Amerika in termijnen

Een ademloos verslag uit de USA

Abram de Swaan
Polak & Van Gennep, Amsterdam 1967

Amerika

Deze stukjes gaan over Amerika. En wat dat is weet ik ook niet. Het is de naam van een land, of liever van vijftig landen, samen de Verenigde Staten van Amerika. En er zijn de Amerikanen, nu tweehonderd miljoen, elke dag meer, stammend uit alle hoeken van de aarde. Maar daarmee is van Amerika nog niets gezegd. Eén mens is al niet te beschrijven, een land is onafzienbaar. Amerika is een onbescheiden groot stuk aarde. Van alles wat daar gebeurt ziet een reiziger maar een toevallig klein beetje. Zelfs dat is nog teveel om te bevatten, laat staan om te beschrijven. Ieder ziet van de chaos alleen zijn particuliere wanorde. Om tenminste een gesprek mogelijk te maken spreken de mensen een onderlinge orde af. Ze beloven zich eraan te houden en ze gaan erin geloven. Eén zo'n afspraak gaat over 'Amerika'.
Die naam moet niet alleen een continent omvatten met alles wat daarin gebeurt, alle dingen die er gemaakt, gekocht en opgebruikt worden, de gedachten, onuitgesproken en verzwegen, de landschappen en de rommelzolders. 'Amerika' betekent nog meer. In Europa is 'Amerika' de naam van een verhaal. Al meer dan vier eeuwen lang bereiken de afleveringen Europa: Amerigo Vespucci, de Zilvervloot, Bleekgezicht spreken met twee tongen, brieven en geld naar de familie thuis, koibois, olie, Thomas Alva Edison en de Gloeilamp, het Vrijheidsbeeld, Shirley Temple, Ford V-8, de Charleston. Daarmee schiep Europa zich een Amerika. Elke dag wendden wij het gezicht naar het Westen en hielden onze adem in. Toen de Amerikanen dan eindelijk in levende lijve verschenen, kwamen zij in de meest verheven rol die aan mensen is toegestaan: als bevrijders. Het was D-day en het werd bevrijdingsdag, de dag van Camel-sigaretten en nooit-meer-honger, van vrijheid en van Life Savers.
Na de oorlog was Europa weerloos tegenover Amerika. Elke dag bracht een nieuwe terreurdaad van Amerikaanse techniek en Amerikaanse welvaart: tv-maaltijden in onze ijskasten, rock 'n roll op de transistorradio, onze jongens in straaljagers, Hollywoodse zaterdagavonden, satellieten rond de aarde. De Amerikanen hebben het ons niet moeilijk gemaakt om in het verhaal 'Amerika' te blijven geloven. De Yankees hebben ons werkelijk bevrijd (nog wel bedankt jongens). Zij hebben heus het Salk-vaccin uitgevonden en polio bestaat niet meer. Ze hebben de A-bom gebouwd en ze hebben hem gebruikt, ze hebben de H-bom gebouwd en ze hebben hem nog niet gebruikt. De wereld kan van Amerika nog alles verwachten.
Zelfs de Amerikanen geloofden in dat ‘Amerika’ van vooruitgang, gulheid en geluk. De Europese emigranten waren bereid net zo lang in het nieuwe land te werken tot ze het er vonden. Maar de American dream, de droom van Amerika, was vooral een droom van Europeanen. Van mensen die op een oceaanbreedte afstand woonden, ver genoeg om geen last te hebben van de feiten en om alleen te hoeven zien wat paste in het verhaal.
Ook nu is er een verhaal van Amerika, maar het is omgeslagen in zijn tegendeel. Onder de oppervlakte van nieuws en publieke opinie is die omslag geleidelijk voorbereid, misschien was de tegenstroom er altijd al, maar toch markeerde één gebeurtenis scherp de ommekeer. De dag van de moord op Kennedy werd Amerika lelijk.

Als iemand thuishoorde in Europa's Amerika was het Kennedy. Hij was een man van belofte. In de politiek is een groot man iemand die grote verwachtingen kan wekken. Zo was Kennedy groot en Amerikaans. Na hem zag Amerika er anders uit. Opeens doken oude, kwade herinneringen op. Duizend bezwaren tegen de VS die altijd al bestaan hadden, begonnen nu opeens te gelden. Voor miljoenen mensen die over Amerika nooit zo hadden nagedacht, maar in wier bewustzijn ongemerkt het verhaal was meegegroeid, veranderde het plotseling van betekenis.
Amerika was zich altijd al te buiten gegaan aan uitbarstingen van zinloos geweld in eigen land en het amuseerde de mensheid met gangsters, treinrovers en spionnen in films en in boeken. In San Domingo en Vietnam was het Amerikaanse geweld niet amusant, en de rechtvaardigheid ervan was voor de meesten moeilijk in te zien. Het was niet langer mogelijk om over de negerkwestie heen te kijken toen in de grote steden rellen uitbraken in de zwarte wijken. De Europeanen hadden oog gekregen voor de kwade kant van Amerika en nu zagen ze ook de eeuwige misdaad, de slechte gewoontes van de politici, de luchtvervuiling, het landschapsbederf. En toen Amerika ze eindelijk zelf ontdekt had, zagen ook de Europeanen opeens Amerikaanse armen. De schaduwkant van Amerika was doorgedrongen. Of was dat toch al eerder gebeurd? Herinneringen kwamen op aan de dagen van McCarthy's macht, of nog eerder: aan Hiroshima, Dresden. De grote crisis begon op de New Yorkse beurs in 1929. De VS torpedeerden de Volkenbond vlak na de Eerste Wereldoorlog. De slechte herinnering gaat nog verder terug: de misère van de e.migranten (Chaplin afgerost door een agent). Misschien is er wel nooit een goed Amerika geweest: alle bossen die werden wég-gekapt, de bisons afgeslacht en de Indianen uitgeroeid...
Amerika doet het niet meer zo in Europa. De blinde liefde is voorbij. Een nieuw verhaal van Amerika wordt al verteld: dit keer gaat het over wreedheid en geldzucht, imperialisme, verdrukking van de jonge landen, over machtswellust en overdaad. Europa moet wel veel van Amerika gehouden hebben, want alleen een groot gevoel kan zo in zijn tegendeel verkeren. Nu niets goeds meer van Amerika. De Gaullisten en de communisten zijn druk doende hun beeltenis van Amerika te verspreiden. De conservatieven, verheugd dat er eindelijk naar ze geluisterd wordt, wijzen beschuldigend op het materialisme, de vervlakking, het conformisme in de VS. Amerika is alweer een nieuw verhaal aan het worden, ditmaal over de keerzijde van de dollar.
De Verenigde Staten zijn te dichtbij voor een nieuwe mythe. Voor een kwartaalsalaris kan iedereen er in vijf uur zijn. De Europeanen zullen zich moeten verzoenen met de wanorde van dagelijkse berichten, met alle tegenstellingen van de werkelijkheid, met een ordeloze opeenvolging van ervaringen. Amerika is teveel om te passen in het Amerikanisme van wie dan ook, pro of anti. Het is ondoenlijk om met één kennisneming dadelijk inzicht te verwerven. Begripsvorming geschiedt niet a contant. Het lukt alleen met een reeks van ervaringen. Misschien dat achteraf toch die belevenissen en indrukken optellen tot een totaal: een soort Amerika in termijnen.

 


Angst in New York

Een deur in New York is voorzien van een slot, zoals alle deuren overal op aarde. Een deur in New York is bovendien toegerust met een veiligheidsslot: Voorzichtige mensen waar ook ter wereld nemen geen risico. Maar in New York City hebben de buitendeuren ook nog een ketting met aan het eind een kogeltje dat in een gleuf aan de deurpost geschoven kan worden. Elke avond leggen drie miljoen New Yorkers die ketting vast, een miljoen New Yorkers vergeet het en de rest heeft hem er de hele dag op zitten. Het is bovendien wettelijk voorschrift dat in elke deur een gaatje moet worden uitgespaard voor een kijkgat: daarin zit een lensje waardoor de bewoner zijn bezoeker kan aanstaren zonder zelf gezien te worden. Omdat het breedveldlensjes zijn komt elke bezoeker eruit te zien als Orson Welles in zijn onguurste rol. Zo blijft de angst erin.
Nergens ter wereld zijn de mensen zo bang voor inbrekers, rovers, moordenaars en verkrachters als in New York. Het moet gezegd worden: nergens ter wereld ook zijn zulke mooie spullen om te gappen, zulke mooie vrouwen om achterheen te zitten. Dat is dan ook allemaal aan de orde van de dag, de wanorde van de nacht. Elk etmaal een nieuwe halsmisdaad. Er schijnt eens een nummer van een New Yorkse ochtendkrant te zijn uitgekomen met over de volle voorpagina de kop: VANDAAG GEEN MOORD en daaronder: 'Wat voert de onderwereld in zijn schild?'
De meeste misdaad in dit land is, net als overal, grof, bruut en stompzinnig. Maar ook hier kent de branche zijn artisten. Zoals in de eenvoudige sketch voor een dame en een heer: plaats van handeling een vrijgezel-lenflat. Een aardig meisje belt aan en vraagt of ze de telefoon even mag gebruiken. De bewoner ziet haar door zijn loerlensje wat vertekend en geflatteerd, opent de deur (krik krak, slot, krik krak, veiligheidsslot, krik krak, ketting). Hij laat het meisje binnen, en wijst haar de telefoon. Terwijl het meisje de lijn losrukt, springen twee mannen naar binnen en binden de bewoner zijn eigen colbertj e over het hoofd. Spaargeld, tafelzilver, o mijn lieve Augustijn (alles is weg). Daarom zijn er zoveel telefooncellen in New York en is het er zo moeilijk een kwartje te wisselen, een vuurtje te vragen of alleen maar te informeren hoe laat het is. Elk contact met een onbekende kan immers omslaan in chantage, roof en moord.
In sommige wijken verraden 's nachts alleen de politieauto's dat dit barre stadslandschap door mensen bewoond wordt. Bijna steeds gebruiken ze hun sirenes die ze met handbediening kunnen laten zwellen, klimmen, dalen. Geweeklaag bij elke hoek, gemor in de rechte stukken. Eindelijk een menselijk geluid, vergroot naar de schaal van de metropool. Daar waar een mensenstem niet tot aan de overkant draagt, communiceren alleen nog de sirenes van blok tot blok. Ooit zal een generatie stadsbewoners opgroeien die knipoogt met een flikkerlicht, fluistert met sirenes en bumper aan bumper kust.
In zijn flat - geen trap naar beneden - huivert de New Yorker en kiest een griezelfilm op de tv. Geen horror op het scherm is hem bar genoeg om de godverlaten vlakte ver onder zijn raam te vergeten. Geen vriend die hem onverwacht opzoekt. Want hoe omhoog te komen? Beneden aan de straatdeur, vierentwintig uur per dag, staat de portier, die niemand zomaar binnenlaat: eerst moet naar boven worden getelefoneerd. De bewoner herkent de stem van de bezoeker. Of niet: wie verkouden is verliest op slag al zijn vrienden. Maar goed, dit keer herkent hij de stem, de bezoeker mag naar boven suizen in het stalen doosje. Hij stapt uit en komt in het blikveld van het kijkgat: Het komt er nu voor hem op aan er gewoon uit te zien, zoals hij er uitziet. Maar niet er zo uit wíllen zien, want dat wil alleen de oplichter met kwaad in de zin. Gewoon doen heeft ook geen zin, want de indringer met vals voorkomen doet wie weet ook gewoon. 'Ik ben het' roepen, helpt helemaal niet; dat kan iedereen wel zeggen. In New York is iemand iemand niet totdat het tegendeel bewezen is. De New Yorkers zijn overtuigd van de noodzaak van hun voorzorgen en in hun angst zien ze gerechtvaardigde vrees. Stuk voor stuk hebben ze hun onaangename ervaringen die dan in gezelschap aangename conversatie vormen. Sociologen, psychologen en criminologen voegen daar hun geleerde explicaties aan toe. Dat is hun boterham. Maar voor de eenvoudigen en de bangen - en voor mij - blijft het de Maffia: Cosa Nostra, 'Onze Zaak', gemene zaak. Onlangs zijn weer dertien hoofdmannen gearresteerd, verenigd op een vriendschapsmaal, nu alweer vrij op borgtocht en waarschijnlijk is niet een van hen ooit klem te krijgen, ondanks drie onopgeloste en wie weet hoeveel onontdekte moorden in hun stadsdeel. De Maffia blijkt onuitroeibaar, ingekankerd als een slechte gewoonte. Verontwaardiging helpt niets, de volkswoede is al lang geleden aan uitputting bezweken. Langzamerhand wordt de Maffia opgevat als een manier van economische ordening, een soort PBO, maar dan tot stand gebracht van onderop. Zoals gebruikelijk wanneer orde wordt geschapen in een versnipperde branche, ditmaal de kruimelmisdaad, is enige dwang onvermijdelijk: verplichte vestigingsvergunning en gedwongen contributies. Zo is de chaos bezworen, zelfs in de onderwereld. Dank aan het Hoofdbedrijfschap Terreur! Het publiek mort van tijd tot tijd, maar vreest toch het meest de kleine ongeorganiseerden van de misdaad.
De politie wordt belemmerd door legale kleinigheden en misschien ook door een overmaat aan begrip voor een andere organisatie op hetzelfde gebied. Iedereen wil wel van de Maffia af, maar niemand graag genoeg. Dat was New York vanuit een beklemde visie. Met stads- en staatsnaam: New York, New York. Het klinkt als een verzuchting.

 


Lenny Bruce

Ik heb Lenny Bruce nooit aan het werk gezien. Ik zal dat ook nooit meer meemaken, want Lenny Bruce is dood. Hij was in Europa vagelijk bekend als een Amerikaanse komiek. Daar werd dan meestal aan toegevoegd: een verziekte geest, een vuilbekker, een be-ginselloze zwartmaker. Alleszins ieders welwillende aandacht waard dus.
Het was zijn overlijdensbericht in het Engelse zondagsblad The Observer dat mij op het spoor van Lenny Bruce zette. En dat was een dood spoor, want een humorist leeft bij het moment van zijn nummer. Lenny Bruce herhaalde zich nooit. Zijn nummer bestond alleen op het ogenblik zelf, op de plek zelf, in de sfeer van het nachtlokaal en voor een publiek dat wel eens van zichzelf wilde zien hoeveel het hebben kon. Ik heb Lenny Bruce niet teruggevonden in zijn memoires*. Hij wordt ook niet herkenbaar in de in memoriams van zijn schaarse vrienden. Op de paar platen - van het merk Fantasy - die delen van zijn conférences bevatten komt hij als komiek niet uit de groeven. Zijn stormachtige improvisaties en waanzinnige uitvallen zijn versteend geraakt.
In zijn boek haalt Bruce op hoe hij als priester vermomd de rijke katholieke huizen langs ging om geld op te halen voor een leprozenkolonie; de inkomsten hield hij grotendeels voor zichzelf. Schande! Leuk in Uilenspiegels tijd, maar nu gewoon flessentrekkerij. Maar het krankzinnige is dat Bruce, die een nationale beroemdheid werd vanwege zijn argeloos gebruik van drieletterwoorden en obsceniteiten, deze oplichting op touw gezet had om zoveel te verdienen dat zijn vrouw niet meer als naaktdanseres in een nachtclub hoefde te werken. Uit alles blijkt dat deze libertijn smoorverliefd was op zijn eigen vrouw, dat Amerika's nationale cynicus door haar striptease diep gekrenkt werd. Enkele weken later kreeg Lenny Bruce met zijn vrouw een vreselijk auto-ongeluk. Nog voor hij zien kon wat haar overkomen was, werd hij overweldigd door een panische angst om haar te verliezen. Hij riep Gods genade in en beloofde het priesterkleed nooit meer onbevoegd te zullen dragen. Lenny Bruce, die nationale roem verwierf met zijn nummer 'De NV Godsdienst', een wreedaardig werkstuk over de bekeerdrift en geldzucht van de Amerikaanse kerken, Lenny Bruce geloofde zoals iemand maar geloven kan. In zijn conférences wandelden Mozes en Jezus hand in hand door onze wereld. Hij deed met ze wat in zijn nummer te pas kwam, omdat ze wezenlijk bij hem hoorden. Lenny Bruce was helemaal niet zo leuk, maar hij was bezeten van een vochtige, aardse liefde en van een godsgeloof, een werelds, agressief en ontzet geloof. Hij had de gave om mensen en situaties te typeren in een explosie van inzicht.
Hij was niet zo leuk. Hij had een nummer: een telefoongesprek met de paus, waarin hij stotterde van woede omdat de kerk zich niet vierkant achter de strijd van de negers had gesteld. Maar de paus zegt alleen maar: dominus vobiscum, telkens weer. Dan zegt hij tenslotte tegen de paus: 'Wees toch niet zo bang, het zit wel goed, niemand weet dat je een jood bent.' Niemand weet wat hij van zo'n grap moet denken. Maar weet iemand soms nog iets leuks over joden, negers en katholieken? 'Ik ben geen komiek', zei Lenny Bruce, 'Ik ben Lenny Bruce.' Iemand die het zeggen moest. Bruce zei het. Hij was een zegger. In een conférence vertelde hij hoe hij aan de grens door de Amerikaanse douane op het bezit van heroïne werd onderzocht. Hij moest zich uitkleden en kwam spier-naakt voor drie geüniformeerde ambtenaren te staan. Bruce gaat door op de situatie en vraagt zich af wat er gebeurd zou zijn als hij daar opeens een erectie had gekregen. Een ongepaste gedachte. Maar daarmee is ook meteen de situatie ontdaan van alle rechtvaardiging: de verdachte verandert opeens en erbarmelijk in een iemand. De schaamte kaatst terug op de agenten. Amerika heeft het Bruce betaald gezet. Zijn laatste jaren gingen op aan processen wegens beschuldiging van godslastering, obsceniteit en bezit van verdovende middelen. In elke stad waar hij optrad stuurde het plaatselijk gezag stillen op hem af en trachtte hem het werk onmogelijk te maken door voortdurende dagvaardingen en arrestaties. Bruce werd nooit definitief veroordeeld, maar onder deze vervolging ontwikkelde hij een procedeer-manie. Zijn werk en geleidelijk zijn leven werden hem onmogelijk gemaakt. Hij stierf op 3 augustus 1966. Aan een over-dosis heroïne schreven de kranten en ook dat bleek later ongegrond. 'Aan een over-dosis haat en huichelarij en een onder-dosis liefde en begrip' zingen Simon en Garfunkel in A most pecultar man, een lied voor de hoogst opmerkelijke Lenny Bruce.
Lenny Bruce wilde pleisters van open wonden rukken. Dat deed pijn en het was afzichtelijk. Nu hij dood is, kan iedereen welwillend over hem praten. Hij die zichzelf honend uitriep tot 'Superjood' werd toch nog joods-orthodox begraven. Een gala-voorstelling met films van zijn nachtclub-conférences was uitverkocht voor tien dollar per plaats. Maar bij zijn leven was hij teveel. Had Nederland een Lenny Bruce kunnen laten begaan? En hoeveel had ík van hem kunnen verdragen?
Lenny Bruce heeft mij nog één keer kunnen kwetsen: door dood te gaan.

Lenny Bruce, How to Talk Dirty and Influence People; An autobiography, Chicago, Playboy Press, 1965. In pocket-uitgave, Playboy 1967.

 

Dodenrijk

Om de een of andere vreemde reden is er van Nederland in de Verenigde Staten nog minder sprake dan van Liechtenstein of van Andorra. Van elf willekeurige opsommingen van landen die ik erop nakeek bevatten acht België; Nederland werd maar in vier genoemd.Dat is vreemd, want Nederland is rijk aan allerlei karakteristieke kleinigheden: onder de zeespiegel, jenever, tulpen...
Maar het heeft zijn redenen. Allereerst, Nederland heeft geen goede naam - letterlijk - Netherlands, dat is het niet. Te flets. Lage Landen, 'low countries' doet het al evenmin: goed voor de titel van een gedichtenbundel, maar beneden het niveau van de wereldpolitiek. En 'Holland', zo heet Nederland niet.

Niet dat Nederland volslagen onbekend is in de Verenigde Staten. Misverstand genoeg: de meeste mensen hebben wel eens van deze Duitse provincie gehoord, maar dit west-West-Duitsland leeft niet voor de Amerikanen. Zij denken namelijk dat het wel goed zit met Nederland, dat het daar wel in orde komt. Er zit nooit een muis in ons export-bier, de KLM vliegt inderdaad op tijd en de regering lost alle internationale schulden netjes volgens plan af. Laat Nederland maar begaan. Er is over Holland niets te klagen. En dat is een groot tekort. De lakens zijn schoon in Holland, de aardappels net als thuis, de taxichauffeurs zijn er eerlijk voor zover dat valt na te gaan, de agenten beleefd en de wegen recht en rede-zo lijk. Niets is opmerkelijk genoeg om in de herinnering te blijven steken. Nederland gedraagt zich goed en wordt vergeten. Dat spruit voort uit een verkeerd begrip van public relations. De goodwill-reizen van prins Bernhard wissen Nederlands naam alleen nog verder uit het geheugen. Nodig zijn kwaadwil-campagnes. De Amerikanen zijn gefascineerd door chaos, kwade trouw en bovenal door anti-Amerikanisme. Besteel de Yankee-toeristen, bespuug de ambassadeur en beledig de President. Dat spreekt aan in de Verenigde Staten. Er is bij alle onverschilligheid één lichtpunt: het koningshuis. De Amerikanen hebben veel respect en een grote liefde voor de koningin. Voor Wilhelmina dan. De aflossing van de wacht is nog niet helemaal tot ze doorgedrongen. Maar die interesse voor het koningschap heeft ook iets verdachts. In Amerika is het staatshoofd de president, die tegelijk de machtigste functionaris is. De Amerikanen denken dat ook in een koninkrijk het staatshoofd, de vorst, het voor het zeggen heeft. En het idee dat mensen niet een gekozen leider gehoorzamen, maar iemand die in het ambt geboren is en bovendien een vrouw, dat vervult ze met grote verbazing. En achter onze rug met medelijdende minachting.
Zo zijn de Nederlanders dus een braaf volk, stipt op tijd, goed van betalen, keurig in de kleren en netjes in de NATO. Maar het buitenland ziet ze niet helemaal voor vol aan.
Dit beeld is aan het veranderen. En dat is maar aan één ding te danken: aan de provo's. In één maand kreeg Nederland meer publiciteit dan ooit in de afgelopen tien jaar. De Village Voice, de New York Times en de regionale pers kwamen met lange, goed gedocumenteerde stukken over deze jeugdbeweging. Uit alles bleek, dat de wereldopinie, die een heel land vol hardwerkende burgers schouderophalend afdeed, opeens de provo's ernstig nam. Want provo past op wat elders in de wereld aan de orde is. Het is een gebeurtenis die hoort bij gebeurtenissen als de Rode Gardisten in Peking, de Black-Powerstrijders onder de Amerikaanse negers. De provo's passen in een wereld van computers en LSD, van rassengeweld en wereldoorlog. Zij horen in de grote wereld. En nu het provotariaat in Holland al weer opgelost is en als zout in water alleen een brakke smaak heeft nagelaten, congresseren progressieve jongelui in Amerika nog over Provo, als brug van kunstzin naar politieke actie. Nu Provo dood is, heeft het zijn gedenktekens op de muren van New Yorks East Village: Provo, fight now.
Al het andere hoort bij het dodenrijk: het rijk van oude mannen in het zwart die fietsen in een mistige stad, de vinger geheven tegen de revolutie: de Franse revolutie. Nette heren in sportkostuum, zorgelijk om 's lands economie en het algemeen welzijn. Lieve dames achter schone stoepen en schone ruiten, met een glimlach voor iedereen zolang hij maar afblijft van het geloof en de begonia's. Dat is het dodenrijk. En opeens kwamen uit dat Nederland de provo's. Er gebeurde weer iets, Nederland leefde weer in de grote, gruwelijke wereld. Holland hoorde er even bij. Niet zo'n belangrijk land, maar als het een antwoord weet te vinden op de vragen die de provo's stelden, dan maakt Nederland wereldgeschiedenis.
Achteraf: Een ander bijverschijnsel is even in Holland neergestreken op zijn vlucht door de historie: De priester-revolutie tegen het Vaticaans gezag. De Amerikanen kunnen hun verbazing niet op over het gedrag der Nederlandse katholieken. En zij nemen het ernstig.

 


Vietnam

Een citaat: 'Elke Amerikaanse infanterist die terugkeert van zijn jaar in Vietnam zal de hoogste lof bewaren voor het M-16 geweer, de Claymore-mijn en de M-79 granaten-lanceerder. Deze drie tamelijk simpele hulpmiddelen hebben meer gedaan om de Amerikaanse soldaat in het gevecht te steunen dan alle andere wonderen bij elkaar.
De M-i6 wordt niet alleen gewaardeerd omdat hij weinig weegt, maar ook om zijn opmerkelijke precisie op korte afstand en om zijn grote bedrijfszekerheid. Met zijn kleine magazijn is het toch een effectieve doder, temeer geliefd om zijn uiterst gering gewicht, De Claymore wordt gewaardeerd om zijn stevigheid, zijn licht gewicht en eenvoudige bediening. Hij treft met de precisie van een geweer en doodt een mens tot veertig meter in de omtrek. De M-79 weegt niet meer dan een stuk kinderspeelgoed en is heel effectief gebleken bij het uitdrijven van scherpschutters uit hun mansgaten op een afstand van enige honderden meters.' Dat is het zondagse ontbijt in de World Journal Tribune, geserveerd door brigade-generaal Marshall. In lange tijd is zulke taal niet meer vernomen. Het is het liefdevolle idioom van de echte vakman. De specialist in het doden, opblazen, verpletteren en platbranden. Lange tijd had zijn ambacht aan aanzien verloren, maar nu is hij weer opgenomen in de kring der fatsoenlijke burgers. Het betreft hier immers een rechtvaardige onderneming.

'Het grootste land ter wereld heeft het gemunt op de vrijheid van een klein, zwaar-beproefd maar dapper volk. Door middel van een gewetenloze marionetten-regering stuurt het zijn terroristen het land in om dood en verderf te zaaien onder de boerenbevolking.' Dit is althans de officiële Amerikaanse versie, het grote land heet China, de marionet Ho Chi Minh, de Vietcong zorgt voor de terreur.
De officiële communistische versie is dezelfde: de grote mogendheid heet Amerika, de zetbaas noemt zich Ky en de terreur komt uit de lucht met napalm, strijdgas en fragmentatiebom. De gelijkvormigheid is volkomen. Met één verschil: er zijn in Vietnam geen Chinezen, wél Amerikanen. Een half miljoen. In vroeger tijden, toen een eenvoudiger bewijsgang gold, was zoiets opgevat als een beslissend feit. Maar in de oorlog om Vietnam tellen de feiten niet zozeer als de grote lijnen; dan valt niet te ontkennen dat 700 miljoen Chinezen staan opgesteld in het gebied ten noorden van Hanoi. De Amerikanen daaraantegen houden hun 200 miljoen bescheidenlijk in positie op een ander halfrond. Ergo: China is de agressor, althans voor wie kan denken in historische proporties. Voor wie daarin niet zo bedreven is, heeft, zolang de oorlog duurt, het kwaad gewonnen.
Sinds de stichting van de Republiek heeft geen vijand ooit Amerika's kusten bereikt. Na een eeuw vrede binnen eigen grenzen en niets dan overwinningen daarbuiten, is de oorlog in Vietnam voor de Amerikanen nog steeds niet helemaal een feit. De grote lijn staat iedereen al twintig jaar voor ogen: Amerika bestrijdt de Bolsjewiek; vrijheid tegen knechtschap. Maar daarmee is de realiteit nog niet doorgedrongen tot de afzonderlijke Amerikaan. De gruwelfoto's vannapalm-lijken en gefolterde Vietcongsoldaten vallen niet zo op in die zondvloed van geweld, marteling en misdaad die zó al dag in dag uit door de kranten en over het beeldscherm gaat. De Vietcong is nog niets vergeleken bij de vijanden van Superman, en de Mongolen uit de stripverhalen zijn veel angstaanjagender dan die in de nieuws j ournaals.
De oorlog in Vietnam is voor het Amerikaanse publiek niet helemaal echt. Hoe zou het ook! In het leven van alledag is niets veranderd. De financiële druk is nauwelijks merkbaar. Het zijn de bejaarden, de invaliden, de ongeschoolden, de krotbewoners, de armen op wier onderhoud het eerst bezuinigd wordt. Hun protesten blijven in dit rumoerige land onopgemerkt en klinken ze al te luid, dan is er sprake van een rel, aangewakkerd door extremisten. De gevallenen in Vietnam zijn meest jonge jongens die alleen echt tellen voor hun ouders, hun broer of zuster en hun liefje. De dood van een soldaat grijpt in het leven van misschien vier mensen: zij begrijpen opeens dat het oorlog is. Op dit ogenblik zijn in Vietnam tienduizend Amerikanen gesneuveld. Voor vijftigduizend mensen is daarmee de oorlog ernst geworden. Voor twee miljoen anderen is het de bron van zorg en angst om hun verwanten in Vietnam. Maar de moeders en de weduwen keren zich niet en masse tegen het beleid. Integendeel, al duizend jaar hebben de generaals de sluier bij de hand om haar gewonde werkelijkheid mee af te dekken: de soldaat is niet voor niets gestorven, maar voor Amerika's victorie. De strijd moet juist nog verder uitgebreid. Hier vertoont de beschaving zijn hoogste kunststuk: moeders en vrouwen veranderen hun verdriet in oorlogszucht. De andere 190 miljoen Amerikanen lezen de krant, kijken naar het nieuws en zien dat het maar niet vlotten wil, dus raken ze geïrriteerd. Dat is Amerika's emotie in deze oorlog: geen haat, geen geloof, maar ergernis. De Vietcong irriteert de Amerikanen. De expeditie naar Vietnam was begonnen omdat zoiets hoort bij de privileges van een wereldmacht. Een groot land mag van tijd tot tijd een hoekje van de wereld gaan inrichten naar eigen smaak. Een nationaal-communistisch interieur stoort het Amerikaanse stijlgevoel en dus moest het in Vietnam vervangen door een inrichting naar Amerikaans ontwerp. Het is de bewoners daarbij toegestaan zich lichtelijk te verzetten, om hulp te roepen en met mate te saboteren, maar het gaat niet aan om dat vier jaar vol te houden. Buitenlandse expedities horen tot de luxes die grote landen zich moreel en materieel menen te kunnen permitteren. Maar geleidelijk begint het te dagen dat zelfs Amerika zich de Vietnamese actie niet kan veroorloven. Daarom moet de oorlog snel tot een einde gebracht worden. Tot nog toe was daarvoor telkens een 'heel kleine' uitbreiding noodzakelijk en dan zou het gezwind zijn afgelopen. Nu lijkt de volgende 'heel kleine' uitbreiding een wereldoorlog, waarna het inderdaad zeer gezwind afgelopen zal zijn. Amerika is niet gebouwd op langdurige ondernemingen die niet worden geschraagd door de strijdlust en het geweten van de natie. De moloch durft nu vooruit noch achteruit, maakt dus pas op de plaats en vertrapt zo elke dag honderden mensenlevens. Amerika begint tegen zijn zin de oorlog te proeven in de kranten, in de verkiezingen, op de scholen en in de getto's. De discussie kon niet gesmoord in vaderlandsliefde. Alles kan nog steeds gezegd worden en alles wordt gezegd, niet alleen door buitenstaanders, maar aan de top en midden in de politiek. Zo steekt Amerika nog gunstig af bij Nederland ten tijde van het door een achterbakse leidersgroep doodgezwegen rot-oorlogje in Nieuw-Guinea. Toen behoedde Amerika Nederland nog voor erger flaters. Er is niemand die Amerika van misgrepen kan vrijwaren. Alleen de Amerikanen zelf, in openbaar debat. En het debat gaat voort. Dat geeft weinig troost, maar tenminste hoop.

Achteraf

Achteraf:
Een staatje van de sterkten en de verliezen van de VS-troepen in Vietnam:

 

Troepensterkte per 31 december
doden
gewonden
1961
3.164
11
-
1962
9.865
31
81
1963
16.500
78
411
1964
23.000
147
1.039
1965
181.000
1.369
6.114
1966
389.000
5.008
30.039
1967
453.000
10.000
23.687

(New York Times, 26 mei 1967)

Hoe meer soldaten, hoe meer gesneuvelden. Dat ligt in de orde der dingen. Maar de volgende, ruw afgeronde, cijfers liggen minder voor de hand.
Verhouding gesneuvelden-overlevenden onder VS-troepen in Vietnam (afgerond en op basis van de troepensterkte per 31 december):

1961
1 gesneuvelde op
300
soldaten
1962
1 gesneuvelde op
300
soldaten
1963
1 gesneuvelde op
200
soldaten
1964
1 gesneuvelde op
150
soldaten
1965
1 gesneuvelde op
130
soldaten
1966
1 gesneuvelde op
78
soldaten
1967
1 gesneuvelde op
45
soldaten


Conclusie : hoe meer Amerikaanse soldaten in Vietnam worden ingezet, hoe groter het risico voor elke soldaat. Na zes jaar is het aantal troepen 150 keer zo groot, maar het sterfte-percentage is bijna verzevenvoudigd : het verwachte dodencijfer is dus 900 keer dat van 1961. Wat de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam ook bewerkstelligt, het minst van al de veiligheid van de aanwezige Amerikanen!


Arm in Amerika

Voorbij de spoorlijn en aan de andere kant van de grote weg, daar is het slecht wonen in dit land. Het is in elke stad de verkeerde kant. De goede kant heeft bomen langs de straat, huizen met een portiek en een dubbele garage, veel groen en sappige kinderen. Dat zijn de residential districts, de gezeten buurten. Wie daar woont rijdt met zijn auto naar werk en winkels, liefst niet door de verkeerde buurt. Maar als het moet eroverheen, langs hooggebouwde snelwegen, óf hij gaat eronderdoor per ondergrondse. De gezeten burger kent de andere kant ternauwernood. Aan de verkeerde kant wonen de mensen die uit de verkeerde landen hierheen gekomen zijn: uit Polen en Italië in plaats van uit Zweden, uit Hongkong en Puerto Rico in plaats van uit Duitsland. De mensen die praten met een accent, net als iedereen hier. Maar bij deze mensen is het een 'raar' accent en aan de andere kant van de spoorlijn is het een 'leuk' accent. De buitenkant van het leven in de verkeerde buurt is bedriegelijk: er is een ijskast en een grote auto, misschien een kleurentelevisie, maar die had misschien toch beter niet gekocht kunnen worden, want het huis steekt nog slordig in de verf, het is dan ook maar een buurhuis. De kinderen zitten slecht in de kleren, maar zij gaan toch niet meer naar school.
Ongeveer 50 miljoen mensen, een kwart van de bevolking, leeft aan de verkeerde kant van de spoorlijn en aan de verkeerde kant van de inkomensgrens van 3000 dollar per jaar. Dat bedrag is genoeg om van te kopen wat noodzakelijk is van dag tot dag, het is onvoldoende voor wat elke week overbodig is maar onmisbaar in een mensenleven: een vakantie, de zekerheid van een kleine spaarrekening, en bovenal goed onderwijs, een vakopleiding voor de kinderen. Van zestig dollar in de week kan een gezin bestaan, het kan er niet van vooruitkomen, het kan er niet van meedoen. En zo zijn vijftig miljoen mensen de verliezers in de vrolijke race, in de opgewekte wedstrijd om promotie en opslag, om buitenlandse vakanties en binnenlandse luxe. En nadat ze één keer verloren hebben - een baantje geweigerd om hun huidskleur, uitgesloten van een club vanwege hun afkomst - en toen nog een keer verloren en nog een keer, toen hielden ze op te geloven dat het een eerlijke wedstrijd was. En nog een tijdje later, een generatie verder, hielden ze op mee te willen doen. En toen waren ze 'armen', mensen die meedoen voor spek en bonen. Dat zijn de armen die Amerika nu ontdekt heeft. Door hun huizen loopt het binnenlandse front van de war on poverty, de oorlog tegen de armoede. Maar zo eenvoudig is het niet. Dollars en schoolmeesters, sociale werksters en clubhuizen blijken niet genoeg. Dat alles stuit af op het pantser van de armoe. Oscar Lewis, een antropoloog, heeft een onderzoek gedaan naar een familie van Puertoricaanse armen in New York en San Juan.* Hij ontdekte daar een cultuur van armoe. Veel armen in de grote steden waar ook ter wereld, zegt hij, vormen een volk apart dat het geloof in de grote beginselen van de omringende maatschappij niet deelt: geen geloof in de rechtsstaat, alleen in de dreiging van politie en gevangenis; geen geloof in hard werken en sparen voor later, maar in genoeg verdienen om zo niet de schuldeisers, dan tenminste de deurwaarder weg te houden. De armen zijn ongeïnteresseerd, zegt hij, onbekend met de helden uit de geschiedenis van hun land, wantrouwig tegenover de sociale instellingen die de buitenwereld ze aan- biedt. Verveeld, maar met een gave om het weinige dat er te genieten is ook onmiddellijk uit te buiten. De mannen met een talent voor mannelijk vertoon, de vrouwen heerszuchtig en zelfstandig. De armeluiscultuur, zonder toekomstvisie en zonder verleden, zonder organisaties, houdt toch de ideeën van de middenklasse in ere: huwelijk, eerlijkheid, onderwijs... maar met een knipoog: 'mooi, maar niet voor ons soort mensen.'
Tot nog toe dachten de onderzoekers dat deze instelling vooral typisch was voor de Amerikaanse neger. Maar Oscar Lewis meent dat het alle chronisch armen in de grote steden typeert. Het is de reactie tegen een omgeving die iedereen die geen succes heeft onvolwaardigheid aanwrijft en hem tegelijkertijd uitsluit van alle kansen op welslagen door eigen kracht. Voor zover ze het zich realiseren voelen de Amerikanen zich ongemakkelijk over de armen in hun land. Het hardnekkig voortbestaan van een pauperklasse is strijdig met het verhaal van Amerika's onbeperkte mogelijkheden, van de gerechte beloning voor alle oprechte inspanning. Hoevelen zijn niet met niets begonnen en hebben zich omhoog gewerkt. Het ongeluk van de armen is te wijten aan hun eigen onwil. Daarbij wordt vergeten dat ook in Amerika de maatschappij is dichtgegroeid met vergunningen en diploma's, promotie-regels en getuigschriften. Ambitie en volharding kunnen daartegen op, maar als die van begin af aan zijn doodgelopen, blijft alleen gelatenheid en groot wantrouwen tegen een wereld van kansen en beloften die nooit in vervulling gaan. De oorlog tegen de armoede komt uit diezelfde wereld. Voor de armen is het een geste van de buitenstaanders en de betweters. Nu zijn ze dan een officieel probleem en worden opgelost. Het probleem zelf gelooft daar niet zo in en blijft op een afstand. De radicale activisten in Amerika lijken dit begrepen te hebben. Hun eerste zorg is een nieuw besef van eigenwaarde te kweken onder de bewoners van de ellendebuurten in de grote steden en in het barre zuiden. Samen met de armen zetten zij organisaties op, gericht op onmiddellijke verbetering van wantoestanden in de wijk zelf. Geleidelijk aan nemen de wijkgenoten het over en stellen nieuwe doelen vast. Het gaat erom voor alles de lijdzamen weer handelingsbekwaam te maken. Zo moeten zij een nieuw zelfbewustzijn vinden in een maatschappij die dat tot nog toe slechts reserveerde voor de geslaagde blanke.
Pas wanneer de onvoldanen in eigen organisaties verenigd en vrij van voogdij hun eisen kunnen stellen, kan blijken welke krachten in de maatschappij hun armoede in stand hielden.

Achteraf:
In 1947 leefde bijna de helft van de Amerikaanse gezinnen van minder dan 3000 dollar per jaar, zeventien jaar later nog slechts 17,5 procent: een derde van de Amerikaanse gezinnen is dus in die periode boven de armoegrens gestegen, en zelfs als die grens door geldontwaarding een stuk mee omhoog ging, is nog het aantal armen in de afgelopen jaren in de VS bijna gehalveerd.
Het probleem van de laagste inkomensgroepen was dus al voor een goed deel opgelost nog voor de war on poverty begon. Maar het ziet ernaar uit dat de gezinnen die zijn achtergebleven in de laagste inkomenscategorie behoren tot de harde kern van de armoe en dat zij zonder grote nationale inspanning en een radicale verandering van hun omstandigheden niet boven hun huidig peil zullen stijgen. Van zulke grootscheepse actie is nu geen sprake. Vandaar, ondanks deze bemoedigende cijfers, de algemene verontrusting in vooruitstrevend Amerika.

* Oscar Lewis, La Vida; A Puerto Rican family in the culture of poverty - San Juan and New York, New York, Random House, 1966.

 

 

Amerika een winkel

Misschien is Amerika wel een winkel en alle klanten wonen in. In hun woonkamer hebben ze allemaal een kleine etalage, waarin af en toe films worden vertoond en samenspraakjes. Maar de meeste tijd kun je er kijken naar al het moois en snels en knapperigs wat beneden in de winkel te koop is. En als de krant komt is het eerder een prospectus van de firma met wat nieuws en commentaar dan een echt nieuwsblad. De vreemdeling die pas aankomt in dit land weet nog niet waar hij kijken moet. Hij kan het niet helpen dat hij als hij naar de uitgang zoekt, steeds weer stuit op bordjes Cadillac, 'bijzonder Cadillac', en dat hij, voor hij het richtingbord naar New York ontdekt heeft, al twaalf keer heeft moeten lezen dat alleen Lucky Strike de ware smaak in zijn filtersigaretten doet. Dat is allemaal erg leerzaam en erg vermoeiend.
Sommige reclames zijn onverwacht mooi: op de televisie een cocktailparty van dure mensen in een zaal met leren wanden. Het gezelschap spreekt beschaafd over steunzolen, de allerzachtste, dan rijdt de camera uit en de kijker ziet dat dit een feestje was van miniatuurmensen in een reuzenschoen. Of: een stralende huismoeder bombardeert vanuit haar éénmans jachtvliegtuig de dorpen en de landerijen ver beneden haar. Ontploffingen en rook, net als in het echt, maar dit keer was het de schoonmaakbom!
De publiciteit is opgetrokken uit een stalen opgewektheid. Niet iedereen is daarvoor altijd in de stemming. Dat maakt dan wel eens sikkeneurig. Een grote woede tegen het Amerikaanse bedrijfsleven kropt op. Razernij tegen de hoofdpijnpoederman die voor het televisienieuws betaalt en die om ons van dienst te zijn foto's heeft laten overkomen van de dode Vietnamese kinderen van de dag. Dan wil hij pal daarop 'één ogenblikje voor onze sponsor’, dat is dan voor zijn tandpasta, die alle moordenaarskiezen blinkend wit zal poetsen, via een chemisch procédé met veel schuim en pijltjes getekend naar de tanden. Reclamedingen schuimen, zijn knapperig of glanzen. En dan wordt uitgelegd waarom. Inderdaad, als alles steeds maar schuimde en knapperde en glansde zou de wereld misschien veel mooier zijn.
Zo zijn langs de wegen de bermen ingenomen door een vrolijke groet van de winkelier, in elke treinwagon heeft hij een opgewekte boodschap voor ons, in de bioscoop wil hij nog vlug iets leuks vertellen en zelfs wie de tijd opbelt fluistert hij eerst nog goed nieuws in over telefoons in lentekleuren. Eerst maakt dat zenuwachtig, dan kwaad. Kwaad op een volk dat zijn leveranciers niet van de achterdeur weet te houden en hun grijns steeds maar weer in de huiskamer toelaat. Dat kan geen volk van kerels wezen, het moeten moeders-kinderen zijn die geen stap durven verzetten zonder een bemoedigend woord van de kruidenier en de drogist, een luchtige raad van Miss Krentenbrood of van de anti-zweet schoonheid. Steeds maar weer moet iedereen ervan worden verzekerd dat toch echt op elk probleempje een goedkope, voordelige en afdoende oplossing bestaat.
De reclame stelt elkeen gerust in zijn kleine zorgen. Het is het vervolg op de slotzin van het sprookje: 'en zij leefden nog lang en gelukkig'. En de Amerikanen kunnen er maar niet genoeg van krijgen te horen hoe dat gaat. Dus krijgen zij de nieuwe sprookjes voorgeschoteld. Dat zijn korte verhalen, meesterlijk van verteltechniek en allemaal handelend over hetzelfde personage: de consument. En dat zijn wij. Klein Breintje is altijd blij want zijn boter smeert zo prachtig uit dat hij een potato-chip kan boteren zonder hem te breken. Zijn hoofdpijn verdwijnt in een wip als hij dat lekkere snoepje slikt. Zijn auto kan het hardst van allemaal, geld kan hij op elke straathoek lenen zonder paperassentroep en tegen de liefste voorwaarden. Er bestaan geen problemen meer, er bestaan geen hindernissen. Geen pijn en geen vermoeidheid; ziekte en verdriet zijn opgeheven. Het is voorgoed luilekkerland. De knapste schrijvers en de beste tekenaars vertellen dit sprookje elke minuut van de dag, overal waar iemands aandacht hem een ogenblik ontfutseld kan worden. De Elyzeese velden bestaan heus, er is een bijna-hemel, hier en nu, voor iedereen die horen wil.
Het hiernamaals is hier op aarde: dat is de boodschap van onze sponsor.
Voor wie er niet in gelooft blijft er een kans op aards geluk.

 


LSD

Second Avenue is een slechte straat ter hoogte van Saint Mark's Place in de East Village, het nieuwe centrum van de dwalende jeugd, van de pop art, van de radicale activisten; de wijk met de meeste misdaad van New York City en met de meeste heiligen. Op het podium van een bioscoop aan Second Avenue zit Timothy Leary Ph.D. in spierwit kostuum, de benen gekruist, zijn voeten bloot de zaal in. Naast hem een: kameraad, achter hem het lege filmscherm waarop alleen in de rechter-onderhoek boven zijn hoofd een glanzend aureool geprojecteerd is. Onder hem en om hem heen de muziek van de sithar, klank van wijding en van jeugd, het instrument van de Indiase mystici en van de Beatles. Het is dinsdagavond en Timothy Leary spreekt. Tweeduizend mensen luisteren doodstil in de bijna donkere zaal. In de corridors staan politiemannen en schijnen met zaklantaarns de rijen in. Tussen het publiek zitten FBI-rechercheurs van de narcotica-commando's. Timothy Leary Ph.D. is aangeklaagd wegens bezit en gebruik van LSD, de stof die kan leiden tot een toestand van tijdelijke krankzinnigheid of van onmetelijk inzicht. In de zaal zitten honderden die zijn ervaringen hebben doorgemaakt, die een trip gemaakt hebben, die, zoals Leary zegt, 'aangeslagen" zijn, turned on, die de psychedelische, de bewustzijnsverruimende kennis hebben opgedaan. Voor hen spreekt Timothy Leary en voor de nieuwsgierigen en de zoekers en hij zegt:
Alle kunsten - muziek, dans, schilderen, architectuur, poëzie en theater - gaan terug op iemands psychedelische ervaring. Daarbij
- raakt iemand buiten zijn verstand en komt bij zinnen
- raakt buiten zijn verstand en wekt zijn lichaam op
- raakt buiten zijn lichaam en drijft in cellulaire tijdeloosheid.
Het is altijd de uitzinnige ziener die een nieuwe kunstvorm schept.
Maar dan:
Ik moet je laten zien wat God mij heeft laten zien of ik sterf. En: aangeslagen zijn is zien met de ogen van Christus.
Leary nodigt zijn volgelingen en alle toeschouwers van goede wil uit om een ceremonie mee te maken van dood en wedergeboorte. Dood en wedergeboorte door goddelijk lachen.
Ik kan niemand inwijden in het gebruik van LSD, zegt Leary. Ik kan niemand vergezellen op de reis naar binnen, want je weet niet wat het betekent om bij iemand te zijn die vierentwintig uur buiten zinnen is. Dat is de grootste daad van vriendschap die je iemand kunt betonen. Alleen een vriend, een goede vriend, kan je inwijden. De LSD-mensen vormen een netwerk van vrienden. Van vrienden die allemaal de psychedelische ervaring hebben doorgemaakt en die aangeslagen zijn, turned on, naar buiten misschien van een ander niet te onderscheiden, maar naar binnen oneindig, levend op het niveau van hun cellen, in het universum, met God.
Voor je de trip maakt, biecht al je zonden op aan een goede vriend of aan een raadsman, want tijdens de roes, op reis, zullen al je zonden je kwellen. En omdat er geen tijd bestaat, zul je eeuwig gekweld worden. Dus biecht je zonden en wees rein. Dit stelt dan de politiemannen wat gerust, maar het maakt de toeschouwers aan het lachen, want niet iedereen kan Leary nog helemaal volgen op zijn reis.
Als Leary weggaat, kan wie dat wil nog uren dromen in de zaal, kijkend naar een film van vlekken die kleuren worden en vlekken en weer terug. Een psychedelisch kunstconcept, uitgebracht door de Bond voor Geestelijke Ontdekking, eenmulti-energetische magie in simultaan gesynchroniseerde projectie die de biochemische reacties losmaakt in het eiwit van ons geheugen, in de diepste levenslaag, die van de cellen. In de foyer staan beeldschone kinderen, met parelmoeren rondjes op hun voorhoofd geplakt. Zij verkopen kleine belletjes, het geluid van de geesten, en platen met een lezing van Timothy Leary, boeken van en over hem. Alles over LSD, dat geniale gif, dat nu snel overal op de wereld wordt verboden en dat nu ook snel geheimzinnig wordt en zondig. Onder de ogen van de politie rookt iemand achteloos een marihuanasigaret. Een heel mooi meisje rent op mij af. Ze ziet me aan voor Mick Jagger, de zanger van de Rolling Stones.
Iedereen is nu heel gelukkig.

 


De Zandbak

In de East Seventies, de snel opgetrokken buurt ten oosten van Central Park, woont in hoge torenflats de smart set: de briljante jeugd, kien op carrière en goed in het geld. Met een dure college-opleiding trekken de jongens en meisjes vroeg in hun twintiger jaren naar New York, naar het grote leven. Zodra hun salaris dat toestaat, betrekken ze hun eigen flat, liefst tussen de Zestigste en Tachtigste straat, de buurt waar de 'actie' is: het modieus vertier. Waar de bewoners jong zijn en opgenomen in de grote alliantie tegen de verveling. In een half dozijn bars zijn ze te vinden, niet omdat ze veel drinken, niet omdat ze iets te bepraten hebben, maar om er te zijn. Door de aanwezigheid van hun soortgenoten worden ze zich hun eigen aanwezigheid bewust. Niet veel meer is nodig. Een jukebox en een televisietoestel. Zij zijn de bewonderaars van het iets betere muziek-genre: de Supremes, Dionne Warwick, als altijd Sinatra en de betere Rock 'n Roll, de Amerikaanse, niet de Engelse, want de Beatles en de Stones willen met hun muziek teveel vertellen en houden zich niet op de achtergrond.
Hun eerste vermaak is luisteren of kijken naar rugby-matches op de weekend-televisie. Al hun plezier ligt opgesloten in de techniek. Hoe wondermooi hun stereo-installaties, grammofoon en speakers, ontvangers en versterkers, alles in lieflijk notehout, aangepast aan het interieur! Hoe natuurlijk de kleuren van de kleurentelevisie, mooier nog dan in het echt! In het Hooglied zijn geen woorden voor de welving in de flanken van hun Ford Mustang! Maar deze generatie is de eerste die over de auto heen is. Ze hebben er een - de beste - en ze zijn erover uitgepraat. Uitgepraat. Over het werk wordt niet gesproken, dat verbiedt de goede smaak. Toch hebben deze mensen het soort baantjes dat in advertenties 'interessant' heet of 'afwisselend'. Hun werk ligt aan de consumptie-kant van de economie: niet bij de machines, het stof en de stank van produktie, maar in de glazen kantoren met het wand-tot-wand tapijt: de een is reclameman, de ander schrijft de speeches voor zijn bankdirectie, zij is redaktrice van een damestijdschrift of inkoopster van vrijetijdskleding. Werk dat veel betaalt voor een vaag soort bekwaamheid: weten wat er aan de hand is, weten hoe vandaag praat, hoe vandaag er uitziet. Zij zijn vandaag, zij zijn wat gebeurt. Dit is niet de bohème, niet de nozemjeugd of de hopeloze generatie. Welnee, eens in de maand een bezoek of telefoontje aan lieve ouders, tijdens kantooruren beleefd tegen de baas en heel geschikt met minderen. Dit is een nieuwe burgerij met een nieuwe burgermoraal. Zuinigheid en monogamie zijn als burgerdeugd verdwenen. Dat kan ook niet anders met geld en voorbehoedmiddelen volop. Maar bezit is gebleven wat het was: de basis van een goed bestaan. Geld verdienen is nog steeds de maatstaf van het geslaagde leven. Maar ijver en ambitie worden na vijven een beetje gemaskeerd. Een aristocratisch trekje: alles wat te maken heeft met noodzaak en praktijk wordt vermeden in de conversatie om zo de suggestie op te roepen dat dit bestaan van weelde al duurt zolang de herinnering strekt. Dus gaan na vijven ook de maatgesneden kantoorpakken de kast weer in. De mannen trekken gympies aan, een spijkerbroek, een T-shirt en een parachutistenjekker. Dat dragen dan de jongens die in hun kast ongebruikt tien pakken hebben hangen, twee smokings en een ski-kostuum. En zij weten dat iedereen dat van ze weet. Zo zijn hun gymschoentjes toch heel anders dan die van de krantenjongens. Zij dragen uitverkoren gympies, achteloos gekozen uit twaalf paar schoenen, de krantenjongen draagt zijn linnen bij gebrek aan beter.
Voor de meisjes is het niet zo eenvoudig. Zij gaan gekleed in de algemene, wereldomvattende Elle-stijl, naar het tijdschrift van die naam. Maar houd het voorzichtig: de losse lijn, maar toch het haar gekapt en gelakt; de korte rok, maar niet ver boven de knie, veel lila en oranje, het geheel afgedekt met de overmaat aan make-up die alle Amerikaanse meisjes dat licht bevroren voorkomen geeft.
Dit is de nieuwe burgerij: niet langer gericht op sparen en geld verdienen, maar op geld verdienen en besteden: de consumptie-generatie.Hun uitgangswijk heet De Zandbak, want iedereen speelt er met iedereen. Een snel en elegant soort seks, een minimumseksualiteit met zin voor perfectie, geworden tot sociaal vermaak. En dus zijn er regels. Allereerst: seks mag, emotie niet. Het moet leuk blijven. En dan: het is altijd afgelopen met één nacht. Het moet vrijblijvend zijn. En toch, de buitenstaander stelt zich er teveel van voor. Er is een vreemd soort kuisheid in De Zandbak: geen broek raakt uit de vouw, geen kapsel in de war. Beschaafde genoegens voor welopgevoede jongelui. Het is zover. Eindelijk consumeren de consumenten elkaar.

 

 

Frank O'Hara

Er zijn mensen die zich zo'n beetje dezelfde taak stellen als ik en die dat soms veel beter doen. Frank O'Hara pakt zijn beschrijvingen aan als dichter. Hij deed dat in een druk en verward leven, midden in de New Yorkse kunstenaarswereld als functionaris van het Museum voor Moderne Kunst, als vriend van zo'n beetje iedereen in New York, als een goed vriend en een buitenbeentje. In de gauwigheid van dat leven schreef hij ook nog gedichten, die ik hier niet vertalen zal, maar wil gebruiken om iets duidelijk te maken over New York*:

Op één pas van ze af

Het is mijn lunchpauze en dus ga ik
wat wandelen tussen de zoemkleurige
taxi's. Eerst op het trottoir
waar arbeiders hun vuile
glanzende torso's voeden met sandwiches
en coca-cola, met hun gele helmen nog op.
Die beschermen hen tegen vallende
stenen, denk ik. Dan naar de
avenue waar rokken fladderen
boven hielen en opwaaien boven
roosters. De zon is heet, maar de
taxi's brengen de lucht in beroering. Ik kijk
uit naar horloges op een koopje. Er zijn
katten aan het spelen in het zaagsel. Verder
naar Times Square, waar een reclame
rook blaast over mijn hoofd, en hogerop
de waterval zachtjes neervalt. Een neger
staat in een deur met een
tandestoker op zijn gemak te prutsen.
Een blond danseresje klikt: hij glimlacht
en wrijft zijn kin. Alles i
toetert opeens: het is twintig voor één op
een donderdag.
Neon overdag is een groot genoegen,
zou Edwin Denby schrijven,
en dat zijn lampen overdag ook.
Ik stop voor een broodje kaas in Juliet's
Corner. En moutchocola. Een dame
in vos op zo'n dag zet haar poedel
in een taxi.
Er zijn nogal wat Puerto
Ricanen op de avenue vandaag, dat
maakt het mooi en warm. Eerst stierf
Bunnie, toen Jean Latouche,
toen Jackson Pollock. Maar is de
aarde zo vol, als het leven vol was van hen?
En zo heeft iemand gegeten en loopt
voorbij de blaadjes met naaktfoto's
en de affiches met STIEREGEVECHT en
het Manhattan Opslag Veem
dat ze binnenkort zullen afbreken. Ik
dacht altijd dat ze daar een wapententoonstelling
hielden.
Nog een glas Papaya sap
en weer aan het werk

Hij was een dichter, Frank O'Hara. Met veel plichtsgevoel en een romantische opvatting van zijn taak. Nog aan de poëzie tijdens de middagpauze, maar met veel Amerikaans in zijn regels:

Oploskoffie met lichtelijk zure room
erin en een telefoontje naar het hiernamaals
dat maar niet dichterbij lijkt te komen

Dat soort dingen schreef hij tussendoor op zijn wandelingen tijdens het lunchuurtje, op de demonstratie-machines in een showroom voor kantoorbenodigdheden. Want de kunst was diep in zijn dagelijks leven ingebed. Als museumfunctionaris beschreef hij de verplichte cirkels in de kringen van de Art Gallery Society, zoals Tom Wolfe het noemde. Hij was thuis in de nieuwe kliek van geldgevers en liefhebbers van moderne kunst, gezien, misschien te veel gezien, op de chique openingen met de modieuze, te modieuze mensen. Maar dat was allemaal New York, waarin hij voor zijn vrienden bijna heilig werd. Frank O'Hara zocht zijn beschermelingen onder de ploeterende artiesten en stootte ze op tot welvarende idolen.
Met een hoofd vol kunst liep Frank O'Hara tegen New York op:

Is het smerig
Ziet het er smerig uit
Daar denk je aan in de stad

Ziet dat er even smerig uit
Daar denk je aan in de stad
en toch weiger je niet om adem te halen.

Niet zo'n erg goede dichter, denk ik, Frank O'Hara. Maar toch beter dan een gids van New York die je de weg wijst ergens heen, terwijl het allemaal juist onderweg te zien is. Of misschien - er is zoveel te zien en er gebeurt zoveel - moet je helemaal nergens naar gaan kijken, maar blijven waar je bent en weten dat het er is:

O god, het is geweldig
om op te staan
en teveel koffie te drinken
en teveel sigaretten te roken
en zoveel van je te houden.


Frank O'Hara stierf deze zomer toen hij op een vroege ochtend ergens aan een stil strand lag te zonnen. Gelukkig houdt dit land zijn kusten schoon en een jeep van de stranddienst reed dwars over hem heen. Een Amerikaanse dood.
Achteraf:
De slotregel van 'Op één pas van ze af' heb ik in soevereine
willekeur gekapt; hij luidt:
Mijn hart steekt in mijn
zak, het is Gedichten van Pierre Reverdy.

* De citaten zijn uit de bundel Lunch Poems, San Francisco, City Light Books, 1964.

 


Smakelijk eten

De meest oorspronkelijke bijdrage van Amerika aan de wereldcultuur komt niet van de jazz, de volksdans of het cowboy-lied, maar vindt zijn oorsprong in de keukenkunst van het mooi-opgemaakte gerecht. De glanzende vleesschotel is het meest geliefde thema van tijdschriftfotografen. Geen dag gaat voorbij of de krant verschijnt met een poëem-recept gewijd aan de bereiding van een monumentaal gerecht. Pas toen Amerikaanse schilders etenswaar tot onderwerp kozen, kregen zij wereldfaam. Andy Warhol vervaardigde gigantische afbeeldingen van broodjes-met-worst en voor het eerst werd de schilderkunst exportindustrie voor Amerika. De pop art was een rechtstreekse voortzetting van de Amerikaanse traditie van 'smakelijkheid'.
'Smakelijk' betekent niet smakelijk eten, maar integendeel smakelijk kijken. Dat is voor een buitenlander het fundamentele en historische misverstand van de Amerikaanse keuken. De schotel is om naar te kijken, niet om van te proeven. Niets wordt nagelaten om elk gerecht zo kleurig, sappig of bros op te maken als maar mogelijk, maar tegen de smaak van eten hebben de Amerikanen een diep wantrouwen. De mooiste gerechten ter wereld smaken naar niets.
Amerikaans eten smaakt half, vaag en flauw. Het lijkt alsof ergens op een lauwe vlakte in een van die vierkante staten in het midden van Amerika een substantie wordt gedolven die vervolgens in boerderijen en fabrieken wordt gekleurd, omgevormd en geëtiketteerd met 'brood' of 'biefstuk' al naar het uitkomt en winstgevend lijkt. Zoals jonge vogels alleen het eten aanvaarden uit de snavel van hun moeder, zo blieven de Amerikanen hun voedsel enkel uit de bek van de machine, voorgekauwd, voorgeslikt en voorverteerd in de voedselfabrieken. Amerika eet alles uit de blikjesmond, de diepvriesbek en de vacuümsnavel: zuigelingenvoedsel voor volwassenen.

Het volk wil gevoerd worden. Het kan niet geloven dat voedsel van zichzelf goed smaken kan. Onverwerkte natuurprodukten jagen de Amerikanen angst aan. Alleen in speciale winkels voor organische voeding is eten te koop waar de machine niet met zijn stalen vingers aan is geweest. Maar daar wordt de onverdunde natuurlijkheid weer bezworen door een voedingsritueel met open sandalen en homeopathie.
In Nederland voert een margarinefabrikant de leus: 'Alles wat de natuur u geeft is volmaakt' en slijt daarmee zijn klanten pure namaak. Ook in Amerika bezweert de leverancier zijn klanten dat de koopwaar natuurzuiver en kakelvers is, maar hij stelt ze tegelijk gerust dat ze het niet onveranderd op hun bord krijgen. Eerst wordt de natuur zorgvuldig gepasteuriseerd, geconserveerd, gesteriliseerd, verstevigd en gekleurd. De Amerikanen geloven best dat de natuur volmaakt is, maar dat maakt haar nog niet geschikt voor consumptie. Toen op dit continent alleen nog Indianen woonden die hun voeten veegden na de wandeling en zich vóór het zwemmen grondig wasten, was de natuur nog onbesmet. Maar sindsdien hebben de bewoners dit land bezoedeld. Aldus het gevoel dat steken moet ver achter de uitgesproken gedachten. Dit is een volk van industriëlen die denken dat ze in diepste wezen boeren zijn en dat geeft schuldgevoel.
De natuur is de achtergelaten moeder, de zuivere, zorgende, en beschermende voedster. Amerika heeft zich van haar afgekeerd en gekozen voor een technische beschaving. En al heeft dit land meer natuurschoon dan enig ander, dit volk heeft ook meer verwoest dan welke natie ook. Voor de helft van de Amerikanen is het landschap nu iets om te gaan bekijken, een uur rijden buiten de stad. Natuur betekent in deze onderhuidse gedachtengang hetzelfde als het door eigen schuld verloren, het verraden paradijs. Er kan geen weg terug zijn en het voorwerp van schuldgevoel wekt wantrouwen en lichte angst. Een natuur die zo erbarmelijk geschonden is, kan geen voedsel voortbrengen dat zonder gevaar te genieten is, moet de huismoeder wel denken. Met dat al blijft 'natuurlijk' een aanprijzing die verkoopt in advertenties: 'natuurlijke smaak' en een 'natuurlijk voorkomen'. Maar een 'natuurlijke' appel is er niet eentje die is afgevallen, geraapt en opgegeten. Tezeer overheerst daarvoor het schuldgevoel van de industriële mens tegenover zijn verloren landelijke omgeving. Het gewas en het gedierte des velds zou zich eens kunnen wreken. De appel kan wormstekig zijn, van binnen rot, of zeker, onzichtbaar geïnfecteerd. De hysterische smetvrees, de angst voor bacteriën, die zoveel Amerikanen plaagt, heeft de natuur omgetoverd tot een onzichtbare, alomtegenwoordige en dodelijke vijand. En zo is tenslotte een natuurlijke appel geworden tot een appel gekweekt onder glas, bewaard in diepvries, verpakt in cellofaan. Al tien keer opgegeten en verteerd in alle fasen van kweek en transport, zorgvuldig van alle smaak ontdaan. Het eten in Amerika is gebalsemd en opgemaakt: het heeft de starre natuurlijkheid van een goed opgebaard lijk, alweer: een echt Amerikaans ambacht. Nadat met alle voorzorgen de band van het voedsel met de aarde is gekapt, wordt het de koper bij voorkeur gepresenteerd in de versierselen van het verloren landelijk verleden: met de namen en symbolen uit de tijd van zuiverheid, toen iedereen nog boer was en zijn eigen brood bakte. Dus heet het verpakte fabrieks-brood 'Pepperidge Farm', de voorgekookte rijst komt van 'Oom Ben', en 'Tante Jemina' glimlacht moederlijk op alle pakjes instant-cake.

Het kan niet anders of het eten waarmee een volk zijn kinderen grootbrengt, heeft zijn effect op het volkskarakter. In een van zijn opstellen beweert de Amerikaanse romancier en schotschrijver Norman Mailer: 'Voedsel bezit karakter. Wij consumeren karakter als we eten.' Dat stempelt dan de Amerikanen tot het weekste volk ter wereld. De feiten werken niet mee aan deze conclusie. De drank heeft Amerika veel goed gedaan.

 

 


Vulgariteit

Amerika was het land van de techniek en Europa bezat cultuur. Dat was zo ongeveer de taakverdeling die de westerse mensheid voor de continenten had gemaakt. En als dan de Amerikaanse toeristen kwamen, uiteraard met sigaar en fototoestel en een or-di-nair overhemd, dan gingen wij vlug op de stoep van onze oude kathedraal staan en medelijdend toekijken hoe weinig die Amerikanen wel van onze cultuur begrepen. Het was wel even slikken als ze na het maken van de foto's wegsuisden in hun 8-cilinder slee, maar wij hadden dan nog altijd onze kathedraal en onze paleizen, .ook al waren we er nooit of in geen jaren binnen geweest. Maar eerlijk is eerlijk, zij geld en techniek en wij geschiedenis en cultuur. De Amerikanen wilden geen spelbrekers zijn en lieten het maar zo. Ze geloofden er eigenlijk zelf ook wel in. Alleen, zo langzamerhand hingen er meer impressionisten in New York dan in Parijs. Goed dat was gekocht met een overvloed van harde dollars, kunst, met geweld. Dat zei nog niets over Amerika's cultuur. Nog een tijdje later speelden ze Shakespeare beter op Broadway dan in Londen. En er kwamen veel meer mensen kijken. Maar dat was Broadway en dat zat vol neon en bioscopen, dat telt dus niet, dat is commercie, geen cultuur, maar het begon er al wel vervaarlijk op te lijken. Dat de grootste bibliotheken in Amerika staan, dat komt natuurlijk alleen door de dollars, liefde voor de grote getallen en verzameldrift. Dat de beste universiteiten in de Verenigde Staten zijn, dat is uiteraard enkel maar te danken aan de Europese immigranten uit de jaren dertig.
Maar gastvrij was het wel. En hoe komt het dat ze dertig jaar later nóg beter zijn? Alleen maar technisch, raketten, weetje wel. Dat is geen echte cultuur. Dat is meer knutselen met computers. Computers ! Zodra ze overweg konden met het toetsenbord begonnen bijbelgeleerden aan een computeronderzoek naar het auteurschap van de Pentateuch, anderen zochten naar de geheime grondslagen van het schaakspel door het met de machine uit te spelen. Psychologen ontrafelden de motieven voor zelfmoord, taaigeleerden onderzochten gewoonten in het taalgebruik. Bijbel, schaak, zelfmoord en taal, met cultuur heeft dit alles niets van doen: de Amerikanen weten er niets beters mee uit te richten dan optellen en aftrekken, ze willen alles uitrekenen met machines. Het doet er niet toe wat er uit komt, ze missen het wezen van de taal, het wezen van de dingen. Want het wezen is van ons, van Europa.
En zo ploeteren we voort. Elke overwinning van de Amerikanen, elke nieuwe vondst die daar gedaan wordt, als het maar even raakt aan de cultuur wordt in Europa snel een excuus verzonnen om het uit te schakelen. Telkens wordt Amerika's beschaving terugverwezen naar de Hema, de Europese hoort in de Bonneterie. Amerika is vulgair, Europa is beschaafd. Zo moet het blijven, maar het wordt wel moeilijk om er steeds nieuwe argumenten voor te verzinnen. Het is niet alleen moeilijk, het is onmogelijk. Ergens tussen het eind van de Tweede Wereldoorlog en nu is de balans doorgeslagen. Zoveel geld en zoveel groei sleurden op een gegeven ogenblik in Amerika kunsten en wetenschappen mee omhoog. Nu is Amerika een land van techniek én van cultuur en Europa een continent van spijt.
De Amerikanen weten het nog niet van zichzelf en niemand moet het ze ook maar vertellen. De Amerikanen zijn er nog steeds van overtuigd dat ze vulgair zijn.
Ze hebben altijd meer geloofd in het beeld dat Europa van ze gaf dan in wat ze met eigen ogen van hun land konden zien. Dus is het land waar 's werelds leidende componisten en orkesten resideren onmuzisch. En dat is ook zo, want uit hetzelfde land komt de jazz en de rock 'n roll (de eerste zelfstandige uiting van massacultuur), waaruit dan weer kunstvormen zijn gegroeid die Bob Dylan, Ella Fitzgerald en Frank Sinatra nu bedrijven. Het land met de grootste musea, de rijkste bibliotheken en de mooiste universiteiten is platvloers, want eens in het jaar worden de donateurs ontvangen en - precies - dat zijn dikke zakenmannen, die met hun sigaar in hun mond praten, met as op hun revers en roos op hun schouders.
Nog steeds trekken de Amerikanen op bedevaart naar Europa's kunststeden, zij storten bijdragen voor de heropbouw van Florence, zij wonen voor een leerjaar in de cultuurkribbes van Parijs, Londen en Rome. Maar de grootste concentratie van wetenschap en kunsten ligt aan de andere kant van de oceaan, in New York en ommelanden.
Zoveel gebeurt er in Amerika, dat zelfs als iedereen maar aandeed op goed geluk en zonder inzicht, dan nog moest uit die veelheid zelf door toevalstreffers alleen al het materiaal voor een nieuwe cultuur ontstaan. Maar het wetenschappelijk en artistieke streven in de VS is heel gericht, niet zozeer op een eigen nationale cultuur, maar op een veel algemener beschaving; te algemeen om nog westers te kunnen heten. Het is de cultuur van de stadswereld in alle landen die de aarde langzaam omvormt in een wereld-stad.

Terug naar begin

 

Dingen

En toen werd het weer december, wat iedereen van tevoren had kunnen weten. Maar al weken, maanden eerder gingen de kranten zenuwachtig vertellen dat het ook dit keer weer zo ver zou komen en dat ook 25 december onafwendbaar naderde. Geleidelijk aan raken tijdschriften, radio en televisie in de stemming van een nationale ramp: iedereen denkt aan hetzelfde, doet hetzelfde en moet betalen, veel betalen. Deze nationale ramp heet Kerstmis en verschilt van een catastrofe alleen daarin dat hij vrolijk bedoeld is. Maar op Fifth Avenue, Fifty Seventh street, in de praalzieke warenhuizen Alexanders', Macy's, Stern, en Bloomingdale's gaan een miljoen mensen de roltrap op, een miljoen mensen de roltrap af, met zorg op hun gezichten, zich de ernst van de toestand volledig bewust.
De westerse mensheid heeft zich een zware last op de schouders geladen: kerstfeest. Het kan best zijn dat het nog een dolle avond wordt, maar de voorbereiding is geen grapje. Met een verbeten zin voor perfectie marcheren de duizenden door New Yorks winkelstraten, op de been gehouden door plechtige koormuziek die uit alle etalages vloeit. Want Kerstmis moet een avond worden, niet zomaar een gezinsfeestje, maar het volmaakt bijeen zijn.
En wat valt er dan nog te vieren? Ik denk dat ik het weet van sommige mensen, de wat ouderen met een gezin en een kleine spaarrekening: afgaand op wat ze kopen.
Een blok kristal in de vorm van een brok kaas met gaatjes, er bovenop een muis, natuurgetrouw in massiefgoud. Er is niets mee te doen, het is niet bijzonder mooi, eerder bijzonder lelijk en de enige ontroering zit hem in de prijs: vijfhonderd vijftig dollar. Zo'n voorwerp heet een conversation piece, een conversatiestuk. Het is de bedoeling dat de visite er wat over zegt om zo het gesprek op gang te brengen. Als er dan toch een stilte valt, is er nog altijd het 'museumstuk', een graadje hoger dari het 'conversatiestuk'; dat kost dan ook zeshondervijftig dollar en stelt voor: 'Onze dolende ridder in schitterende, veertien karaats wapenrusting op een voetstuk van malachiet en rozenhout.' Nu zijn dat wel eenzame hoogtepunten in dit festival van nutteloosheid, maar het is feest en ze worden gekocht. De advertenties wijzen gebiedend naar de etalages en de etalages bevelen de aanschaf van 'geschenken van blijvende waarde', zoals daar zijn barstelletjes in de gedaante van stoomlocomotieven, of raket-annex-muziekdoos, accordeon alias klokkenspel, alles plaats biedend aan vier flessen, schenkkaraf en mixbeker. Voor de gezelligheid moet in de huiskamer een manshoge boom van plastic met of zonder kunstbloemen, te combineren met oudkoperen waterval en fontein, verlicht in rood, groen en blauw.
En dan is er de techniek, de stilstand der techniek, apparaten die dingen kunnen die wij ook kunnen, maar zij kunnen het duurder: het elektrisch nagelverzor-gingsstelletje en bovenal de elektrische das-rek-o-ma-tische, snoerloze dassenkiezer die na instelling van de kleurkiesknop de passende das naar buiten draait. De dingen die niet zijn wat ze zijn: de zeep komt als golfbal en de after-shave in koffiezakjes. De dingen die dingen doen die zonder die dingen niet nodig waren: een machine om een glas in een wip het beijzeld voorkomen te geven dat bierglazen in advertenties zo'n dorstwekkend aanschijn geeft. Het horloge dat de tijd overal ter wereld aangeeft plus de datum en de temperatuur met ingebouwde rekenschijf, hoeft nooit opgewonden. De 'unieke regenmeter' in het vensterkozijn, de ijswaterkraan in de badkamer en het stoombad in de bijkeuken. Bezit voor het leven. Geschenken 'voor de man die alles al heeft'. Daar is het om te doen. Dat is waar dit feest om begonnen is. Wie een gouden muis op een kristallen kaas cadeau! krijgt, heeft al brood op de plank en vlees in de ijskast. En dat gedenkt hij. Het is de generatie van de vijftig-jarigen, de generatie die nog steeds heerst, die herdenkt dat de crisis voorbij is, dat de werkloosheid van de jeugdjaren niet is weergekeerd. Er zijn twintig jaren geweest om de oorlogsbelevenissen in Azië en Europa te vergeten. Geen armoe meer en geen oorlog. Beperkte welvaart en een begin van zekerheid voor de middenstand. Met Kerstmis viert de burgerklasse zijn verjaardag. Nog steeds denken zij over de wereld in twee woorden: de crisis en München. En als alle pakjes zijn uitgepakt, overziet vader de rommel en weet: zolang de gouden muis op de kristallen kaas zit, is het onheil nog bezworen.


US-SU

Amerika is, zoals bekend, een kapitalistisch land en Rusland houdt het op het communisme. Beide landen maken het goed, de meeste mensen zijn er tamelijk tot een beetje welvarend. Bovendien verachten de beide volkeren elkander diep en innig en dat geeft een warm en tevreden gevoel van binnen. Elk volk meent immers dat het leeft onder het mooiste stelsel dat mensenwerk en voorbeschikking hebben voortgebracht. En Amerikanen noch Russen krijgen er ooit genoeg van dat steeds weer duidelijk te herhalen. Als de strijd tussen die twee beslist wordt door het aantal landen dat kiest voor het ene systeem of voor het andere, dan gaan ze nu ongeveer gelijk op.
Een moeilijkheid van de onderlinge wedijver is, dat het vrijwel nooit tot een vergelijkende discussie komt over wie nu eigenlijk het beste is. Komt het een keer toch zover, dan is het terrein te uitgebreid, het struikgewas van filosofie, economie, politiek en moraal belemmert alle overzicht. Vandaar dat het misschien goed is weer eens helemaal opnieuw te beginnen. En met een eenvoudig voorbeeld. Het transport. Mensen kunnen op twee manieren reizen: met hun eigen auto of met bus, trein, tram of vliegtuig. Eigen vervoer tegen openbaar vervoer dus. Het aardige van dit voorbeeld is dat zo ongeveer alles erbij ter sprake komt: de vrijheid van consumptie - wie met eigen auto reist, kiest zelf zijn route en vertrektijd, treinpassagiers hebben zich maar aan te passen. Individualisme tegenover collectivisme: het is duidelijk dat de autobezitter het probleem 'hoe van X naar Y te komen' in zijn eentje oplost en dat de reiziger met bus en tram wordt bijgestaan door de gemeenschap die de verbindingen onderhoudt. De autochauffeur heeft wat meer vrijheid, de busklant kan zijn benen nauwelijks strekken, maar tot zijn troost kan niemand dat, voor hem dus meer gelijkheid. Het ligt voor de hand dat in een kapitalistisch land de mensen reizen in hun eigen auto, en als het even kan met eigen jacht en vliegtuig en dat communisten hun woongebied doortrekken met buslijnen en spoorwegen. En niet alleen in theorie, de statistieken zullen vast en zeker wel uitwijzen dat in Amerika de meeste passagierskilometers worden afgelegd met privé-transport, in Rusland daarentegen, juist met openbaar vervoer. (Voor de VS in 1966: 90 % van de 1420 miljard passagiersmijlen werden afgelegd met een eigen auto.)
Nu komt het de vergelijking zeer ten goede dat er zelfs in Rusland privé-auto's zijn, dus een begin van kapitalistisch transport. Amerika heeft zijn openbaar vervoer, weliswaar vaak in handen van particuliere maatschappij en, vrijwel zonder uitzondering met slechte verbindingen, ongeregelde uren, gebrekkig en vervuild materieel, maar toch gemeenschapstransport. De communistische reiswijze dus.
Hiermee is de wereldtegenstelling tussen Oost en West teruggebracht tot hanteerbare afmetingen, iedereen neemt een blaadje papier voor zich, schrijft de voor- en nadelen van openbaar en particulier transport naast elkaar en weegt ze tegen elkander af: dan heeft hij het hele probleem in miniatuur op een kladje.
Maar deze elegante tegenstelling wordt jammer genoeg verstoord in de werkelijkheid. Want deze zomer in Praag, in het communistische Tsjechoslowakije werden alle jongens en mannen groen van afgunst bij de aanblik van mijn toch heel kleine autootje. Er was zelfs een ingenieur die met zijn verloofde op slag wilde vluchten om eens, precies, om ooit eens een eigen auto te bezitten. En hij was niet de enige. De communistische leiders zijn daar inmiddels achter en hebben beloofd de productie van auto's uit te zullen breiden. Meer kapitalistisch reizen dus.
In hetzelfde jaar heeft in Amerika bijna iedereen zijn eigen auto. Hij is daar zeer tevreden mee, maar moet er ook wat voor opbrengen. Allereerst heel hoge belastingen om de wegen te betalen en steeds meer verkeersagenten te onderhouden. Bovendien is hij verplicht zich collectief te verzekeren tegen de risico's van de weg. En zijn consumptievrijheid is nogal wat ingeperkt: hij moet een auto nemen die aan honderdeen veiligheidseisen voldoet. Bovendien is hij niet vrij te consumeren wat hij wil vóór hij uit rijden gaat. De staat is opeens aan de lopende band aan het onteigenen, slopen, plannen en bouwen, alles om ruimte te maken voor het verkeer. En nu iedereen in naam van de vrijheid zijn eigen uitlaat kan laten dampen, kan niemand meer vrij ademhalen: in enkele maanden tijds werd hier al twee keer de noodtoestand afgekondigd omdat de luchtvervuiling de kritische grens had overschreden. Dus heeft de staat nieuwe maatregelen afgekondigd, inspecties, wetten en belastingen... het individu heeft niets meer in te brengen, de staat slaat toe... het lijkt wel of de communisten de zaak hebben overgenomen. Maar nee, die waren net begonnen het autobezit uit te breiden. Kapitalisme-socialisme: o—o. Kennelijk is nog geen volk tot het inzicht gekomen dat openbaar vervoer er is om mee te reizen en auto's er zijn - voor wie dat wil - om te bezitten, niet om ook nog mee te willen rijden.



Filantropie

Midden in New York City, aan de zuidkant van Central Park, staat een blinkend wit-marmeren bouwwerk. Beganegronds is het opgedoft met de precieuze boogjes en versierselen van het soort gebouwen dat van de opdrachtgever koste wat koste 'mooi' moet worden. Dit is een museum en het is daar neergezet door de multimiljonair Huntington-Hartford als hoofdkwartier in zijn actie ter bestrijding van de decadente en verderfelijke hedendaagse schilderkunst. Daartoe heeft Hartford zijn Gallery of Modern Art van onder tot boven volgehangen met netjes uitgeschilderde landschappen en lieve meisjesportretten. In zijn éénmanscampagne voor God en moraal, schoonheid en waarheid in de kunst, geeft hij gigantische bedragen uit aan advertenties in de dagbladen, aan pamfletten en bovendien aan een bungalowdorp dat hij heeft laten optrekken voor schilders naar zijn smaak, om er vrij van zorg te kunnen werken aan een zedelijk verantwoord en godvruchtig oeuvre. Ondanks al deze eigenzinnige en geldverslindende initiatieven is Huntington-Hartford in Amerika geen nationale beroemdheid. Zijn opvattingen zijn weinig uitzonderlijk, de meeste mensen hebben wat moeite met hun artistieke tijdgenoten, en Hartfords vijftig miljoen zijn in dit land geen ongewoon groot bedrag voor iemand die kunst en wetenschap wil bevorderen of, in dit geval, belemmeren. In dezelfde jaren verrezen in hetzelfde Manhattan twee andere musea voor moderne kunst, dit keer echt eigentijds, en bovendien werd het Museum for Modern Art volledig herbouwd. Dat werd allemaal zonder veel pijn door enkele geldgevers mogelijk gemaakt.
Kort geleden ontving de oude en aanzienlijke Yale Universiteit een collectie Engelse schilderijen die de grootste is na de collectie in de Londense Tate Gallery. De waarde van de verzameling wordt geschat op vijfendertig miljoen dollar. En wat aardig was van de schenker, Paul Mellon, hij gaf er een museum bij en een bibliotheek en een kunstinstituut en een bedrag om er de salarissen van docenten en personeel voor alle tijd die komen gaat van te betalen. Dat was samen veel meer dan vijftig miljoen dollar, maar het was nog maar een onderdeel van Mellons filantropische activiteiten. De kunsten - niet alleen de schilderkunst - drijven bijna volledig op vrijwillige bijdragen, schenkingen en aankopen, de staat bemoeit er zich ternauwernood mee. Wat de musea betreft, is dat ook niet nodig, er zijn er meer, mooier en moderner dan waar ook ter wereld. Wat de levende, en vooral de jonge schilders aangaat, is de situatie wat minder plezierig zolang zij geen kopers vinden.
Niet alleen de kunsten worden onderhouden door wie er geld voor geven wil, een groot deel van de ziekenhuizen is opgezet op particulier initiatief en kan zonder staatssubsidie bestaan door de gulheid van de heel rijken, maar ook door de vrijgevigheid van de grote groepen welgestelden. De privé-universiteiten krijgen hun inkomsten uit de belegging van de vermogens die ze ooit geërfd hebben, meest van oud-leerlingen; hun budget wordt aangevuld met jaarlijkse en ongeregelde schenkingen. Dat gaat op grote schaal: de president van de Universiteit van New York laat per advertentie afkondigen dat hij dit jaar honderd miljoen dollar verlangt en dat een kwart van dat bedrag hem nog ontbreekt. Volgt zijn gironummer. En zo verder: sociaal werk, kerken, parken, ballet, natuurbescherming... De bezittende stand en de fondsen van de grote concerns betalen het.
Uiteraard, in Amerika was het mogelijk in korte tijd een fortuin te verdienen en nog steeds is de belasting er heel voorkomend voor de zeer rijken, speciaal als zij een deel van hun vermogen wegschenken. De Engelse traditie van liefdadigheid waarmee de aristocratie zich trachtte te rechtvaardigen, is voortgezet door de vroege Amerikaanse elite. In een beschaving waar de versierselen van status en prestige nog niet vaststonden, was vrijgevigheid een weg naar maatschappelijk aanzien. Maar bovenal lijkt het of het veel Amerikanen ernst is met hun leer van staatsonthouding en particulier initiatief. Wie in Europa pleit voor liefdadigheid in plaats van staatssubsidies wordt terecht uitgemaakt voor huichelaar, want van die particuliere giften komt nooit veel terecht; in de tijd dat de staat zich nog onthield van subsidie en ook van zware belasting, toonden de rijken zich toch heel benepen in hun gaven. In de VS zijn de bezitters bereid door individuele gulheid een uitbreiding van het staatsinitiatief te voorkomen. De middengroepen dragen daarin bij naar vermogen. In dit opzicht maakt het kapitalisme zijn pretenties voor een goed deel waar.
Dit alles verklaart nog niet het verschil met Nederland, waar filantropie gewoonweg niet bestaat: de katholieke en calvinistische universiteit worden in Holland bijna geheel door de overheid onderhouden. De resterende paar miljoen guldens moet elk volksdeel zelf opbrengen, onder de voortdurende aanmoediging van kerk, vakbond en partij. Maar zelfs deze beperkte som is van miljoenen mensen nog teveel gevraagd. De staat springt nu ook bij voor de rest. Als geheel kent het Nederlandse volk zijn gulle buien. In nationale acties worden imposante bedragen ingezameld. Maar dat is nog geen filantropie: het werk van een enkeling die met gulheid en inzicht een onderneming realiseert tot profijt van de gemeenschap.
Toen Zwolsman tienduizend gulden afstond voor een kunstprijs, was dat ongeveer zijn weekloon, maar heel Nederland dampte van ontzag. Van de reuzenconcerns valt in Nederland niets te vangen: er is geen AKU-museum, geen Unilever-fonds - dat dan gelijk een Planta-ziekenhuis zou kunnen bouwen, geen Shell-park. Alleen Philips maakt nog wel eens een geste tegenover Eindhoven, maar dat is nog bijna fabrieksterrein.
In Nederland moet alles van de staat komen. Dat is jammer, want daardoor zijn persoonlijke initiatieven, eigenzinnige campagnes en uitzonderlijke kansen van de baan. Een overheid, aan iedereen verantwoording verschuldigd, kan zich daarmee niet inlaten. In Amerika zijn daar vaak geldgevers voor te vinden. In Nederland niet en dat geeft er de directeuren en de commissarissen nog minder recht van bestaan.

Achteraf:
Nadat dit verwijt was uitgesproken, kwam een brief tot mij van Unilevers persdienst met een artikel waarin de opvattingen en verrichtingen van dit concern op het gebied van de kunst werden uiteengezet: Unilever had in de nieuwe gebouwen anderhalf procent van de bouwsom uitgetrokken voor 'decoratieve toevoegingen', zoals kunstwerken. Het achtte zich hiermee een hele mecenas.
Een wereldconcern dat zijn hoofdkwartier passend toerust met wand-tot-wand-tapijten, indirecte verlichting en wat schilder- en beeldhouwwerk, doet aan kantoorinrichting op stand. Niemand zou hier spreken van bescherming van stoffeerder en elektricien, maar de schilder moet stamelend zijn dank betuigen. Het geval is vermeldenswaard, want het tekent exact het totale onbegrip voor filantropie.


Harlem

Neem de ondergrondse, het geeft niet waar op Manhattan, en rijd omhoog, uptown. Blijf niet zitten als de aktentassen blijven zitten, verlaat de schoolmeisjes die zelfs in de trein nog zoet zitten te leren en stap uit waar de negers uitstappen en de blanken zitten blijven: Honderdvijfentwintigste Straat, waar de trein bovengronds geraakt is en heel Broadway rammelt. Loop de stationstrappen af. Dat is alles: hier is Harlem, New Yorks oudste negerwijk. Hundred twenty fifth Street, of, zoals de buurt zegt: 'dé straat'.
Hier heb ik niets te zoeken, want dit is de zwarte wijk en ik ben wit, of preciezer, grijsachtig roze. Maar al was ik donkerbruin, dat maakt me nog niet zwart. En al is een zwarte licht-oker, hij blijft een neger. Wie er over nadenkt, heeft moeite om het te begrijpen, maar hier denkt niemand erover na: iedereen heeft het begrepen.
Daar sta ik, reiziger, bezoeker, buitenman, voorlopig nog even op de hoek voor een krantenzaak met die aangeboren bleekheid boven mijn kraag en ik voel mijn kleur: het omgekeerde van blozen, geen kleur krijgen. Iedereen die mij passeert, heeft die wel, een passende tint, zomaar vanzelf. Vanwege die bijkomstigheid loopt hij hier en hoor ik hier niet te lopen. Dat is in het kort het woordeloos gesprek dat ik met de ogen van een voorbijkomende jonge neger voer. Maar, wacht even, nog altijd sta ik op dezelfde straat als waar ik woon, al is dat veertig straten naar beneden: Amsterdam Avenue. En ook die naam is van mij, ik ben in Amsterdam geboren. Ik heb een recht om hier te staan. Dit korte oponthoud was even nodig. Want, zeggen welingelichte New Yorkers: het is gevaarlijk in Harlem, misdaad, prostitutie... En, zeggen andere welwillende Amerikanen: de zwarte nationalisten beschouwen Harlem als hun territoir, de ongekleurde bezoeker riskeert er een pak slaag. De ingewijden uit de Village hebben me gewaarschuwd voor de morfinisten in Harlem, die om aan geld voor heroïne te komen elke voorbijganger aanvallen die er uitziet alsof hij nog een dollar in zijn zak heeft. En de negers die ik sprak, wilden weten wat ik eigenlijk in Harlem te zoeken had: krotten kijken, een nieuwe dosis medelijden voor de arme zwarte halen, een kontje voor mijn sociaal bewustzijn?
Maar dat is allemaal bespottelijk. Ik heb een geldig visum en ik mag gaan en staan waar ik wil. Het is elf uur in de ochtend. Geen bord Verboden Toegang te bekennen. Op weg dus. Maar behoedzaam. Gedenk Tuli, de bleke zanger van de Fugs, die hier nota bene was met LeRoi Jones, zwarte dichter van het zwarte zelfgevoel. Tuli was hier om te zingen van vrede en seks en liefde en hij werd bij de artiesteningang in elkaar geschopt. Dat had hij niet verdiend. Maar wie het wel verdient, die komt hier niet.
Ik loop door deze bijna Amsterdamse straat, een Kinkerstraat, de arbeidersvrouw aan het winkelen. Lage huizen en winkel naast winkel volgehangen met plakkaten, neon aan de gevel en in de opgewonden etalages. Zoals in alle Amerikaanse winkelwijken wordt ook hier het straatbeeld beheerst door de aandoenlijke nadruk waarmee de kleine winkelier zijn aanwezigheid aankondigt: hier ben ik, Johnnie de fietsenkoning, Harrod's, het huis van de goedkope hammen, hier de ééndagsstomerij, hier sta ik van mijn zuur verdiende centen met een eigen zaak. Ik wil van mijn hypotheek af, hoger op, vooruit in de wereld. Mij is verteld dat alle winkeliers in Harlem blank zijn.
Ik controleer het plichtsgetrouw en het klopt. De bewoners van Harlem zijn de zwarte conducteurs, de schoonmaaksters, de portiers en natuurlijk de werklozen en bejaarden. Maar het bezit, de winkels en de huizen, zijn in handen van buitenstaanders, veelal joden, soms Puerto Ricanen, die dan kies 'zwarte joden' genoemd worden. Ze zijn de zetbazen van een maatschappelijk bestel dat dit getto heeft opgeroepen, maar voor de bewoners zijn ze de enig zichtbare voorposten van een vijandige maatschappij; dus richt zich de woede en van tijd tot tijd het geweld allereerst tegen hen. Tot nog toe houden zij het vol in hun vooruitgeschoven posities, versterkt door alarminstallaties en stalen etalageschermen, beschermd door wet en politie. Na vijven trekken zij zich terug in de voorsteden en leiden het avondleven van de Amerikaanse middenstand. Het getto sluit zich in zichzelf. Iedereen is thuis, elk aan zijn kant van de muur. Want Manhattan is een gedeelde stad, zoals Berlijn. Maar hier zijn daarvoor geen Vopo's nodig, geen meter prikkeldraad. De deling blijft in stand, ook zonder wetsbepalingen of dreigementen. Het getto is een open gevangenis, maar er is geen ontkomen aan. Armoede en discriminatie drijven de negers wel terug in hun wijk. De regering van land, staat en stad, talloze verenigingen en instituten werken voor de opheffing van de zwarte armenwijk. Er is niet één organisatie, niet één zegsman die zich daar openlijk tegenover stelt. En toch bestaat de buurt nog steeds. Er komen er zelfs meer. De getto's worden in stand gehouden door een stilzwijgende afspraak van alle omwonenden, van heel Amerika. Meer is niet nodig. Zo gaat dat onder beschaafde mensen. Zo vanzelfsprekend is die overeenkomst, zo verscholen in redelijke argumenten en verborgen door blijken van goede wil, dat hij pas in zijn volle wreedheid blijkt in Harlem zelf. Amerika heeft iets te verbergen. Wie dat wil leren kennen, moet de getto's in.

Een echte Sinterklaas uit Afrika

Van Tuli een telefoonnummer dat antwoordt met 'Jean' en Leslie's nummer geeft, waar een beschaafd stemgeluid verwijst naar Joe, een professor tot wiens kennis de verblijfplaats van weer een andere Joe behoort, die eindelijk een adres in Harlem dicteert. Dat heeft tijd gekost, moeite en overredingskracht. Blijkbaar is niemand erg onder de indruk van mijn belangstelling voor de nieuwe negerbeweging. Een blanke heeft aan goede wil niet meer genoeg bij de zwarte activisten. En dat is alvast iets nieuws.
In het kantoortje van New York Harlem CORE staat een lange zwarte jongen ruzie te maken over een grammofoon die iemand had moeten bezorgen, blijkbaar zonder dat hem dat verteld is, en nu is er geen auto om hem te halen... kortom er wordt iets georganiseerd. 'Dit is ontzettend belangrijk, de televisie komt!'
De pers zal getuige zijn van een demonstratief kerstfeest voor de kinderen van Harlem, aangeboden door CORE, Congress On Racial Equality, Congres Voor Rassengelijkheid. Maar dit congres is sinds kort uitgepraat over rassengelijkheid en doende met iets anders waarvan dit kinderfeest een voorbeeld moet worden. En meteen komt ter illustratie een grote neger binnen die een rode puntmuts draagt, een valse witte baard en een hes met pofbroek waaronder als toneelbuik enkele kussens zijn gepropt. Hij staat in de deur en kondigt zich aan als: 'Een echte zwarte Sinterklaas uit Afrika'.
In de zaal beneden zijn vijftig of honderd kinderen, het publiek maakt in ieder geval lawaai en roert zich heftig, dus veel kinderen. Zij worden achterin gehouden door een sonore sehoolmeesterstem. Op de voorgrond, die nu echt voorgrond is, want er staan schijnwerpers en televisiecamera's, is de Sinterklaas van daarnet neergezet. Om hem heen is een groep kinderen opgesteld, gevoelig gerangschikt op volgorde van grootte door een man met witte regenjas en huid, blijkbaar van de televisie. Op de schoot van de kindervriend is een heel klein jongetje geplaatst met dun stijf kroeshaar waardoorheen zijn bleke schedel schijnt. De Sint houdt hem een cadeautje voor en daarop volgt een samenspraak j e, speciaal voor de kijkers in het land: 'Wie ben ik?' Het gehoorzame antwoord: 'Santa Claus.' 'Heel goed. En waar kom ik vandaan?'
Bedeesd zwijgen van de kleine karakterspeler.
'Ik kom uit Afrika. Uit vér, zwart Afrika. Waar jij ook vandaan komt. Dat wist je niet, hè, maar de echte Sinterklaas is zwart. Al die witte zijn maar namaak, bedoeld voor de blanke kindertjes. Jouw Sinterklaas is een neger. Voor jou is Santa Claus een neger. Vertel dat maar aan je vriendjes.' De goedheiligman tast in de zak en reikt een presentje uit. De scène wordt nog eens herhaald voor de camera en dan komen zonder indoctrinatie de andere kinderen aan de beurt. Een kinder-feest barst los en overwoekert onmiddellijk alle bedoelingen.
Eenmaal weer op straat wandel ik over Seventh Avenue en lees de aanplakbiljetten op winkelruiten en op leegstaande huizen. Mkwawe Babele zal aanstaande zaterdagavond met zijn Zwarte Zelfverdedigers een judo-demonstratie houden, afgewisseld door de toon-meisjes met Afrikaanse modes. Het geheel wordt muzikaal omlijst door Duke Nkruma en Harry Lumumba. Op een bijeenkomst ontmoet ik twee zwarte meisjes, van top tot teen in ritselende zij en met grote puntmutsen op. In mijn ogen was het Afrikaans en naar hun antwoord ook. De een studeerde Afrikaanse geschiedenis, de ander Swahili. Ze dacht niet dat haar voorouders ooit Swahili hadden gesproken. Daar ging het ook niet om, niet het stamverband telt, zegt ze, maar de verbondenheid met de oorsprong van alle negers, Afrika. Een nieuw zwart zelfbewustzijn.
Think Black! staat in het CORE-kantoor, denk zwart. Daarnaast een leus die stamt uit het Amerikaans bezettingsleger in de Tweede Wereldoorlog, dat contact tussen zijn soldaten en de bevolking wilde voorkomen: 'Geen verbroedering op CORE-gebied!'
Tijdens de lunch zegt Kerby, een van de bestuursleden van CORE in Harlem: 'Integratie van negers in de blanke maatschappij is niet langer ons eerste doel. Wij waren voor geïntegreerde scholen, maar niet meer nu blijkt dat gemengd onderwijs blank onderwijs betekent. Op school wordt alleen het gezichtspunt van de blanke meerderheid aan de kinderen voorgeschoteld. In de vaderlandse geschiedenis treden de negers alleen op als slaven, op zijn best onderdanig en wijs als Oom Torn, toegewijd en vrolijk als Sambo, maar altijd in de rol van slachtoffer, dupe en domoor. De helden zijn altijd weer de blanken. Pappa Lincoln bevrijdde in zijn genadigheid de negers. Maar geen woord over de leiders van de slavenopstanden, Gabriel, Vesey, Turner, over de zwarte leider aan het begin van de onafhanke-lijksoorlog, Crispus Attucks, over de negers die tot de eerste kolonisten hoorden, als Rufus Olano. Van de negerkunst wordt niet gerept: poëzie, jazz, spirituals worden doodgezwegen. De kinderen leren alles over de Egyptenaren en de Babyloniërs, maar er heerst doodse stilte over de geschiedenis en de gewoonten van de grote Afrikaanse culturen, zoals die van Ashanti. Godsdienstonderwijs betekende voor negers altijd training in onderdanigheid; wij kregen de gehoor-zaamheidsversie van het christendom opgelepeld. Christus was vanzelfsprekend blank met blond haar en blauwe ogen, nogal onwaarschijnlijk met zijn afkomst. Ik denk dat Mozes zwart was en Christus donker. Maar in Amerika is als vanzelfsprekend zelfs de suggestie van een zwarte bijdrage aan de beschaving wéggevlakt. Zo hebben negers die opgaan in de blanke maatschappij niets dat ze kan verzoenen met hun afkomst en hun kleur. Alles wat goed is, is als vanzelf wit. De neger heeft dat maar voor lief te nemen.' Aldus Kerby, die concludeert:
'Toevallig ben ik zwart. Wat ik ook doe, ik blijf pikzwart. Als ik het niet kan veranderen, moet ik ermee leren leven. Dat betekent dat ik allereerst in mijn zwartheid een eigenwaarde moet vinden. Als ik die heb opgedaan en de andere negers met mij, dan kunnen we opnieuw gaan denken aan integratie. Maar alleen als de aanpassing van beide kanten komt.'

Heroïne

Ik sta in een danshal. Het is overdag en doordeweeks, de tafels, de bierviltjes en de bar zijn dus misplaatst. Of liever, dat ben ikzelf. Door het raam kijk ik in een achterstraat. Een achterstraat in een achterbuurt die genoemd is naar een aangename Hollandse parkstad: Harlem.
Een rij huizen van vier of vijf verdiepingen, elk met een eigen stenen trap of portiek. Stijl: goed wonen in de jaren twintig. Boven een deur hangt een bord: Temple of Love. Dat klinkt oriëntaals en een beetje ondeugend. Maar het is christelijk bedoeld: de God der Liefde. Vandaar.
Drie mannen komen de treden van een stoep af, negers, en dus met hoeden op, net als joden, gangsters en zakenlieden. Een van de mannen blijft staan, zijn hoofd knikt naar voren en hij verroert zich niet meer. De andere twee besteden geen aandacht meer aan hem. Maar ik zie met mijn pas opgedane kennis: dit is een morfinist, een junkie, en hij is nu in een nod; hij heeft het te pakken, of hét hem. Dit is het enig dragelijke uur in de hel van een heroïneleven. Straks is het spul uitgewerkt en dan begint de marteling weer van voren af aan.
Heroïne. Claude Brown schrijft erover als over 'de Plaag'.* 'In 1959 sloeg de Plaag toe in Harlem.' Brown kan erover schrijven, want hij is zowat de enige van zijn vrienden die het overleefde. Zestien, zeventien jaar oud raakte de hele kliek van straatjongens, vechtersbazen en kruimeldieven aan de heroïne. Binnen een half jaar veranderden ze in uitgeteerde, aangevreten invaliden. De een krepeerde aan een overdosis, de ander stierf in de gevangenis doordat hij plotseling werd drooggelegd, weer een ander werd doodgeschoten door een handelaar die hij wilde beroven toen hij geen geld meer had om het spul te kopen.
Junkies zijn niet meelijwekkend, hoogstens van een heel veilige afstand; ze zijn levensgevaarlijk. Zij moeten elke dag hun dosis hebben, en dus hebben ze tien tot twintig dollar nodig, iedere dag weer. Krijgen ze dat geld niet bij elkaar, dan kunnen ze niet aan heroïne komen. Zonder heroïne gaan ze kapot, ze stikken in de honger, komen om in het verlangen, niet hun begeerte, maar die van hun zenuwen, hun spieren, hun ruggemerg, van heel hun zwerende lichaam, met ontstoken naaldeprikken overdekt. Alles wat verlossing brengt, wat de lijder aan zijn rantsoen helpt, grijpt hij aan. Want wat de verslaafden doormaken als zij van heroïne verstoken blijven, is erger dan wat wie ook ze aan kan doen, erger dan gevangenis of executie. Dus nemen ze de onzinnigste risico's, ze breken in op klaarlichte dag in beveiligde winkels, ze beroven midden op straat een voorbijganger, desnoods alleen om zijn jas en zijn horloge te kunnen belenen voor een prik.
Heroïne heeft de negerjeugd aangevreten en zich in Harlem genesteld als een kanker. Harlem was een gemeenschap, arm en ellendig, maar nog altijd een samenleving van mensen met gezinnen, baantjes en scholen. Heroïnegebruikers waren er altijd geweest, onder de artiesten, prostituée's en de kleine misdadigers. De Plaag brak uit toen in de jaren vijftig de jonge negers verslaafd raakten. Schooljongens van zeventien, achttien jaar probeerden het spul en bleven haken: ze werden van school gestuurd, verloren hun baan, gingen uit stelen, werden opgepakt en na verloop van tijd weer losgelaten. Als de heroïne eenmaal beet heeft, telt niets anders meer voor een junkie.
Hij steelt van zijn vrienden, licht zijn vriendin op, gapt zijn moeders huishoudgeld. Hij valt 's nachts van een dak tijdens een wanhopige rooftocht, wordt bij een overval in de ondergrondse neergeschoten door een agent. Het klinkt als een pathetisch verzinsel, de ergste straf uit Dantes hel. Maar zij bestaat, voor honderdduizenden. Allereerst, uiteraard, altijd weer, voor de armen; voor wie arts en psychiater niet in starthouding klaar staan bij de eerste levensmoeilijkheden; voor wie geen bankrekening de buffer vormt tegen de misère in geval van ziekte of ontslag; voor wie geen carrière te verliezen heeft omdat alle uitzicht toch al verduisterd wordt door een vijandige maatschappij.
De klinieken zijn al overvol. Wie als genezen wordt ontslagen komt zonder geld, zonder scholing en vervreemd van zijn vrienden de wereld in en kan niets uitrichten. Na de tweede, derde teleurstelling geeft hij zijn pogingen op en begint opnieuw. Maar dit keer pakt hij het beter aan. Als handelaar in diezelfde heroïne. Of als souteneur. Breng een vriendinnetje aan de heroïne en laat haar tippelen. Dat levert genoeg op om de gewoonte te betalen voor allebei. En er staat altijd een clientèle klaar: Mr. Ofay, Mr. Charlie Cracker, the Gray, of hoe de schuldeloze blanke nog meer heten mag voor wie hem van de andere kant bekijkt.
Dit alles is geen nieuws voor de deskundigen en de bestrijders. Zij trachten oprecht met geld, kennis, dwang en overreding een greep op de verslaafden te krijgen en ze ook na genezing een kans op beterschap te geven. Maar wie zich vierkant achter de verslaafden stelt, klinieken, medische begeleiding en werkgelegenheid eist, vraagt te veel geld en begrip van de gemeenschap. Wie zich met de morfinisten bemoeit van een afstand of uit de hoogte, merkt dat al zijn inspanning teniet gedaan wordt door hun ingevreten wantrouwen. De strijd tegen de verslaving wordtgevochtendoor toegewijde medici en sociale werkers. Maar zij krijgen onvoldoende steun van het thuisfront, waar enkele verlichte politici een onwillig en achterdochtig publiek trachten te overreden om genezing te stellen in plaats van vervolging.
Heroïne vreet aan New York. De angst voor de junkies, waaronder veel negers zijn, slaat om in een afkeer van alle negers. Het geroep om streng politieoptreden (alsof junkies met kogels tot rede zijn te brengen) werkt als een vrijbrief voor politiegeweld tegen elke neger die de blanken aanstoot geeft. Zo tast de heroïne de mentaliteit van de politie aan. De integriteit van de opsporingsambtenaren wordt erdoor aangetast: agenten voorzien verklikkers van heroïne in ruil voor aangiften. Detectives accepteren van de handelaren een aandeel in de winst in ruil voor protectie. Verslaving, geweld en corruptie: eerste les in het getto-bestaan. Ik loop door Harlem en controleer de beschrijvingen van mijn voorgangers: de kleine kerkjes met hun bizarre namen, de schilderachtige kroegjes, de kleurrijke etalages. Het is er allemaal, stel ik vast. Maar het pittoreske is eraf. Ik ben op vijandig gebied. Uit een deur komt een man, holt op mij af en slaat zijn hand op mijn arm: 'Zo, lulletje rozewater', zegt hij en loopt lachend terug. Ik loop nog drie straten door en keer om: al die tijd ben ik op één blok afstand gevolgd door een politieauto.

Achteraf:
Is Harlem veilig voor blanke toeristen?
Claude Brown: 'Absoluut, zolang je je maar fatsoenlijk gedraagt en niet rondloopt als een boer in de dierentuin.'
Ja, overdag in de drukke straten, 's nachts rondom de bekende dancings en bioscopen.

* Claude Brown, Manchild in the Promised Land, New York, MacMillan 1965. (Ook als Signet Pocket).

lees verder

Terug naar begin