Abram de Swaan, NRC 1 juli 1995Een paar maanden lang reisde ik in den vreemde, waar het vreemd was. Eenmaal terug in Nederland probeerde ik mijn vertrouwde omgeving te blijven bekijken met de blik van een vervreemdeling, maar al gauw lag de staar van de gewenning weer over mijn ogen.
Zolang ik nog enigszins ontwend hield trof me vooral de ontworpen aanblik van Nederland: landschap, wegennet, bebouwde kom, alles is vormgegeven, herverkaveld, bewegwijzerd en staat onder strikte architectuur. Het lijkt wel alsof het land nooit echt van de tekentafel is gekomen. Ook de Nederlandse samenleving maakt een gewilde en bedachte indruk. Zo maakte men zich juist in die dagen grote zorgen over de toevloed van vluchtelingen en werd tegelijk van hogerhand gepleit voor een multiculturele maatschappij.
Voor mij was dat weer even wennen, want in de landen waar ik vandaan kwam trokken grote troepen landverhuizers langs de wegen, ze streken neer in het stadscentrum, op parkeerplaatsen, in parken, of zomaar voor iemands deur. De overheid deed niets tegen deze binnendringers en ook niets voor ze. Met wat bedelen en venten probeerden ze zich in leven te houden, soms trokken ze in bij familieleden en de één na de ander vond een baantje als bewaker of als kok. De plaatselijke bevolking zag ze tamelijk gelaten komen, tegen te houden waren ze niet, want arme mensen, veruit de meeste mensen, hebben geen papieren en blijven gewoon doorlopen. De stemming was er nog niet naar om ze weg te jagen of aan te vallen.
Hun intocht maakte ook niet zoveel uit. Er liepen al zoveel armoedzaaiers van allerlei slag rond. Ook aan die verscheidenheid was men gewend, muzelman, christenmens, of geestenbezweerder, het leefde allemaal dooreen. Er was een mengeling van talen, een veelheid van klederdrachten, een palet van huidskleuren. Het leek me dat de meeste mensen liever alleen met hun eigen slag hadden willen omgaan, maar er was nu eenmaal aan die vreemdsoortigheid niet te ontkomen en daar moest men dus maar mee leven. Er leefde ook nog wel de herinnering aan stammentwist of burgeroorlog en de meesten wilden dat niet nog een keer meemaken.
In Nederland leken voor mijn onwennig oog de verschillen tussen de mensen veel kleiner. De armen leken minder arm, de rijken minder rijk dan in die verre landen. Geloof of herkomst was de mensen nauwelijks aan te zien. Bijna alle gezinnen beschikten over een huis en een auto, buitenshuis waren de meeste mensen altijd wel ergens heen op weg en zelden zag je zoals ginds hele groepjes mannen alleen maar rondhangen, wachtend op een karweitje, op wat geld dat niet komen zou. En bovendien, bedacht ik, die Nederlanders, leken nu veel meer op elkaar dan vijftig, honderd of honderdvijftig jaar geleden, toen de roomsen nog verschilden van de gristenen, toen de werklui heel anders leefden dan de burgermensen, toen het boerenbestaan toch zo afweek van het stadsleven.
Het leek wel alsof de Nederlandse bevolking juist in de afgelopen twintig jaar eindelijk een monocultuur bereikt had. Dat was niet alleen een kwestie van uiterlijk, goedgewassen en weldoorvoed, maar ook van habitus en mentaliteit: Zo langzamerhand belijdt negen tiende van de bevolking het Algemeen Christelijk Ongeloof, met een franje van godloochenaars aan de ene kant en van trouwe kerkgangers aan de andere zijde. En in de politiek is vier vijfde sociaal en democraat, de een wat liberaler, de ander iets meer christelijk, maar in wezen heel eensgezind.
Sindsdien is er ook wel weer wat variatie in gekomen, wat meer verscheidenheid van huidskleur, wat meer diversiteit van taal, maar om die tamelijk homogene samenleving nu in één woord te typeren als 'multicultureel' is toch wat ver gezocht. Het woord brengt een heel stemmingsbeeld met zich mee. Dat multiculturele, zegt de term uit zichzelf, daar moeten de gevestigde Nederlanders maar aan wennen, ze behoren het ook te verwelkomen, het is niets minder dan een uitdaging, een kans op persoonlijke, ja zelfs maatschappelijke groei. De gevestigde Nederlanders past een bescheiden opstelling, een vleugje verontschuldigend zelfs. In ditzelfde sociodrama zijn de allochtonen daarentegen meteen al een beetje bozig en beschuldigend. Niet dat iemand in het bijzonder hun iets heeft misdaan, maar slavernij, kolonialisme, de uitbuiting van de derde wereld en de discriminatie hier te lande moeten de autochtone Nederlander streng worden voorgehouden. Daar zijn speciale, boze allochtonen voor, en vrouwen gaat die boosheid nog het beste af.
Die bozigheid is meer iets voor openbare gelegenheden; bij de immigranten thuis valt het geloof ik nogal mee. Omgekeerd bekruipt officiële Nederlanders in het openbaar iets schoorvoetends zodra ze te maken krijgen met hun minderheden. Maar de gewone Hollandse inboorlingen zijn helemaal niet zo beschroomd als ze onder elkaar zijn, want dan is het hun beurt om zich kwaad te maken. Dat multicultureel vertoon en vertoog hoort in zijn geheel bij de publieke, officiële pose, bij de van overheidswege bevorderde subsidiologie.
Het multiculturalisme suggereert verscheidenheid waar die helemaal niet zo ter zake doet, en het versluiert daarmee tegelijkertijd de belangrijkste culturele scheidslijn in Nederland, die loopt tussen de Islam en het Algemeen Christelijk Ongeloof. De Islam kent een duizendjarige religieuze traditie, zo rijk, complex en verscheiden als het Christendom, en even verdeeld. Dat geloof kan zoals elke voldragen religie nog alle kanten op, ook naar strengere orthodoxie of naar grotere vrijzinnigheid. Saoedie-Arabië, Marokko en Turkije sturen hun imams naar Nederland om hier het woord van hun broodheer te preken. Dat gaat inderdaad de multiculturele kant op, maar het is niet in het Nederlands belang. De Nederlandse samenleving, mono of multi, is gebaat bij een liberale Islam. Er moet hier dus maar gauw een opleiding komen voor vrijzinnig Islamitisch geestelijken.Abram de Swaan, NRC 1 juli 1995
IK DENK AAN WAT IK DENK
Abram de Swaan, NRC 8 juli 1995Het was een mooie zomerochtend, zo fris en licht als ze alleen in Holland voorkomen en ik zat op het terras van het Amstel Hotel te bekomen van een treurige besogne, ook wel opgelucht dat die nu eindelijk vervuld was.
Het Amstel Hotel is een tijdje geleden grondig opgeknapt. Iets te grondig. Dat komt van een Nederlandse neiging om oude dingen weer als nieuw te maken, vandaar dat de oude panden in de binnenstad eruit zien alsof ze vorig jaar zijn opgeleverd door een archaïserende stadsarchitect. Misschien heeft Monumentenzorg al die jaren teveel geld gehad, want haast nergens staan nog huizen waar de ouderdom nog aan valt af te zien. Ik vind dat grachtenhuizen een beetje krakkemikkig moeten zijn. Het onderhoud kan beter wat achterstallig blijven, dat geeft een lichte spanning van hoe-lang-nog, een zalige huivering van vergankelijkheid.
Het Amstel Hotel staat er dus fonkelnagelnieuw bij en is daardoor per ongeluk gaan lijken op zo'n luxe massage-inrichting met veel tapijt, bronswerk en fineer dat moet doorgaan voor negentiende-eeuwse chic.
Daar aan de waterkant gleden mijn gedachten terug naar vroeger jaren, toen ik vier maal daags op weg van huis naar school en terug het Amstel Hotel passeerde. Op mijn toenmalige hoofdhoogte steekt een natuurstenen rand uit de gevel die ik toen elke keer beklom; voetje voor voetje schoof ik dan langs de gevel, tot het bordes. Bij de entree stond een portier die buigend de deuren opende van limousines waarmee hoge gasten arriveerden. Er kwamen toen alleen maar hoge gasten.
Ook de brug over de Amstel moest gevaarvol overgestoken worden, balancerend op de brede stenen brugleuningen, het water ver beneden mij. Ik was toentertijd geheim aanvoerder van het Michiganleger, daarom liep ik de rest van de weg militairement over de stoeprand. Op mijn missie hield ik af en toe stil en salueerde stram. Soms was er een vriendelijke passant die speels teruggroette met de hand aan de hoed. Dat beviel mij helemaal niet, want die voorbijganger hoorde er niet bij en stoorde me in mijn concentratie. Het Michiganleger bestond namelijk uit vijf divisies van vijf regimenten van vijf bataljons van vijf pelotons van vijf man en ik was druk doende met berekeningen in mijn vijftallig stelsel.
Die calculaties had ik nodig omdat bij het Frederiksplein een verschrikkelijke gedachte dreigde die alleen met veel vijven konden worden bestreden. Die gedachte was: 'ik denk aan wat ik denk'.
Kwam die zin eenmaal in mijn hoofd op, dan was hij er niet meer uit te krijgen: Ik denk aan wat ik denk aan wat ik denk (aan wat ik denk...). Oneindige regressie, zou ik nu zeggen, 'self-referential statements'. Die vaktermen bedekken de verschrikking van een afgrond in de logica. Het is eigenlijk nog veel erger dan ik toen dacht: de fundamenten van de logica zijn door deze zelfverwijzende zinnen immers eens en vooral verbrijzeld, weten we nu. Ik wist dat toen nog niet, maar eigenlijk begreep ik het toen beter. Een dwanggedachte had zich van mij meester gemaakt, maar de dwang zat niet in mij, die zat in de aard van de gedachte. Bij de eerste poging om mij ervan te ontdoen drong zich een nog schrikwekkender gedachte op: 'Ik denk niet aan wat ik denk'. Maar waar denk je dan aan? Aan wat je denkt. Ontkennen baat niet. De gedachte moest dus gedood worden. Om verkeerde gedachten te doden had ik een techniek ontwikkeld: de herhaling. Als een enkel woord steeds weer hardop werd uitgesproken blies het tenslotte zijn laatste betekenis uit. Met het ook al angstaanjagende woord 'slak' lukte dat. Door de vette 's' en logge 'l', de platte 'a' en kleffe 'k' steeds maar te blijven mompelen kon ik dat woord veranderen in een ding, inderdaad in een dode slak die uit mijn mond gespogen kon worden en in wat slijm verschrompeld op de grond crepeerde. Maar met 'denk' was dat onmogelijk, dat woord had geen ding om het in om te toveren, het bleef aan zijn eigen klank ontsnappen en zijn betekenis behouden.
Ik dacht aan wat ik dacht, mompelde, beklom richels en marcheerde. Er waren nog wel ergere duizelingwekkende gedachten: Wat als ik nu eens niet in Amsterdam geboren was, maar heel ergens anders, uit andere ouders. Wie was ik dan geweest? En waar zou ik dan zijn? Zo'n strikgedachte wordt nooit opgehelderd maar op den duur in arren moede opgegeven.
Of het onweerlegbare schrikbeeld: de vrouw bij wie ik woon is eigenlijk een heks die mij betoverd heeft zodat ik nu geloof dat zij mijn moeder is. Maar ze is toch heel lief voor je? - Alleen maar om mij nog beter te kunnen betoveren. Wie dat blijft denken is een geval voor de psychiater, wie daarover blijft denken is een filosoof.
Maar een oplossing hebben psychiater noch filosoof te bieden. Het idee dat ook anderen, zelfs grote mensen, zich met dergelijke gedachten bezig hielden kwam niet bij me op. Ik geloof ook niet dat opvoedkundigen zich nu met zulke kindergedachten bemoeien. En wat zouden ze er ook op kunnen zeggen? 'Kop op knul, later als je groot bent weet je wel beter.' Maar je weet niets beter, je denkt alleen wat minder na of je trekt er je niets meer van aan.
De moderne aanpak richt zich op de kindergevoelens. De kleine is jaloers op zijn vader of zijn zusje, is teleurgesteld in zijn moeder. Hij lijdt aan verlatingsangst.
Dat kan allemaal wel waar zijn, maar het gaat aan de ernst van de kindergedachten voorbij. Een gevoel manifesteert zich als een gedachte en een gedachte wordt beleefd als een gevoel. Vroeger werden gevoelens weggepraat met overdenkingen, nu worden gedachten weggewerkt als gevoelens. Maar in gedachten balanceren kinderen op de rand van de afgrond van het kennen en het zijn.Abram de Swaan, NRC 8 juli 1995
NA DE VAL
Abram de Swaan, NRC 15 juli 1995Meestal neurie ik binnen mijn kader maar wat voor mij uit, zonder erg op de maat te letten of op het stokje van de dirigent. Maar deze keer ben ik me bewust dat ik meezing in het koor van boze, bange stemmen die klagen over de val van de Bosnische enclave Srebrenica. Zeker is dat die gebeurtenis nog heel lang en ingrijpend zal doorwerken.
Wat zou daarvan het kleinst denkbare resultaat kunnen zijn? De Bosnische Serviërs zullen, eindelijk tevreden, een vredesvoorstel accepteren dat vervolgens de verliezende Bosnische regering door de grote mogendheden wordt opgelegd. In het gunstigste geval blijft van dat staatje dan nog een brokstuk over. Volgt een grote conferentie, waar de integriteit van de reststaat Bosnië plechtig wordt gegarandeerd en de Bosnische Serviërs eens en vooral beterschap beloven. Dat is het kleinst denkbare gevolg, maar niet het gunstigste geval. Want wat gebeurt er dan?
De Bosnische Serviërs hebben dan even voorbij de Oostgrens van de Europese Unie een roofstaatje (ik zeg het aardig) gevestigd, omringd door een reeks landen met een ook al heel vers crimineel verleden: Kroatië, Bosnië en Servië. Daaraan grenzen nog weer wat staten waar de strijd tussen democratie en autocratie, tussen bevelseconomie en vrije markt nog niet is uitgevochten: Roemenië, Bulgarije, Albanië, Dalmatië. (Ik blijf het vriendelijk formuleren). Ook het Grieks buitenlands beleid is nogal onevenwichtig en onbezonnen en over Slovenië is alleen te zeggen dat het zich tot zover muisstil houdt in de plooien van Oostenrijks rokken.
De vraag rijst hoe de lidstaten van de Europese Unie met die landen zullen omgaan. De Europese Unie als geheel heeft daar geen antwoord op, het blijft een zaak van de grote lidstaten. Maar daarachter doemt allang een nijpender vraag op: hoe de landen van de EU moeten omgaan met de brokstukken van de Sowjet-Unie, en bovenal met Rusland.
De Unie wijst die landen beleefdheidshalve niet op voorhand af, maar bij alle gebleken dwaasheid en lamlendigheid blijft het toch ondenkbaar dat ze die nieuwe staten echt allemaal zou opnemen. Eerst komen de 'nette' landen aan de beurt, Hongarije, Polen en Tsjechië, en het wat minder nette Slowakijë, en misschien komt ooit het nog wat minder nette Turkije in aanmerking. De landen in zuidoost Europa komen er nog heel lang niet in.
Maar hoe zal het dan toegaan in die regio, waar een aantal grenzen met geweld getrokken is en her en der de rovers aan de macht zijn?
Als de buitenlandse interventiemacht zich nu terugtrekt volgt in Bosnië een korte, drieste slachtpartij, maar daarmee is het nog niet afgelopen. Er is geen centrale macht of buitenlandse mogendheid die de roofstaatjes nog kan bedwingen, dat hebben ze wel geleerd, en ze zijn dus voortaan aan elkaar overgeleverd. Ze hebben alle reden om hun buren te vrezen en zullen vaak aanleiding vinden om alvast maar toe te slaan. Het zal ze met die voorgeschiedenis en onder gedurige oorlogsdreiging ook niet gauw lukken om hun over te schakelen van een lucratieve oorlogseconomie met roof, afpersing en contrabande naar het vreedzaam bedrijf van landbouw, nijverheid en handel. Rusland heeft er bovendien alle belang bij om in dat smeulende gebied af en toe nog wat te stoken.
Het voormalig Joegoslavië met ommelanden zal dus een haard van onrust, geweld en misdaad blijven. De Europese Unie kan daarop reageren door een brandgordijn te laten zakken, bij de zuidoost grens van Slovenië, sneu voor de Kroatiërs en heel erg treurig voor al die bewoners van de Balkanlanden die ook wel eens een paar levensjaren in vrede, welvaart en vrijheid hadden willen doormaken. Tienduizenden zullen proberen naar de Europese Unie te ontkomen. De humanitaire bevindelijkheid van het westers publiek wordt ook dan nog niet ontzien. Integendeel, het kan nog veel erger worden.
In laatste instantie, op lange termijn, is met Srebenica de rol van Rusland in Europa in het geding. De Bosnische Serviërs zijn de kinderen van Servië en de kleinkinderen van Rusland. In Bosnië wordt per procuratie het voorspel tot de Russische successieoorlog uitgevochten. Als die confrontatie onontkoombaar is, en zeker is dat niet, dan is er veel voor te zeggen om hem dan maar meteen aan te gaan: liever in Bosnië dan aan de Poolse of Hongaarse oostgrens, tegen een paar roverhoofdmannen, liever dan tegen hun tersluikse begunstigers in Belgrado en Moskou. Oorlog als opvoedkundige maatregel: het is wel eens eerder bepleit en geprobeerd. Ik besef dat het een riskante optie is, maar het alternatief van een smadelijke aftocht roept po den duur minstens zo grote risico's op.
Ik ben geen militair expert, maar de militaire experts zijn dat blijkbaar ook niet, te oordelen naar de blunders die ze tot nog toe hebben begaan. Maar het laat zich aanzien dat de Bosniërs met betere wapens zich ter land kunnen handhaven. In de lucht heeft de NATO het overwicht.
Maar de Bosnische kwestie is, gelukkig nog steeds geen puur militaire aangelegenheid, en vooral een diplomatieke. Heet gaat ook niet om de wereldorde, maar om de vrede aan de oostgrens van de Europese Unie. De Verenigde Naties kunnen daar voortaan maar beter buiten blijven. Op dit punt blijkt het ware machtsvacuüm in Europa: er is wel een Eurpese Unie, maar geen Europese eenheid. Het bolwerk van rechtsorde en welvaart is in de kern hol. De rijkdom lokt de buitenstaanders aan, maar de verdeeldheid lokt de buitengeslotenen uit: if you can’t join them, beat them.
Dus vormt de Europese Unie, van buiten glanzend en van binnen hol, in Europa de grootste provocatie.
Abram de Swaan, NRC 15 juli 1995
ZIJN WIJ LAF?
Abram de Swaan, NRC 22 juli 1995Afgelopen dinsdag stond in deze krant een stuk van Geert Mak waarin hij citeerde uit de knipselarchieven ven Het Algemeen Handelsblad van de jaren dertig: de aanhalingen gingen over de Nacht van de lange messen (Hitlers afrekening met de SA van Röhm) over de Kristallnacht (de eerste grote pogrom tegen de joden) en zo meer. De commentaren van zestig jaar terug komen de lezer van nu beschamend voor in hun lauwheid en hun lafheid. De parallel die Mak suggereerde was onmiskenbaar: De spraakmakende gemeente reageert vandaag de dag net zo karakterloos op de slachtingen in Srebrenica als zestig jaar geleden op de misdaden van de nazi's.
Dezelfde dag nog werd Jan Pronk gekapitteld door het Kamerlid De Hoop Scheffer: de Minister had niet mogen zeggen dat daarginds in Srebrenica een genocide plaats vond, want hij bracht daarmee onze jongens die zich in handen van de Bosnisch-Servische troepen bevonden in gevaar. Dat kan waar zijn, maar mocht Pronk het daarom niet zeggen?
Een paar dagen eerder had een andere minister, Hans van Mierlo, de Franse ambassadeur ontboden om krachtig te protesteren tegen de uitlatingen van diens chef: die had de Nederlandse blauwhelmen beschuldigd van medeplichtigheid aan de Bosnisch-Servische wandaden, die immers onder hun ogen - en wat erger is - onder hun mede-verantwoordelijkheid waren voorgevallen.
Dat waren de duidelijkste woorden van Van Mierlo tot nog toe, en ze hebben weinig indruk gemaakt op de Franse regering. Want woensdagavond herhaalde premier Juppé dat de VN-soldaten in Srebrenica zich medeplichtig hadden laten maken. Hij noemde de Nederlanders niet bij name, maar hij ging nog even door over 'humiliation, honte, honneur'. Tot voor kort waren daar vertalingen voor, maar die zijn uit het Nederlandse spraakgebruik verdwenen als bij toverslag.
De Fransen, met hun onguur gekuip in Rwanda, hun drugshetze, hun drieste atoomproeven, zijn in Nederland uit de gratie, maar hebben zij dit keer soms gelijk?
In Srebrenica bleven zo'n tienduizend mannen achter in de macht van de Serviërs die bij eerdere gelegenheden en onder vergelijkbare omstandigheden hun gevangenen gruwelijk behandeld hebben. Ditmaal hielpen Nederlandse VN-soldaten mee bij de evacuatie van vrouwen en kinderen, Nederlandse militairen hielden de tel bij, Nederlandse soldaten reden mee met de bussen waarin Bosnische moslims werden weggevoerd. Wat moesten zij daar? Zijn de Nederlandse vredeshandhavers verworden tot collaborateurs?
Als de parallel van Mak geldig is, moet vijftig jaar na dato misschien wat minder hard geoordeeld worden over de foute landgenoten van toen en misschien wat strenger over de goede Nederlanders van vandaag.
Waarom zijn Nederlandse beroepssoldaten die opdracht hadden de burgerbevolking te beschermen afgedropen, terwijl de mensen voor wie ze moesten opkomen in levensgevaar verkeerden? Als ze toen en daar niets konden uitrichtten, waarom hebben ze zich dan ooit in die situatie laten manoeuvreren? Een totale verrassing kan het toch niet geweest zijn.
Net als ieder ander ken ik de excuses: de onduidelijke missie, de ontoereikende bewapening, de vijandelijke overmacht in getal en vuurkracht, de verwarring en de opzettelijke tegenwerking in de bevelslijnen, de beschieting in de rug door de Bosnische regeringstroepen. En bovenal, de gijzeling van VN-soldaten door de Bosnische Serviërs. Maar zijn daarmee het Franse verwijt en de gelijkenis van Mak weerlegd?
Zijn wij laf?
Wie zijn 'wij'? Degenen aan wie het verwijt gericht is en die er zich door aangesproken voelen, de Nederlandse natie dus. Want in een situatie als deze kun je je nu eenmaal niet onttrekken aan de groep waar je toe gerekend wordt.
In Nederland wordt hierop in het beste geval verongelijkt gereageerd en in het ergste met een vlaag van collectieve imbeciliteit. De Nederlandse televisie vervalt prompt in haar rol van Nationaal Leedwezen. Van berichtgeving en analyse kom niets meer terecht. In de betrekkelijke beschutting van de vluchtelingenkampen waadt de verslaggever door de misère en vraagt in kindertaal: 'zijn hier nog enge ziektes?' (Ik citeer letterlijk, maar uit mijn geheugen). En relbelust wil hij weten: 'Heeft u nog gruwelverhalen?'
Een buitenstaander die dit alles kon verstaan zou tot de conclusie komen dat men hier óf dom óf laf is, of allebei. (Zoals de Nederlandse correspondent van Le Monde in De Volkskrant).
Het Franse verwijt is terecht en de gelijkenis van Mak evenzeer. De vraag is hoe erg dat is. De Nederlanders zijn de enigen niet, de Engelsen zijn nog erger, de Duitsers niet minder erg en de Fransen hebben wel boud gesproken maar nog niet koen gehandeld. Of de Amerikanen hun lamlendigheid zullen overwinnen moet op dit moment nog blijken.
Maar wat had Nederland dan moeten doen?
Wie zich licht bewapend als vredesbewaarder in het oorlogsgewoel begeeft, vertrouwend op zijn hoog moreel gezag, die moet bereid zijn om de moed van zijn verheven aanspraken op te brengen. Anders wordt hij de risee, een Frans woord voor lachnummer.
De Nederlandse troepen waren in Srebrenica om de burgerbevolking te beschermen en ze hadden die niet aan de Serviërs mogen uitleveren, ook al had dat in eigen gelederen slachtoffers gekost. Dat ze die opgave niet trouw gebleven zijn, daar is uiteindelijk de Nederlandse regering verantwoordelijk voor.
Lafheid is een van de meest invoelbare aandriften. Alle begrip. Het is meestal de neiging van de verstandigste partij. Maar soms is het niet raadzaam. In de jaren dertig, waar Geert Mak zijn voorbeelden aan ontleende, bleek het achteraf heel onverstandig. Ik denk dat het nu opnieuw onverstandig zal blijken.
Meer dan wie ook, hoop ik dat ik daar ongelijk in krijg.Abram de Swaan, 22 juli 1995
MANNEN, VROUWEN, ONGELIJK
Abram de Swaan, NRC 29 juli 1995Tien jaar geleden deed ik in deze krant een voorspelling, en niet zomaar een in het gebruikelijke commentaargenre: 'De Balkan staat voor de tweesprong, ófwel er komt een krachtdadig opgelegde vrede óf er zal zich een steeds verder om zich heen grijpende geweldsspiraal voordoen.' Dat kan iedereen. In mijn voorspelling kon ik gelijk krijgen óf ongelijk, en dat zouden de feiten ondubbelzinnig uitwijzen. De feiten wezen ondubbelzinnig uit. En ik heb ongelijk gekregen.
Op 3 augustus 1985 beweerde ik dat binnen tien jaar op een Olympisch nummer een vrouw alle mannelijke deelnemers zou overtreffen: 'Binnen tien jaar zal een vrouw Olympisch kampioen zijn in de mensenatletiek'. Vergeet het maar.
Wie het niet vergat was Frits Happel, de befaamde sportpedagoog, tientallen jaren de trainer van intellectueel en artistiek Amsterdam (daar kwam dus ook al geen Olympisch kampioen uit). Happel kwam een paar dagen na verschijning van mijn stuk een brief aanreiken waarin hij mij de les las. Sinds jaar en dag, schreef hij, blijven de beste vrouwen ongeveer tien procent ten achter bij de beste mannen in snelheid, afstand, of hoogte. Daar had en heeft hij grotendeels gelijk aan. Happel concludeerde 'dat er altijd een significant verschil in prestaties tussen mannen en vrouwen in het nadeel van de vrouw zal blijven.' Ook dat is tien jaar waar gebleven, maar het volgde niet uit de toen bekende records.
Ik had erop gewezen dat in de loop der tijd steeds nieuwe naties aan de Olympische Spelen gingen meedoen: tot de Eerste Wereldoorlog was het vooral een treffen van Amerikanen en Europeanen en leken hun prestaties een bewijs voor de superioriteit van het blanke ras. Tussen de twee Wereldoorlogen traden ook Latijns-Amerikaanse, Aziatische en Afrikaanse naties aan en bleek - na een aanvankelijke achterstand van de nieuwelingen - dat na verloop van tijd de kampioenen voortkwamen uit alle mensensoorten. 'Hoe meer de mensen streven naar voortreffelijkheid, des te meer blijken daarin hun overeenkomsten', besloot ik.
Het grote verschil zit hem niet in Mongool of Negroïd, Kaukasiër of Aziaat, maar tussen de atleten en de liggende, hangende, zittende of slenterende rest van de mensheid. Dat vond ik een opwekkende, een Olympische gedachte. Het komt niet aan op de genen, maar op de faciliteiten, op de aantallen, op training, enthousiasme en volharding. Hoe meer vrijetijdsatleten er in een land hollen, springen, spartelen en smijten, hoe groter de kans dat daaruit op den duur een kampioen voortkomt. Als dus vrouwen eenmaal volop aan sport gaan doen, zullen al die fanatiekelingen niet alleen Olympische dameskampioenes voortbrengen, maar ten lange leste op sommige nummers ook de heren verslaan. Dat is dus niet gebeurd. Nog niet.
Hoe komt dat?
Het ontbreekt de atletes niet aan aanmoediging of waardering, de kampioenes worden verafgood. Maar of gewone sportmeisjes even hard worden aangespoord en opgejuind als gewone sportjongens, dat is maar de vraag. En heel wat potentiële kampioenes kiezen ontijdig voor hun verloofde, want anders wordt die maar sikkeneurig, maar hij hoeft niet tussen haar en zijn sport te kiezen. Toch ligt het daar niet echt aan. En het komt ook niet meer van een aarzeling bij vrouwen om een gespierd fysiek te kweken, want inmiddels zijn de kampioenes media-idolen en sekssymbolen geworden.
De prestaties van vrouwen zijn over de jaren spectaculair verbeterd, die van de mannen ook, maar de vrouwen hebben hen nog steeds niet ingehaald. De kampioene op de 100 meter van vandaag had de winnaar bij de heren van veertig jaar geleden geëvenaard; de snelste atlete op de laatste marathon had de legendarische Zatopek uit de jaren vijftig op de hielen gezeten.
Dat ligt ten dele aan fysiologische verschillen tussen mannen en vrouwen, en die zijn weer voor een deel met de genen gegeven: vrouwen hebben minder kracht in het bovenlichaam, maar ongeveer evenveel in de benen. Vrouwen hebben verhoudingsgewijs meer vetweefsel, mannen meer spierweefsel. Maar oefening en dieet kunnen dat goeddeels compenseren. In krachtsporten maken vrouwen geen kans, maar in uithoudingssporten wel. Al in 1971 won Natalie Cullimore een wedloop over 110 mijl, die door geen van de mannelijke deelnemers zelfs maar werd uitgelopen. Maar tot voor kort werden voor vrouwen juist geen wereldkampioenschappen en Olympische wedstrijden op de zeer lange afstand uitgeschreven. In 1976 versloeg in Californië een potige tenisster geheel onverwacht de plaatselijke kampioene. Deze Renée Richards bleek een jaar tevoren te zijn omgebouwd tot vrouw. Groot schandaal: Zelfs een ex-man van middelbare leeftijd kon dus de vrouwelijke favoriet verslaan. Maar wie wel eens de travestieten op de televisie bekijkt wist dat allang: Mannen kunnen alles beter, zelfs vrouw zijn.
Tien jaar geleden werd ik met mijn voorspelling door alle sportkenners weggelachen: Wie ook maar iets van sport begrijpt, ziet toch meteen dat geen vrouw ooit of ergens kans maakt om de mannelijke kampioen te verslaan.
Ik weet inderdaad niet veel van sport, maar ik wed op de fysiologie en de sociologie en dus op de kampioenes: het kleine verschil zal kleiner worden tot het op een keer in een Olympische wedstrijd in zijn tegendeel verkeert en een vrouw de beste man verslaat. Dat zal komen van de aantallen, de methodiek en het enthousiasme waarmee vrouwen sport bedrijven. Mijn Olympisch gelijk krijg ik het eerst bij het fietsen, zwemmen of hardlopen over zeer lange afstand.
De dag komt dat vrouwen alles even goed als mannen kunnen, zelfs vrouw zijn.
Ik ga Frits Happel die verwedde fles champagne brengen. In 2005 krijg ik er een terug.Abram de Swaan, NRC 29 juli 1995
DE WERELD ALS WAANIDEE
Abram de Swaan, NRC 5 augustus 1995Ook in Nederland bestaat een leergezag. Er zijn instanties die bepalen wat de mensen weten moeten. De Hoge Autoriteit voor de Herseninhoud is in dit land de minister van onderwijs die beslist over de schoolexamens, daarin bijgestaan door de onderwijsraad en de schoolinspectie.
De exameneisen vormen een korte inhoudsopgave van het geschoolde Nederlanderschap: wat iedere ingezetene na tien, vijftien jaar vorming moet weten. Dat is de algemeen bekend veronderstelde kennis. Ieder die praat of schrijft schat daar het begrip bij zijn publiek mee in. Iemand die van die wetenswaardigheden er een mist probeert dat te maskeren en geneert zich (of koketteert ermee). En anderzijds is het ongepast om zo'n algemeen bekend verondersteld feit of inzicht toe te lichten of uit te leggen, want daaruit blijkt allicht een geringschatting van het gehoor.
De eisen voor de schoolexamens geven aan wat de Nederlanders van elkaar denken dat ze weten. En daarbij hoort ook de notie dat met die schoolexamens Nederlanders zijn ingedeeld in verschillende categorieën; het laatste klasseverschil dat nog rest is het onderscheid in scholing. De examens bepalen wat men geacht wordt te weten en dus wat men geacht wordt te zijn, van hoog tot laag: academicus, HBO-er, VWO-niveau, HAVO-klant, MAVO-geval, ongeschoolde (met nog altijd zes tot negen jaar scholing). Wie zich een indruk wil vormen van de ontwikkelingen in de Nederlandse culturele identiteit, waarover tegenwoordig zoveel en zo gretig wordt gesproken, zou die het beste kunnen onderzoeken door de exameneisen van de laatste honderd, honderdvijftig jaar te achterhalen.
Ik kom erop, omdat in de krant stond dat de onderwijsraad had geadviseerd en het kabinet had besloten dat op de examens geen vragen over de evolutietheorie meer mochten voorkomen. De Raad dacht dat het net zoiets was als abortus en dat Christenkinderen daarvan in de war zouden raken. Maar abortus is een ingreep en de evolutieleer een wetenschappelijke wereldbeschouwing. De Koninklijke Akademie en het Instituut voor Biologie hebben al uitgelegd dat die theorie onmisbaar is voor elk begrip van de levenswetenschappen.
Maar het belang gaat verder dan dat. De evolutietheorie toont aan dat een uiterst complexe en zeer geordende structuur kan ontstaan zonder dat iets of iemand dat bedoeld, voorzien of zelfs maar beseft heeft. Dat ordenend en structurerend beginsel is bij Darwin de natuurlijke selectie onder druk van de onderlinge concurrentie om het voortbestaan. Maar de grondgedachte van de onvoorziene en onbedoelde ordening was al eerder ontwikkeld, in de economie, door Adam Smith en de zijnen: Ook in de samenleving is concurrentie uit overlevingsdrang of uit winststreven de drijvende kracht en de 'verborgen hand' die orde schept in de samenleving.
In hetzelfde jaar als Darwin's The origin of species, in 1859, verscheen van John Stuart Mill het opstel On liberty, dat ook al uitging van een vrije concurrentie, in dit geval tussen opvattingen, waarbij - dacht Mill - op den duur alleen de meest geldige ideeën zouden overblijven.
De gedachte die aan de evolutieleer ten grondslag ligt, de notie van een niet geschapen, niet bedoelde ordening, is ook een kernidee van de sociale wetenschap èn een fundament van markteconomie en meningsvrijheid. Dat maakt die gedachte geen snars meer of minder waar, maar wel belangrijk: volstrekt onmisbaar voor enig inzicht in wetenschap en samenleving. Beter is het om een kind dagelijks met een houten hamer op het hoofd te slaan, nee, minder erg is het om op het hoogtepunt van de epidemie een kind de poliovaccinatie te onthouden, dan een opgroeiend mens onwetend te laten van de evolutietheorie. Wie de theorie van Darwin niet mag leren moet levenslang in het volle licht staan met uitgestoken ogen.
Maar, helaas, de evolutionaire gedachte van de onbedoelde, onvoorziene orde lijkt regelrecht in strijd met de religieuze opvatting dat de wereld Gods schepping is en dat hij in zijn voorzienigheid met de mensheid een heilsplan voorheeft. Vandaar dat het leerstuk dus maar van de examens is afgevoerd.
Toch is die strijdigheid met het godsdienstig dogma niet onontkoombaar. Er is een redenering die uitweg biedt: Wie weet heeft het God behaagd de wereld zo in te richten dat het lijkt alsof het heelal vijftien miljard jaar geleden in één oerknal is ontstaan, dat het lijkt alsof levende organismen uit dode materie voortgekomen zijn en dat het lijkt alsof de mensen afstammen van andere primaten. De wereld als schijnvertoning, de wetenschap als waanvoorstelling, het is een intellectuele vluchtweg die al vóór Darwin werd gevonden om de dreiging van de nieuwe geologische inzichten van toen te bezweren.
De rechtgelovige zou ademloos benieuwd moeten zijn naar de laatste bevindingen van de wetenschap, omdat daaruit blijken kan hoe God de mensheid wil misleiden, en dat biedt inzicht in de goddelijke geestesgesteldheid. Maar de ware gelovige is in de wetenschap helemaal niet geïnteresseerd en in de theopsychologie eigenlijk ook niet.
Het gaat hier niet om God, maar om het eindexamen, waar de evolutietheorie als verplicht onderdeel uit verdwenen is. Daar heeft het vorig kabinet, met het CDA er nog in, een begin mee gemaakt voor VWO en HAVO, en deze onchristelijke coalitie zet de maatregel verder door naar MAVO en VBO, 'omdat dit kabinet zonder christelijke partijen wellicht wil voorkomen dat christelijke groeperingen voor het hoofd worden gestoten.'
Daar heb je weer zo'n onbedoeld gevolg: je stemt op een partij die nu eens wèl aan de macht komt, maar die net het omgekeerde doet van wat ze belooft, omdat het anders zo sneu is voor de mensen die er niet op gestemd hebben. Of is dat in dit geval juist een bewijs van Gods heilplan met de wereld?Abram de Swaan, NRC 5 augustus 1995
HOGERE WEETNIETKUNDE
Abram de Swaan, NRC 12 augustus 1995In het augustusnummer van De Gids schrijft N.G. van Kampen, oud-hoogleraar in de theoretische natuurkunde, over 'Misvattingen over de natuurkunde.' Het is een kort en helder opstel, met onmiskenbaar meesterschap geschreven. Van Kampen meent dat het onmogelijk is om moderne natuurkundige theorieën te begrijpen en hun betekenis te overzien zonder begrip voor de wiskunde waarmee die theorieën zijn geformuleerd. Populariseringen in min of meer gewone woorden leiden tot misverstand: de theorie wordt opgevat as een bedenksel waarvoor even goed een ander in de plaats kan komen; de onvermijdelijke beeldspraak ('deeltjes', 'botsingen') wordt letterlijk opgevat en toegepast op de alledaagse ervaringswereld waaraan die termen zijn ontleend; en sleutelbegrippen als 'relativiteit' of 'onzekerheid' worden verward met gelijknamige noties uit de filosofie of de literatuur, waar ze niets mee gemeen hebben.
De moderne fysica heeft eigenlijk helemaal niets te maken met die andere kennisgebieden, laat staan met de gewone mensenwereld volgens Van Kampen: 'Niet alleen de dagelijkse ervaring is immuun voor de subtiliteiten van de relativiteitstheorie, ook de techniek, de biologie en de geologie worden er niet door aangetast. Ja, zelfs in een groot deel van de natuurkunde kan men haar voorlopig vergeten.' De levenswijsheid 'alles is relatief' vindt geen enkele steun van de 'relativiteitstheorie'. En het onzekerheidsbeginsel in de quantumtheorie staat volstrekt los van allerlei filosofische beschouwingen over de existentiële twijfel, of over de beïnvloeding van de waarneming door de geestesgesteldheid of de omgeving van de waarnemer. Het gaat over iets heel anders.
Toch zegt Van Kampen, helemaal zonder wiskunde, maar wel cursief: 'het toeval is inherent aan de fundamentele processen in de natuur'. Dat is nogal wat, al weet ik niet precies wat het nogal is.
Van Kampens bijdrage wordt in De Gids gevolgd door 'Enkele bedenkingen' van redacteur Stefan Hertmans, die er geen woord van begrepen heeft. Kennelijk denkt hij dat Van Kampen heeft beweerd dat filosofen en taalkundigen hun probleem van de relativiteit aan de natuurkunde hebben ontleend. Volgt, om Van Kampen 'even te informeren', een net even pedant als gênant overzicht van het relativisme in de wijsbegeerte van Plato tot Lyotard,
Maar Van Kampen betoogde alleen dat de filosofen voor hun beweringen geen steun (en ook geen tegenspraak) vinden in de moderne natuurkunde. 'Toen een taalkundige me vroeg om de onzekerheidsrelatie uit te leggen omdat hij die wellicht kon toepassen, kon ik hem geruststellen: Daar heb jij niets mee te maken.'
Dat die taalkundige er niets aan heeft en ook niets van begrijpt is niet erg. Problematisch in het betoog van Van Kampen is dat iedereen die leek is in de fysica tot onherstelbaar onbegrip veroordeeld is. Daarmee is de fysica losgerukt uit de overige cultuur, en ontstaat een kaste van hogepriesters die met vol leergezag uitspraken doen over de 'fundamentele processen in de natuur', maar die daarover door geen buitenstaander ter verantwoording kunnen worden geroepen. Zo ontstaat ook een democratisch deficit: niemand kan nog de aanspraken vn de fysici beoordelen, behalve zijzelf. En die aanspraken zijn niet gering: miljarden dollars en Euro's gaan op aan kilometerslange ondergrondse tunnels waar naar nóg kleinere deeltjes wordt gespeurd.
Een oordeel daarover past de burger niet.
De socioloog Karl Mannheim stelde als democratisch ideaal 'de onbeperkte toegankelijkheid en overdraagbaarheid van kennis' En hij scherpte dat nog aan: 'Net als in de politiek, kan ieder individu aanspraak maken op medezeggenschap, als het om kennis gaat moeten alle individuen elke bewering kunnen onderzoeken.' Die beginselverklaring werd zestig jaar geleden opgeschreven. Van Kampen verklaart zich daar niet tegen, en niet voor, uit zijn betoog blijkt dat het voor de natuurkunde niet zo werkt.
Maar hij schuift de popularisatie en de mystificatie van de moderne fysica wat al te makkelijk terzijde als een bijverschijnsel. Ook de zuiver academische natuurkundigen zijn bij die cultus gebaat. Als hun dat uitkomt profiteren zij van de waan dat hun werk de laatste waarheid over de wereld openbaren zal. Want in die illusie stemmen politici en het publiek in met de zeer royale financiering van natuurkundige experimenten. Maar als de leken willen weten wat die fysica nu eigenlijk gevonden heeft, dan hebben ze daar niets mee te maken, want die kennis is te technisch en te complex om hun uit te leggen.
Zo'n dubbelmanoeuvre is bekend uit de beroepensociologie. De medici hebben het tot een collectieve kunstvorm verheven.
Het is in Mannheims democratisch kennisideaal niet nodig dat iedereen alles weet of kan begrijpen. Er zijn bemiddelaars. Zoals de rechtbank gebruik maakt van tolken en van getuigen-deskundigen, en desnoods van experts die de deskundigen weer interpreteren, zo moet met een reeks tussenstappen de natuurkunde inzichtelijk gemaakt kunnen worden voor buitenstaanders. Of is de wiskunde waarin die fysische bevindingen gesteld zijn voorgoed onvertaalbaar geworden?
De wiskunde is de poëzie van de wetenschap. In de fysica is ze nu kennelijk geheimtaal. Is dat zo erg? Er gaan dagen voorbij zonder dat ik mij verdiep in de lading van het pi-meson, of de levensduur van een boson. Misschien interesseert het me niet eens zozeer. Maar ik wil er bij kunnen kunnen, desnoods met wat inspanning, en ik laat me van geen enkel cultuurgebied bij voorbaat uitsluiten, want in deze beschaving mag in beginsel iedereen overal in.Abram de Swaan, NRC 12 augustus 1995
DAT IS PAS LEVEN
Abram de Swaan, NRC 19 augustus 1995Aan Nederland valt weinig eer te behalen. Wie in dit land een hoge post bekleedt of een vermogen heeft verdiend wordt uiteraard beleefd bejegend en geniet binnenskamers allerlei voorrechten, maar hij krijgt niet gauw een standbeeld, een postzegel, een dineetje met de koningin of een particulier museum. Dat is in de Verenigde Staten wel anders, daar word je ontvangen door de president, of wordt een faculteit, desnoods een hele universiteit, een park, een fontein of concertzaal naar je vernoemd. Maar in de VS bestaan geen ridderordes, alleen militairen krijgen daar een onderscheiding voor betoonde moed, terwijl in Nederland elk knoopsgat van verdienste met een lintje wordt gesierd. Maar dat is dan ook zo ongeveer het enige openbare eerbetoon in dit land.
In de VS zijn bijna alle eerbewijzen voor geld te koop en dat maakt ze een klein beetje minder eervol. Universitaire titels kun je aanschaffen bij obscure universiteitjes en met heel veel geld kun je zelfs aan gerenommeerde instellingen eredoctor worden. In Nederland is het nog niet mogelijk om met geld een doctorandus titel te verwerven, maar eredoctoraten kun je nu al kopen bij de Namaak Universiteit Nijenrode en als je heel, heel erg veel geld heb kun je die eretitel krijgen bij de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik ben daar geen tegenstander van. Zo'n eredoctoraat is alleen maar voor de sier en het is beter dat de rijken hun geld aan de universiteit schenken dan dat ze het verspillen aan luxe jachten en wufte genoegens (want daar zouden wij dan nog weer jaloerser op worden).
Nu er zoveel verdiend wordt zijn er ook allerlei privileges te koop die vroeger niet voor geld beschikbaar waren: tegen voldoende betaling mag je in een aparte foyer bij toneelvoorstellingen, in de pauze van het galaconcert een praatje maken met de solisten, na sluitingstijd door een museum wandelen met een glas champagne in de hand, of een weekend doorbrengen bij de proefdieren in het ontleedkundig lab. Ook daar heb ik niets op tegen: rijke en machtige mensen moeten gunstig gestemd worden, met pluimstrijkerij, gevlei en sycofantie, want als ze narrig worden dan verplaatsen ze hun fabrieken en kantoren naar het buitenland waar de lonen nóg lager zijn, minderen wèl hun plaats kennen en de stroopkwast genereuzer gehanteerd wordt. En al die kleine, duur betaalde gunsten vallen in het niet bij de ostentatieve voorrechten die de rijken voor zich opeisen in een vrije markteconomie of de intimiderende privileges die de machtigen weten af te dwingen in een totalitaire staat.
De hoogste eer wordt in dit land pas bewezen als het te laat is: postuum. Dan verschijnen de rouwadvertenties waarin de overledene met al zijn namen, titels, verdiensten en verworvenheden door de nabestaanden wordt opgezet. Dezer dagen bereikte dat eerbetoon een hoogtepunt bij het overlijden van twee coryfeeën: Meys en Van Aardenne. De bankier Dick Meys stierf in de kracht van zijn leven, op het hoogtepunt van zijn carrière, in de volle dichtheid van zijn maatschappelijke bindingen. In deze krant kwamen 33 overlijdensadvertenties te staan.
Nog geen drie weken later stierf G.M.V. van Aardenne. Twee dagen lang trok een stoet annonces over de familiepagina: 33 in totaal. En al die stellers wilden in het openbaar de overledene eer betuigen. Daar blijkt een vast patroon voor te zijn: Eerst komt de annonce van de naaste familie, dan volgen wat verdere familieleden met een eigen advertentie, indien voorradig melden zich vrouw en kinderen uit een vorig huwelijk, dan verschijnen de kennissen en vrienden. Vervolgens dient zich het bedrijf aan waar de overledene zijn werkkring had en eventueel is dan de beurt aan de collega's. Dat zijn er al vijf of zes advertenties, een gebruikelijk aantal bij mensen die jong sterven en nog volop verwanten, relaties en kennissen hadden. Mijn courante rouw-waarde schat ik op een half dozijn annonces postuum.
Waar kwamen voor Meys en van Aardenne elk die drie dozijn vandaan? Ten eerste van hun commissariaten, en dan van de commissies waar ze in zaten. Meys manifesteerde zich als bankier vooral in de zakenwereld, oud-minister Van Aardenne had functies bij de overheid en in het bedrijfsleven, en allebei bewogen ze zich ook daarbuiten, in de wetenschap, in de gezondheidszorg en in de culturele sector: Meys had te maken met de opleiding van economen en Van Aardenne was actief in het onderzoek naar energie en luchtvaart. Meys deed iets voor het Emma Kinderziekenhuis en zette zich in voor het behoud van orgels, Van Aardenne bemoeide zich met ziekenhuisvoorzieningen en had zich ingespannen voor het Orlando strijkkwartet. Wat van beiden opvalt is niet alleen het aantal maar vooral de grote verscheidenheid van posities die ze bekleedden. Dat is psychologisch te interpreteren als geldingsdrang of het onvermogen om ooit nee te zeggen, of, wat ongeveer hetzelfde is, als plichtsbesef. Maar het is ook nog anders te zien. De socioloog Mark Granovetter had het over 'de kracht van zwakke schakels': een kringetje waarin iedereen elkaar kent is onderling sterk verbonden; de enkeling die relaties heeft in verschillende kringen legt daartussen een zwakke binding, maar over die kettingbrug komt nu net de meest schaarse en meest waardevolle informatie binnen. Uit de annonces blijkt dat Meys en Van Aardenne bij uitstek zulke verbindingsfiguren waren. En in die besturen en commissies ontmoetten zij op hun beurt andere relatiemakelaars, die hen weer een brug verder konden helpen.
Meestal wordt aan die bemiddeling niet al teveel ruchtbaarheid gegeven. Maar als de ene instantie rouw betuigt kan de andere in eerbetoon niet achterblijven en rijen de annonces zich aaneen. Heel even worden daarmee de maatschappelijke structuren zichtbaar die de overledene bijeen hielp houden.
Het is iets heel persoonlijks om zo sociaal te zijn. Ook in de rouwteksten worden steeds officiële functies gekoppeld aan persoonlijke gevoelens, alsof de stellers nu pas zeggen wat de dode het liefst had willen horen bij zijn leven. Nu het te laat is? Nee hoor, daar werken mensen een leven lang naar toe.Abram de Swaan, NRC 19 augustus 1995
EXCUUS!
Abram de Swaan, NRC 26 augustus 1995Zeg, heb jij uit de reeks Ruiterlijke Schuldbekentenissen de excuses van Minister Voorhoeve?
- Je bedoelt zijn verontschuldigingen voor het verknoeien van die foto-rolletjes met opnamen van gedode Bosniërs?
Ja, maar heb je ze nou of heb je ze niet?
- De excuses van Minister Voorhoeve? Jazeker.
Fijn, hebbes. Mag ik dan uit dezelfde serie Ruiterlijke Schuldbekentenissen het 'Ik heb gefaald' van Overste Karremans?
- Het 'Ik heb gefaald' van Karremans, dat heb ik niet. Dat zit er helemaal niet bij. Jij bent in de war met Triomfen en Gloriedagen van de Nederlandse Natie: de Behouden Thuiskomst van Dutchbat. Met al die snorren. Prachtig. En nu mag ik weer. Doe mij maar uit de Historische Zelfbeschuldigingen: de Zelfkritiek van Freek de Jonge. Daar is morele moed voor nodig, reken maar. Wist jij trouwens dat die Freek de Jonge vroeger zo walgelijk links geweest is? Erg, he! Maar 't was me eigenlijk nooit zo opgevallen. En nu is hij weer zo vreselijk onlinks. Als hij niet uitkijkt moet hij straks weer aan de zelfbeschuldiging.
Freek de Jonge heb ik niet. Maar mag ik van jou koningin Beatrix in de serie Nog-net-geen-spijtbetuigingen. Spijt het d'r nu of spijt het haar niet?
- Ze is bedroefd. Dat moet genoeg zijn. Spijt is eigenlijk al tegen het landsbelang, dan zit je toch vlakbij berouw en dat is weer haast een erkenning van schuld.
Nou en?
- Wie schuld erkent moet schuld delgen. Als je erkent dat je iets misdaan hebt dan moet je het goed maken. Dan zou Nederland aan Indonesië alsnog herstelbetalingen moeten doen, en de slachtoffers van de bevrijdingsoorlog schadeloos moeten stellen.
Daar is toch geen beginnen aan?
- Natuurlijk niet. Dus kan het Nederland helaas niet spijten, dat is begrotingtechnisch uitgesloten. Maar droevig kan wel, want dat is budgettair neutraal.
O ja. Maar ik heb ze dus niet, de spijtbetuigingen van Hare Majesteit, want ze zijn er niet. Heb jij, daarentegen De Excuses van de Japanse Premier aan de Volkeren van Azië?
- Jazeker, kan je krijgen.
Excuus!
- Wat?
Excuus! Uitroep van tevredenheid bij het completeren van een reeks in het Groot Excusesspel. Nu heb ik heb het hele rijtje Verliezers van de Tweede Wereldoorlog bij elkaar. Vijftig jaar gewacht, maar eindelijk beloond met de Officiële Excuses van Japan.
- Wat kun je daarmee, helemaal? Van de keizer zelf komt geen woord van spijt. En niente schadevergoeding. Wel erkennen dat Japan alom verschrikkelijk leed heeft aangericht en toch nog verdommen om zelfs een halve eeuw na dato dat lijden ook maar iets te verzachten met een schadeloosstelling. Al die schuldbekentenissen zijn toch compleet vrijblijvend, totaliter gratuit.
Klein gedacht, benauwd gesproken. Het gaat om heel iets anders. Niet om geld, maar om zingeving. Het gaat om de symbolische betekenis van de schuldbekentenis.
- Wat is dat dan?
Wat dat is? Dat is toch duidelijk. Als je berouw ergens van hebt dan geef je daar ook mee te kennen dat je het zo nooit meer zult doen.
- Dus een Nederlandse schuldbekentenis houdt in dat Nederland niet nog eens een politionele actie in Indonesië zal beginnen. Maar het is toch totaal ondenkbaar dat Nederland ooit nog eens Indonesië zal binnenvallen.
Het betekent nog iets anders. Als je iemand je excuses maakt geef je te kennen dat zo iemand zich in de zelfde morele en emotionele wereld beweegt als jijzelf.
- Big deal! J'en suis capot. Waar moet je je anders bewegen?
Houd toch eens op met leuk te zijn. Als je een dorp plat brandt kun je je niet permitteren om te denken dat daar net zulke mensen wonen als je zelf bent, die het even erg vinden om hun huis kwijt te raken en hun ouders of hun kinderen te verliezen als jij het zou vinden. Maar als je je schuldig acht, dan ga je er al van uit dat je iets hebt aangedaan aan wezens die net zo zijn als jezelf bent, en als je dat vervolgens nog eens openlijk uitspreekt dan houdt dat al in dat je het tegen mensen hebt die de dingen ongeveer zo beleven als jij en bovendien mensen wier oordeel je belangrijk vindt.
- Maar het irriteert me, al die kokette zelfvernedering en die nuffige trippelpasjes tot halverwege de schuldbekentenis. Bovendien gaat dit misschien op tussen individuele mensen, maar niet tussen staten en volkeren.
Waarom niet?
- Omdat staten en volkeren collectiviteiten zijn, die hebben geen gevoel.
Nee, maar de mensen die elkaar een staatsverband of een volksgemeenschap aanpraten en die dus met elkaar staten en naties vormen zijn juist wèl en aan een stuk door bezig om gevoelens op te roepen. En van Den Haag tot Tokio worden nu emoties aangeroepen die verwijzen naar onderlinge overeenkomsten tussen naties. Een halve eeuw geleden ging het om emoties van wederzijdse afstoting en nu om aansluiting.
- Toevallig zijn het wel steeds de verliezers die zich zo schuldbewust en verzoeningsgezind opstellen.
Maar die verliezers waren ook de aanvallers.
- Die hadden dus nog wat goed te maken. Mag ik van jou dan nu eindelijk eens de schuldbelijdenis van de Verenigde Staten aan Vietnam?
Nog niet voorradig. En mag ik van jou de welgemeende verontschuldigingen van Frits Bolkestein aan de vroegere CPN-ers vanwege het koloniaal beleid van de gevestigde partijen waar alleen radicaal links zich toentertijd tegen verzette?
Maar, dommie, die heeft toch niet verloren!Abram de Swaan, NRC 26 augustus 1995
'S LANDS EER
Abram de Swaan, NRC 2 september 1995Ruim een maand geleden had ik het onder de kop 'Zijn wij laf?' over de aftocht van het Nederlands VN-bataljon uit Srebrenica. Toen al was duidelijk dat de Nederlandse troepen niet trouw gebleven waren aan hun opdracht om de burgers van dat stadje te beschermen. Dat was beschamend, voor die soldaten, voor het Nederlandse leger, en voor al die anderen die erop aangekeken worden: de Nederlanders.
Sindsdien blijkt het allemaal veel erger. Tegen alle instructies is een verklaring ondertekend waarin het optreden van de Bosnisch-Servische krijgsbende als correct gekenschetst werd: dezelfde troepen die eerder duizenden gevangenen mishandeld en vermoord hadden en die op dat moment of even daarna alweer aan het moorden sloegen, met medeweten van Nederlandse militairen die daar later over zouden liegen.
Overste Karremans hief het glas met zijn tegenstander en broeder in de wapenen, Mladic, die zich van deze ontmoeting repte naar het kamp waar de Bosnische mannen - wederrechtelijk - werden vastgehouden. Hij hield daar elke dag voor de bijeengedreven gevangenen heftige toespraken waarin het ging over broederschap en ook over festijnen van bloed. Die kwamen er: de mannen die daar op appèl stonden werden een paar dagen later in vrachtauto's weggevoerd en met mitrailleurs afgemaakt; hun lijken werden in een grote kuil gegooid. Een verrassing kan dit voor niemand geweest zijn, Mladic en zijn knechts deden wat ze telkens gedaan hebben als ze de kans kregen. Door het tribunaal van de Verenigde Naties is tegen Mladic wegens oorlogsmisdaden een arrestatiebevel uitgevaardigd. Overste Karremans hield voor de wereldpers en in het bijzijn van generaal Couzy en minister van defensie Voorhoeve een lofrede op deze Mladic. Alledrie, herstel, alle vier, zijn nog in functie.
Maar, zegt nu een vergoelijkende stem, het ging daar in Srebrenica allereerst erom bloedvergieten te voorkomen. Nee, want het was voorspelbaar dat de Bosnisch-Servische bendes een bloedbad zouden aanrichten onder de burgers van Srebrenica. De bedoeling was dus om de Nederlandse soldaten te beschermen, desnoods met opoffering van de burgers die zij beschermen moesten.
Wie Nederlandse jongens onder zo bedreigende en ondoorzichtige omstandigheden erop uit stuurt accepteert een risico en wie - vrijwillig - daarheen gaat aanvaardt datzelfde risico. Brandweerlieden of politieagenten komen regelmatig voor zulke situaties te staan. Maar het komt in Nederland niet voor dat de brandweer bij een uitslaande brand maar weer inrukt omdat het te heet wordt. Af en toe raken spuitgasten en politiemensen gewond en een enkele keer komt er een om. Dat zijn nu eenmaal de gevaren van het vak. De enige overheidsdienst die weigert zijn beroepsrisico te aanvaarden is het Nederlandse leger.
Hoe komt dat? En hoe groot was het risico?
Het laatste eerst: die Mladic had in het alleruiterste geval misschien wel enkele Nederlandse militairen laten ombrengen. Maar hij heeft zich laten kennen als een heel voorzichtig man, met groot respect voor de geweldsmacht van de tegenpartij. Hij bevecht alleen ongeregelde, licht bewapende troepen, hij martelt en vermoordt alleen weerloze burgers. Zijn uniform blijft daar kraakhelder bij en dat maakt grote indruk op Nederlandse militairen. Maar achter het Nederlandse bataljon, dat zich zo kwetsbaar en onmachtig voordeed, stond en staat de grootste militaire macht ter wereld: de voltallige Noord-Atlantische Verdrags Organisatie, die een voorbedachte moord op haar eigen manschappen niet ongewroken zou hebben gelaten. Dat weet Mladic, en hij wist dat Karremans dat wist en Karremans wist dat Mladic wist dat hij dat wist: op zo'n moment gaat het om lef.
Die eigenschap, 'moed' dus, bleek bij alle betrokkenen in het Nederlandse leger van hoog tot laag te ontbreken, en dat tekort werd bedekt met een reeks van leugens.
Ik kan daarvoor twee oorzaken bedenken, een sociologische en een psychologische. De sociologische verklaring luidt dat het Nederlandse leger 'maatschappelijker' is geworden, 'democratischer' en ook 'burgerlijker', met meer respect voor de eigen mensenrechten en voor de waarde van de afzonderlijke militair, maar dat daarmee ook oude soldatendeugden als 'eer' en 'trouw' zijn aangetast. De huidige militairen hebben alleen vredesjaren meegemaakt, op een enkeling na die nu bijna aan zijn pensioen toe is; het leger is niet meer voorbereid op de onmiddellijke afweging van levensbelangen in een kritieke situatie, want die had zich in geen jaren meer voorgedaan.
De kwestie heeft ook een psychologische kant: de tragische genegenheid van Karremans en zijn strijdmakkers voor hoofdman Mladic. Die is, te oordelen naar zijn optreden in de dodenkampen, een psychopaat. Psychopaten zijn vaak allercharmantst: als ze niet zo'n aantrekking wisten uit te oefenen zouden ze immers hun streken niet kunnen uithalen. De psychopaat in krijgsdienst charmeert zijn wapenbroeders met een verzorgde verschijning, een schijn van zelfbeheersing, enig machtsvertoon en minzaam optreden. Juist die mengeling van overwicht en vriendelijkheid is veroverend en kan een overweldigend gevoel van onderworpen liefde oproepen. Dat wordt wel aangeduid met het 'Stockholm syndroom' en heette eerder in de psychoanalyse 'negatief Oedipaal affect': de wrede, machtige vader kan ook goedmoedig zijn; als wij nu maar heel gehoorzaam blijven zal hij zijn macht gebruiken om ons te beschermen en zal ons met zijn liefde belonen, zelfs als daar wat straf bijkomt. Juist militairen, die in hun werk een sterk gevoel voor overwicht en onderschikking opdoen, kunnen in die val lopen.
Maar wat de Nederlandse soldaten te velde en hun bureaubazen bij de VN, in de Haagse legerleiding en op het departement werkelijk bezield en gedreven heeft, dat kan pas blijken als ze gehoord worden, en dit keer dan wel onder ede.Abram de Swaan, NRC 2 september 1995
IN HET MIDDEN
Abram de Swaan, NRC 9 september 1995Nu de herfst begonnen is woon ik in Budapest. Ik kijk uit over de heuvels van Buda en het ontbreekt mij aan niets. Laten we doen alsof ik hier een missie heb: ik moest de Vereniging van Kiezers in de Europese Unie advies uitbrengen over Hongarije; mag het de Unie in of niet? Ik kan nu al vertellen wat mijn voornaamste kriterium zal zijn: hoe gaan de Hongaren om met andere volkeren, en met de minderheden in eigen land?
Het is eigenlijk vreemd dat regeringen die tot de Unie willen toetreden hun kiezers wel in de gelegenheid stellen zich daarover uit te spreken maar dat de andere volkeren, die al in de Unie zijn, van hun regeringen niet de mogelijkheid krijgen om over die uitbreiding te stemmen. Er is weliswaar een Europees parlement, en dat wordt zelfs direct gekozen, maar het heeft niet veel in te brengen. Van mij zou de Europese Unie niet in de Europese Unie mogen vanwege een tekort aan democratie.
Ik bezocht in Budapest om te beginnen een Europees sociologie-congres. Er waren nogal wat Oost-Europeanen, maar Russisch werd alleen nog door Russen onderling gesproken, Duits klonk hier en daar gedempt in de wandelgangen, van Frans was al helemaal geen sprake. De algemene voertaal was, meedogenloos, Engels. In triomf ging de wereldtaal door de snijbonenmolens, kaasschaven, broodzagen, komkommerraspen, eiersnijders en uienhakkers van accent, tongval en dictie in het pluriforme, multiculturele, en poli-etnische Europa van na de Wende. Het was geen Brits, het was geen Amerikaans, het was de maximale individuele variatie die nog juist samengaat met minimale onderlinge verstaanbaarheid.
Op het congres bleek dat oost in west het postmodernisme had ontdekt en west zelf onderschreef het unaniem: het postcommunisme, het postkolonialisme, het postfeminisme, het postindustrialisme en het postfordisme. Wijsheid achteraf ja, in één woord 'postsofisme'. Maar waar is al dat post nu eigenlijk een pre van?
Vrijwel niemand heeft de grote omwenteling in Oost-Europa en de Sowjet-Unie zien aankomen. En niemand weet hoe het verder gaat. Het is al bijna onmogelijk om te begrijpen hoe het zo gekomen is. Het is nu vijf jaar later en tijd voor tussentijdse balansen. Op de slotzitting van het congres was een vijftal Hongaren uitgenodigd om zo'n overzicht te geven. Ze deden dat met verve. Binnenslands waren ze kennelijk politieke tegenstanders, maar voor dit internationaal publiek begonnen ze onwillekeurig te verbroederen en zochten naar een kenschets van hun onderlinge overeenkomst, zoals familieleden op een partijtje waar ook buitenstaanders op bezoek zijn: wat de Hongaar typeerde, meenden ze, was zijn gevoel voor humor, ook en juist in tijd van tegenslag. (Maar wat moet je ook met humor in tijd van voorspoed; dan heb je wel wat beters om over te lachen).
Vroeger produceerde Hongarije vooral uitnemende violisten, maar tegenwoordig brengt het land ook veel voortreffelijke intellectuelen voort. Aan musici hoor je het talent meteen af, maar bij schrijvers en geleerden komt de taal ertussen. Die mensen weten zelf hoe goed ze zijn en ook dat ze buiten het eigen taalgebied onherstelbaar onderschat worden. Dat leidt tot een toon van geresigneerde arrogantie, waar Nederlanders jegens vreemdelingen een enkele keer ook wel in vervallen ('als ik ook zelfs maar zou beginnen om dit echt uit te leggen...'). Maar de forumleden oreerden voor de vuist weg, waren informatief en onderhoudend. Ze spraken allemaal vloeiend eungels (als ze maar even kans zien spreken Hongaren de klinkers uit als 'ao' of 'eu', en hun 'no' klinkt dan ook als een bedachtzaam 'neu').
De levendigste spreker begon aan een lange grap, die ik hier helemaal ga navertellen: 'Toen Hongarije in 1941 de oorlog verklaarde aan de Verenigde Staten moest de ambassadeur in Washington die boodschap overbrengen: de hoge ambtenaar op Buitenlandse Zaken die de oorlogsverklaring had aangehoord wist er niet goed raad mee en vroeg naar de achtergronden: Maar wat bezielt jullie president?
- Wij hebben geen president, wij zijn een monarchie.
Maar wat beweegt jullie koning dan?
- Er is bij ons geen koning, we hebben een regent.
En wat heeft die dan tegen de V.S.?
- Niets, integendeel wij bewonderen en beminnen uw land.
Juist. Maar hebben jullie dan soms bezwaren tegen onze bondgenoten, tegen Engeland, Frankrijk of Polen?
- Helemaal niet. Van de Engelsen nemen we over wat we kunnen,
de Franse cultuur is sinds eeuwen onze inspiratiebron, en de Polen zijn al zevenhonderd jaar onze beste vrienden.
Ja, maar is er dan misschien iets dat u verbindt met onze tegenstanders?'
Op dit punt aangekomen raakte de verteller de draad kwijt. Een paar keer probeerde hij de grap te vervolgen, maar hij wist het niet meer. In de zaal ontstond gedempte onrust, Men bleef, als altijd bij het aanhoren van een mop, welwillend kijken, de lippen al behulpzaam gekruld in voorpret en alert om bij de minste of geringste aanwijzing, maar ook weer niet te vroeg, in lachen uit te barsten. Lang zou men dit echter niet kunnen volhouden.
Eindelijk hervatte de verteller zijn anekdote: 'Ja, zei de ambassadeur. Nu u het zegt, de Roemenen, dat zijn onze bondgenoten en uw tegenstanders.
Is het dan uit vriendschap voor hen dat u ons de oorlog verklaart?
- Welnee, aan de Roemenen hebben wij altijd al een grote hekel gehad.'
Dat was de frappe, de mop was uit. Maar wat had de spreker midden in die grap zo van zijn à propos gebracht? Wat had hij willen overbrengen, dat hij in dit Europees gezelschap bleek niet te kunnen zeggen?
Dat was een raadsel.Abram de Swaan, NRC 9 september 1995
HOE HET HOORT
Abram de Swaan, NRC 16 september 1995De Hongaren die ik in Budapest meemaak zijn op een aandoenlijke manier beleefd. Wie in gezelschap een deur door wil, merkt dat elke keer een nieuw gelid wordt geformeerd naar rang, leeftijd, en geslacht, waarbij al schuifelend een gestudeerde jonge vrouw voorrang verleent aan een oudere functionaris die dit voorrecht met een hoofdknik aanvaardt en opspaart tot een volgende deur waar de volgorde wordt omgekeerd. Een vreemdeling schuift daarbij uiteraard een paar plaatsen naar voren. Blijkbaar kunnen mensen zo'n berekening op drie, vier factoren en over een reeks deuren al wandelend en babbelend, glimlachend en buigend uitvoeren, bedreven als ze zijn in de alledaagse protocol-calculus.
De chauffeurs van de busjes die heen en weer rijden tussen het vliegveld en de stad hebben de hoffelijkheid geperfectioneerd: bij elke stop springen zij uit de auto, lopen op een holletje achterom, openen het portier, halen de koffers uit de laadbak en begeleiden de passagiers naar de ingang van hun hotel sjouwend met de bagage op een sukkeldrafje, zoals die half hollende, half lopende gang in het Nederlands wat neerbuigend wordt genoemd. De gedienstige sukkeldraf had ik voor het laatst waargenomen in India, en daar vatte ik het op als een indrukwekkend vertoon van onderdanigheid. Maar hier is het geloof ik anders bedoeld, als een blijk van moderniteit. 'Entschuldigung' zegt de chauffeur als hij zich weer achter het stuur zet. Met het dienstbetoon jegens mijn medepassagiers is immers zijn dienstverlening aan mij noodgedwongen even opgeschort en misschien heeft dat mij mishaagd. Al die consideratie met de klant lijkt de westerling ouderwets, maar hier is zoiets juist heel eigentijds. Het is vrije markt gedrag, het is een postcommunistische pantomime die aan moet geven dat niet langer het planbureau de baas is, maar de klant. Het is in alle overdrijving ook een poging tot efficiency: dat moderne ballet dat in het Westen iedereen dansen kan, maar waar ze in midden-Europa nog aan moeten wennen en waarvoor ze de eerste aarzelende passen ontlenen aan een ander repertoire, aan een choreografie die daar wel iets op lijkt en die men zich hier nog vagelijk meent te herinneren van zestig jaar geleden: de hoffelijkheid, in centraal-Europese versie (niet in de flirt versie van 'Ich küsse Ihre Hand, Madame', maar in een omhullende, zorgzame regie die alle onaangenaamheden bij voorbaat moet voorkomen).
Als ik bij de groentestal met mijn boodschappentassen sta te hannesen komt de koopman dadelijk achter zijn kraam vandaan en helpt me de ene zak in de andere te stoppen. Ik vat dit wantrouwig op, denkt hij soms dat ik hulpbehoevend ben? Maar, nee, hij wil alleen maar dat ik de volgende keer weer bij hem koop en niet bij de winkel aan de overkant. Die beweegreden voor hulpbetoon bevalt me, want ik word er niet de mindere van en ben hem bovendien geen dank verschuldigd, hoogstens klandizie.
Omdat ik in het Hongaars nog niet eens goeiedag kan zeggen spreek ik de slager aan met hello en bye, bye en nog een thanks tussendoor. Hij beantwoordt die opgewekte kreetjes met omstandige volzinnen waarachter ik plechtige begroetingsformules vermoed ('Mede namens de duizendjarige Hongaarse natie en tevens uit naam van de Kamer van Keurslagers van Budapest is het mij een groot genoegen u in mijn fijnslagerij te mogen verwelkomen'). Maar zeker weet ik het niet, het kan ook zijn dat 'wat kan ik voor u doen?' in het Hongaars veel langer duurt.
Die hoffelijkheid was in Hongarije onder het afkalvend communisme een manier om tegen het heersende regime te protesteren, vertellen mijn sociologische vrienden me. Maar het had toen ook al iets reactionairs, het verwees woordeloos naar de vormenleer die gold in de standenmaatschappij van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie: 'toen wist men tenminste nog hoe het hoorde, kregen de aanzienlijken wat hun toekwam en kenden de minderen hun plaats.' Die hele subversieve volzin kon worden uitgedrukt met een zwierig aangeboden vuurtje. Lomp en ongelikt gedrag, daarentegen, moest toentertijd vooruitstrevendheid suggereren en de gelijkheid van alle mensen. In de nieuwe wereld zou geen plaats zijn voor nodeloze fratsen die enkel en alleen hadden gediend om de hogergeplaatste te paaien en het werkvolk eronder te houden. Maar met dat al konden ook onder het communisme geen twee mensen tegelijk de deur door. Dus deed men alsof de volgorde van geen belang was en ging zelf eerst.
Ook in progressieve kringen in het Westen werden goede manieren opgevat als voze huichelarij en als verhulling van de reële verhoudingen van onderdrukking en uitbuiting. Onbeschoftheid gold al als een eerste blijk van revolutionaire gezindheid. Die gezindheid is intussen allang verdwenen, maar er zijn nog geen tafelmanieren voor in de plaats gekomen. Behoudende mensen vatten hoffelijkheid van de weeromstuit graag op als bewijs van een bijzondere fijnzinnigheid die hun exclusiviteit kan rechtvaardigen ('Niet dat ze op deze party niet welkom zouden zijn, maar ze zouden zich hier zelf niet op hun gemak voelen').
Toen nu Hongarije voorgoed doorsloeg naar het kapitalisme werd de etiquette weer tot algemeen maatschappelijke verkeersregeling. Als ik het goed gezien heb, verwijst het sukkeldrafje van de chauffeur niet naar het serviele hollen van de koetsier van zestig jaar geleden, maar naar het correct en voorkomend optreden van hedendaagse, westerse stewardessen. Maar het Hongaars postcommunistisch dienstbetoon is daar nog te persoonlijk voor, wil de indruk wekken dat het echt gemeend en innig doorleefd is: het is 'warme etiquette'. Het bedienend personeel in het laatkapitalistisch westen, daarentegen, suggereert geen oprechtheid, maar laat merken dat het alleen maar doet waarvoor het is opgeleid en aangesteld, niet minder en zeker ook niet meer: dat is 'koele etiquette'.Abram de Swaan, NRC 16 september 1995
VERGEET HET MAAR
Abram de Swaan, NRC 23 september 1995Waar anderen Heidegger hebben zitten heb ik snoepmerken: Kwatta, Venco, Baronie van Breda, Pez!
Aan Pez had ik heel lang niet gedacht tot ik ze hier in Budapest weer tegenkwam: kleine, platte rechthoekige pepermuntjes met een opstaand randje dat even over de tong ging en je al meteen voor dat allesbeheersend dilemma stelde, waar het in het snoepen wezenlijk om gaat: doorbijten of blijven zuigen. Snoep kauwen geeft veel korter genot, maar ook veel heviger. Zuigen duurt. Ik was en ik ben nog steeds een kauwer en ik neem me al mijn hele leven voor om het volgende snoepje zoetjes aan op te zuigen totdat tussen tong en verhemelte niets meer rest dan een laatste vleug van smaak. We zijn hiermee diep in de bekentenisliteratuur geraakt. Maar goed, het was eruit voor ik het wist.
Het blijkt dat ik tientallen snoepmerken ken: Mars, Bounty, Nuts, Twist, M&M en Lila Pauze... Allemaal ballast. Als die namen niet in mijn hoofd zaten, kon ik nu misschien Heideggers Sein und Zeit uit het hoofd citeren, of de geologische tijdperken in goede volgorde opzeggen, of alle officiële talen van India noemen. Maar de snoepmerken gaan niet weg.
In de jaren Artis, toen ik geregeld naar de Amsterdamse dierentuin ging, introduceerde de fabrikant van Pez (spr. uit: pez) een plastic kokertje waar de pepermuntjes, gedreven door een in de bodem bevestigde spiraalveer, uitsprongen wanneer je het dekseltje openklikte; het was een soort snoepaansteker. Dit waren ook de hoogtijdagen van Frujetta, een plat rond drageetje, enigszins dof afgewerkt over een donkere suikerglans, maar in wezen niet meer dan een zuurtje in handige rolverpakking. Frujetta was een Noorse gravin die nog tegen de nazi's had gestreden, vandaar dat er een snoepmerk naar haar vernoemd was. Pas veel later kwam Frutella, een wuft nest dat die eer helemaal niet verdiende, en wier naam gebruikt werd voor een vierkante toffee met vruchtensmaak (was het soms een 'kauwbonbon'?) Sedertdien hebben Frutella en Mentos de wereld veroverd: van Mysore tot Ziguinchor liggen die rolletjes bij de kassa, of worden met andere zoetwaar in manden op het hoofd gedragen, in zadeltassen over bergpassen gesmokkeld en waar zelfs Heineken nog niet heeft weten door te dringen zijn Mentos en Frutella, uit dat kleine landje bij de zee, present.
Kort geleden vertelde iemand op de televisie dat alles wat de mens waarneemt in de hersens wordt opgeslagen (dus ook dit blijft u voor de rest van uw levensdagen bij). Net als met die bewakingscamera's, zou dan ook bij de mens als het ware altijd een videoband meelopen, en een geluidscassette en ook nog een geurspoor en een tastprotocol. Alles wordt dan voorgoed vastgelegd. Het probleem zit hem niet in de gegevensopslag, die is blijkbaar onbeperkt, maar in het terughalen van die opnames. Na verloop van tijd, of bij een overmaat aan gegevens, kan men zich soms iets niet meer voor de geest halen wat toch ooit eens is waargenomen of gedacht. Maar voor mensen maakt het niet veel uit of die informatie nu uit hun neuronen is gewist of voorgoed onvindbaar voor hen is geworden: ze kunnen er niet meer opkomen, al doen ze nog zo hun best.
Over die onvermijdelijke vergetelheid is veel en weemoedig geschreven, veel meer dan over de tegenhanger, de onontkoombare onthoudelheid: tot de dood toe blijft van alles wat eens gezien, gehoord of gedacht is in de herinnering terugkeren, zonder rijm of reden, ongewild en onbegrepen. De band staat altijd aan en neemt een stroom van zinloze feiten en loze gedachten op die zich dan na jaren opeens onaangekondigd in het bewustzijn melden.
Tjoklat, Cote d'Or en Meurisse, Verkade, Bensdorp, Droste, Bonbon Bloc, Lindt, Hershey en Suchard. Je kunt je van die geheugenresten niet ontdoen, al zou je nog zo graag willen. Integendeel, wie iets wil vergeten denkt alleen daardoor al eraan.
Van mijn snoepmerken kom ik nooit meer af, en van de tweehonderd automerken ook niet. Die zijn me voorgoed ingeprent, toen ik per ongeluk even die kant opkeek of onwillekeurig een paar flarden opving: gepenetreerd door reclame, propaganda, prediking, allemaal kleine invasies van de hersenen die blijvend hun sporen inkerven.
Maar nu ze toch eenmaal in mijn en andermans geheugen gegrift zitten, is er van die merken misschien nog iets te maken. Er moeten al honderden merknamen zijn die over de hele wereld bekend zijn. Miljarden mensen kennen klanken als 'Swatch', 'Ford', 'Shell'. Ze vormen het aanvangsvocabulair van een nieuwe wereldtaal, een soort Esperanto, maar dan met woorden die al mondiaal verbreid zijn. Als de reclame op zou houden de betekenis van die termen voor zich op te eisen, zouden die aanduidingen waarschijnlijk vanzelf generaliseren van merk naar soort. Coca Cola zou de naam worden van alle zoete drankjes met prik, zoals nu al Aspirine niet voor het produkt van Bayer staat maar voor alle hoofdpijnpilletjes. Die merknamen moeten dus alleen nog onteigend worden om soortwoorden te kunnen worden. Daar is een grammaticale regel voor nodig. Met het voorvoegsel 'ke' wordt een woord van merk tot soort: 'keshell' betekent benzine, 'kelevy' is spijkerbroek en 'kenike' gymschoen. Dit zal de mensheid zo goed bevallen dat men naar nieuwe mogelijkheden gaat zoeken. Het voorvoegsel 'da' wordt ingevoerd om een merknaam te veranderen in het naastbije bijvoeglijk naamwoord: 'dashell' is te vertalen als 'vluchtig, brandbaar'. Met het voorvoegsel 'to' verandert een merk in het meest verwante werkwoord: 'tohonda' gaat rijden betekenen, 'tonike' uiteraard lopen, of hollen.
Voor de volgende les dient u alvast het Engels volledig te vergeten.Abram de Swaan, NRC 23 september 1995
COMPUTERTIJD
Abram de Swaan, NRC 30 september 1995Computers waren een kwart eeuw geleden manshoge en kamerbrede kasten met hier en daar een ruitje waarachter magneetbanden heen en weer flitsten. Ze stonden, gekoeld en bewaakt, in afgesloten ruimten waar slechts operators werden toegelaten. Hoewel ik toen dag in dag uit met die machines te maken had, kan ik me niet herinneren dat ik ooit in de eigenlijke rekenkamer werd toegelaten. Ik gaf een grote doos ponskaarten af bij het loket en na een paar uur lag die stapel kaarten er weer met ernaast een grote stapel harmonicapapier, waarop het programma was afgedrukt, met de resultaten. Dat programma had ik geschreven in FORTRAN, een computertaal. Als er op de vele tientallen, later honderden kaarten ook maar een komma of een haakje verkeerd stond, kwam na die urenlange wachttijd het hele geval terug met een foutmelding. En zo door totdat na dagen, weken, maanden het programma eindelijk functioneerde.
Het werd met die computers altijd nachtwerk en er waren nogal wat vreemdelingen, zonderlingen en minderlingen mee bezig, want de computer vergde het uiterste aan precisie en geduld, maar verlangde geen contactuele kwaliteiten en geen sociale vaardigheden.
Het grootste deel van de tijd waren de computers buiten werking, er was altijd wel een storing en als ze eens functioneerden, dan bleken de ingevoerde programma's fouten te bevatten. Er zijn met die machines zeeën, oceanen, stratosferen van tijd verdaan. En hoewel alles in beginsel op alles paste, klopte de aansluiting tussen twee machines in feite nooit. Die mooie zomermaand van een kwarteeuw geleden verdeed ik met het aan de gang krijgen op de IBM 360 van een programma dat voor de CDC 6400 geschreven was.
Na gedane zaken bekoelde mijn fascinatie met computers en jarenlang bemoeide ik me er niet meer mee. 'Woordmensen hebben er ook niets mee te maken', beweerde ik, 'want die machines rekenen en redeneren alleen maar.' Daar heb ik ongelijk in gekregen.
De eerste tekstbewerkers zag ik, opnieuw, in Amerika, in 1982. De gebruikers zaten elk aan een scherm met een toetsenbord dat verbonden was met de centrale computer waar de eigenlijke bewerkingen plaats vonden. Die computer was inmiddels een stuk kleiner, ongeveer zo groot als een koelkast en hij stond gewoon tussen de kantoormeubels. In datzelfde jaar zag ik ook de eerste personal computers. Er waren toen al kleine, draagbare exemplaren waarmee academici wegliepen: de Osborne en de Kaypro waarop met Wordstar teksten konden worden bewerkt. En even later verschenen de PC's van IBM in Nederland.
Eigenlijk is er maar één belangrijk verschil tussen een elektronische tekstbewerker en een schrijfmachine: met een computer kun je de tekst onbeperkt veranderen. Dat maakt het makkelijker om een tekst te beginnen en nog moeilijker om hem af te maken, want het kan altijd beter. Alle nieuwigheden die sindsdien zijn toegvoegd zijn snufjes die niets toevoegen aan de tekst in het tijdperk van zijn onbeperkte verbeterbaarheid.
Vervolgens zijn die afzonderlijke personal computers weer aan elkaar gekoppeld in netwerken, plaatselijk en wereldwijd. En daarmee is het briefverkeer teruggekeerd, dat onder het regiem van de telefoon aan het verdwijnen was: korte, losweg geschreven boodschappen die binnen een paar minuten op hun bestemming zijn; briefjes dus, maar dan heel snel. Eigenlijk heeft de fax dezelfde functie als die E-mail: op mijn computer kun je allebei ontvangen of versturen en zijn ze al vrijwel verwisselbaar.
Met die elektronische netwerken zijn nu ook de catalogi van de meeste grote bibliotheken in de wereld toegankelijk geworden. Dat is opzienbarend maar van minder belang dan de electronische toegang tot nabije bibliotheken waar je titels kunt zoeken en boeken kunt laten klaarleggen.
Het was te verwachten dat met deze technische ontwikkelingen de secretaresses zouden verdwijnen, want ieder typt zijn eigen werk van klad tot net. De pure typistes zijn inderdaad grotendeels verdwenen, maar het secretariaat is er kennelijk niet minder druk mee geworden.
Heeft die innovatie de mensen nu vrijgemaakt voor interessanter, creatiever bezigheden? Tot nog toe is er vooral veel tijd verloren gegaan met het invoeren en aanleren van telkens nieuwe programma's die in de eerste tijd allemaal gebrekkig functioneren. Sommige mensen beschouwen het installeren en instuderen van een nieuw programma op zich als een interessante en creatieve bezigheid, maar nog iets meer mensen worden er alleen maar doodongelukkig van.
Er gaat van die electronisering van het dagelijks leven een onontkoombare fascinatie uit. Niemand kan zich helemaal onttrekken aan het idee dat zich hier een nieuwe epoche aankondigt en dat wie daar niet aan mee doet al bij zijn leven onherstelbaar achterop raakt. Met rekenen is dat vast en zeker waar, maar met schrijven is er eigenlijk niets dat niet ook gedaan kan worden met een potlood, een vlakgom, een schaar en een pot lijm. Het voordeel van de elektronische post boven de telefoon is ook al minimaal. Maar het gaat niet zozeer om wat wordt opgeschreven en overgeseind, als wel om de connecties die daarmee gelegd worden. Met een potlood gaat het ook, maar elke redactie eist nu persklare ('camera ready') kopij in standaard opmaak gecodeerd met een alom gangbaar programma voor tekstbewerking. Wie nu nog geen elektronisch postadres heeft loopt kans te worden uitgesloten van het vooroverleg onder collega's en een buitenstaander te worden. De nieuwe mogelijkheden leiden er ook toe dat steeds hogere eisen gesteld worden, bijvoorbeeld aan spelling, opmaak en presentatie. Dus wordt wat eerst een mogelijkheid voor weinigen was al gauw een noodzaak voor iedereen.Abram de Swaan, NRC 30 september 1995
DE VERMOORDE ONSCHULD
Abram de Swaan, NRC 7 oktober 1995Ver van huis en van alledaagse sleur bevrijd ben ik verslingerd geraakt aan CNN en NBC Superchannel. Ik ben hier in Budapest dan ook zeer vertrouwd met het on-Hongaarse hoofd van O. J. Simpson en ik kan me gewoonweg niet voorstellen dat zo iemand, die toch als het ware een huisgenoot is geworden, zijn vrouw en zijn rivaal niet heeft vermoord.
Niet vaak hebben zoveel mensen zolang tegen hetzelfde hoofd aangekeken. O. J. Simpson is dan ook geknipt voor een klinische les, en wel in de omstreden diagnose 'mannelijke hysterie'. Simpson blinkt uit in het mimisch weergeven van het gevoel 'ik toon geen gevoel'. Strijkt er toch een aandoening over zijn geciseleerde gelaat, dan is dat altijd de meest voor de hand liggende expressie van de meest voor de hand liggende emotie, maar - dat wel - met een minieme vertraging: Alsof hij even niet had opgelet. Dat is de milliseconde waarin Simpson denkt 'nu moet ik iets voelen', dan vertoont hij die gepaste expressie en zien wij zijn gevoelsuiting, en dan pas merkt hij dat anderen iets aan hem beleven en veronderstelt dat dat zijn emotie is. Dit is het hysterisch gevoelsmechanisme.
Kenmerk van de hysterie is de theatrale expressie.
De grote hysterie is vrijwel geheel verdwenen. Maar het grandioos acteren bestaat ook niet meer. Theatraal is vandaag de dag niet het grootse gebaar en het pathos in de dictie, maar de klein gehouden, sterk geïntensiveerde expressie die bij het beeldscherm past. De hysterici zijn veranderd met de acteurs en O.J. Simpson vertoont een post-pathetische pathologie. Maar dat is niet zijn schuld.
De jury had maar enkele uren nodig om de beschuldiging tegen Simpson af te wijzen. Ik kwam, na minder grondig onderzoek, tot de omgekeerde conclusie en mijn indruk stemt overeen met die van de meeste experts die zelf niet bij het proces betrokken waren: het was een simpele zaak. Driekwart van de blanke burgers meent dat Simpson schuldig is en twee derden van de zwarte Amerikanen gelooft aan zijn onschuld.
De jury in het proces Simpson bestond uit tien vrouwen en tien zwarten; omdat er maar twaalf gezworenen waren moeten dus minstens acht vrouwen zwart geweest zijn en acht zwarten vrouw. Nu hadden die juryleden op velerlei manieren vooringenomen kunnen zijn: de tien vrouwen zouden kwaad kunnen zijn op een man die - dat stond buiten kijf - regelmatig zijn vrouw zwaar mishandelde. Ze hadden ook als modale of zelfs sub-modale inkomenstrekkers rancuneus kunnen zijn omdat Simpson zich kon permitteren om zo'n tien miljoen dollar aan proceskosten te spenderen. De acht, negen of tien zwarte vrouwen zouden zich kunnen ergeren aan een zwarte man die met een blanke vrouw getrouwd was en zich niet veel aantrok van de zwarte gemeenschap, een assimilant kortom. Allemaal redenen om als donkere of vrouwelijke vooringenomen te zijn tegen O. J. Simpson. (Trouwens, eigenlijk ook allemaal redenen om als lichtere of mannelijkere bevooroordeeld tegen hem te zijn)
Zij hadden, die donkere juryleden, ook een reden om juist vóór Simpson geporteerd te zijn: een zwarte man in het beklaagdenbankje; daar hebben negers te veel en te vaak gezeten en zelden is hun recht gedaan. In het geval van Simpson waren er ook persoonlijke redenen om vóór hem ingenomen te zijn: hij is een sportheld, een beroemdheid, en een bijzonder knappe man. Zou je over zo iemand als je maand in maand uit oog in oog met hem zat een oordeel uitspreken dat kan leiden tot levenslang of misschien zelfs de doodstraf? Juryrechtspraak moet blijkbaar snel gebeuren, anders krijgt het meegevoel de overhand.
Maar er gebeurde nog iets anders in het proces: het laboratoriumonderzoek bleek een knoeiboel en minstens een getuige was een habituele leugenaar, een vervalser van bewijzen en een ingevreten negerhater. Met zijn opgekamde sportkoppie had hij als getuige een goede indruk gemaakt ('Nee, "nikker", dat nare woord, dat had-ie van zijn levensdagen nooit gezegd'. Toen had ik meteen al moeten weten dat daar iemand zijn kop van zijn romp zat te liegen). De detective werd met zijn eigen woorden ontmaskerd: hij had op de band nog wel erover opgeschept hoe hij en zijn makkers met valse getuigenis en vervalste bewijzen zwarten achter de tralies hadden weten te krijgen. Er zijn in Nederland zwaardere verdachten dan O.J. Simpson op veel geringer gronden ontslagen van rechtsvervolging.
Los Angeles is de stad waar stom toevallig op de video werd opgenomen hoe anderhalf dozijn agenten een verward lastpak, Rodney King, half dood schopten. Desondanks werden ze in eerste instantie op één na allemaal vrij gesproken. Na hevige onlusten leidde een nieuw proces tot veroordelingen en na een intern onderzoek werden drie dozijn agenten voorgedragen voor ontslag. Dertig daarvan doen nu nog gewoon dienst. Ondanks alle politiegeweld en politiepoeha is Los Angeles een van de misdadigste steden ter wereld, waar mensen zich van hun innig beveiligde woning slechts durven spoeden naar hun zwaar bewaakte kantoor in een voortrazende stalen capsule. In die stad heerst een voortdurende oorlog tussen maffiabendes en de grootste van die gangs heet LAPD: verheerlijkt in de gelijknamige televisieserie. Die losgebroken politiemacht terroriseert in Los Angeles de zwarten en Mexicanen.
Ik denk dat de jury in het proces tegen O. J. Simpson van oordeel was dat bewijsmateriaal of getuigenverklaringen van de politie van Los Angeles geen geloof verdienen. Dat lijkt mij terecht en het is een doodklap voor de LAPD. Geen volgende verdachte kan zich ooit nog zulke advocatenkosten permitteren, maar elke volgende jury kan wel weigeren om een beklaagde te veroordelen op grond van bewijzen en getuigenissen die van de politie afkomstig zijn. Dat is dan te danken aan O. J. Simpson, zijn duurbetaalde advocaten en de twaalf zwaarbeproefde, moedige leden van de jury.Abram de Swaan, NRC 7 oktober 1995
NEM ÉRTEM
Abram de Swaan, NRC 12 oktober 1995Als een dove leef ik hier, een stomme, en nog leesblind ook. Ik ken geen Hongaars en alle andere mensen wel. Ik ben omgeven door een zacht gemurmel van onderling begrip, maar mij zegt het niet meer dan het kwetteren van de vogels of het ritselen van de bladeren. Soms scheur ik één, twee woorden uit mijn mond: 'gehoete tahg!' Liplezend, stamelend en op de tast beweeg ik me door de stad. De tekens aan de wand versta ik niet en van de reclameplaten herken ik alleen de merken waaraan ze gewijd zijn
. In mijn huis kan ik zelfs de titels in de boekenkast niet begrijpen. De vrouw met de tas vol paperassen die aanbelt wil geld, zoveel is me wel duidelijk, en ook dat zij geen bedelares is en mij niet komt beroven, maar of ze nu om de elektra komt of van het ziekenfonds of voor de krant, ik weet het niet. Wat is trouwens 'vorige bewoner' ook weer? Ik ken alleen maar 'huis' en 'woont hier niet'. Zij komt tegemoet aan mijn handicap en gaat steeds harder praten; tot slot betaal ik maar, maar wat?
Ik beklaag me niet, mijn toestand is niet ongeneselijk, kan alleen maar beter worden. Ik mag zoveel woorden leren als ik wil en met elk nieuw woord klaart de wereld verder op. En zo moeilijk is Budapest nu ook weer niet te duiden, het is eigenlijk net een Amsterdam waar wat meer is overgebleven uit de jaren vijftig en zestig. Ik heb maar weinig tekst en uitleg nodig. Bovendien is er nog een vreemdengeleidemens die mij regelmatig bijstaat met moeilijke opgaven zoals kaartjes bestellen of boeken zoeken. Trouwens, heel wat Hongaren spreken mijn doventaal en leggen mij in vloeiend Engels uit wat ik weten moet.
Maar toch. Anders dan in de meeste Europese talen laat in het Hongaars haast niets zich raden. De taal is ver verwant aan het Fins, in het geheel niet aan de buurtalen en heeft daar ook niet veel woorden aan ontleend. Met alle accenten op de klinkers en met de aaneengeplakte woordvormingen ziet het Hongaars op schrift eruit als de partituur van een duet voor fluitketel en stoompan.
Zoals zovele gehandicapten leef ik met een grootheidswaan: ik ken eigenlijk al Hongaars. Om heel eerlijk te zijn: ik ken alle talen al. Ik moet ze alleen nog even leren spreken. Zoals Socrates de slaaf het bewijs ontlokte voor de stelling van Pythagoras, zo zal ik weldra bevallen van een fors en welgeschapen Hongaars dat met bewonderend gekir en verheugd gejuich zal worden ontvangen: 'Sssst, hij spreekt, onze vreemdeling. Hoera!'
- welzeker, vrienden, schaart u om mij heen en luistert naar mijn relaas.
In deze fantasie speelt spreken onmiskenbaar een grotere rol dan luisteren. Ze gaat terug op een kindergedachte: het kan niet anders of elke taal laat zich in de andere omzetten met een simpele sleutel. Van het Nederlands kom je naar het Engels door voor elke letter in het alfabet zijn vaste tegenhanger in de andere taal in te vullen en met het Frans gaat het al net zo. Voor elke taal hoef je dus maar zesentwintig omzettingen te kennen. Dit is een veel waarschijnlijker veronderstelling dan dat je voor elk van de vele tienduizenden woorden een ander woord zou moeten invullen, maar ze is helaas niet waar en die van woord voor woord wel.
Het onbestemde voorgevoel dat een vreemde taal toch eigenlijk al vertrouwd is bleef me bij. Misschien is een taal een soort muziek die je kunt nazingen als je hem eenmaal gehoord hebt. Op de fiets naar school neuriede ik het Frans:
Branze lagronke kirpasse. Dat leek. Nu moest ik alleen nog fransen tegenkomen die het zouden verstaan. Engels kon ook. Ik scandeerde: Pits the mekker an de slop. Pits ut blity arop. Canadese soldaten zouden hier geen enkele moeite mee hebben.
Vreemd dat je dit op school niet verteld werd.
Soms hoor je een muziekstuk en denk je dat je de woorden kent die bij die klanken horen, bijna. Of iemand spreekt je toe in een volslagen onbekende taal en toch heb je het gevoel dat je het begrepen hebt, maar de woorden willen nog niet komen, net niet. Een illusie van begrip. Maar begrip is niet zoveel beter.
In een oude Kronkel beschrijft Carmiggelt hoe hij de buren boven hoorde ruziën. Verstaan kon hij het niet. Maar hij moest en zou weten wat ze zeiden. Hij klom op de linnenkast, drukte zijn oor tegen het plafond en luisterde: 'Ron, ron rilla' sprak de man - in de notatie van Carmiggelt.
Zelden heb ik tussen man en vrouw een zo intens verwijt gehoord. Maar als ik zou moeten zeggen wat hij haar zo kwalijk nam dan zou ik het niet weten, niet meer.
De onzingedichten uit Alice in Wonderland roepen precies dezelfde gewaarwording op dat ze vervuld zijn van betekenis: de lezer heeft ze helemaal begrepen, hij kan alleen niet zeggen waar ze dan wel over gaan. De woorden zijn vlakbij, voorop zijn tong, maar hij kan er nu niet opkomen, nog even niet, of al niet meer.
De kindergedachte luidt dat er eigenlijk maar één taal is en dat alle talen daar eenvoudig van zijn afgeleid: iedereen kan in beginsel alles verstaan. Als waandenkbeeld komt dat voor bij geesteszieken of bij mensen die in religieuze extase verkeren en dan 'in tongen spreken'.
Ik denk dat mensen heel snel een patroon herkennen in een reeks klanken of beelden en dan vanzelf beginnen die reeks te duiden, verder te ordenen en er betekenis in te leggen. Ongeveer zoals je het gebrabbel van een klein kind herkent als een begin van spreken en het kind dan aanvult, het kind helpt om uit zijn woorden te komen. Maar soms is er in een klanken- of beeldenreeks wel structuur, maar geen betekenis, of is die betekenis er niet zonder meer uit te halen. Dan dringt zich de gewaarwording op dat je het wel begrijpt, maar toch niet kunt zeggen wat het betekent.
Zo vergaat het mij in Hongarije, tot nog toe: Nem értem, ik begrijp het niet. Érti?Abram de Swaan, NRC 14 oktober 1995
DE MARKT OP
Abram de Swaan, NRC 21 oktober 1995Wie een abonnement neemt of per postorder een bestelling doet loopt grote kans om op een lijst te komen, een lijst van dat soort mensen. Het kan best zijn dat zo'n soort mens zich helemaal niet rekent tot dat soort mensen of het niet weten wil of er niet eens weet van heeft, maar op die lijst daar kom je en je komt er niet zo gauw van af. Je wordt voor twee dubbeltjes doorgegeven aan de namenhandel.
Een hoogst enkele keer vergist zo'n firma zich in het profiel en dan wordt de post bij de verkeerde bezorgd. Tenminste, ik hoop maar dat ik niet echt wordt aangezien voor de categorie van wie ik soms de post krijg. Ik vermoed dat men daarbij 'de kleine en/of beginnende belegger' in gedachten heeft (in de branche de term voor 'sukkel). Mij bereikt dan het dringend, zelfs enigszins bezorgd advies om te beleggen in Australische kopermijnen of land te kopen in de Amerikaanse staat Florida. Een paar weken later kan ik me wel voor de kop slaan dat ik vergeten ben tijdig de coupon in te sturen.
Wat ben ik een jaar later blij dat ik me toen voor de kop geslagen heb.
Maar mijn naam wordt ook doorgegeven aan wuftere instanties. De eerste gevolgen lijken nog vleiend en verrassend. Onverwacht arriveert de enveloppe met uitnodiging in handschrift (weliswaar voorgedrukt, maar toch), voor een champagneontbijt bij de Rover dealer, of een brochure met ingeplakte kleurenfoto van een Cartierparelcollier, nog twee weken verkrijgbaar met speciale introductiekorting. Daar kan ik me iets bij voorstellen.
'Kijk liefste, omdat we op drie maanden na dertien jaar getrouwd zijn, heb ik voor jou, je raadt het nooit, het Cartiercollier met twaalf gegarandeerd kweekechte parels, tel ze maar na.
Dat had ik niet moeten doen? Dat móést ik doen, nu, met kennismakingskorting en 50 Aeroclub punten, en ik houd er zelf nog een bijpassende zwaar vergulde dasspeld aan over, aardigheidje van Cartier.'
'En weet je wat zo leuk is, straks springen we in de wagen en rijden gelijk door naar Rosmalen voor een champagneontbijt bij de Rover dealer. Maken we er een feestelijk weekendje van.'
Afgeprijsde parels, ontbijten bij de dealer, gratis champagne in de showroom... Het is duidelijk dat de doelpopulatie voor deze wervingsacties bestaat uit mensen met een vrij bestedingssurplus, maar meer ook niet. Zet daar nu eens het profiel van de boven-mediane media-gebruiker tegenover: de NRC/AH/'Z'/Mijn-zinnen lezer, hoog opgeleid, cultureel zeer geïnformeerd, niet onknap van voorkomen, geestig en toch smaakvol, en in de al iets rijpere levensfase nog zeer vitaal functionerend, met krachtig zelfgevoel en uitgesproken overtuiging nochtans openstaand voor nieuwe trends, iemand die luxe verafschuwt maar kwaliteit waardeert, gaarne tijdens de strandwandeling een goed glas wijn in de open haard kiepert en die zich van zijn levensdagen niet opgeeft voor de schitterende publicatiereeks 'De Losbladige Abram de Swaan' in slagaderbedreigende klemband met 10 jaarlijkse afleveringen van plm. 20 pp. à 15ct p.p. die u van maand tot maand op de hoogte houden van de meest recente ontwikkelingen in het denken van dit hoogwaardig porseleinen theeservies bestaande uit 62 onverslijtbare en onverwoestbare onderdelen, alle met meesterhand gegraveerd met de persoonlijke initialen van William Shakespeare wiens onvergankelijke, slagvaste en inflatie-bestendige oeuvre hiermede nu voor het eerst ook binnen uw bereik komt. Vandaag. Bij de Rover-dealer. Met gratis geschenk. Proost.
Het werd me even teveel.
Waarom market niemand mij eens?
Het gaat goed met de krant. Het kan nog beter. Deze rubriek is na een verliesgevende aanloopfase nog nipt in de rode cijfers. Ook hier gaat marktgerichter gewerkt worden.
Op dit zelfde moment zijn de Telepanel-marketeers van NRC-Handelsblad, afd. 'Z', equipe Mijn zinnen, alweer druk doende het draagkracht-profiel van mijn publieksegment nader bij te stellen. Zij doen dat, die keihard werkende jongens en meiden van NRC-Telepanel, elke zaterdagmiddag als de lezers net op hun gemak achter de krant zitten, (knabbeltje, hebbedingetje bij de hand) met onstuitbaar enthousiasme, echte opbelhelden. Zodra de krant is opengeslagen, 'rrrring', gaat de telefoon en verkneuterd van de voorpret valt de enquêteur/euse met de hoorn in huis: 'En bevalt-ie?'
- Bevalt-wat?
'De nieuwste NRC/Handelsblad van vandaag'.
- Toe jô, hoepel op, ik ben net bij Bosnië.
Tien minuten later gaat de telefoon weer: 'En hoe bevalt-ie nu, al een beetje beter?'
Naar gelang van de antwoorden die hij (als het een enquêteur is), of zij (als het een enquêteuse is) krijgt, worden de stukken door de - keihard werkende - redactieploeg journalistiek fijn-getuned.
En zo kan dus de krant zo optimaal mogelijk in elkaar gezet worden voor uw maximale leesgenoegens, thuis, op kantoor, in de trein of gewoon achter het stuur van uw Rover in gedekt champagne kleurstelling.
Maar sorry, ik moet er nu even uit, want ik ga met de collega's en collegaatjes van het - keihard werkende – Mijnzinnen-team in de slag om aan de hand van de laatste lezerstrends een goede slotzin te lanceren.Abram de Swaan, NRC 21 oktober 1995
Abram de Swaan, NRC 28 oktober 1995
Vijfenveertig jaar lang was Hongarije een vazalstaat van de Sowjet-Unie, maar nauwelijks vijf jaar later is er van Russische invloed hier haast niets meer te bespeuren. Wat nog het langst beklijft is het sowjet-beton, waaruit in de buitenwijken de flatgebouwen en in de binnenstad de monumenten opgetrokken zijn: grote platen van halfbakken mortel die op de rand verkruimelen, overlangs traag en onstuitbaar barsten en tot in het hart zijn aangevreten door betonrot: aanschouwelijk onderricht in de instorting van een wereldrijk.
Over Sowjet-design moet gauw iemand een studie schrijven, nu er nog iets van rest: onmiskenbaar lag het creatief moment van het communistisch ontwerp vroeg in de jaren vijftig en greep terug op Bauhaus, tot in het homeopathische verdund Er was toentertijd (ook in het Westen) korte tijd een onbeperkt vertrouwen in nieuwe kunststoffen, in ijzerdraad en chroom. In het Sowjet-blok bleef dat materiaal in zwang, de fabrieken stonden er nu eenmaal en men had iedereen behalve een flat ook een complete woninginrichting beloofd en een tweetaktautootje met een carrosserie van plastic. Daar is nog veel van over en dat alles is een beetje stuk en aan vervanging toe, maar voor iets nieuws is nog geen geld: men spreekt, meen ik, in zo'n geval van een historische overgangsfase, waarin een complete categorie spullen, nog tijdens hun gebruik, eigenlijk al tot de vuilnis horen.
Te verwachten is dat heel het Sowjet-imperium geen spoor zal achterlaten in Midden-Europa. Ook van de Russische taal wordt nu al geen woord meer vernomen. En toch waren nog maar een paar jaar geleden opschriften, circulaires en allerlei officiële teksten in die taal gesteld, en was veel Cyrillisch schrift in Sowjet-beton of brons gegoten. Ook de geheugens moesten planmatig met Russisch worden volgestort. Al op de lagere school werden alle leerlingen van de eerste klas af aan in de Sowjet-wereldtaal onderwezen, twee tot vier uur per week, tien, twaalf, veertien jaar lang.
En toch, het is haast niet te geloven, spreekt vrijwel niemand van de generaties die onder het communisme naar school gegaan zijn in de landen van het oude Oostblok ook maar een woord Russisch. De eerste keer dat ik dat constateerde was in een werkgroep van studenten die uit bijna alle Oost-Europese landen afkomstig waren: alleen de Rus en ik weigerden aan te nemen wat alle anderen bij hoog en laag volhielden: ze verstonden en ze spraken geen Russisch, niks, ninc, nitsjewo. Van al dat jarenlange onderricht was geen naamval, verbuiging of vervoeging blijven hangen.
Hoe kan dat nou? Ja, hoe kan dat nou? Het leek hun volstrekt vanzelfsprekend en zelf hadden ze er nooit zo bij stil gestaan. Maar het onderwerp werd wat giechelig afgedaan. Kennelijk liet men zich op die onkunde van het Russisch een beetje voorstaan. Het was een daad geweest van patriottische hardleersheid. Een lijdelijk verzet, uur na uur, jaar na jaar volgehouden, niet door één dwarse leerling, maar door de hele klas; niet in één jaargang maar op de hele school; niet in één rebels gebied, maar overal in de wingewesten van het uitgestrekte Sowjet-rijk. Het ging hier kennelijk om een zeer wijd verbreide maar toch nooit eerder beschreven sociaal verschijnsel: de collectieve taalafweer.
Eén van de studenten uit die werkgroep, Ann Vogel, schreef haar scriptie over dit vreemde fenomeen in haar geboorteland, de DDR. Ze maakte daarin aannemelijk, wat ik aanvankelijk niet geloven kon, dat het merendeel van de scholieren in al die duizenden lesuren inderdaad nagenoeg niets geleerd hadden. Het was niet zozeer dat ze een weliswaar verworven taalkennis achteraf loochenden, al komt ook dat voor, de meesten hadden helemaal niets opgestoken uit weerzin tegen het Russisme.
Het Russisch werd in het Oostblok niet onderwezen als zomaar een taal, maar als het uitverkoren medium in het vriendschappelijk verkeer van alle broedervolkeren onder de banier van het communisme; die inspanning voor het Russisch was men het Sowjet-volk wel verplicht vanwege de grote offers die het gebracht had in de bevrijding van Europa van het fascisme. Kortom, je leerde in die taallessen dus niet alleen hoe je het zeggen moest, maar ook wàt je zeggen moest. En dat viel verkeerd bij de leerlingen.
Van dat vriendschappelijk verkeer kwam trouwens niet veel terecht, want op groepsreisjes naar de Sowjet-Unie werden de leerlingen angstvallig van de plaatselijke bevolking afgeschermd en ook de verbroedering met de Sowjet-soldaten in eigen land werd van hogerhand niet bevorderd. Kwam het al eens tot een ontmoeting met scholieren uit andere landen van het Oostblok dan bleken die al even onbekwaam in het Russisch en werd al gauw Duits gesproken en meer en meer ook Engels. Na het eindexamen werd bij sollicitaties helemaal niet naar vaardigheid in het Russisch gevraagd. Kortom, de leerlingen hadden al vlug door dat je er niets aan had, aan die Russische les.
De leraren Russisch werden voor sukkels aangezien die voor niets anders geschikt waren, en een leerling die in de les zijn best deed werd afgedaan als een stroopsmeerder en een pluimstrijker. De scholieren zaten ostentatief te gapen en uit het raam te kijken en die prachtige Russische taal vond alleen nog weerklank tegen de kale muren van het klaslokaal.
Nu is dat allemaal voorbij. Russisch wordt nauwelijks nog onderwezen, op de scholen strijden Duits en Engels om de voorrang, in de winkels worden Engelse en Duitse cursussen om het hardst verkocht. Al die moeite en al die verveling, het was allemaal voor niks.
Maar een paar duizend uur les om niets te leren, daar moeten mensen toch iets aan overhouden: een kleverige saamhorigheid, een trekvast soort weerstand. Dat zal dan nog wel blijken.Abram de Swaan, NRC 28 oktober 1995
NIET MARX EN NIET MARKT
Abram de Swaan, NRC 4 november 1995Mijn werkkamer ziet uit over de heuvels van Buda, het stadsdeel aan de westoever van de Donau. Aan de overkant ligt Pest, onder een wolkendek van benzinedamp. Daar hebben wij hierboven geen last van. De huizen staan met gepaste eerbied een tuinbreed uit elkaar, her en der zijn boompartijen en bosschages. Maar een echt rijke wijk is het hier niet. Na de oorlog zijn flatgebouwen terechtgekomen tussen de vooroorlogse villa’s met hun pilaren die ook maar van beton zijn. Bij de buitendeuren hangen evenveel naambordjes als de gevels ramen hebben.
Dit was een buurt voor mensen die werkten in de dampkring van de communistische partij of bij de overheid, voor ambtenaren en academici die hier alvast een voorschot namen op de welvaart die historisch noodzakelijkerwijs weldra ook de arbeiders en boeren ten deel zou vallen. Ik zie ze af en toe met oude koppen langs schuifelen, zo te zien na een lang en zorgelijk arbeidsleven dat dan ook de verkeerde jaartallen omspande. Maar langzaam aan worden de woningen overgenomen door een nieuwe generatie, en die hebben hun geld niet verdiend bij de overheid, maar zich weten te weren in de vrije markteconomie. Als buurman zie je dat meteen: het is het verschil tussen een Lada en een BMW voor de deur ('tussen een Trabant en een Mercedes' zou overdreven zijn: dit is exacte wetenschap).
Het is een welvarende maar niet een steenrijke buurt, de bewoners sjouwen zelf met de boodschappen en de grootouders zie je met de kinderwagen sjorren. Rijke mensen hebben daar personeel voor, en echt rijke mensen hebben personeel om op hun personeel te passen. Met minder blijft het broddelen.
De nieuwe rijken van Buda hebben hun verzamelplaats in het pasgebouwde winkelcentrum Budagyöngy dat in Amstelveen of Heemstede net zo zou misstaan: opgemetseld uit lichte baksteen in bogen en welvingen, ruimschoots voorzien van glazen vides en met een binnenplein over de volle breedte, het geheel aangezet in de postmoderne contrastkleuren turquoise en bordeau. In dat winkelcentrum is Schotse zalm te krijgen, Franse kaas, Hollandse beschuit en Zwitserse chocola. In de boutiques liggen de wereldmerken: Chevignon en Boss, Harley Davidson en Armani, met daartussen af en toe een merk dat ijskoud doet of het ook wereldbekend is: zoals het volstrekt onbestaanbare kledingmerk 'Titti'.
Die wereldmerken hebben in een woelige consumentenmarkt een rationele functie. Als je zelf niet zo'n warenkennis hebt en ook niet jarenlang koopt bij hetzelfde vertrouwde adres, dan is de kans op een miskoop groot en is het heel verstandig om twintig procent extra te betalen voor een merk als Boss of Lézard met de garantie dat je daarmee de bovenkant van de middenkwaliteit in huis haalt.
Maar mijn kennissen vinden dat maar goedpraterij, niet alleen het assortiment, vooral het publiek van dit koopcentrum wekt hun weerzin. Zij nemen de clientèle kwalijk dat die haar geld verdiend heeft in de privatisering, door voor een prikje achterom een bedrijf op te kopen, of als bedrijfsleider voor eigen rekening te beginnen, of door met een eigen onderneming een grote slag te slaan. Dat vinden zij verkeerd.
Maar het gaat hun niet alleen om al dat geld dat beter terecht had kunnen komen, ze verafschuwen vooral de nodeloosheid en de overdaad van die consumentenkooi.
Dan komt er zo een hooggehakt en hooggekapt dametje voorbij in een nappaleren pakje met een jakje en een mini, volgespijkerd met gouden noppen en insignes, aangegord met rissen, tressen, gespen, en in de kraag nog een sjaaltje met jachttafereel, wat ik eigenlijk wel leuk vind, met aan haar zijde een man die dik en toch heel stevig is, met horloge, ringen en ook al een kapsel, en achter hen aan wuift een sluierstaart van wufte geuren, en ja een zaktelefoon, en zes tassen met nieuwe kleren, comestibles, speelgoed, en keukenapparatuur, dan is dat inderdaad het nieuwe Hongarije en mijn kennis in haar uitgewassen spijkerbroek en T-shirt van drie dollar (wat hier veel is) op merkloze voetsoepele gympen met haar krullen vanzelf in reidans om haar onopgemaakte hoofd, die moet daar niets van hebben.
Mijn vrienden zouden willen dat het hier sober bleef, maar zonder armoede en zonder onderdrukking. Ze zijn de enigen niet. De klussenman komt langs om oude dingen te herstellen, afzuigkap en stopcontact, deurgreep en kabeltje. Het kan toch nog allemaal heel goed mee, met een kleine reparatie, miemt hij mij voor met een mond vol achterstallig onderhoud. Mijn dertigdelig zakmes wijst hij af, 't kan ook met een half scheermesje. Als ik hem een glaasje fris aanbiedt gebaart hij dat zijn slag liever gewoon uit de kraan drinkt; in zijn onnavolgbaar fins-oegrisch taaleigen hoor ik hem tandeloos mompelen: 'gemeentepils'. Ik ben woordeloos op mijn plaats gezet, een westers luxebeest door consumptiedwang beheerst.
Opeens herken ik hem, maar al te goed. Die had je in Nederland ook, veertig jaar geleden. Zo iemand had dan de oorlog nog meegemaakt, bloembollen gegeten in de hongerwinter, en was in de crisisjaren nog aan de schop en de kruiwagen gezet. En toch nooit meer zo gelachen als juist in die jaren.
Een verlangen naar roggebrood, schipperstrui en samen rond de salamander welt hevig op. Maar om sober te blijven als her en der de welvaart opsteekt en de zucht naar weelde om zich heen grijpt, daar moet je of heel jong voor zijn, heel gelovig of echt wijs.
Daar is de tijdgeest niet naar. Dit is de eeuw van de emancipatie. En helemaal aan het einde, vlak voor het millennium, komen na alle vernederden en vertrapten, als allerlaatsten de rijken aan de beurt. Eindelijk durven zij zich te vertonen en verbergen niet langer het schuldig geheim van hun weelde, komen openlijk uit voor hun winzucht, die geen ziekte is en geen zonde, maar gewoon een algemeen menselijke neiging.
Ook in dat stuurse, kale, nog zo sobere Hongarije.Abram de Swaan, NRC 4 november 1995
NA DE MOORD
Abram de Swaan, NRC 11 november 1995Een week na de moord op Yitschak Rabin is de meest dringende vraag hoe het verzet van de joodse fanatici tegen het vredesproces gebroken kan worden. Niemand dacht nog dat er met de fundamentalisten te praten viel, maar veel mensen hoopten dat er toch met ze te leven zou zijn, ook na de overdracht van de bezette gebieden. Dat was een troostrijke illusie, maar in feite was de confrontatie met de joodse kolonisten anderhalf jaar geleden al onontkoombaar geworden. Toen schoot een kolonist in een moskee zijn mitrailleur leeg op de in gebed geknielde moslims. De Israëlische bewakers hadden hem niet tegengehouden want joden kunnen in bezet gebied, ook in volle wapenrusting, ook in een moskee, altijd doorlopen. Ter ere van de moordenaar worden sindsdien liedjes gezongen en kaarsjes gebrand door zijn geestverwanten, die hun gebeden combineerden met vervloekingen en doodsdreigingen aan het adres van Rabin en Peres. Vorige week kon een notoire extremistische relschopper wéér gewoon doorlopen, en zijn wapen van dichtbij leegschieten op eerste minister Rabin.
In de tussenliggende achttien maanden hebben de joodse fundamentalisten gechicaneerd, getraineerd en gesaboteerd wat ze konden om het vredesproces te vertragen. Zij hebben zich nu als levende mijnen ingegraven temidden van de Palestijnen: bij de minste aanraking kunnen ze afgaan en een slachting ontketenen. Ze hebben in hun geïsoleerde kampementen de bescherming weten af te dwingen van het Israëlisch leger dat bij elk incident moet ingrijpen, en in het onwaarschijnlijke geval dat Palestijnen zich niet laten provoceren zullen ze die incidenten zelf wel weten te veroorzaken.
Indertijd schreef ik over hen: Er is daar op de Westoever een bezettende klasse ontstaan, onderhouden met buitenlands geld, gevestigd op onteigend land, door bendeleiders bewapend, door het leger boven de wet gesteld en door zichzelf boven hun medemensen. Dat maakt het laagste in de mensen los en trekt het slechtst allooi aan.
Dat werd steeds waarder.
De fanatici wisten de ene na de andere concessie af te dwingen en werden toch alsmaar fanatieker. Want de overdracht van bezet gebied aan een Palestijns zelfbestuur ging ondanks alles door. En ook zij zullen beseffen dat hun nederzettingen ooit, over een jaar, over drie of zeven jaar, als onhoudbaar en zinloos door Israël opgegeven zullen worden.
Maar hoe heeft dat fanatiseringsproces zo ver kunnen doorvreten, en belangrijker nog, hoe is het te remmen? De joden zijn de enigen niet die last hebben van godsrazernij, integendeel het lijkt juist bij uitstek een algemeen tijdsverschijnsel dat ook christenen, Sikhs, moslems en boeddhisten overkomt, vaak in de explosieve combinatie met een al even overtrokken nationalisme. Benedict Anderson heeft laten zien dat zulk extreem nationalisme veel voorkomt onder emigranten die sinds lang hun geboorteland verlaten hebben en nu uit de verte bij voorkeur daar de meest radicale bewegingen steunen - een nationalisme op de lange afstand - zonder dat zij aan wie dan ook verantwoording hoeven af te leggen en zonder dat ze zelf van het door hen gesubsidieerde geweld te lijden hebben.
Ook het joods extremisme in Israël krijgt morele en financiële steun van joden in de VS en Europa en veel van de felste aanhangers komen kersvers daarvandaan. Ondanks hun archaïsche verkleedpartij zijn de joodse fundamentalisten jong en modern. En ik denk dat ze gedijen in het kwade geweten van het jodendom.
De stichting van de joodse staat, de verdrijving van de Palestijnse bevolking, de wet op de terugkeer ('wie is jood?'), het zijn even zovele ingewikkelde en omstreden kwesties. Niet alle tekenen wijzen in dezelfde richting en een standpunt berust dus op de afweging van uiteenlopende argumenten. Wie daar niet tegen kan, moet óf de feiten loochenen óf een rechtvaardiging zoeken die boven alle feiten uitgaat. Met een forse sprong in de verbeelding kom je dan bij de Bijbel uit. God wil dat de joden het land dat hun ooit heeft toebehoord nu behouden en bezetten. God wil dat zo graag dat zijn gelovigen daarvoor alles mogen, ja moeten doen. God wilde dat Rabin werd gedood. Tja, dan moest dat dus gebeuren.
Die denkwijze is een verheviging en een versimpeling van een veel wijder verbreide beschouwingswijze, de nationaal-religieuze mentaliteit. De meeste Israëli's en de meeste joden buiten Israël leven min of meer in dat gedachtengoed en die gevoelswereld, maar meestal met mate en in praktisch compromis. Dat kan halfhartig lijken en beginselloos, en zo voelen die gematigden het ook wel eens. De kolonisten steken daartegen af als zuiver, offervaardig en bevlogen. Zij verschijnen dan als de echte, althans de echtere joden. Daarom wordt hun veel toegestaan en wordt hun veel vergeven. De joden hebben een zwak voor hun extremisten. De hypocrisie der gematigden, de schijnheiligheid van het plaatsvervangend extremisme is samengebald in één kernformule: 'de middelen wijs ik af, maar het doel blijf ik steunen'.
Dat is onwaarachtig, omdat het doel niet te bereiken is zonder die middelen. De Westoever kan niet behouden blijven zonder permanente terrorisering van de bevolking en ten lange leste een oorlog met de buurlanden.
Daar zit de echte halfhartigheid, de echte kwade trouw: de fanatici zijn vooral fantasten. Zij leven een fantasie uit van almacht en uitverkorenheid. De meeste volwassenen hebben die waan sinds lang opgegeven, maar met een omweg kunnen ze de grootheidswaan nog beleven door zich te vereenzelvigen met de extremisten. Daarom is het voor de gematigden toch zo moeilijk om finaal met ze te breken. En de kolonisten ervaren dat ook, ze wanen zich de - heimelijk - meest geliefde kinderen Israëls.
Zo heb ik dat rein-fenomenologisch uitgeplozen, een psychoanalyticus achter een lege sofa. Goed dan, zonder al die ongevraagde duidingen: Wat de wereld nodig heeft is een verbod op het fanatisme, een soort universeel amendement op de tien geboden. Het elfde gebod luidt:
Alles als boven, maar met mate.Abram de Swaan, NRC 11 november 1995
DE GROTE TREK
Abram de Swaan, NRC 18 november 1995Op weg van Budapest via Amsterdam naar New York klaart de lucht steeds meer op. Want hoe dichter men vanuit de buitengewesten het wereldhart nadert, hoe minder er gerookt wordt.
In Budapest rookt men nog ouderwets veel, met smaak en overgave. Politie op straat, verpleegsters in het ziekenhuis, docenten in de klas, allemaal zuigen ze amechtig hun sigaret tot as en peukje. Alle Hongaren smeulen altijd wel een beetje. De luchtvervuiling is nog erger, mokken ze, dus wat maakt het uit, en trouwens, iedereen rookt dus je krijgt het toch al van een ander. De Hongaar is naar eigen opvatting nu eenmaal ongezond, eet te vet, drinkt teveel, beweegt te weinig, is somber gestemd en suïcidaal van aard en bovendien is pas gebleken dat de Hongaarse grond het levensreddend element selenium ontbeert, zodat heel de natie bij voorbaat al gedoemd is. Dit wekt een bittere voldoening die, naar ik begrepen heb, de kern van het Magyaars levensgevoel uitmaakt.
Maar wie een eind oprukt naar het Westen snuift daar de frisse lucht op van vooruitgangsoptimisme en het vertrouwen in persoonlijke lotsverbetering. Ook in dit opzicht ligt Nederland halverwege de Verenigde Staten. Het roken wordt er van overheidswege bestreden, in restaurants en openbare ruimten wordt het tabaksgebruik beperkt en de ene na de andere roker zweert zijn kwade neiging af. Maar dit is allemaal halfzacht in vergelijking met de Amerikaanse bekeringsijver.
'We are non-smokers!' roept vanaf het scherm in koor een kleine menigte mij toe: zij zijn dus rokers, maar willen het niet langer zijn en ze brengen al een hele ochtend voor de camera's tabaksvrij samen door.
Sinds jaren worden in grote delen van de V.S. in restaurants de rokers apart gehouden van de niet-rokers, zoals dat nog maar kort daarvoor de gewoonte was met blanken en niet-blanken - een vergelijking die de rokers mokkend plachten uit te spelen. Maar steeds vaker wordt het roken helemaal uitgebannen, in vliegtuigen, in openbare gebouwen, en nu ook in alle eetgelegenheden. Roken is eigenlijk alleen nog maar toegestaan op straat en in de strikte beslotenheid van eigen huis. Vaak ziet men, weggedoken in een portiek of onder een achtertrap, een roker die zijn gezelschap kort ontvlucht is om even een trekje te halen, betrapt als iemand die een stille plek heeft opgezocht omdat hij het niet meer op kon houden.
En inderdaad, de roker van vandaag geldt als iemand die er nog steeds maar niet mee op kan houden: incontinent - infantiel en seniel tegelijk; een zelfbevuiler, morsig, onwelriekend en bevlekt, en dat niet eens vanwege een ernstige lichaamskwaal, maar enkel en alleen uit wilsgebrek, door een karakterzwakte.
Niet lang geleden nog was de roker een vent die niet bang was voor een kuchje, iemand die onvervaard de damp van zware kruiden opzoog tot in het diepst van zijn binnenste; de rokende vrouw inhaleerde haar sigaret om de wasem welriekend weer uit te blazen als haar allereigenste aroma. Tabaksgebruik stond voor durf, hartstocht en levensdrang. Tegenwoordig gaan alleen de sigarettenreclames daar nog op door met cowboys, vamps en avonturiers, relicten uit een vervlogen tijd. Het gaat er allang niet meer om dat roken de gezondheid schaadt, het komt er op neer dat rokers minderwaardig zijn.
Ik noteer dit alles vanuit de comfortabele positie van een niet-roker. Weliswaar ben ik een recente bekeerling, maar daar staat tegenover dat ik altijd maar weinig gerookt heb en dus nu eigenlijk ook maar weinig niet rook. Mark Twain zei hierover: 'Ophouden met roken is heel eenvoudig; ik heb het zo vaak gedaan' En van Harry Mulisch hoorde ik: 'Ophouden met roken is heel makkelijk, je hoeft maar één sigaret niet te roken; de volgende!'
Ik kan daarvan mee praten, want ik heb vaak die volgende na een paar maanden uitstel toch gerookt en wat was dan die ene sigaret, dat eerste trekje, onvergelijkelijk heerlijk: de borstkas die al die tijd een onvervulde holte was geweest stroomde nu vol en zette krachtig uit op een lichte, eindelijk voldane adem, die naar het hoofd steeg en het daar heel even liet duizelen.
Bij de volgende was er al niet veel meer aan; alleen nog verlangen, nooit meer die volkomen vervulling, maar vooral de schaamte: 'Gut, rook jij weer? Ik dacht dat je er voor goed mee opgehouden was'.
Ik moet bekennen dat het besef van morele superioriteit waarin ik nu als niet-roker verkeer een haast even aangename duizeling teweeg kan brengen. Ik heb dan ook graag rokers om mij heen die ik, terwijl zij schutterig en schuldbewust aan hun shagje frommelen, goede raad geef, en als het moet een standje.
De feitelijke gezondheidsrisico's, hoe groot ze ook zijn, spelen allang niet meer de hoofdrol spelen in de tabaksbestrijding en de zelfoverwinning op het roken. De campagnes tegen tabaksgebruik maken niet veel uit en de sigarettenreclames evenmin. Andere krachten zijn aan het werk. Meer en meer houden mensen elkaar een rein en gezond leven voor als hoogste deugd: natuurbehoud en lichaamsbehoud vallen daarin samen. De natuurlijke omgeving raakt iedereen, en elk lichaam op zich is een soort egonatuur. Voor het behoud van natuur en egonatuur leggen mensen elkaar zware beperkingen op, het afval moet gescheiden en de calorieën moeten geteld, de uitstoot beperkt, de inname gematigd. Dat zijn moderne beschavingsidealen. Naar die maatstaven is roken ongezond, onrein en onbeschaafd. Niet de schade telt zozeer, maar vooral de schande.
Een nog juist bedwingbare zin overkomt me naar zo'n heel klein brandje tussen wijs- en middenvinger. Maar het is mijn eer te na.Abram de Swaan, NRC 18 november 1995
IN VOLLE VLUCHT (1)
Abram de Swaan, NRC 25 november 1995Een paar stukken van de dag en van de nacht was ik in de lucht. Terug op de grond zijn die vluchten meteen weer vergeten. Daarboven verkeert men in een bewustzijnsvernauwing, een samenballing van plaats en een uitrekking van tijd: als een draad wordt men door de tijdruimte getrokken. Ik kan dit niet helemaal uitleggen, wie wel eens vliegt moet maar begrijpen wat ik bedoel. Het heeft uiteraard te maken met boven de aarde zweven, niet los en vrij, maar opgevouwen in een foedraal waar men de slaap deelt met een vreemdeling aan weerszijden achter de ellebogen. Tussendoor is het steeds maar slepen en wachten, verdergaan, weer sjouwen en weer in de rij staan en doorgaan.
Een luchtreiziger, dat is, zou je denken, iemand die aan de aardbodem ontstegen is, die van de lucht leeft, die waait waar hij wil, die bovenaards reist.
Wat wil je later worden?
- Luchtreiziger.
Maar het gaat daarboven anders toe. Toch zou het verstandig zijn die luchtreizen op te vatten als een voorbode van het hiernamaals, waar het immers van alles op aarde het dichtst bij komt, ruimtereizen uitgezonderd, maar dat zijn dan ook regelrechte hemelvaarten, op proef weliswaar, en met recht van terugkeer.
Maar dan valt allereerst iets op waar in de eschatologische literatuur tot nog toe weinig aandacht aan is besteed, maar dat toch heel plausibel is: het is in het bovenaardse uitermate krap bemeten. Een beetje becijferde theoloog had dit kunnen verwachten, gezien het aantal zielen dat daar blijvend moet worden opgeslagen.
Ook het cabinepersoneel kan wat mij betreft op voor de eeuwigheid, dienstbaar, begripvol doch streng, zoals moeders in kinderrijke gezinnen, en net als de licht overwerkte engelenschare die we straks mogen verwachten.
De scheiding tussen hemel en hel ligt dan ongeveer tussen Royal class en toeristenklasse, met business class als louteringsberg. Omdat de eersteklas passagiers voorin zitten en het eerst mogen instappen, moeten de gewone passagiers hen passeren op weg naar hun beklemde zitplaatsen. De uitverkorenen zij blootgesteld aan de blikken van het aanschuifelend gemeen. Niet dat er gestaard of zelfs maar echt gekeken wordt, er doen zich rapid eye movements voor, een bliksemsnel ogenrollen.
Hoe kan ik dit licht genoeg beschrijven? Het is niet zo dat de passagiers van de toeristenklasse door het middenpad trekken met gebalde vuist, 'krapte' roepend, terwijl de luxereizigers elkaar geamuseerd aanstoten. Nee, het gaat om de allerkleinste expressie van de allerkleinste emotie, met een energiekwantum dat het bewustzijn van de betrokkenen nauwelijks raakt. Dit is alleen te verwoorden in de bewegingsleer van de elementaire deeltjes: een mu-pathon afgunst botst daar met een pi-pathon hoogmoed, in een triljoenste seconde vormt zich een klassenhaat-kern die vervolgens uiteenvalt in twee elementaire emoties, een linksdraaiend deeltje schaamte en een rechtszwenkend partikel ressentiment die slechts waarneembare sporen achterlaten op een uiterst gevoelige monitor.
Het is en blijft een kleine slag voor het zelfgevoel dat andere mensen voorgetrokken worden; het zelfgevoel wil dat niet weten, weigert het op te merken of verzint verzachtende omstandigheden. En omgekeerd blijft het riskant zo openlijk gezien te worden als de bevoordeelde partij door een optocht van achtergestelden. Niets van die wrijving is zichtbaar, nauwelijks iets is merkbaar, behalve onaffe zinnetjes die als uiteenvallende kernen even oplichten op het scherm van de hersenen: 'ook niet veel extra voor drie keer zo duur', 'kijk dat verwende wicht nou toch', 'als je zoveel reist moet je wel business'.
De elementaire-affectpsychologie geldt ook voor de territoriumstrijd die in de toeristencabine woedt. De passagiers zijn daar in rijtjes van drie of vier naast elkaar gezet, twee buren delen telkens een armleuning. Dat is vragen om moeilijkheden en toch komt het daar zelden of nooit toe, althans niet zichtbaar. Die leuning is van begin af aan voor de sterkste. Maar gaandeweg, als de reis al een eindweg op gang is, begint een puntig elleboogje zich te weren, het boort wat om zich heen, zoekt een minimaal oppervlak om kwasi-argeloos de arm te steunen, gebruikt dat meteen als bruggenhoofd en begint heel lichtjes, maar bepaald niet liefelijk te wrikken. Op de hypersensitieve affectmonitoren is nu een sterk verhevigde activiteit waarneembaar, sporen lichten op van 'doodklap', 'beuken', en ook 'weg, engerd' of 'nou ik eens', maar met het blote oog is hiervan niets te bespeuren; twee uitgestreken gezichten, de een in krant, de ander in uitzicht verdiept. En dan, een minieme verschuiving: de ene partij vouwt de arm achter het hoofd, de ander neemt de gehele leuning in beslag. Geen woord is gesproken, geen blik gewisseld, maar op het affectscherm flitsen de pathonen dooreen: 'ziezo, hebbes', en 'krijg ik nog wel, pak ik terug'.
Ik moet bekennen dat ook ik opkom voor mijn halve leuning, of mijn hele voor de helft van de tijd. Ik doe dat als bescheiden en redelijk mens uit principe, omwille van de verdelende rechtvaardigheid. De brutalen hebben de halve wereld al, nu niet ook nog mijn hele armsteun. Beleefd doch beslist plant ik van tijd tot tijd mijn onderarm strategisch dwars op de leuning en begin kalm te drukken, klaar voor de por en als het moet vechtensbereid.
Wat vreemd toch dat mijn buren maar niet willen begrijpen dat het mij niet om dat armzalige leuninkje te doen is, maar enkel om de gerechtigheid.Abram de Swaan, NRC 25 november 1995
IN VOLLE VLUCHT (2)
Abram de Swaan, NRC 2 december 1995Waar was ik gebleven? Ergens tussen Chicago en Budapest, laten we zeggen tienduizend meter boven Halifax. Maar was ik daar? Welnee, ik lag tussen twee onbekende vrouwen, pijnlijk nauwkeurig opgevouwen om ook maar de minste aanraking met een van beiden te voorkomen en elke andere vorm van onwillekeurige aanstoot, zelfs in mijn diepste slaap, te vermijden. Ook al raasde ik met vierhonderd medepassagiers en een voltallige bemanning even onder de geluidssnelheid door het luchtruim, existentiëel was het niet ter zake, want zelden had ik een nacht zo onbeweeglijk doorgebracht.
Zeg dan tenminste wanneer het was en hoe laat? Ook dat was niet eenduidig vast te stellen. In Chicago was het onmiskenbaar zondagmiddag geweest, de avond was daar nu gevallen, terwijl in Nederland, waar ik uiteindelijk verantwoording dien af te leggen, de ochtend al begonnen was. En ergens tijdens de vlucht, ten Westen van Ierland moet het geweest zijn, passeerden we een zonsopgang, van een zon die Nederland dus al gezien had, een dageraad zoals die zich alleen voordoet op volle zee en boven de wolken, met zilver en parelmoer, vingerende stralen naar alle kanten, en de volle najaarscollectie van hysterisch katholieke kardinaalstinten purper, lila, karmozijn, oud-ketters en Vaticaans roze.
Wij leefden daarboven dus in de algehele onbepaaldheid van tijd en plaats. Het rooster was overgenomen door het cabinepersoneel. Dat decreteerde de avond met de uitdeling van het diner en verkondigde de ochtend door de passagiers te wekken voor het ontbijt.
De intimiteit was om te snijden. Als mijn buurvrouw zich even wilde vertreden, moest eerst mijn andere buurvrouw zich uit haar fauteuil schuiven, daarop manoeuvreerde ik mezelf achter haar aan het gangpad in en dan pas, met groot vertoon van verlegenheid, kon zij van de raamkant langs ons heen naar het toilet. Ik paste mezelf weer in mijn stoel, mijn linkerbuurvrouw kantelde zich in de hare, we zaten enige tijd te wachten op die van het venster en bij haar terugkeer deden we feilloos in omgekeerde richting de hele pantomime die ik hierboven zo uitvoerig maar nog geenszins volledig beschreven heb, opnieuw met harerzijds woordeloze maar nadrukkelijke blijken van gêne en verontschuldiging en een genereus gemiemd 'geeft niets' onzerzijds. Een uur later was de middenman aan de beurt.
Als het zo moet, dan maar liever niet. En dat is de passagiers na verloop van tijd ook aan te zien. Ze houden zich goed. Ja, waarom houden ze zich eigenlijk zo goed?
De elementaire-affectpsychologie kan hierin inzicht bieden. Al laten ze dat niet merken, al weten ze het niet eens van zichzelf, al ontkennen ze het bij hoog en laag, vliegtuigpassagiers zijn bang. Dat komt omdat ze niet echt begrijpen dat een vliegtuig vliegen kan. Daar hebben ze groot gelijk in. Wie een beetje inzicht in de materie heeft en eens goed naar zo'n luchtreus kijkt begrijpt onmiddellijk dat een dergelijk gevaarte zich hooguit een meter van de grond kan verheffen en dan als een duif van honderd pond weer neerploft.
Dat zo'n Boeing of zo'n Airbus zonder ongelukken en stipt op schema honderden mensen van A naar B vervoert is een belangrijk ervaringsgegeven, maar elementair-affectpsychologisch betekent het weinig. Er zijn zelfs mensen die het kunnen uitleggen: de lucht drukt op ons allen met een kracht van een atmosfeer of daaromtrent. Wat leegte lijkt is in feite bezwarende volte. Mensen en dieren zijn nog weer zwaarder en zijn daarom gezonken tot op de bodem van de lucht. Zo heeft de schepper dat gewild. Door nu in een luchtstroom, zoals de wind, een deel van die weerbarstige lucht aan één kant in een kleine omweg te dwingen, bijvoorbeeld langs een bollend zeil, of langs een ronde vleugelrand, wordt daar de lucht wat ijler en ontstaat aan de andere kant, de platte kant, een overdruk die schip of luchtschip voortdrijft of omhoog stuwt. Een vliegtuig maakt zijn eigen wind motorisch. Een vliegtuig zaait storm en oogst hoogte.
Dat kan wel waar zijn, maar om op die ene bolling met zijn drukverschil je leven in te zetten, dat vergt al te veel vertrouwen in de aerodynamica. Er is meer nodig. Geloof, hoop en vertrouwen in de goede afloop. Men zet zich in zijn stoel en geeft zich over aan een hogere, althans een onbegrepen macht, helemaal zoals dat in sektarische geschriften wordt beschreven. Ik ga daar geen grapjes over maken. Waar het op neer komt is dat mensen zich door de lucht verplaatsen, dat dit geheel en al strookt met de modernste wetenschappelijke inzichten, en in het geheel niet met het gezond verstand en het gevoelsleven van de gemiddelde ervaringsdeskundige of de gewone leek. Ook na honderd jaar luchtvaart niet.
De reiziger moet het maar geloven. En dat doet hij dus. En heel de reis is daarnaar ingericht. Al bij het begin wordt een macaber ritueel uitgevoerd, een kleine tempeldans door het cabinepersoneel: mocht onverhoopt dit luchtschip in het ongerede raken, wanhoop niet, maar doe een zuurstofkap voor, blaas een zwemvest op, glij langs de opblaasbaan, drijf rond op uw zitkussen.
Dit is de magie van de dubbele ontkenning: een ongeluk is uitgesloten, maar als het onmogelijke toch gebeurt dan gebeurt er dus iets onmogelijks - u wordt gered. De kern van het geloof is iets ongelofelijks, anders hoefde je het niet te geloven, dan wist je het al. Maar de mensen weten het nog steeds niet, en als ze het weten vertrouwen ze het niet, liever zoeken ze houvast bij de technomagie.
Terug in Budapest ben ik mijn gereis meteen weer vergeten. Het is tegen vieren en de zon is al ondergegaan achter de heuvelrug waar ik op uitzie. Opeens verschijnt in de beginnende schemering een lichtend spoor boven de heuvels, een tot draad gesponnen wolk weerkaatst daarboven nog juist de stralen van de zon die hier al onder is. Helemaal vooraan schittert als een naald het vliegtuig dat die streep trekt, op weg naar zee.Abram de Swaan, NRC 2 december 1995
IN VOLLE VLUCHT (3)
Abram de Swaan, NRC 9 december 1995Op de middagvlucht van Boedapest naar Amsterdam, het begon op forensen te lijken, stond ik in het gangpad en zocht mijn plaats – tas in de hand, jas op de arm (nog net niet, als een snaveldier, met de boarding pass tussen de lippen; je ziet dat wel eens), helemaal gespitst op de manoeuvres die nog moesten komen voor ik en mijn bezit goed en wel gestouwd waren. De meeste passagiers zaten al, toen een gedrongen man, twee rijen achter de mijne, half uit zijn zetel kwam als om een bekende te begroeten; hij keek om zich heen en riep met luide stem in mijn richting: ‘Zeg, hee! Heb je wel eens een echte jood gezien!’Hij liet zich wat zakken en herhaalde nog eens met kracht: ‘Een hele, echte jood’. Het was geen vraag, maar een aankondiging. Moest hij mij hebben? Ik heb inderdaad nogal wat echte joden gezien en dat is mij misschien ook aan te zien. Maar zijn optreden keerde zich nu naar binnen, en hij dreinde zacht voor zich uit: ’De joden, de echte joden, dat zijn wij’.Het daagde mij nu, dat zich hier een achterblijver van het Ajax-legioen roerde, dat de dag tevoren nog de grote overwinning op de Hongaarse kampioen had toegejuicht. Tijdens die wedstrijd waren de Hongaarse fans zich aan allerlei fascistisch en racistisch gekrijs te buiten gegaan. De Nederlanders hadden daar aanstoot aan genomen en de beginselvaste antifascistische houding die de ploegleider van Ajax na afloop had laten blijken had in Nederland, zo kort nog na Srebrenica, grote indruk gemaakt.
De achterhoede van het Nederlands legioen zat in het vliegtuig. Ze waren maar met weinigen en het was alweer haast een etmaal na de wedstrijd, maar ze waren vastbesloten de stemming erin te houden. Dat viel niet mee, want dit was een gewone lijnvlucht met zakenmensen en toeristen die de hele wedstrijd allang weer vergeten waren en wel wat anders aan hun hoofd hadden. De fans zaten bovendien niet bij elkaar, maar met twee of drie door de toeristenklasse verspreid.
‘Gaan we zingen, jongens, of gaan we niet zingen? Hebben we lol of hebben we pret?’.
Het was dapper om zo als eenling of tweetal de schouders onder de alledaagsheid te zetten en te gaan wrikken. Maar het had onmiddellijk effect. In de rest van de cabine bekoelde de stemming, conversaties vielen stil of werden op fluistertoon voortgezet, de bewegingen werden tot de hoogstnodige beperkt, en de passagiers in de meest nabije stoelen vroren vast in hun laatst aangenomen houding, een jonge Engelsman aan de andere zijde van het gangpad werd onder zijn basketbalpetje knalrood en die blos bleef gedurende de gehele vlucht.
Toch had niemand nog iets misdaan. Er hing een geur van een verschraalde vrolijkheid die nog één keer tot bruisen moest worden geklopt.
‘Jos, komt er nog wat, gaan we nou zingen, of niet?’
Drie rijen naar achteren zat Jos, te bleu om te zingen, te laf om te weigeren.
‘Ja joh, gaan we doen’.
Maar zingen ho maar.
‘Want wat is-tie mooi geweest, reken maar dat-ie mooi was. En dat we hem geraakt hebben’.
‘Wat geraakt, de bal of de pils?’
‘Ha ha, de bal of het bier. Nou, als ik hem raak, dan raak ik hem goed, want als ik op stoot ben, nou… dan ben ik op stoot’.
‘Ja, als hij eenmaal op stoot is, dan raakt hij hem ook gelijk goed’.
‘Er bovenop!’ ’De volle mep!’
‘Ja, als hij eenmaal op stoot is, dan weet-ie hem te raken’.
‘Zie je wel, ze zegt het zelf’, ‘en zij kan het weten’, ‘kan je nagaan’.
Zulke zinnetjes waren het, ongeveer, want de letterlijke tekst is me ontschoten. Wat bijblijft is het bonkende ritme en de douwende melodie van de samenspraak. En na elke zin voor solostem volgde als refrein voor het koor het gezamenlijk gelach: een ritmisch balkend uitademen met een kleine gier bij de inademing. Dan kwam de volgende spreekzanger, die een nieuwe variant opzei. En weer dat obsederend koor: ‘hok hok hok, ha ha ha’.
Dolgraag zou ik van zo’n sessie een opname bezitten die ik dan aan buitenlandse vrienden kon laten horen als de enige authentieke volksmuziek die Nederland ooit voortgebracht heeft. Een levende, oorspronkelijke vorm van collectieve, geïmproviseerde volkskunst, die tegen alle media en tegen de commercie met hart en ziel beoefend wordt overal waar gewone Nederlanders onder elkaar zijn; maar die, uiteraard, door de elite geminacht en gemeden wordt.
‘Hok hok hok, ha, ha, ha. Pak hem nog een keer!’
Maar mijn medepassagiers waren verstijfd van schaamte, niet om zichzelf maar om die paar feestgangers; plaatsvervangende schaamte dus. En ook de pretmakers moesten vechten tegen een hardnekkige verlegenheid en plotseling opkomende moedeloosheid. Voor lol is een gezelschap nodig en lolmakers kunnen niet zonder elkaar. In dit vliegtuig was elke loltrapper een randverschijnsel, geflankeerd door koele buren. Als kooltjes uit het vuur gevallen konden zij zich niet warmen aan elkaar en doofden onherroepelijk.
‘Had leuker geweest als we met de hele ploeg waren’.
De schaamte had het uiteindelijk gewonnen en iedereen bleef op zijn plaats. Er was geen aanleiding tot verontwaardigde hoofdartikelen over wangedrag of neerbuigende stukjes over platvloerse smakeloosheid waarin auteur en lezer elkaar in de armen kunnen vallen als het laatst overgebleven beschaafd publiek.Abram de Swaan, NRC 9 december 1995
TEGEN MARXISME EN MARKTISME
Abram de Swaan, NRC 16 december 1995Afgelopen maandag hield Minister-president Wim Kok zijn Den Uyl lezing en mij viel de taak te beurt om hem in te leiden. De voorafgaande zeven Den Uyl lezingen werden gehouden in de jaren dat het Sowjet-rijk ineenstortte en het communisme uit Europa verdween. Een toon van opluchting en van enig optimisme is dan ook in veel van die voordrachten te bespeuren. Maar van triomfalisme, of van sociaal-democratische borstklopperij is in die voordrachten geen sprake. Integendeel, in de wereld zijn dit magere jaren geweest voor de sociaal-democratie. De triomf, het transhistorisch gelijk, werd opgeëist door een ander partij: De aanhangers van het onbeteugeld winstbeginsel, de voorstanders van de minimaal gereguleerde markt. Dat heeft mij altijd wat verbaasd. Elke poging om die anti-utopie waar dan ook te verwezenlijken heeft geleid tot niets dan chaos en misère. Maar toch heeft dit eenzijdig marktdenken in de afgelopen jaren de geesten beheerst.
De vijfenveertigjarige strijd die als de Koude Oorlog bekend staat, is uitgelopen op de ondergang van het communisme, een stelsel mèt een staat, en zonder vrije markt. Maar niet en nergens kwam het tot de overwinning van een stelsel met een vrije markt en zonder staat. Integendeel, de samenlevingen die stand gehouden hebben kennen een geregelde markt èn een vrije staat, of anders gezegd: een democratie met een gemengde economie. Die combinatie heeft zich tot nog toe bewezen als de meest succesvolle samenlevingsvorm. De stelsels waarvan gebleken is dat ze hun burgers een zeker mate van bescherming en welvaart kunnen bieden zijn allemaal gemengde systemen, waarin een derde tot twee derden van het nationaal inkomen door de staatshuishouding wordt rondgeploegd, en waar een grote ondernemersvrijheid samengaat met een behoorlijke zekerheid voor mensen die nog niet, niet meer of nooit kunnen werken. Zo'n mengvorm is niet een belichaming van de reine idee, het is meestal een moeizaam knutselwerk aan twee niet zo reine gedachten en nog een beetje een derde en, kom aan, halverwege nog een vierde. Mooi is het niet, maar het werkt, meestal, nogal, met veel gekraak en gekrakeel. En soms loopt het even helemaal vast, zoals dezer dagen in Frankrijk.
Gemengde stelsels roepen gemengde gevoelens op. En de historische overwinning van deze maatschappelijke mengvormen heeft niet geleid tot een overwinningsroes of zelfs maar een vreugdebetoon bij de aanhang. Die is daar misschien ook te sloom voor, te matig en niet genoeg bevlogen.
En wie is de aanhang eigenlijk? Of wie is de tegenhang? Die laatsten zijn herkenbaar: de fanatici van het staatsmonopolisme, van het totale staatsbeheer. Zij hebben inmiddels alle moreel gezag en haast overal hun feitelijke macht verloren. Maar de tegenhangers van die tegenhangers zijn daarom nog geen aanhangers, zij zijn óók tegenhangers van het gemengd gemoed: zij zijn de doordrijvers van het absolute winstprincipe, de marktkramers wier korte stonde in de aandacht van het wereldpubliek en in de volstrekte goedgelovigheid van de nieuwe, postcommunistische machthebbers nu alweer tanende is.
Wie, dat was de vraag, maken nu de aanhang uit van deze gemengde stelsels? Dat is, het ligt voor de hand, een gemengd gezelschap. Het is een samenstel van verscheidene kringen die elk weer samengesteld zijn: de sociaal-liberalen en de christen-socialen en uiteraard de sociaal-democraten; allemaal termen met een streepje.
Het zal duidelijk zijn dat in deze visie de partijpolitieke verhoudingen met enige distantie bezien worden en dat op die afstand de grote stromingen in de Nederlandse politiek één watertafel vormen: dat is Nederland uit het Oosten gezien, in het perspectief van de strijd tussen Marx en de markt, in de hoop dat tussen die uitersten een samenleving zich kan ontwikkelen en handhaven. In Hongarije, waar ik deze herfst gewerkt heb, staat Nederland voor zo een bestaanbare en houdbare maatschappelijke orde, voor een mogelijke en misschien ook daar bereikbare manier van samenleven.
Ik vond achteraf Kok in zijn rede dan ook eigenlijk te bescheiden. Uiteraard, hij sprak voor binnenlands gebruik en moet in eigen land tegenovergelegen partijen in één coalitie bij elkaar houden. Hij zocht dus het politieke middenveld.
Maar van buiten bezien, uit Hongarije, India of misschien Afrika ziet dat er anders uit; daar lijkt die terughoudendheid op gebrek aan overtuiging. De vrije-marktgedachte wordt luidruchtig uitgebazuind; het vrije-marktbeginsel is, ondanks zichzelf, het zwaarst gesubsidieerde gedachtengoed op aarde. De Wereldbank en het Monetaire fonds dringen het de kredietbehoeftige landen op, zoals ooit door de bedeling aan de behoeftigen het evangelie werd opgelepeld; een kartel van neo-liberale economen schuift de Nobelprijs voor deze of gene rekentruc van de een door naar de ander; en iedereen die zich in het geniep heeft weten te verrijken betuigt in het openbaar zijn trouw aan het vrije-marktbeginsel.
Maar als in Oost-Europa de kiezers hun pas verworven kansen ook eens gebruiken om hun eigen belang op korte termijn door te zetten, als zij hun stem uitbrengen tegen het ongebreideld vrije-marktbeginsel en kiezen voor behoud van hun sociale aanspraken, dan gelden ze opeens als spelbrekers. Uiteraard zullen mensen die geen geld hebben, maar wel een stem, kiezen voor bescherming door de staat tegen de markt. Dat was te voorzien, het is rationeel, en het is in strijd met het zuiver marktmodel. Dat model werkt dan ook niet.
Net als het marxisme is het marktisme een hersenspinsel, even wereldvreemd in zijn oorsprong, heel wat minder moorddadig in zijn uitwerking en in de praktijk nog minder levensvatbaar.
Haast nooit spreekt iemand zich luid en duidelijk uit voor het gemengde stelsel, vanuit een gemengd gemoed. Dat is in alle algemeenheid misschien ook wel onmogelijk, want elke samenleving moet haar eigen mengvorm vinden. Maar niets anders werkt op den duur. Dat moet de voorzitter van Nederland de wereld maar eens vertellen.Abram de Swaan, NRC 16 december 1995
DE KOU UIT
Abram de Swaan, NRC 23 december 1995Waar was ik gebleven? Niet in Budapest en ook al niet meer in Amsterdam, maar in Dakar, in Senegal. Mijn reisschema wilde het zo en dus heb ik me maar te voegen. Zo'n decorwisseling is alleen maar goed te maken met een gedegen monoloog over verschil en overeenkomst tussen Magyaren daar en Wolofs hier. Maar zo werkt het reizend gemoed niet. Voorlopig ben ik Budapest glad vergeten. Ik zag op de Franse televisie die hier glashelder wordt doorgestraald dat het er sneeuwde. En volgens het weerbericht was het in Amsterdam ook al niet pluis.
Het is bepaald niet zo dat de bewoners van de warme wereld erg meeleven met de andere helft van de mensheid, die in koude leven moet. Het feit dat ze met nog geen tweederde van de mensheid meer dan driekwart van de totale zonne-energie consumeren schijnt ze in het geheel niet te deren. Ze gaan ervan uit dat die warmte niet opkan en ze verwijten de koudelijders in het Noorden dat die nog veel onachtzamer omgaan met hun fossiele energie dan zijzelf met zonnewarmte.
Bovendien wint in de warme wereld de opvatting veld dat er al genoeg gedaan wordt voor de bewoners van het koude Noorden. Meer dan de helft van de tropische fruitoogst wordt op bijzonder gunstige voorwaarden geleverd aan de koude landen in een grootscheepse campagne om het vitaminegebrek en de lusteloosheid daar te bestrijden.
Sinds vele jaren worden elk seizoen honderdduizenden Noorderlingen voor een week of wat naar warmer streken overgebracht om daar even bij te komen van hun bar bestaan. Ze worden verzorgd en verwend door even zovele plaatselijke vrijwilligers die blijmoedig genoegen nemen met een minieme onkostenvergoeding, omdat zij iets willen betekenen voor hun medemensen die in mist, motregen en koude moeten leven.
Maar de koukleumen uit het Noorden blijven ondanks alles en mopperen en klagen. Nu eens zijn ze ontevreden over het verstrekte voedsel, dan weer vinden ze dat ze tijdens de overtocht te dicht opeengepakt worden, steevast hebben ze wat aan te merken op de kwaliteit van het zeewater of het onderhoud van de wildparken. Keer op keer maken ze bezwaar tegen de - toch minuscule - eigen bijdrage die zij voor hun reis en verblijf moeten betalen. Worden de Noorderlingen, al zijn ze nog zo beklagenswaardig, niet teveel in de watten gelegd? Is het langzamerhand niet tijd voor een nieuw realisme, ook in de omgang met de verkilde Noorderburen? Dat zijn vragen die her en der in de warme wereld aan de orde worden gesteld. En er klinken nog andere tegenwerpingen. Telkens weer blijkt dat grote bedragen worden opgestreken door onduidelijke tussenpersonen, de beruchte toeroperators die zich stelselmatig weten te verrijken aan de hulptransporten. Maar er is meer: steeds vaker wordt getwijfeld aan het effect van de hulpverlening aan de koude landen. Worden de mensen daar echt beter van al dat tropisch fruit, kunnen ze niet net zo goed appels eten van eigen teelt? Zijn die reisjes naar de warme landen wel effectief, of zijn de mensen een paar dagen na terugkomst alweer even suf en mies als vóór hun vertrek? Wordt het zo langzamerhand niet tijd dat ook in de warme landen eerst eens gedacht wordt aan eigen mensen, die gelukkig niet in vrieskou hoeven te leven maar die wellicht toch ook in een mistige, tochtige of vochtige omgeving wonen.
Op den duur kan blijvende lotsverbetering van het koude Noorden natuurlijk niet komen van liefdadigheid, en zelfs niet van grootscheepse hulpverlening door de warme landen, maar alleen van een fundamentele heroriëntatie van de technologie. Het warme Zuiden verwacht dan ook veel van de pogingen om uitlaatgassen aan de dampkring toe te voegen zodat zonnewarmte die nu nog nutteloos terugkaatst voortaan beter wordt vastgehouden. Dit mondiale opwarmingsproject wordt haast helemaal door de bewoners van het koude Noorden zelf gerealiseerd, het warme Zuiden heeft er nauwelijks aan bijgedragen.
Maar ondanks alles blijven de vooruitzichten voor het Noorden uiterst zorgelijk. De bevolking neemt nog steeds af en wordt, als de trend doorzet, elke tachtig jaar gehalveerd. Dit heeft ook economische redenen: de Noorderling ziet kinderen vooral als een kostenpost en neemt daarom een strikte geboortebeperking in acht. Hier ligt een werkterrein voor de koude-wereldvrouwen zelf, die moeten beter voor zichzelf leren opkomen en hun eigen keuzes durven maken: ze moeten meer kinderen willen en ze mogen geen studie of werkkring meer willen. Want anders is bij de huidige trend het Noorden binnen tweeduizend jaar uitgestorven.
Maar in diepste kern gaat het hier toch om een mentaliteitsprobleem. Meest van al wreekt zich het tragisch gebrek aan zelfbewustzijn bij de verkleumde Noorderlingen: een resultaat van de eeuwenlange confrontatie met de mensen uit het warme Zuiden. Zo proberen jonge mensen in het Noorden uit alle macht om in gedrag en voorkomen de Zuiderlingen na te doen. Spiernaakt liggen ze dagenlang op hun gure stranden om onder een miezerige zon toch een tintje op te kleuren. Tegen beter weten in nemen ze hun toevlucht tot schadelijke kleurmiddelen en gevaarlijke bestraling om een donkerder teint te verkrijgen.
De kritiekloze bewondering voor alles wat warm en Zuidelijk is kan gemakkelijk omslaan in afgunst en woede. De ontwikkelingswerkers die het Zuiden sinds jaar en dag uitzendt om het voetbal in het Noorden op peil te houden zijn dan ook geregeld het mikpunt van kwaadaardig gekrijs; de vrijwilligers die zich met vele tienduizenden in het koude Noorden vestigen om een verdere teruggang van de bevolking te helpen tegengaan worden maar al te vaak schamper bejegend en regelmatig bedreigd of lastig gevallen. Maar toch, ondanks alles heeft het warme Zuiden de morele plicht om de koude landen te blijven steunen, ze kunnen nu eenmaal niet zonder hulp. En al zou het hen helemaal niet helpen, vaststaat dat het de helpers helpt.Abram de Swaan, NRC 23 december 1995
WAAROM IN DAKAR
Abram de Swaan, NRC 30 december 1995Zelden of nooit wordt een rechte plank gezaagd bij de meubelmakers aan de weg langs zee. Dat begint al met de werkvloer, die van zand is en cement, met een gat hier en een kuil daar. Dus staat de werkbank wankel. Die bank is in elkaar gespijkerd met een paar planken als poten en een oude deur als blad. Daarom staat hij, scheef als hij is, met de ene wat te lange poot in een kuiltje, minder uit het lood dan als hij pas was geweest. En dan de zaag, er zit een slag in en hij mist twee tanden, de andere zijn met de hand bijgevijld. Het hout komt al scheef van de zagerij, krom getrokken in de zon. Planken zagen is dom werk, een karwei voor leerjongens. Er wordt niet van een tekening gewerkt en zonder mallen. De knechts kunnen niet lezen en niet schrijven. De baas ook niet, maar hij spreekt Frans met de klanten.
Er zit een barst in de plank en halverwege stuit de zaag op een kwast, waardoor een half rondje uit de zaagsnee valt. De meethoek is kapot, of weg, of er was helemaal geen meethoek. De baas is er niet, of hij is er wel en hij slaapt, of hij is wakker en praat met zijn vrienden, of hij staat erbij maar let niet op, of hij let wel op maar het kan hem niet schelen, of het kon hem ooit wel schelen maar nu niet meer. De ene knecht die wel een rechte snee kon zagen is weggelopen en werkt nu voor een ambassade of een hulporganisatie. Daar verdient hij meer en hoeft niet te zagen, maar is chauffeur van een 4x4 met airco, draagt een Rayban en is altijd op reis.
Buiten staan al een jaar drie ledikanten op een koper te wachten en niemand wacht op het ledikant dat nu in elkaar wordt gezet. De leerjongen heeft al twee weken zijn geld niet gekregen maar 's middags eet hij mee uit de kom die de vrouw van de baas op haar hoofd komt aandragen: rijst, vooral rijst met vandaag een hapje vis voor de baas en voor de knechts een stukje kopvlees van gisteren, genoeg om van te zagen maar niet genoeg om recht van te zagen.
Terwijl hij zo staat te zagen en net de langste streek aan het maken is, overlangs, komt Aminta langs in haar nieuwe boubou die wappert om haar ronde kont en iedere zaagjongen waar ook ter wereld die opkijkt en zo'n prachtige welving ziet gaat met zijn zaag even mee in die beweging en daar wordt het ledikant ook al niet rechter van. Alsof het op een scheef ledikant minder goed zou gaan met een vrouw die zo weet te welven. De zaag blijft steken en als het op en neer weer begint breekt het blad. De zaagjongen krijgt een knal voor zijn kop van de baas en het werkstuk heeft er weer een rare moet bij.
Er is betaald voor het hout, maar er is nog niet betaald voor het bed en het moet een keer af. Met een vloek en een zucht kreunt de zaag verder door het hout. De zaagjongen beklaagt zijn lot, hij heeft nu de slag te pakken, Youssou N'Dour jammert op de transistor het verdriet uit dat hij zelf zou willen bezingen. De zaagjongen verliest zich in de weeklacht, de zaag gaat op en neer met de muziek, de zaag is niet langer gereedschap maar een strijkinstrument, het hout is een klankkast en begint laag mee te trillen en te zingen op het treurige lied van N'Dour. Het lied is droef en heeft vele refreinen, de zaag is allang voorbij de kerf waar de snee had moeten eindigen. Bij de laatste, lang aangehouden kreet van de zanger valt de plank in twee stukken op de vloer.
De knecht kijkt om zich heen, niemand die het ziet, pakt de lijmpot en plakt de twee stukken weer keurig met de uiteinden aan elkaar. Wat nou, hout is juist het sterkst op de lijmvlakken, of niet soms? Hij hurkt buiten in de schaduw en drukt de gelijmde stukken stevig tegen elkaar. Dit kan even duren en de werkdag is alweer bijna ten einde. Het is warm, het is vochtig, de twee stukken hout die zoëven ruw uit elkaar gingen, beginnen in hun gedwongen omhelzing elkaar weer vast te houden. Ze kunnen het nu wel zonder hem af, en de knecht vleit de herstelde plank met de lange, te lange zaagsnee zachtjes in het zand, staat op en gaat een glas bissap halen. Bij de limonade-verkoper is een hevig gesprek gaande over de komende wedstrijd tussen de worstelaars Manga 2 en Dame Soughère, de een is ervaren de ander is sluw, de een is zwaar en de ander is pezig. Wat is belangrijker? Sluw of zwaar, ervaren of pezig?
Alles is belangrijker dan de pas gelijmde plank. Als de knecht terug komt is de lijm gehard en het zand zit eraan als op schuurpapier. Maar wat geeft dat? Een plekje voor de slapers om zich aan te schurken tegen de kriebels van de nacht.
Maar dit is nog maar een zijkant van het ledikant. Over het hoofdeinde is nog helemaal niet gesproken. De knecht die is weggelopen is heeft de gaten waar de zijkanten met hun kopse kant in moeten steken rond gebeiteld en ze hadden vierkant moeten zijn. Dat is de weggelopen knecht zijn schuld, daar kan de zaagjongen toch zeker niets aan doen. Daar had de baas, als ik het zeggen mag, maar op tijd iets over moeten zeggen. Een vierkante pen past nu eenmaal niet in een rond gat. De baas wil nog kwaad worden, maar zijn vrouw begint te giechelen. Hij barst in lachen uit, pakt een hamer en begint de zijkant in het hoofdeinde te rammen. Wat past niet! Alles past. En de zijkant zit muurvast in het hoofdeind, een kleine barst verschijnt waar rond zich wringt in vierkant als een beekje dat zich benard een weg zoekt door gesteente.
Maar lijmkwast en beitskwast en verfkwast kunnen nog alles goed maken. Het bed zal langs de weg staan in zon en wind, in droge en in natte tijden, tot een koper het komt ophalen en op het dak van een taxi laadt.
Hij houdt nog steeds van haar, zal het enorme ding in de ene kamer van hun kleine huis haar zeggen en op dat schots en scheve bed zullen kinderen verwekt worden, recht van lijf en leden, en recht in de leer.
Nee, we moeten een andere vraag stellen: Hoe is het in naam van Gd, de allerhoogste en de almachtige, de genadige en de voorzienige, mogelijk dat waar ook ter wereld ooit een keer door mensenhand een plank pas gezaagd is?
Ja, hoe is het mogelijk dat welk stuk dan ook ooit tot een goed eind gebracht wordt.
t van de dag blijft voeden.Abram de Swaan, NRC 30 december 1995