsleven en zakenkwesties hecht bijeen blijven. Dat was het aristocratisch en grootburgerlijk arrangement, dat in een iets andere vorm ook voor het Caraïbisch gebied beschreven is. Die huwelijksvorm met maintenees, minnaars en buitenvrouwen heeft blijkbaar nog geen nieuwe ideologen gevonden en ook geen openlijke belijders.

Langeveld neemt aan dat mensen vaker zullen scheiden, een derde van de huwelijken van degenen die nu onder de dertig zijn zal in echtscheiding eindigen. Maar diezelfde mensen zoeken zich na verloop van tijd een nieuwe vaste partner.
De mensen blijven monogaam, maar niet steeds met dezelfde.
Langeveld spreekt van 'serie-monogamie', een term die wieweet nog eens goed van pas komt. Het doet mij denken aan een bekende psychiater die op hoge leeftijd nog eens, voor de zesde keer, trouwde en alle bedenkingen wegwoof: hij had al vijf goede huwelijken achter zich. Inderdaad kan men zich bij zo iemand indenken dat het huwelijk telkens weer tot volle tevredenheid van beide partijen werd ontbonden.

Het probleem is dan ook niet zozeer dat getrouwde mensen op den duur nogal eens genoeg van elkaar krijgen, maar dat ze er niet tegelijkertijd evenveel genoeg van krijgen en dat hun beider kansen in een nieuw leven niet gelijk zijn.

Goed beschouwd is dat ook het probleem van mensen die nog niet met elkaar getrouwd zijn en die tezelfdertijd allebei genoeg om elkaar moeten geven en beiden hun buitenkansen moeten laten varen om met elkaar te trouwen. Als één van beide partijen daar dan toch maar van afziet, maakt de omgeving zich daar nauwelijks druk over en een maatschappelijk probleem is het al helemaal niet. Toch was de afgewezen bruid of de in de steek gelaten verloofde de tragische figuur bij uitstek in de negentiende eeuwse romanliteratuur. Tegenwoordig worden de tragedies collectief beschreven, door sociologen, en begint het beklag aan de andere kant, bij de scheiding.
Na een periode van treuren en dan van zoeken en proberen, vinden gescheiden mensen een nieuwe geliefde, voor de middellange termijn. De seriale monogamie is de vrijheid van de herhalingsdwang.

Abram de Swaan, 26 oktober 1985

 

FREUD ALS FANTASIEFIGUUR


Abram de Swaan, NRC 2 november 1985

 

De psychoanalytische beweging heeft iets te verbergen: biografisch materiaal over Sigmund Freud. Het Freud archief blijft dicht en wordt daarmee onvermijdelijk tot de magnetische pool voor alle fantasie en speculatie over deze vaderfiguur van het moderne denken.
'De keuze van de patient voor de geheimhouding onthult vanzelfsprekend al een aspect van zijn geheime geschiedenis', schreef Freud in 1913. De psychoanalytici hadden kunnen voorzien dat hun geheimhouding, hoe gerechtvaardigd misschien ook, de nieuwsgierigheid zou prikkelen en allerlei speur- en giswerk uit zou lokken. Freud is nu posthuum in bioanalyse: elke snipper papier en elke terloopse verwijzing worden tegen hem gebruikt, zoals hijzelf iedere inval of verspreking van zijn patienten wist uit te buiten. Drie boeken, een bijlage van Vrij Nederland en een discussieavond in het Amsterdamse Paradiso zijn dezer dagen aan de beschrijving van het geval Freud gewijd.
Misschien had hij wel een verhouding met zijn schoonzusje, zegt Peter Swales; wie weet vervalste hij de levensfeiten over zijn patienten, oppert Jeffrey Masson; vast en zeker verfraaide hij zijn resultaten, voert Han Israëls aan.

En wat dan nog? Maakt dat de pychoanalyse minder waar? Een leer zou toch los moeten staan van de verkondiger, moeten gelden ongeacht zijn levenswandel. De psychoanalyse is toch het evangelie niet dat staat of valt met Jezus, maar eerder iets als de evolutietheorie, die ook niet werd aangetast toen bekend werd dat Darwin zich slecht gedragen had in de prioriteitenstrijd met Wallace.
Maar de psychoanalytici en de biografische onthullers zijn op één punt merkwaardig eensgezind: in de misvatting dat Freuds doen en laten van belang is in de beoordeling van de psychoanalyse. Dat is de grootste zwakte van de analyse, dat ze het meer hebben moet van het Freudiaanse leergezag dan van proefondervindelijke staving.

Interessant is niet zozeer het gevlooi in Freud's intiem bestaan. Hij was de laatste om te pretenderen dat hij zonder zwakten was, al stond hij zijn coterie genadiglijk toe om dat te sugggereren.
Van belang is een andere kwestie: of Freud voorbijzag aan de werkelijke kwetsuren die zijn patienten hadden opgelopen in hun leven, en uiteraard vooral in hun kinderjaren.

In zijn commentaar op het geval Schreber heeft Freud de feiten over de hardhandige opvoedingspraktijken van vader Schreber, die deze nota bene in zijn pedagogische geschriften verkondigde, volstrekt genegeerd. Han Israëls laat in zijn dissertatie Schreber, vader en zoon zien hoe de psychoanalytici op hun beurt deze opmerkelijke bedrijfsblindheid van Freud volkomen negeerden.
De Amerikaan Jeffrey Masson verwijt Freud in veel schriller termen een onwil om de biografische feiten recht te doen. Freud heeft de hysterische symptomen van zijn patienten tenslotte toegeschreven aan haar verleidingsfantasieën en niet aan feitelijke aanranding of verkrachting door de vader. Heeft die overweldiging werkelijk plaats gevonden of niet? Masson beweert van wel, en beweert ook dat Freud dat heel goed wist en het tegen eigen overtuiging in later heeft ontkend, om zijn psychoanalyse salonfähig te houden. Masson voegt er koket aan toe dat de analyse daarmee vervallen is tot een conformistische goedpraterij van patriarchale machtsverhoudingen.
Ik weet het nog zo net niet. Het is uiteraard noodzakelijk om in de loop van een behandeling te achterhalen wat waarschijnlijk in feite is voorgevallen, en ook wat de analysand daarmee gedaan heeft en daarvan gemaakt heeft. Maar die psychische bewerking is van belang in zichzelf.

Een al te aanhalige of opdringerige ouder kan het kind even ongelukkig maken als een al te afwijzende en verstotende. Het is heel slecht voorspelbaar wat kinderen van zulke toenaderingspogingen en verstotingen maken en ook die fantasie-bewerking moet elke keer opnieuw nauwkeurig worden nagegaan. Masson schat dat de helft van de vrouwen als kind 'verkracht of sexueel misbruikt is'. Een slag in de lucht, in heel vage termen. Een gewelddadige seksuele overrompeling lijkt mij een ramp voor een kind, maar ik vermoed dat het ook uitzondering is. Beladen en bedekte erotische confrontaties, waar kind en ouder geen weg mee weten en toch ook door gefascineerd zijn, die zij vrezen en uitlokken, lijken mij veel gewoner. Zulke periodes van innige spelletjes en zwoele stoeierijen eindigen er vaak mee dat een van beiden schrikt en bruusk het lichamelijk contact verbreekt, zonder dat er ook maar iets van gezegd wordt. Ook dan blijft het zaak er achter te komen wat er nu werkelijk gebeurd is én wat dat voor het kind betekend heeft. Sommige kinderen hebben zoiets achteraf en in het diepst geheim ook heel leuk en opwindend gevonden en bewaard als een verborgen erotische schat. En andere kinderen zijn er aan kapot gegaan.

Zelfs verkrachtingen leven niet altijd alleen maar voort als een afschuwelijke herinnering: er wordt soms in het diepst geheim ook een verboden lust aan verbonden en dat is misschien nog wel het ellendigste van alles: dat iemand een lustbeleving opgedrongen is, waaraan zij zich niet onttrekken kon en waar zij ook geen plezier aan kan ontlenen.
De fantasie begint bij de ruwe feiten en bewerkt die net zo lang tot ze een leefbaar verhaal opleveren. Daar had Freud het over en het zou me niet verbazen als hij die ontdekking vaak verkeerd heeft toegepast. Maar Freud heeft de fantasie ontsloten als deel van de wetenschappelijke werkelijkheid. En hij heeft nog echt bestaan ook.

Abram de Swaan, NRC 2 november 1985


 


HET LIED VAN DE KOSMOPOLIET (1)


Abram de Swaan, NRC 9 november 1985


Dorps en kleinsteeds willen de mensen leven. Tenminste, dat beweren ze. Gelukkig menen ze er niets van. In feite vergapen ze zich aan tv-series vervaardigd in een wereldworstfabriek, vermeien zich met muziek die voor alle continenten per maat gefabriceerd wordt en kopen de producten die overal op aarde gelijk over de toonbank gaan. Wereldburgers zijn ze al, maar dorpelingen willen ze blijven.

Natuurlijk, hoe meer het eigene verloren gaat, des te meer wordt het betreurd:het dorpseigene, het streekeigene, het volkseigene. Iedereen is allang vergeten wat dat was en gelooft eerlijk dat er iets aan gemist wordt. Maar de meeste mensen die kleinschalig en fijnmazig in de dorpsknel zitten, weten niet hoe gauw ze er van los moeten komen. Als iemand er aan ontkomen is en je hem op de man af vraagt wat zo bijzonder was aan dat milieu van herkomst, dan was het wat niet mocht en wat niet kon en vooral wat steeds weer moest. Vraagt men hardnekkig door dan komt er iets van warme bollen, sintmaartens­ratels of bombazijnen kielen. Maar al die nodeloze spullen blijken ook verkrijgbaar in het grootstedelijk warenhuis, op de nostalgie­afdeling in de uitverkoop.

Er bestaat allang geen regionale cultuur meer, er rest alleen nog wat onbeholpen plaatselijk getuttel, volgehouden op bevel van de burgemeester en betaald door het mini­sterie van cultuur. Er zijn zenders waar hetzelfde nieuws als overal elders met precies dezelfde muziek wordt doorgegeven in een speciaal soort kromspraak: dat zijn de streekzenders, maar de kinderen uit de streek luisteren in het geniep naar Hilversum 3, zoals in de bezettingsjaren in het grootst geheim werd afgestemd op de Engelse zender, de stem van buiten, de stem van de vrijheid.

Niemand kan het helpen dat hij als Fries of Limburger geboren wordt, maar gelukkig is daar nog veel aan te doen: behoorlijk onderwijs, veel radio en televisie, een tijdige vlucht naar de stad.

Dat wordt de jonge mensen tegenwoordig moeilijker gemaakt dan hun ouders, want met dwang, dreiging en subsidie worden gezonde kinderen geprest om te praten in het namaakantiek dat voor de streektaal doorgaat. In Friesland is het geloof ik al zover dat de scholieren die kitschtaal wettelijk krijgen opgedrongen. Dat zal hun in elk geval levenslang een weerzin inboezemen. Want wie wil nu worden opgescheept met een geheimtaal, een taal die afsluit van de buitenwereld in plaats van er toegang toe te geven?

Het Nederlandse taalgebied is al heel krap, maar nog net groot genoeg om de contacten met de rest van de wereld gaande te houden.

Erger dan deze taalstreken is wat de nieuwe Nederlanders wordt aangedaan. Die zijn hier immers niet geboren maar naar toe gekomen; zij hebben dus dit land niet meegekregen maar uitgekozen. Dat zou de geboren Nederlanders blij en trots moeten maken. Maar nee, het leidt alleen maar tot volksgemor en minderhedenbeleid.

Minder heden en meer toekomst, dat alleen kan het doel zijn van zo'n beleid, maar het is integendeel gericht op het verleden. De Turkse identiteit moet versterkt worden en de Molukse eigenheid bevestigd, het Marokkaanse erfgoed behouden en de Surinaamse worteling verstevigd. Maar waarom? Wie wil dat eigenlijk?

Dat willen, pardon eisen, de onbezoldigde en bezoldigde veldwachters van het etnisch groepswezen, de ouderlingen en de imams, de vormingswerkers en de minderhedenbeleidsambtenaren. Hun gezagspositie is gegrond op het bestaan van etnische groeperingen: als de jongelui naar alle kanten uitzwermen, de wereld in, dan is het met die machtsbasis gedaan.

Dus hebben de voorgangers en hun ambtelijke handlangers een cultuurbeleid ontwikkeld dat gericht is op het eigene, al moet dat eigene alsnog bedacht en gefabriceerd worden: Het ontwerp-rijksprogramma wil 'de ontwikkeling van eigen theatervormen van diverse etnische groepen'. Dat is toch nergens goed voor. Als die vormen er niet zijn en in geen duizend voorafgaande etnische jaren zijn gegroeid, waarom moeten ze dan uitgerekend in Nederland opeens van staatswege ontwikkeld worden? Zorg maar dat Antilliaanse of Chileense of Turkse jongeren een goede kans krijgen aan de toneel­school en daarna niet worden achtergesteld als de rollen verdeeld worden.

Niets helpt zo tegen het heimwee van de tweede generatie als een kort verblijf in het ouderlijk geboorteland. Een inspectiereisje van de Molukse jeugdleiders betekende subiet het einde van het grote streven naar terugkeer. Hier geboren kinderen van Turken en Marokkanen blijken al na een maand in het land van herkomst bekeerd te zijn tot spijtoptant. De Surinamers willen niet terug, nu niet met het excuus van de huistiran Bouterse, en straks niet zonder excuus. Gelijk hebben ze. Dit is een leuker land.

Het gaat niet alleen om de betrekkelijke welvaart hier, die nog steeds uittorent boven de penarie in die verre thuislanden. Het gaat vooral jonge mensen om de ruimte, om een cultuur die massaal is en commercieel, maar ook grenzeloos en egalitair.

Er zullen er zijn die de mufheid van thuis verkiezen boven de vrije lucht van de stad. Laat ze. Maar ik denk dat de meeste plattelandsjongeren en immigrantenkinderen iets anders willen meemaken. Zij vallen buiten het beleid. Dat is tot daaraantoe. Maar zij vallen ook buiten het beeld: de goegemeente heeft voor hun eigen bestwil uitgemaakt dat zij thuishoren in hun minderheid of in hun regio en dat zij zich bij hun eigen erfgoed moeten houden. Ze gaan er zelf nog in geloven ook, al leven ze volop in de wijde wereldcultuur. Maar die is voor iedereen en de toegang is er vrij.

Abram de Swaan, 9 november 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987
en in: De draagbare De Swaan, Prometheus, 1999

 


HET LIED VAN DE KOSPOPOLIET (2)


Abram de Swaan, 16 november 1985


Een wereldgemeenschap bestaat nog niet, een wereldbeschaving kondigt zich aan in het recht en de wetenschap, de techniek en de handel, en een vaderlandsloze cultuur heeft zich al over de landen verbreid.
De muziek reist het verst en het snelst, die is klank en zit in de lucht, in de atmosfeer die de aarde omgeeft.

Alle cultuur is overspel en de muziek gaat met iedereen mee. Het is daar vreemd mee gelopen: de Afrikaanse slaven hadden hun klanken en ritmes onthouden en bevrijde zwarten hebben die gekruist met psalmen, Franse hofmuziek en Duitse marsen. Toen is er iets gebeurd wat het geluid van deze tijd veranderd heeft. Dat is sindsdien niet meer opgehouden en vernieuwt zich nog steeds. De jazz is honderd keer verkocht en verraden en weer opgestaan om door te gaan. Het werd blues en swing en rock 'n roll en werd getemd tot popmuziek. Maar zodra een genre gekalmeerd was brak een nieuwe rage los en woedde door. Telkens nieuwe generaties, steeds andere volkeren mochten met de Afro-Amerikaanse muziek ravotten: de Puertoricanen verwekten de salsa, de Jamaocanen de reggae en die muziek danste verder met iedereen.

Zelfs in Nederland kregen een paar jongens de slag te pakken, dat was Doe Maar; voor honderd duizend Hollandse kinderen werd dat de eerste kennismaking met de vaderlandsloze muziek en ze wisten, weer een nieuwe lichting, niet hoe ze het hadden.

Er moeten nu miljoenen jonge Russen en oost-europeanen zijn die de donkere muziek op westerse zenders volgen en verlangen naar buiten. Maar de jazz vergooit zich alweer op een ander continent, in Afrika. Elke week zijn nu de muziekpaleizen uitverkocht, omdat een Afrikaanse band komt spelen. Vijfentwintig jaar geleden kwamen er ook al Afrikaanse gezelschappen naar Neder­land, de vrouwen dansten met ontblote borst en een man sloeg op de trommel. Men vond dat hoogst interessant en zeer authentiek en verder had het nergens mee te maken. De Afrikaanse groepen die nu hierheen komen spelen bastaardmuziek, schaamteloze mengvormen van stamfolklore, Islamitische kerkzang, Amerikaanse broodcommercie en Caraïbische feestmuziek. Geen synthese, welnee een ratjetoe, en het leeft en het laait en het houdt niet op. Dat is de kosmopolitische cultuur, losgebroken uit het stamverband, uit zijn dorpsknel gebarsten.

Zulke muziek komt niet mee op staatsiebezoek en wordt niet per cultureel verdrag bevorderd, ze reist per transistorradio, als verstekeling tussen de reclames. En als ze willen komt die kwaaie, die mooie muziek bij de nette componisten thuis en laat zich door Milhaud en Strawinsky, door Andriessen, Breuker en Schat even goed gebruiken. Want het kan niet op, ze speelt met iedereen en er komt telkens weer iets anders van.

Die wereldcultuur die is er dus al en de Unesco heeft nog niet eens een resolutie aangenomen. In de muziek, maar ook in de dans; dat komt door film en televisie. En opnieuw zijn het donkere vriendjes van de straat die telkens iets nieuws bedenken dat jonge mensen waar dan ook op slag fascineert, dat telkens nagedaan wordt, overgedaan en anders gemaakt. 'Dat komt door de commercie'. Was het maar waar, dat de groothandelaars klanken konden scheppen en beweging verzinnen. Waterdragers zijn ze, zij sjouwen van hot naar her voor de verdienste, maar de bronnen worden gevoed door iets anders, dat donker is en verborgen en onderaards in ongekende verbindingen staat.

Ook de schilderkunst is van oudsher internationaal, maar heeft geen populaire ondergrondse, blijft opgesloten in de salons, de galeries en de musea, in de serails van de goede smaak. Maar in de advertenties en in de tv-clips, en vooral buiten op straat dringt zich een vormentaal op, die over alle grenzen heengaat en die misschien ooit voor zichzelf kan spreken en waarin dan iets nieuws te verbeelden zal zijn.

Gebeurt zoiets nu ook in de literatuur? Nee, of eigenlijk een beetje. In steeds meer landen laten schrijvers van zich horen die vertellen over juist die overgang: van dorpsgemeenschap naar wereldstad, van stamtraditie en ouderlijk geloof naar het vrije, volle stadsbestaan. Zij schrijven in het Engels of worden in die taal bekend. Want ook het Engels is van huis weggelopen en geeft zich aan iedereen die de moeite neemt. Die taal laat zich niet meer regeren door een Academie of een spellingscommissie, maar buigt mee met de zinsbouw en de woordenschat van de sprekers; er is Amerikaans Engels en Australisch, Nigeriaans, Indiaas en Afrikaner Engels, zaken-Engels en mid-Atlantisch en ook de Nederlander doet stijfjes een paar stappen in die wereldtaal. Maar het blijft basic English en iedereen verstaat elkaar, ook de Russische taxichauffeur en de Mexicaanse ijsverkoper. De eenheidstaal van Babylon.

Er is een hoge cultuur, die is internationaal en reist met een kaartje. En er is, al even grenzeloos, een populaire cultuur, die ook wordt uitgezonden, niet door de minister, maar door de transistor. De een leeft van subsidie en donatie, de ander van commercie en sponsor. Tussen die twee is spanning en ook telkens contact. allebei horen ze, net als de wetenschap en de techniek, tot het cosmopolitanisme, waarvoor wie dan ook, waar dan ook, is uitgenodigd.

In dat wereldwijd circuit is Nederland een station. Dat is de functie en de zin van de Nederlandse taal en cultuur, dat je er de wereld mee in en uit kunt stappen. Het nut van een natie is een perron in de wereld te zijn.

Abram de Swaan, NRC 16 november 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987
en in: De draagbare De Swaan, Prometheus, 1999

 

DE VIJAND IN EIGEN PERSOON (1)


Abram de Swaan, NRC 23 november 1985

 

In volle vredestijd en in alle sociale zekerheid, geen vulcaan die rommelt, geen dijk die op breken staat, alles is veilig, alles is gemoedelijk, maar op een stil perron ergens in Nederland, vlak onder de elektrische klok, schreeuwt iemand het uit van paniek, hij wringt zijn handen, grijpt in zijn jasrevers, wil zich de haren uitrukken, rommelt als een bezetene in de paperassen die hij met zich meedraagt in zijn tas: 'Het was toch in het Gemeenschapshuis in Deventer, hier moet het staan, ik heb vanmorgen nog gekeken, om twaalf uur precies. Ik weet het zeker. Ben ik nou gek?' Hij staart vertwijfeld naar de uitnodiging en leest alsof het zijn eigen doodvonnis is wat daar staat. Maar de terechtstelling is al voltrokken. Hij werd diezelfde morgen, inderdaad, verwacht: om elf uur. Dat is nu precies twee minuten geleden, maar ook acht kilometer verderop. Hij ziet voor zich een zaal, hij is telepathisch van wanhoop: naast het boeket van droogbloemen op het podium staat de voorzitter die de aanwezigen welkom heet en nog maar eens welkom en vervolgens, in steeds tragere bewoordingen de spreker voor die ochtend aankondigt, speurend in het halfduister van het middenpad, '...nu toch ieder ogenblik verwachten, gisteren nog komst bevestigd...'

De voorzitter zoekt een stemmig grapje en de wanhopige, een uur gaans verderop, zoekt met hem mee; er wordt nog maar eens een mededeling herhaald, de rechten die aan de lunchbon zijn verbonden worden uitvoerig opgesomd, in het publiek is hier en daar gegiechel te horen en van achter uit de zaal gebaart de penningmeester met brede armzwaaien dat er niets te bekennen is, niemand in aantocht.
De voorzitter, net nog zo pront, valt stil, verstart en loopt mompelend in zichzelf het podium af dat leeg de zaal aanstaart. Nu gebeurt er niets meer, behalve dat een verongelijkt gezoem klinkt, dat in de oren van de afwezige oplaait als een orkaan van verontwaardiging en beschuldging. Alleen op zijn perron krijst hij het uit van haat, hij maakt een sprongetje als om zichzelf te schoppen.

Rustig aan, kalmte, overleg. Een kwartier te laat, vergissing, vertraging, kan iedereen gebeuren, taxi, waar is een taxi? Hij kan er toch in tien minuten zijn... Een kwestie van minuten, maar voor hem verglijdt de tijd nu niet meer maar stormt op hem aan als een tankcolonne die hij, met een ontzaggelijke wilsinspanning, alleen moet tegenhouden.

Hij ziet om zich heen: een dorpsstation op een zaterdagmorgen, geen taxi, tram, bus of auto in de buurt, een vrouw met kinderwagen tegen wie hij hijgend onzin schreeuwt, zij weet van niets, begrijpt hem niet, en nog voor zij uitgesproken is begint hij te hollen, in het wilde weg, zijn tas tegen de borst gedrukt, zijn winterjas die traag tegen zijn pas in slaat, hij rent in doodsangst om ergens, nog op tijd, te komen en wij laten hem in zijn vertwijfeling gaan.

Dames en heren, de patiënt die wij u zojuist gedemonstreerd hebben verdient niet uw harteloos en studentikoos gegniffel. Hij is een mens zoals u en ik, vergeet dat nooit, hij is alleen maar wat verstrooid. Hij is, zoals dat heet, vergeetachtig.

Kijk hem nu eens aan: in zijn borstzak een agenda, in zijn zakdoek een knoop, en hier, mag ik even, in zijn portemonnaie een extra briefje met rode viltstiftletters, voilá: !!! ZA 19 OKT 11U DEVTER GENSCH BI ZA !!!!!'

Het heeft alles niet gebaat. Toch staat hij bepaald niet alleen in het gevecht met zijn handicap. Ik hoop dat de overheadprojector het vanmorgen nu eens wel doet, ja zeker: daar zien wij de twee vrouwen in zijn leven, zijn secretaresse en zijn echtgenote, de een van negen tot vijf, de ander van vijf tot negen, vierentwintiguursverzorging geniet hij. Me dunkt, er wordt op hem gepast.

Langzamerhand komt hij tot zijn positieven, juist wil hij de hoogleraar toeknikken en een paar ironische opmerkingen maken over zijn druk bezet bestaan, zijn hoofd dat omloopt, maar vóór hij een woord kan uitbrengen slaat hij zichzelf voor het front van de collegezaal met een daverende klap voor de kop. Hij had nu, net op dit allereigenste moment, zullen gaan lunchen bij een hoogbejaarde kennis die dus aan een gedekte tafel met een keur van gerechten op hem zit te wachten. Hij is sprakeloos, hij is niet waard dat hij leeft, hij bidt dat voor één keer hem het voorrecht van de heiligen gegund wordt, het wonder der bilocatie, dat hij op twee plaatsen tegelijk mag zijn.

Zijn eigen schuld, zo is het. Maar waarom, waarom doet hij zich dit aan? Hij heeft toch heel zijn leven ingericht op de bestrijding van zijn vergeetachtigheid. Inkomende post wordt nauwlettend ingedeeld, afspraken aangestreept in alarmkleuren en prompt genoteerd in zijn zakboekje, gekopieerd in de kantooragenda, dagelijks wordt hem een lijst van verplichtingen overgelegd, stickers met reminders zijn geplakt op de achteruitkijkspiegel van de auto, de hoorn van de telefoon, de achterkant van zijn scheerapparaat. Hij wordt gebeld, herinnerd, gewaarschuwd, gememoreerd door een staf van bezorgde huisgenoten en medewerkers.

Voor het slapen gaan loopt hij zijn afspraken nog eens door, nee er kan werkelijk niets misgaan, zijn geheugen wordt in elk hoekje en gaatje permanent bewaakt door zijn innerlijke veiligheidsdienst.

Toch niet genoeg: in hem woont een geheim agent, vijandige machten hebben diep in zijn binnenste een mol geplaatst. Het kan weken, maanden goed gaan, maar als heel even ergens in zijn geheugenruimte de waakzaamheid verslapt dan slaat de saboteur toe en verandert de gegevens. Zelf merkt hij niets en spoort verder langs de perrons van zijn bestaan tot hij opeens de verkeerde wissel neemt en weer te pletter loopt.

'An inside job', zeggen de specialisten: sabotage van binnenuit, gepleegd met volledige kennis van zaken. En langzamerhand wordt de verdenking sterker, de conclusie onontkoombaar: de saboteur dat is hij zelf.

Maar wat beweegt of wat verlamt een mens om zo zichzelf dwars te zitten? Dat is zijn dienstgeheim.Het verhoor wordt voortgezet.

Abram de Swaan, NRC 23 november 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987


DE VIJAND IN EIGEN PERSOON (2)


Abram de Swaan, NRC 30 november 1985



Dat is waar ook! Het ging over verstrooidheid, over vergeetal die een zaal vol mensen wachten liet of een bejaarde kennis liet zitten met de lunch. En al past hij nog zo op zijn tellen, het overkomt hem telkens weer.
Maar ja, zodra iemand ook maar een enkele afspraak maakt is hij van dat moment af aan gedwongen om met de tijd te
rekenen. In zijn leven dat nog open lag, in de smetteloze toekomende tijd, zit opeens een plek. Een dag met een afspraak is al bedorven. En al is het pas over drie maanden, voortaan moet iemand de weken tellen en dan de dagen en de uren om toch vooral op het afgesproken tijdstip te verschijnen. Een toestand van verhoogde waakzaamheid is ingetreden.

In Een essay over tijd (Meulenhoff, 1985) beschrijft Norbert Elias hoe mensen elkaar meer en meer in tijdsdwang ingeregen hebben, zozeer dat zij hun tijdsbesef als een natuurverschijnsel zijn gaan beschouwen. Het is vanzelfsprekend geworden dat iedereen op elk moment zelfs zonder op de klok te kijken een vaag benul heeft van het uur van de dag; iemand die het daaraan ontbreekt weet niet hoe laat het is. Sommige mensen trekken zich daar geen zier van aan en doen waar ze zin in hebben wanneer het ze uitkomt. Ze komen vroljk te laat en vergeten zonder zorgen. Ze zijn dan ook niet verstrooid maar fluiten flier en waaien pier. Zulke mensen brengen het niet ver op school, op het werk of met een geregeld gezinsleven.

Wie wel zijn diploma's gehaald heeft en een vaste functie bekleedt, die heeft alleen al daardoor moeten leren leven met de klok en de kalender die hem sociaal zijn opgelegd. En het zijn juist de gearriveerden en de gevestigden - de professor voorop - die van verstrooidheid als beroepskwaal te lijden hebben. Alleen de meer aanzienlijken en machtigen gelden al verstrooid, een vergeetachtige van mindere rang was er allang uitgevlogen.
Verstrooidheid is dus iets dat men zich permitteert. Maar de verstrooide permitteert zich meer dan hij zich permitteren kan.
Verstrooidheid veronderstelt al een zekere mate van zelfbeschikking, het is een kwaal van mensen die hun eigen gedachtengang mogen gaan: het suggereert volte des geestes in plaats van leeghoofdigheid. Vandaar dat de verstrooide medemens meewarig maar ook met heimelijk ontzag tegemoet getreden wordt en vandaar ook dat men in gesprekken over dit soort vergeetachtigheid al gauw tegen elkaar op begint te bieden met eigen troeven van nog sterker tekort van memorie. Aan het woord zijn belangrijke mensen, het hoofd vol gewichtige zaken. En juist daarom is dat vergeten zo grievend: het is een krenking tot de tweede macht: vergeetal doet zijn medemens de overlast aan van een gemiste afspraak en brengt bovendien over dat hij zich dat permitteren kan omdat zijn gedachten bij belangrijker zaken elders waren.

De ware vergeetachtige wringt zichzelf in duizend bochten, martelt zich met zelfverwijt en vermoeit zichzelf en de benadeelden met een golf van verontschuldigingen. Een normaal mens belt na zo'n misslag op, maakt drie excuses en stuurt misschien nog een kaart of een fles wijn. Vergeetal niet, hij verkettert en hij geselt zich, vervloekt zichzelf, het noodlot en de wereld. 'Kom, kom, kom, mijn beste, zo erg is het toch ook weer niet'. Jawel, ontzettend is het, onverdragelijk en niet meer goed te maken. Een hele zaal die wacht voor een spreker die een half uur te laat verschijnt! Dat oude mens, alleen aan een gedekte tafel vol broodjes en beleg, en niemand die op komt dagen! Ik kan wel door de grond gaan! Maar door de grond gaan doet hij niet, hij jammert liever nog een tijdje door.

Maar als het allemaal zo erg is, dan waren die afspraken dus heel belangrijk. En als hij zo slecht gemist kon worden, dan was vergeetal ook heel belangrijk. Zijn duizend bochten en zijn honderd excuses gaan dus niet over de vergeten afspraak, maar over de verborgen suggestie dat er voor hem gewichtiger kwesties zouden zijn. Die onuitgesproken zelfverheffing moet ongedaan gemaakt worden met overdreven zelfvernedering.

Wie vergeetal dus zijn faux pas vergeeft, erkent daarmee het overwicht van diens geestesleven. Daarom wordt hij ook nooit echt vergeven en dat weet hij drommels goed als hij zich in zijn excuusspiralen wentelt.
Vergeetal lijdt aan sociale amnesie, hij verzaakt zijn verplichtingen. Hij is een afspraak vergeten waar hij eer of waardering mee had kunnen behalen, in plaats daarvan oogst hij verwijt. Dan heeft hij spijt en verwijt zichzelf, geeft zijn vijand binnenin de schuld. Maar hij was tezeer verzonken in zijn allereigenste gedachtenwereld, waarin hij alleenheerst. Moet hij daarbuiten treden, dan moet hij zich onderwerpen aan het oordeel en de goede wil van zijn medemensen. Hij verlangt de erkenning wel maar kan niet uitstaan dat die hem van anderen afhankelijk maakt.

Maar vergeetal schaadt toch ook vaak alleen zichzelf: hij laat zijn tas in de coupé staan of vergeet zijn sleutels op kantoor. Daar heeft hij enkel zichzelf mee, daar komt geen medemens aan te pas. O nee? Voor vergeetal wel, die maakt zich kwaad op conducteurs of conciërges of op wie dan ook, omdat zij niet beter op zijn spullen letten terwijl hij zichzelf verliest in zijn gedroom.

Vergeetal heeft in gedachten het rijk alleen en wil toch erkenning en goede zorgen. Wat hij niet hebben kan, is dat hij afhangt van een anderman.

Abram de Swaan, NRC 30 november 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987

 

 

 
 

BOONTJES DOPPEN


Abram de Swaan, NRC 7 december 1985


Een kunstrecensent moet net als elke dagbladverslaggever zijn lezers vertellen wat hij gehoord heeft en gezien. De criticus kan bovendien een oordeel formuleren en dat met argumenten staven zo goed en kwaad als het gaat. Dat is nog zo eenvoudig niet, want ook de criticus maakt vrienden en vijanden in zijn kring en raakt allicht voooringenomen. Een bevooroordeelde rechter kan door de beklaagde gewraakt worden, maar tegen een gecorrumpeerde criticus is geen verweer mogelijk. Daar helpt alleen nog kritiek op de kritiek.

 
 

Een week of twee geleden gaf het Concertgebouworkest de wereldpremière van de eerste scène uit een nieuwe Nederlandse opera, Symposion van Peter Schat op een libretto van Gerrit Komrij. Die opera is nog lang niet klaar en dit was dus een voorproeve.

Held van de opera is Tsjaikovsky en de beginscène speelt op een perron vanwaar de componist vertrekt naar een première. Peter Schat had een spectaculair gedaver gearrangeerd van een trein die kwam en van een trein die vertrok met een machtig accelerando.
Komrij had daarbij een episode bedacht waarin Tsjaikovsky om zich gewichtig te maken tegenover de stationschef zich uitgeeft voor een hofmaarschalk: maar de stationschef, die zelf ook Tsjaikovsky blijkt te heten, barst uit in een lofzang op zijn naamgenoot, de alombeminde toondichter van het Russische volk: Peter Tsjaikovsky die zich uitgeeft voor een prins beseft blijkbaar zijn eigen glorie niet. Ik vond dat tragisch en ook komisch, een sketch in een scène.
Symposion is een compositie over een componist en dus een eig entijds muzikaal commentaar op de negentiende-eeuwse muziek.
Schat heeft zich al eerder afgezet tegen allerlei actuele trends en een eigen harmonieleer ontwikkeld. Dat is aan de partituur te horen en het is interessant genoeg voor nadere toelichting.

Daar moet de volgende dag in de krant toch iets over te lezen zijn en ja, Hans Heg, de muziekcriticus van De Volkskrant was er geweest en wijdde er een lang artikel aan.

Hij noemt die voorpremière al in de aanhef 'een slimme uitwijkmanoeuvre van Schat, die na zijn problemen met de Nederlandse Omroep- en Operastichting (over een gestrande tv-opname van zijn strip-opera Aap verslaat de knekelgeest) en zijn niet door iedereen in dank afgenomen acties op het bouwterrein van het Amsterdamse Muziektheater een opdracht van Gerard Mortier wist los te peuteren.'

Sorry voor het citaat, zo schrijft Heg nu eenmaal. En wat veel erger is, zo denkt hij blijkbaar ook. Een componist die ook volgens Heg in eigen land wordt tegengewerkt en die zich door zijn protest tegen dat monstrum op het Waterlooplein buiten het gunstencircuit geplaatst heeft, krijgt in een buurland een opdracht van een beroemd gezelschap: is dat een 'slimme uitwijkmanoeuvre'?
Het lijkt toch meer op een erkenning in het buitenland van een componist die zich hier vijanden heeft gemaakt omdat hij tegen de bouw van die kolos geprotesteerd heeft. Want, daarover is geen misverstand, die Stopera wordt monsterlijk.

Heg schrijft: 'een opdracht losgepeuterd', beeldend taalgebruik, ik moet het erkennen: het suggereert enerzijds tegenzin bij de broodheer, anderzijdss sluwheid van de jengelende artiest. Zou dat nu echt zo gegaan zijn? Heg licht het niet nader toe.
En dat is allemaal alleen nog maar de aanhef. Tot een bespreking komt het nooit, al wordt die schijn nonchalant gewekt: 'Het neoromantische idioom dat Schat de laatste jaren hanteert, op basis van zijn 'patent' dat als de Toonklok te boek staat, levert natuurlijk wel toegankelijke muziek op.' Alweer zo'n zin waar niets aan deugt, die niets beweert en toch zoveel insinueert.
Dat 'patent' is een vondst van Schat waarop hij uiteraard juist geen octrooi heeft aangevraagd, want een vernieuwend kunstenaar wil navolging, en Schat heeft met De Toonklok (Meulenhoff, 1984) een heel nieuw toonstelsel bedacht, niets minder. Ik kan de bruikbaarheid daarvan voor het componeren niet beoordelen, Peter Schat voelt zich er blijkaar wel bij en ik herken er in elk geval een fraai en afgerond mathematisch systeem in.

Van een recensent verwacht je dan dat hij vertelt of dat nieuwe toonstelsel Schats muziek ten goede komt of niet, of dat het misschien wel helemaal niets uitmaakt. Heg kijkt wel uit: 'het levert natuurlijk wel toegankelijke muziek op.' Een systeem dat zomaar, 'natuurlijk' nog wel, toegankelijke muziek oplevert, dat is toch potverdorie geniaal! - Tut tut, dat staat nog te bezien:
‘Maar ik krijg niet de indruk dat de muziekliefhebbers daar met spanning op zitten te wachten. De eerste uitvoering trok tenminste maar een handjevol bezoekers...'

Wat is er nu weer niet goed aan deze passage? De recensent durft niet met een eigen oordeel aan te komen, maar hanteert als maatstaf de luisterdichtheid. Hij heeft wel een wrok, maar geen oordeel, zoveel beseft hij zelf ook wel, kijk maar naar de slotzin: 'Daarom schort ik mijn definitieve oordeel nog maar even op, want misschien zet Symposium straks Brussel wel op zijn kop.' En dan zal Heg staande applaudisseren tot om hem heen het eindelijk begint stil te vallen.
Hans Heg heeft in de muziek vast wel relaties, maar kunst en kunstenaars moet hij haten. Dat kan een criticus overkomen, en dat is dan een tragisch beroepsongeval. Heg is er arbeidsongeschikt van geworden en De Volkskrant laat hem nu maar in haar eigen kolommen afvloeien. Daar mag hij tekeer gaan wat hij wil, Heg, dat boze feetje.

Abram de Swaan, NRC 7 december 1985

 

WELZIJNSWERK IN SPORTMODEL


Abram de Swaan, NRC 14 december 1985

 

Elk weekend zijn zo'n half miljoen mensen in de weer om de wedstrijden van hun club te regelen. Er zijn dan ook tienduizenden sportverenigngen in Nederland met vele miljoenen leden die iedere week wel iets aan sport doen. Er moeten banen worden uitgezet, velden gemaaid en afgebakend, netten gespannen, vloeren geboend, broekjes genaaid, hempjes gewassen, emblemen opgezet, vlaggetjes gepland, startschoten gelost, boeien gelegd, tijden opgenomen, punten uitgedeeld, regels toegepast en uitslagen vastgesteld. Dat wordt allemaal keurig verzorgd door mensen die daar zin in hebben in hun eigen vrije tijd. Als de velden eenmaal zijn aangelegd, de baden en de hallen zijn gebouwd, komen daar nauwelijks nog ambtenaren aan te pas. Laat op de avond zit de secretaris nog te zwoegen op een wedstrijdformulier en maakt de penningmeester de clubkas op.

Er moeten tienduizenden clubblaadjes bestaan, groezelig gestencild en rommelig gevouwen, met een advertentie van de dorpsslager die ook secretaris is op de achterkaft, volgepend met enthousiasmelingenproza en laatste waarschuwingen tegen laatkomers of valse starters. Alleen die blaadjes al zouden eens verzameld moeten worden: daarmee kan dan de mentaliteitsgeschiedenis geschreven worden van de sportievelingen die zich nergens anders uiten in het openbaar.

Waarom doet de Nederlandse Volksbond voor Cultuurstudie daar niets aan? Weer zo'n club met enkel papieren leden en een voorzitter die er met de kas vandoor is).

De sport bestaat van vrijwilligerswerk, daar leeft het onderling beheer in eigen kring; het kost tegen de twee miljard per jaar, maar de amateurs dragen een derde van die kosten zelf. Dat lukt en dat loopt allemaal op eigen initiatief.

De sociologen Ton Dekker en Gerard Goudriaan hebben zich ooit eens afgevraagd waarom in de sport alles zomaar kan wat in het welzijnswerk met zoveel moeite geprobeerd wordt en altijd weer mislukt: zelfhulp, onderlinge zorg, gemeenschapswerk, zelfredzaamheid, kortom het welzijnsideaal.
Maar die gemeenschapsopbouw en dat buurthuiswerk kwamen al van bovenaf, want buurt en gemeenschap moesten hogerop. Vormingswerkers zouden de mensen helpen om zichzelf te helpen door hen te helpen willen dat ze geholpen werden. In de sport mag helemeaal niemand iemand helpen want dat is vals spel. Niemand wil er iets hogers, iedereen wil alleen maar hoger, verder, sneller en dan onder de douche, de kleedkamer uit, de kantine in en weer naar huis.

En ondertussen zijn er steeds weer mensen bereid om alle klussen op te knappen die voor dat sportgenoegen nodig zijn. Er zijn altijd een paar mensen vrijwilliger dan anderen en die spannen zich gemiddeld zo'n veertig uur per maand in voor hun club (Verstegen e.a., I.V.A., Tilburg, 1983). Het verenigingsleven bloeit en de bestuurders hebben er plezier in, als het maar klein blijft (zo'n 250 leden), eenvoudig, overzichtelijk en ongereglementeerd, en als iedereen een eigen taak heeft zonder al teveel overleg of opdracht.
Vrijwel al het werk is onbetaald en van bemoeienis door deskundigen wil men niets weten. Het Ministerie was nog wel van plan zich intens met de amateursport te gaan bemoeien en meende dat de clubs zichzelf niet langer konden redden. Met de bezuinigingen is ook die bemoeizucht weer getaand.
Maar waarom lukt nu in de sport wat in het welzijswerk mislukt? Omdat de sport zijn eigen kalender, zijn eigen program en zijn eigen noden dikteert. Er is een competitie en daarmee staan de wedstrijden lang van tevoren vast. Alles wat voor zo'n wedstrijd moet gebeuren is precies bekend bij alle leden. De ontmoeting zelf is tot in het kleinst detail geregeld in het wedstrijdreglement.

In het welzijns- en het vormingswerk staat dat allemaal permanent ter discussie, is alles eerst voorwerp van bewustwording en dan van groepsgesprek en dan van politieke actie. De agogiek kent geen kalender en geen reglement. Alles moet telkens weer opnieuw worden uitgevonden en in de groep gebracht.

Maar er is in de sport nog iets anders aan de hand: er is niet alleen een vaststaand kader, maar er is ook een eigen dynamiek: de wedijver.
Elke week staat weer de groepseer op het spel, niet alleen dat de ene deelnemer wint en de andere verliest, maar de hele club komt uit tegen een andere en stijgt en daalt met de uitkomst van de strijd. Er is een werkelijk wij-gevoel en dat wordt in die wedstrijd uitgeleefd. Ook in het vormingswerk ontstaat wel eens saamhorigheid, maar dan is het 'wij tegen de wereld' en in die krachtmeting is wel een tussenstand, maar nooit een einduitslag.

Wie een sportclub op zichzelf bekijkt kan nooit begrijpen waar men zich daar zo druk om maakt. Dat blijkt pas als die club gezien wordt in de hele constellatie, in wat zo terecht 'de competitie' heet. In die prestigestrijd moet de eigen ploeg de groepseer bevechten en daar zetten ook de bestuurders en de helpers zich voor in. Het zou de vrijwilligers hun eer te na zijn als de andere ploeg beter te voorschijn kwam. Zo hebben al die mensen zich laten opnemen in een erezaak en kunnen zich daar niet goed meer aan onttrekken als de competitie eenmaal begonnen is.

In de sport heerst onderlinge concurrentie om de eer: competitie om het groepsprestige. In het welzijnswerk, dat nu eenmaal van subsidie leeft, gaat de wedijver om overheidsgeld. Het welzijnswerk zou meer leven als het net zo werd opgezet, als een strijd tussen groepen: om de eer en het gewin van overheidserkenning.

Abram de Swaan, NRC 14 december 1985

 


MENSEN DIE IK GEHAAT HEB: DE FRIK


Abram de Swaan, NRC 21 december 1985

 

De frik en ik werden op dezelfde dag en op hetzelfde uur geboren. Ik moest bij het begin beginnen, maar frik was op slag drieënveertig jaar en dat is hij sindsdien gebleven.

Aanvankelijk wist frik mij niet te vinden, maar toen ik na een jaar of drie, vier in zijn gezichtskring opdook zag hij dat er aan mij nog veel te verbeteren viel en was hij dadelijk geonteresseerd in mij - ik niet in hem, en dat is altijd zo gebleven.

Mijn eerste tekenwerk al vond hij meteen geknoei. Plaste ik op de mat, frik wou het zonder druppels in de pot. Kladde ik met waterverf, dan wou hij het bijpenselen. Zodra ik met pen op papier begon te schrijven, moest frik zonodig op mijn werkje krabbelen. Schreef ik schuin dan wou hij blokschrift, en blokte ik dan moest het lopend. Hoe ik het ook deed, van frik moest het altijd anders, en dat was net als anderen het deden. Maar anderen zijn er al genoeg, vond ik, en ik was toen nog iets heel nieuws.

Elk jaar ging ik op de eerste schooldag opgewekt bij de andere kinderen in de klas zitten en praatte over alles wat wij in de vakantie hadden meegemaakt. Maar al vóór het speelkwartier moest ik met tafeltje, stoeltje en al naar een verre hoek van het lokaal, met mijn gezicht naar de muur en mijn rug naar de klas.
Ik was te onderhoudend geweest en de meester eiste alle aandacht voor zich op. Maar in mijn verdomhoek bleef ik kunsten maken en 's middags moest ik al de klas uit, op de gang. Daar bleef ik de rest van de dag, en de volgende ook; voorzover ik me herinner, week in week uit en jaar na jaar, tot ik na tien jaar leergangen mijn staatsexamen deed, autodidact dus en nog steeds onverfrikt.

Ik kan alles beter dan de frik, maar frik wil alles wat ik doe verbeteren, hij maakt nooit iets zelf. Het liefst zat hij in mijn werk te krassen. Maakte ik een vergissing, frik maakte het erger en zette met rode balpen een rondje eromheen, als schandmerk.
Maar zelfs als hij niets te vitten vond, geen foutje aan kon strepen, niets aan te merken had, dan schreef hij nog in grote (groene, paarse) inktletters een 'G' voor 'goed' of 'vu' voor 'gezien'. Maar dat was mijn kalligrafie waarop zijn beambtenstempel kwam te staan. Ik had hem niets gevraagd en wou zijn merk niet op mijn werk.

Wat frik niet kent dat lust hij niet, en wat hij niet begrijpt maakt hem alleen maar kwaad. Mijn opstel op zijn bestelling ging over het wereldleed. De ontroering, o, die het bericht van een groot onheil teweeg brengt bij wie, i, ervan kennis neemt, is recht evenredig aan de ernst van die ramp, r, en omgekeerd evenredig aan de gevoelsafstand, d, tot de slachtoffers; ofwel:
oi=f(r/d).

Zoiets had frik nog nooit gezien, niemand trouwens, want het was nooit eerder opgeschreven. Maar frik kraste dwars door mijn formule 'formulitis'. Mag dat zomaar? Ik zit toch ook niet in zijn opschrijfboekje te kladden? En zoiets staat daar heus niet in. Mors ik soms as op zijn pak, spuug ik in zijn glaasje? Welnee, frik knoeit in mijn werk.

Ik beklaag me niet, het kon toen allemaal nog veel erger: internaten, verbeteringsgestichten. Het ergste is achteraf dat het al zo erg was op scholen die helemaal niet erg waren.

Examens en daarna de universiteit. Eindelijk vrij. Jarenlang hield frik zich koest, hij had het blijkbaar nog niet zover gebracht.
Een enkele keer vertoonde hij zich, bedeesd, in andere gedaante. Eén keer herrees frik als mej. drs. in de statistiek. Ik had van alle sommen de uitkomst goed. Maar de formules klopten niet, meende mej. frik: vast en zeker afgekeken. Driftig zat zij in mijn tentamenwerk te krassen, ik herkende de hand. Het rekenwerk was goed, maar de afleiding was anders. Hoe was dat nu mogelijk?
Voor haar kon voor elk probleem maar één berekening bestaan, die ze met zoveel moeite uit haar hoofd geleerd had. Het was een raadsel en ik lachte haar weg.

Gekwetst wiekte phoenix frik terug naar lagere scholen, om met kleine kinderen opnieuw te beginnen. Of misschien was frik voorgoed gepensioneerd, of - er waren nieuwe tijden aangebroken - werden de frikken per metamorfose veranderd in de kwezels die de kinderen niet corrigeren maar begeleiden wilden. Het kan ook zijn dat alle frikken sindsdien zijn opgenomen in het wereldverbeteringswezen, ingezet tegen het roken en het drank- of drugsmisbruik, gemobiliseerd in campagnes tegen afval op straat of transistorlawaai in de natuur, misschien bereiden zij wel in het diepst geheim een geheel nieuwe spelling voor zodat weer een hele generatie betweters hoogtij kan vieren.

Jarenlang was frik uit mijn zicht verdwenen, ik begon mij al onverbeterlijk te wanen. Maar mijn betweter was alleen maar ondergronds gegaan. Ik kwam hem opnieuw tegen toen ik voor kranten begon te schrijven. Daar morrelde hij in het verborgene weer aan mijn stukken. Hij kon mij nog steeds niet zetten, schrapte wat hij niet snapte, maakte gewoon wat raar moest zijn, wist het telkens voor mijn bestwil net iets beter en hield zich al die tijd onvindbaar. Maar zelfs bij de krant zijn de frikken verdwenen, verjaagd door de zetcomputer en de spellingsautomaat. Liever bleef ik voortaan ongecorrigeerd, want mijn eigen fouten heb ik tenminste van mezelf.

Abram de Swaan, NRC 21 december 1985

 


EEN JA TEVEEL


Abram de Swaan, NRC 28 december 1985


Oplichters hebben met iedereen het beste voor, ook met zichzelf en dat wordt hun kwalijk genomen. Ze gunnen hun medemensen graag een voordeeltje, liefst eentje dat nog niet bestaat, maar ze doen hun best de illusie waar te maken dooor nog meer begoocheling.

Het had zo goed kunnen gaan, een spinsel van verdichtsels, een bouwwerk van verwachtingen, die alleen maar daarom bedrogen uitkomen omdat ergens in dat web iemand te vroeg begint te twijfelen. Dan wordt de oplichter de grond te heet onder de voeten, hij maakt dat hij weg komt en laat niets achter dan ontgoocheling en bankroet.
Maar als niet zo ontijdig het wantrouwen gewekt was had het ook goed kunnen gaan. Die landerijen in Florida waren waardeloos, toegegeven, maar als steeds meer mensen er aandelen in hadden genomen dan waren die zwampen alsnog in prijs gestegen en hadden de deelnemers hun geld veelvoudig terugverdiend. Die kettingbrieven waren natuurlijk het papier niet waard waarop ze geschreven waren, maar als alle ontvangers inderdaad tien kopieën hadden doorgestuurd dan waren de ontvangers vóór hen rijk geworden. Maar zodra komt er een kink in de draad of heel het kunstige spinneweb verschrompelt tot een hoopje kleverig stof.

'Als mensen situaties als reëel definiëren, zijn de situaties reëel in hun consequenties', luidt de wet van Thomas. Het is een grondwet van de sociologie en ook van de oplichterij. Als mensen denken dat anderen geld van hen aannemnen in ruil voor begerens­waardigheden, dan zijn ze zelf bereid vooor hun inspanning of bezit die papiertjes te accepteren en zo helpen zij mee het geld geldig te houden: de sleurtheorie van het geld.

Een oplichter is iemand die één leugen teveel vertelt. Maar die ene leugen is voor hem altijd nodig om alle vorige waar te laten blijven. Had hij net iets meer krediet gekregen, dan waren al zijn verdichtsels werkelijkheid geworden en was hij geen leugenaar maar een profeet.

Zo, als een oplichter, leeft de plichtsgetrouwe medemens. Hij haalt zich wat aan, neemt nog eens iets op zich en gaat een verdere verplichting aan. Hij is eenieder gaarne terwille en wat hij afspreekt ligt toch nog ver in de toekomst. Maar dan begint de tijd ineen te schuiven, de ene klus kruit over de andere taak.

Hij ziet geen kans meer de opgave nog te klaren en werkt zich dieper in de schuld, stopt het ene tijdsgat met het andere: zijn rapport komt niet op tijd af, hij vraagt uitstel van leverantie en om het goed te maken belooft hij meteen maar de inleiding erbij te schrijven. Maar nu blijkt die verplichting juist in de kerst­vacantie vervuld te moeten worden en daarmee doet hij zijn kinderen tekort. Dat moet dubbel goedgemaakt worden met de belofte van een skivakantie in het nieuwe jaar. Ondertussen melden zich de feestdagen en wie is hij dat hij zich onttrekken zou aan in dit seizoen onontkoombare visites? Hij schuift vol goede wil van het ene banket naar de andere party. Zijn rapport blijft onvoltooid en de inleiding schuift op de lange baan, alles om het familieleven tussentijds te kunnen financieren.

Uitgeput verschijnt hij in het nieuwe jaar op zijn kantoor, met lege handen, maar des te meer vervuld van goede voornemens en links en rechts paait hij zijn schuldeisers met verse beloften: heus, het komt eraan en het komt voor elkaar.

Het sceptisch gezelschap dat zijn verzekeringen aanhoort weet hij te overtuigen met een heel nieuw program, waarin hij een ongehoorde werklast op zich neemt. Ook al heeft hij nog niets afgeleverd, hij neemt zijn collega's op voorhand zoveel werk uit handen dat hij geheel onweerstaanbaar is. Een paar weken lang is hij zelfs populair. Met algemene stemmen wordt hij gepromoveerd tot voorzitter van de vergadergroep en uiteraard hoort bij deze erebaan dat hij ditmaal de feesttoespraak zal verzorgen. Ach, weer heeft hij toegestaan dat anderen er met zijn tijd vandoorgaan. Hij moet een tweede hypotheek nemen op zijn wintermaanden, zijn nieuwe verantwoordelijkheid laat niet toe dat hij tussendoor verlof neemt. Skireisje afgelast.

Dag en nacht wordt er gewerkt, aan vrienden komt hij niet meer toe, de tv ziet hij niet eens meer staan, hij kan alleen nog krantekoppen lezen, de afgelaste skivakantie zal grandioos worden vergoed met een gezinsreis naar de Aleoeten in de zomer.

Dan komt een nacht dat hij schreeuwend wakker wordt, krimpend van angst: zijn afgeladen, dubbelgeboekte toekomst stort over hem heen. Zien wij hem de volgende ochtend trillend bij de bedrijfsarts zitten? Is hij het die, ineens ontspannen, langs het raam van de derde etage valt? Krijgen wij van hem na een jaar nog onverwacht een kaart uit Rio met in onbeholpen hand naast zijn naam opeens 'xxx Belinda'? De bofkont. Of blijft het bij drie weken hotelpension De bonte hoeve en wat gemompel over stress en overspannenheid?

Ingestort is hij en door wie zijn schuld? Eén schuldeiser heeft verder uitstel geweigerd en daardoor is al zijn toekomende tijd in één slag ingeklapt. De eerste crediteur eist voorrang en nu accepteren de volgenden geen verdaging meer, verontrust verlangen zij alemaal prestatie binnen de gestelde termijn en hij staat machteloos. Niemand geeft hem nog de tijd. Hij is bankroet. De meest liefhebbende huisvader, de meest toegewijde collega van allemaal wordt uitgestoten wegens wanprestatie.

Er is opnieuw een jaar ten einde. Nu is het tijd om tot bezinning te komen. Vertik het voortaan, verdom het. Bedank, sla af en weiger. Zeg nee, nee, en nog eens nee.

Abram de Swaan, NRC 28 december 1985
Ook verschenen in: Het lied van de Kosmopoliet, Meulenhoff, 1987