'Rassenhaat' doet denken aan geweld, aan lynchpartijen en aan Ku-Klux-Klan. Moord, brand en verkrachting. Zo komt het op de voorpagina's, zo staat het in de boeken en zo heeft Nederland het ervaren in vijf nazi-jaren. Maar dat was het eindpunt, de totale overwinning van de rassenwaan. De kleine praktijk van alledag ziet er anders uit. Het doordeweekse racisme heeft geen organisatie nodig, niet eens een rassentheorie, zelfs nauwelijks racisten. Het is allemaal een kwestie van stijl, van gevoel voor verhoudingen, van etiquette.
Bijna niemand in het noorden van de Verenigde Staten heeft iets tegen negers. Tegen 'negers als zodanig' dan. Niemand is 'bevooroordeeld'. Maar toevallig blijkt bijna iedereen bezwaren te hebben tegen een bepaald soort mensen, die dan al even toevallig wel allemaal zwart blijken. De Amerikaanse wet gaat discriminatie tegen, de christelijke beginselen zijn er ook al niet hartelijk voor: de oprechte racist heeft het dus moeilijk. En omdat hij meestal niet tot het moedigste menstype behoort, legt hij zijn racisme af en wordt fijngevoelig: Hij heeft niets tegen gemengde paartjes, maar hij zou zijn dochter een zwarte vriend afraden, de achtergronden zijn zo verschillend. Uiteraard zou een neger toegang hebben tot zijn sociëteit, maar het is toch zeer de vraag of de man zich daar zelf thuis zou voelen en het is toch beter om teleurstelling te voorkomen. Het is alles heel subtiel en zeer fijnzinnig.
Niemand wordt een haar gekrenkt. Ieder heeft alleen maar zo zijn persoonlijke opvattingen en toevallig sluiten die de omgang met zwarten uit. Zo is de discriminatie van de negers in Noord-Amerika geworden tot een zaak van goede smaak. Vanzelfsprekend, tot er over gepraat wordt en dan zwijgt iedereen. Elk bezwaar tegen de aanvaarding van de negers is acceptabel, als het maar niet is dat ze zwart zijn. Want dat zou rassenhaat zijn en dat hoort niet meer tot de goede toon. Het is ook niet nodig, want iedereen heeft wel een ander argument om zijn zwarte medeburgers verre van zich te houden. Verreweg het beste argument en veruit het meest algemeen is dat 'het publiek' nu eenmaal iets tegen negers heeft. Daar is niets aan te doen en dus past men zich aan. Zo komen in advertenties zelden of nooit donkere modellen voor. Dat ligt niet aan de reclamemensen, dat zijn progressieve jongens, vervuld van goede wil. Maar hun opdrachtgevers zouden bezwaar maken tegen negers in reclames. Desgevraagd antwoordt dan de opdrachtgever echter dat hij een vriend is van het zwarte ras, zelfs geld geeft voor de strijdkas, maar dat helaas, zoals de zaken nu staan, het publiek, de kijkers en de lezers, gechoqueerd zouden zijn door een advertentie met een neger. Vraag nu zo'n stuk publiek, een willekeurige krantenlezer-televisiekijker, wat zijn bezwaren dan wel zijn, en hij zegt dat het hem integendeel een groot genoegen zou zijn om de koopwaar te zien aanprijzen door zijn gekleurde landgenoten. Maar ja, begrijp toch, daar kan niets van komen, want in het algemeen willen de mensen er niet aan. De enquête levert niets op. Alle ondervraagden ontkennen enig vooroordeel. Stuk voor stuk heeft niemand iets tegen de negers, maar naar ieders zeggen alle anderen wel. Ondertussen is het effect hetzelfde: negermodellen verschijnen alleen in advertenties voor een zwarte clientèle, verder is er voor hen geen emplooi. Net zo vergaat het de meeste zwarte verzekeringsagenten, stewardessen, receptionisten, advocaten, handelsreizigers, adviseurs en verkopers. Niemand wil ze uitsluiten, maar ieder ander wel. Sartre zei: 'De hel, dat zijn de anderen.'
En zo, zonder slag of stoot, aanvaardt elkeen het algemeen racisme nog voor er iets van gebleken is. Of iemand nu de procuratiehouder van andermans racisme is en bij zichzelf dat vooroordeel ontkent, toch zijn, nog vóór ze hem zijn opgedragen, zijn daden die van een racist, nog vóór een ander ze heeft uitgesproken, zijn toch zijn woorden al die van een racist. Ook al schrijft hij die vooroordelen toe aan onbepaalde anderen, zijn gedrag is erbij aangepast, zijn taalgebruik is erop ingesteld. De omweg van 'de anderen' levert hem alleen een nobel vernis van verdraagzaamheid op. Hij blijft racist in woord en daad en is bovendien nog achterbaks.
Met of zonder openlijke racisten, of iedereen het eigener beweging is, of met vertoon van tegenzin uit naam van anderen, het effect is hetzelfde. Amerika is een racistische samenleving. Beschaafde mensen zeggen het graag anders, met meer nuances, met gevoel voor geschiedenis en voor intermenselijke relaties. Maar woorden kunnen aan de feiten niets veranderen. Om een zaak te beginnen moet de winkelier in spé geld lenen. Maar geen bank zal een neger geld geven, de klanten mochten eens denken dat de bankier zijn geld maar uitleent aan Jan en alleman. De winkelier zoekt een winkel, maar niemand verhuurt hem, de andere huurders mochten eens denken dat de stand van het pand achteruit ging. Discriminatie bij sollicitatie is verboden. Geen nood. Zet een advertentie voor portier met als vereisten: minstens een collegeopleiding, dat is bijna een kandidaatsexamen. Komt een zwarte sollicitant met veertien in plaats van de vijftien vereiste jaren scholing, dan wordt hij beleefd doch beslist afgewezen. Komt een blanke sollicitant, nooit een universiteit van binnen gezien, dan wordt hij op zijn eerlijke gezicht ingehuurd om tot in eeuwigheid van dagen deuren te openen en te sluiten. Van rassenonderscheid geen spoor te bekennen. Er zijn subtieler wegen: stel onzinnige eisen en laat ze voor een bleke sollicitant vallen. Zo gaat dat, met duizend variaties; zo werkt de discriminatie in Amerika. Niemand heeft het gedaan, maar iedereen doet mee. En zo blijven de negers wat ze al een eeuw zijn, vrijgelaten, maar niet toegelaten.Amerika, land van gelijkheid. Amerika, land van vrijheid, individualisme, het is allemaal waar. Maar ook Amerika van racisme zonder racisten. Iets om te onthouden zolang Amerika eraan blijft herinneren.
Martin Luther King was de bijna-Jezus voor de Amerikaanse negers en minstens een Ghandi voor de blanken van goede wil waar ook ter wereld. Het strijdlied van zijn aanhangers, We shall overcome some dqy, werd de nieuwe Marseillaise, de Internationale van onze jaren. De wereld keek naar de foto van een zwart schoolmeisje met haar haar in twee staartjes, dat dwars door een menigte van spuwende, moordlustige blanken naar school liep; in Alabama en Mississippi lieten de demonstranten zich in naam van de geweldloosheid bij honderden arresteren en afranselen; nonnen en rabbijnen marcheerden arm in arm naar Washington voor de rechten van de negers. Zelden was een goede zaak zo duidelijk. En zo mooi.
En opeens is dat allemaal geschiedenis; niet meer eigentijds. Het gevecht is nog niet gewonnen, maar het strijdperk is al verschoven. In het Zuiden verbetert, heel langzaam, de rechtspositie van de negers, maar de successen zijn vanzelfsprekend geworden, niet eens meer verheugend.
De krantenlezer leert opeens de namen van de negerwijken in het Noorden, Watts in Los Angeles, New Yorks Harlem. En ditmaal is het lang zo mooi niet en zeker niet zo christelijk: er waren plunderaars en brandstichters, radeloze vechtpartijen en wanhopige opstanden. De blanke wereld heeft moeite met zijn sympathie. Jammer van zo'n mooie zaak. En nu, plotseling, nergens vandaan, komt de lelijkste leus van allemaal. In twee slechte woorden: Black Power. Black Power betekent Zwarte Macht, verder niets. Maar dat is genoeg. Genoeg om de krantenlezers in Amerika en in de wereld daaromheen een lichte huiver te doen voelen. En genoeg voor veel negerproletariërs in de grote steden van het Noorden om hun onverschilligheid af te schudden en zich aan te sluiten bij CORE, de organisatie van Floyd McKissick, of SNCC, de strijdlustige beweging van Stokeley Carmichael.
Achter hun strijdkreet Black Power gaat een nieuwe werkelijkheid schuil: Dat is de oude realiteit van alle honderd jaar na de bevrijding uit de slavernij. De negers zijn naar alle maatstaven gemeten nog steeds slechter af dan de blanken, verdienen gemiddeld de helft, gaan twee jaar minder school op slechtere scholen, zijn drie keer zo vaak werkloos en leven gemiddeld vijf jaar korter. Maar nieuw is dat na een volle eeuw van burgerschap een belangrijke groep negers zich begint af te keren van de blanke maatschappij. Het gaat de negers beter dan ooit tevoren, maar het gaat alle andere Amerikanen veel beter. Het verschil is toegenomen. En overal ter wereld zijn de gekleurde volkeren onafhankelijk geworden, maar de Amerikaanse neger loopt achter in die emancipatie. Een groot deel van de negers gelooft niet meer in integratie in de Amerikaanse samenleving als een oplossing in de nabije toekomst. En dat ongeloof heet Black Power. Voor sommigen, voor de leiders en de denkers, heeft Black Power dan ook nog een inhoud. Black Power is een politiek programma. Een streven om de negers te organiseren, zodat in districten waar ze in de meerderheid zijn, ook inderdaad zwarte kandidaten gekozen worden. In de nieuwe organisaties worden de blanke leden geleidelijk en met zachte drang uit de leidersposities verwijderd. Het gaat er niet om of blanken wel of niet de belangen van de negers kunnen behartigen. Soms kunnen ze het beter. Het gaat erom dat de weinige leidersposities die voor negers toegankelijk zijn, de posities binnen de zwarte gemeenschap, ook inderdaad door negers bezet worden. Dat lijkt velen nu de enige manier om een generatie van negerleiders te kweken. Black Power is ook economische macht. Tot nog toe zijn de huizen, winkels en bedrijven in de negerwijken eigendom van blanken. Een zwarte middenstand bestaat nog nauwelijks. Het zakenleven geeft de negers geen kans. De nieuwe negers willen dat de zwarten wonen, kopen en werken bij zwarten. In het verleden zijn de negercoöperaties bijna altijd mislukt door gebrek aan geld en kennis van zaken. De armen moesten zich aan hun eigen schoenveters omhoog trekken. Dit keer is het streven niet zozeer naar coöperatieve gemeenschappen als wel naar de vorming van een kern van zwarte middenstanders in de negerwijk. In de eerste fase zal de regering ze met kredieten moeten steunen, daardoor aangezet door de zwarte politici. In een latere fase moeten de winkeliers kunnen bestaan van een zwarte klandizie, niet langer weggezogen door de blanke bedrijven. Alleen op die manier kan een grote zwarte middenklasse ontstaan, zeggen de theoretici van de zwarte macht.
Ondanks de vele redelijke argumenten komt dit stelsel toch angstig dichtbij een apartheidssysteem. CORE en SNCC werpen tegen dat de elementen van apartheid niet van hen komen, maar alleen reacties zijn op de bestaande apartheid in de Amerikaanse samenleving. Inderdaad, er is een feitelijke gescheidenheid van de rassen in Amerika. In tegenstelling tot Zuid-Afrika wordt die door de wet niet afgedwongen, maar in tegendeel tegengegaan. Desondanks zijn de scherpste kanten van de Amerikaanse situatie te vergelijken met de gematigde - en soms de niet eens zo gematigde -aspecten van de apartheid in Zuid-Afrika. Het beslissende verschil ligt in de gradatie: slavernij en terreur tegenover uitbuiting en discriminatie. Een politiestaat tegenover een rechtsstaat die soms wat moeite heeft zich zijn hoge beginselen te herinneren.
In hun teleurstelling en woede valt voor een groot aantal negets dit onderscheid in het niet. Zij zien dat de topposities in zakenleven en regering voor hen onbereikbaar blijven, dat in elke situatie in het dagelijks leven de neger dodelijk beledigd kan worden. Als alle andere oplossingen dan niet werken of te traag, dan moeten de negers hun heil zoeken binnen de negergemeenschap zelf. Dat is de zakelijke redenering achter Black Power. Maar Black Power is bovenal emotie. Genoeg emotie om op terug te komen.
Black Power is zoals gezegd zwarte macht voor de zwarte gemeenschap: economische macht en politieke macht. Dat betekent nog niet zwarte overheersing van Amerika, van blank Amerika. Maar het is genoeg voor een kleine paniek onder de blanken en een verholen enthousiasme bij de negermassa's in de grote steden. Het blijft onuitgesproken, maar wie Black Power zegt, zinspeelt soms op een eindafrekening, op de grote wraakoefening van zwart Amerika na drie eeuwen onderdrukking. Blank Amerika heeft een kwaad geweten en elke onderdrukker heeft heel diep in zijn achterhoofd de angstdroom van de grote omkering der rollen. Vandaar de verontwaardiging om de Black Power leus, zelfs in vooruitstrevende kringen. Er is nog niets gezegd, maar iedereen begrijpt het zonder woorden, zelfs zonder gedachten: Soms speelt de politiek zich afrond het middenrif. Er is nog niets gezegd, maar een buitenlandse buitenstaander kan vermoeden dat Black Power ook bij de negers even kietelt aan dezelfde fantasie, een wereld waarin de zwarte heerst over blanke onderdanen. Zo schandelijk is die gedachte en zo gedurfd, dat hij alleen maar uitgesproken wordt in het hart van Harlem of binnenskamers, onder geestverwanten. Toch is het idee overal aanwezig: 'twee miljard gekleurde mensen op deze aarde' roept een spandoek in Harlem. En ieder vult voor zichzelf in: 'dat kan niet lang meer duren, dan zijn wij de baas.' Deze fantasie wordt misschien ooit werkelijkheid, nu is hij nog niet van belang. Wat telt, is dat hij er is, vormeloos en onuitgesproken. En dat daarom de leus Black Power ontplofte in Amerika.
Stokeley Carmichael zegt: 'Het is niet aan ons om uit te leggen wat het betekent, maar aan jullie blanken om ons te begrijpen.' Floyd McKissick gebruikt de Black Power-slogan voor een militant en zinrijk programma tot verbetering van het lot der negers. Zolang elke neger afzonderlijk nog weinig kans heeft om in de blanke gemeenschap carrière te maken, en zolang negers in Amerika onder de voortdurende druk van openlijke of onuitgesproken discriminatie leven, zolang - zegt McKissick - moeten de negers zich als één groep in de strijd werpen. Zij moeten een politiek blok vormen, zich economisch isoleren en zich zo gezamenlijk opwerken. Niet vanwege een rassentheorie, maar omdat ze samen meer kans van slagen hebben, omdat de zwarte enkeling in de blanke maatschappij steeds weer op gesloten deuren stuit. Zijn de negers als volksgroep eenmaal gelijkberechtigd, dan pas kunnen ze de bescherming van het eigen milieu opgeven en, met de mogelijkheid om er steeds weer op terug te vallen, eindelijk de blanke maatschappij ingaan. Daar is niets tegen in te brengen, behalve dat de negers misschien nu al meer mogelijkheden hebben dan McKissick zegt, dat ze nu al een heel eind kunnen komen aan overwegend blanke universiteiten en in de ambtenarij van een overwegend blanke regering. Maar de nieuwe negers antwoorden dat zelfs als ze zich kunnen opwerken, dat ten koste gaat van hun identiteit, ten koste van hun 'blackness', hun zwartheid. En dat is dan de emotionele, en vaak de onzakelijke en irrationele kant van Black Power. Er is iets negers aan de negers, zeggen zij. En dat gaat verloren door integratie. Het moet bewaard blijven door de zwarte gemeenschap in stand te houden. Stokeley Carmichael is de kampioen van deze blackness, zonder ooit te willen zeggen wat het is. Dat kan niet. Het laat zich slechts aanvoelen en alleen een neger voelt het aan. Sommige elementen in deze blackness zijn toch wel duidelijk. Het houdt een keuze in vóór de proletarische cultuur die de meerderheid der negers eigen is, en tégen de verburgerlijking van de weinige geslaagde negers die, eenmaal in de middenklasse beland, verloren zijn voor een radicale strijdorganisatie. De omgangsvormen en uitingswijzen die de negers in de loop van hun historie van onderdrukte groep hebben opgedaan, moeten niet in schaamte worden afgelegd, maar bewust worden aangehouden als band met verleden en afkomst, als uiting van blackness.
'Roy Wilkins is wit', zegt een leider van COKE, doelend op de witte-boord-voorzitter van de NAACP, de grootste negerorganisatie, die duidelijk het stempel van de middenklasse draagt. Roy Wilkins is donker genoeg van huid, maar het tegendeel van een zwarte proletariër. Dus is hij 'wit', dat wil zeggen zonder blackness. De nieuwe beweging, zoals belichaamd in CORE en SNCC, is een klassenbeweging, bedoeld voor de zwarte arbeiders, gevormd door de zwarte studenten, proletarisch en antiburgerlijk van inslag. Er steekt meer in blackness: verbondenheid met de strijd van de gekleurde volkeren overal ter wereld, maar vooral in Afrika. Waar bijna alles in de Amerikaanse geschiedenis voor de negers verwijst naar slavernij en rassenhaat, trachten de theoretici van de blackness nieuwe symbolen en helden te vinden in de geschiedenis van Afrika en van de zwarte emancipatiestrijd op het westelijk continent. Zij pogen het trauma van de negerhaat te genezen met een leer van zwarte superioriteit, of minstens van evenwaardig 'anders zijn'. Blackness betekent in één woord: zelfbewustzijn, besef van eigenwaarde voor wie daar nu van beroofd zijn in een geschiedenis van ontvoering, foltering en slavernij, in een bestaan van uitbuiting en discriminatie. Het is een poging tot genezing na een psychologische verwoesting die nu al eeuwen voortgaat.
Stokeley Carmichael is een geniaal uitbuiter van de onderhuidse gedachtenstroom in Amerika. Hij buit alle ondertonen van blackness en Black Power uit en zinspeelt subtiel en virtuoos op komend geweld. Hij is niet tegen geweld, zegt hij, maar of hij ervoor is, vertelt hij al evenmin. Dat hoeft ook niet, zijn gehoor heeft hem al begrepen. Geprest tot antwoord zegt Stokeley over gewelddadigheid: 'Riots work', opstanden hebben effect. Inderdaad, na elke uitbarsting van geweld maakt het plaatselijk gezag eindelijk ernst met huisvesting, scholing en werkvoorziening voor de bewoners van de getto's. Hoeveel schade ze ook aanrichten, materieel en in de verhouding tussen negers en blanken, als alarmsignaal blijken de rellen hoogst effectief. Stokeley Carmichael wacht zich wel deze riskante tactiek openlijk uit te spelen. Hij laat alleen het woord vallen: 'riots'. Dat is genoeg, de blanke huivert en de neger heeft zijn fantasie van geweld en wraak. Maar ondanks de onmiddellijke - zij het beperkte - effectiviteit van rellen en ondanks alle opgehoopte agressie, komt het in de negerwijken eigenlijk nog verbazend zelden tot een uitbarsting.
De negerbeweging is radicaal geworden, onverminderd strijdlustig en minder bezorgd om wat de blanke medestanders wel eens zouden kunnen zeggen. Maar tegelijk winnen de extremisten terrein. Zij werken onmiddellijke verbeteringen tegen in een streven naar een verre en irreële eindoverwinning. Met hen wint ook het racisme onder de negers aan aanhang: een geloof in eigen meerwaardigheid, dat een haarzuivere afspiegeling is van het blanke superioriteitsgeloof. Die twee zijn van nu af onafscheidelijk. Maar nog, zelfs nu nog, hangt het af van de blanken en hun gezond verstand welke richting de negerbeweging gaan zal.
Kijken is stilzitten, ogen voor je houden, volgzaam zijn. Kijken is televisie, gezinsleven, ouderdom, burgerlijkheid, de middelbare middenstanders. Televisie is bezit, vastigheid, een apparaat, snoeren, antennes: een pluim op de burgermanswoning. Een tv-toestel is meubilair, woninginrichting, carrière, maatschappij. Luisteren is leven met een half oor, transistor onder de kraag van het leren vest, autoradio's, gillend van het lachen in open sportwagens. De snelheid van het geluid. Het zintuig van de swinger, de teeny-bopper, go go hippie, uptight chick. Radio is van de leefman, de actieman. Radio is jong, is in, is groovy, is with it. Televisie is oud, uit, square, mis, teevee. De radio is terug!
Welkom radio. Welkom in een wilde wereld, in een bestaan opgebouwd van geluid, lawaai, gerucht: het geluid van Amerika. Transistors. Het zenuwengeluid. Vierduizendhonderdachtenveertig stations zenden twintig uur per dag over tweehonderd miljoen toestellen in Amerika — één voor elke Amerikaan, hardhorend, doof of stom en dan zijn er nog genoeg radio's over om alle kinderen in Nederland blij mee te maken. Aldus Information Please, mijn feitenalmanak. Maarten Luther: Quia est auditu Jides, non ex visu = het geloof komt immers van horen, niet van zien. De transistor is het zesde zintuig van jong Amerika geworden. Onder zijn dromerig kussen, in zijn schuldige broekzak, in zijn tedere handpalm hoort de tiener, hij hoort, hij hoort wat niemand hoort - behalve dertig miljoen andere teeny-boppers van kust tot kust - het geluid van Amerika.
De andere wereld, de atmosferische werkelijkheid, of: de ether, zoals de ouden zeiden. En daar wonen de disc jockeys, de poppriesters die niets meer meedelen, niets meer beweren, niets meer hoeven uit te leggen; alleen nog maar zuivere communicatie, zonder inhoud, alleen tekens, signalen - symbolische logica, zei Tom Wolfe.*
Het gaat ongeveer zo:
W.A. V.Z., your station in New Haven, lucky thirteen on your dial, go go go Go G!!! a swinging session with Bill Gary and all the sixty seven singles from the top hundred tip list. En dan meteen, Wham... The Mothers. Niet zoals vroeger met de Arbeidsvitaminen eerst een beleefde aankondiging en dan een muzikale inleiding, zo van: Er komt nu een vrolijk lied, dat is te merken aan de samba-ballen op de achtergrond en dat hoort u aan de kloeke vierkwartsmaat; dan houdt de muziek even in en komt de zangeres... de oude aanpak van U vraagt wij draaien en Met band en plaat voor u paraat. Wie die namen kent, is in deze wereld al een oude man... Nee, hier niets van dat alles, meteen, knal, het punt op de plaat waar de zanger inzet met volle kracht, niks geen introductie en als de woede van de plaat even zakt, kraait de disc jockey er meteen weer tussendoor: Californian Mothers going a go go number thirteen on this week's top twenty: Stay tuned, join the fun! Geen tijd gaat verloren, de uitzending is een durend toppunt, vier, vijf uur lang. Behalve voor de station breaks, de reclames. Maar als het station echt goed is, zijn zelfs de reclames in stijl: Coca Cola beat en Pepsi's Join the Pepsi Generation. Ik houd het in het Engels, vertalen helpt niet. Het betekent niets, alleen zichzelf: 'Coca Cola slag' of 'Voeg u bij de Pepsi-generatie'. In het Nederlands is daar geen brood van te bakken. Het is mystiek, vreugdefeesten, een soort laagmis, maar dan opgedragen aan een topperwezen. De tiener. En het is menes. Er valt niets te lachen, nooit een grapje, want dat verwijst naar iets. En dit is alleen zichzelf, sfeer, geluid, ether. Het is ook tienerseks. Het zegt: Alles kan gebeuren, je zult nog alles meemaken, het land is oneindig en daarachter is de zee. Onbestemde opwinding, voorgevoel, het elektronisch Leiden des jungen Werthers in de welvaartsstaat. En ook samenzijn, samenhoren, samen met ontelbare andere tiener-ikken die ook allemaal samenhoren. En iedereen weet: er is iets groots op komst, nog ongeweten, eens komt de dag. Dit hele verdomde land is van ons, zegt de zanger van de Mothers of Invention. Helemaal van de teeny-boppers. En ze weten het niet eens.
Ik sta in de studio, al twee uur lang, geloof ik. De technicus heeft een stapel plaatjes voor zich en de lijst met de top honderd van deze week. Dat zijn de platen die het meest gespeeld zijn door de tien leidende disc jockeys van het land. Waar zij het meest in zien of het meest voor krijgen. De platenruiters van alle andere stations volgen die keus. De luisteraars kopen de plaat die zij het vaakst krijgen voorgedraaid en die ze het best bevalt. De meest verkochte plaat komt op de topperlijst en wordt dan weer het meest uitgezonden. De rest is herhaling, liturgie. De disc jockey zet een plaat op. Hij schuift een bandje in de gleuf. Wauw! roept het bandje met zijn stem de zender in, tune in, have a ball, join the partyline of the swinging straightshooters. En terwijl zijn extase door duizend huiskamers galoppeert, steekt de disc jockey een sigaret op. Dat is mijn beste kreet, zegt hij, die blijft het doen.
Het land is van de teeny-boppers... ze weten het niet eens.* Tom Wolfe, The kandy-kolored tangerine-flake streamline baby, New York, Farrar, Strauss and Gitoux, 1965. (Ook als Noonday Pocket).
De FBI, de federale recherche, heeft op de universiteiten detectives ingezet die zich voordoen als studenten om liefst in vooruitstrevende kringen betrekkingen aan te knopen. De bedoeling is ditmaal niet om staatsvijandige elementen op te sporen. De jacht op 'on-Amerikaanse' personen is weliswaar niet geheel en al van de baan, maar er doet zich nu in dezelfde hoek een belangrijker vijand voor, op het moment nog meer gevreesd dan communistische infiltratie en door nog steeds dezelfde vervolgers. De nieuwe dreiging wordt gevormd door de psychedelica, de bewustzijnsverruimende middelen. LSD is het meest berucht en het meest recent. Amfetaminen, wek-pillen, worden door studenten gebruikt ter opwekking voor de blokkers of ter verdoving voor de dromers. Maar veruit het meest verspreid is marihuana. Minstens een kwart van de studenten heeft wel eens een marihoe-sigaretje geprobeerd, misschien een tiende rookt het geregeld. Daar moet de FBI op af! Desnoods vermomd met baard, in spijkerbroek en op gympies; in studentendracht.
Ongeveer tezelfdertijd werd bekend dat een aantal studentenleiders in dienst stonden van de CIA; enige tijd daarvoor bleek dat een studiegroep van Michigan State University in Vietnam onder het regime van Diem diende als dekmantel voor diezelfde geheime dienst. Student en maatschappij komen elkaar eindelijk nader. Het probleem van de werkstudent nadert zijn oplossing als een student zijn brood kan verdienen door in regeringsdienst voor zichzelf te spelen en tegelijkertijd als geheim agent nog iets aan zijn voortgezet onderricht kan doen. Het maatschappelijk engagement van zo een geheim student is soms heel innig: Een stille van de FBI verloofde zich met een meisje en vroeg haar na verloop van tijd hem wat marihuana te bezorgen. Toen het kind met het verboden gras kwam aanzetten, arresteerde hij haar en haar vriendjes wegens handel in verdovende middelen. Uiteraard verbrak hij daarna zijn verloving met de delinquente.
Marihuana is het snoepgoed van de nieuwe generatie. Zoals aan alles wat lekker is en de gebruiker een gevoel van welbehagen geeft, worden aan marihuana grote gevaren toegeschreven. Suikergoed schaadt kiezen en beendergestel, roken verkankert de longen, drank ruïneert de lever en liefde belemmert de prestaties in studie en sport. Alles wat genot geeft, schaadt de mens, althans volgens het slag mensen voor wie genot zelf in wezen onverdraaglijk is. Die vermeende of reële schadelijke effecten vormen nog geen reden om een middel te verbieden. Niet in een maatschappij van grote mensen tenminste. Bovendien loopt zo'n verbod altijd op niets uit. Bijvoorbeeld de uitbanning van alcohol: De grote drooglegging van de jaren twintig werd in de Verenigde Staten een grandioze mislukking. Amerika dankt er zijn gezelligste kroegen aan, voortgekomen uit de speakeasies, waar in het geheim geschonken werd, de gangsters hebben in het illegale drankverkeer geleerd hun vak groot op te zetten, een menigte gretige drinkers hield aan de droge tijd een ongeneeslijke hang naar drank over en is sindsdien alcoholicus. Wijs geworden door al deze averechtse gevolgen heeft de regering na veel politieke strijd de drankverkoop weer toegestaan en legde hem aan banden, van staat tot staat op verschillende manier. Wijs geworden is wat veel gezegd. Want in Amerika, net als in het overzeese gebiedsdeel Nederland, voert de politie een hardnekkige en even vruchteloze als schadelijke strijd tegen de marihuana, Indische hennep, cannabis sativa. Een vriendelijk kruid: de gedroogde blaadjes, fijn gesneden en als shag tot een sigaretje gerold, worden gerookt door miljoenen. De meer gevoelige karakters raken er opgewonden van, vrolijk, treurig, praatziek of juist heel stil. In elk geval, het haalt ze uit de zorg van alledag. Een zegen dus, zo te horen. Want zolang niet iedereen een huispsychiater heeft en zolang het leven op aarde blijft zoals het is -nogal eens teleurstellend - zolang wil iedereen er op zijn tijd wel eens uit. De een met vijf glazen jenever, de ander in zijn sportwagen, de jeugd van het avondland met marihuana.
Dus bel ik Mary Rose, die na tien keer bellen eindelijk de hoorn opneemt en duidelijk niet helemaal thuis is. Zij is zoals dat heet stoned, versteend, of high, hoog, of: in een roes. In elk geval heeft ze een plezierig weekend, dat blijkt uit alles. Ze heeft het verdiend ook, want ze werkt als redactrice bij een blad dat Confidenties heet en waarin vrouwen vertellen hoe zij hun man van kant hebben gemaakt, hoe hun zoon veertien rode kruissoldaten wurgde of hoe hun nicht in een kalf veranderde. Dan wil Mary Rose op haar vrije zaterdag wel eens wat anders: Pot, marihoe, kinab, kemp, banga, hasjish, kief, weed, gras, thee, het spul, of al die andere koosnaampjes die in zwang zijn voor dat ene genotmiddel marihuana.
Niemand van Mary Roses vrienden zal haar iets kwalijk nemen. Dat zou ook ongepast zijn, want bijna iedereen is zelf gebruiker. Veruit de meeste rokers zijn jonge, oppassende, harde werkers van goede familie. Het zondige genot vindt dan ook plaats op een heel aards niveau. 'Wat doet Joe?'
'Die zit in zijn kamer en rookt.' 'O.' Aanvaard, vanzelfsprekend, normaal, natuurlijk, doodgewoon, algemeen. Joe rookt geen sigaretten, dat begrijpt iedereen, want daar krijgt hij kanker van, dat is nu zo onomstotelijk dat het zelfs op de pakjes staat gedrukt, Joe rookt een reefer. Dat wordt door iedereen aanvaard, behalve door de politie, door de rechters en door de officieren van justitie. Die reizen de halve wereld af om iets kwaads van marihuana gewaar te worden, zonder ander resultaat dan een mooie vakantietocht voor de betreffende expert. Er is een enkele professor in de weetnietkunde of een drogist door ijverige zelfstudie opgeklommen tot hoogleraar in de farmacologie die van alles te beweren heeft over de gevaren van marihuana dat óf volstrekt onwaar is óf geheel en al onbewezen. Maar zelfs als de oude mannen hier en in het dodenrijk Holland alle nadelen van marihuanagebruik hebben uitgeschilderd, kan de enige conclusie slechts luiden: als alcohol of nicotine maar half zo onschuldig waren, zag de wereld er een stuk beter uit.
Marihuana wordt door misdadigers aan de man gebracht, piept een juridische grijsaard. Wat hij vergeet, is dat hij zelf eerst de handel in dat goedje heeft verboden en tot misdaad heeft gemaakt. Dat geeft de gangsters een kans om zich in te dringen en om te proberen met de marihuana andere, wél levensgevaarlijke giften aan de man te brengen: cocaïne, heroïne. Het was ook de drooglegging die de Maffia in de caféwereld bracht en die drank en prostitutie aaneen koppelde.
Zo leeft een groot deel van Amerika's meest belovende jeugd buiten de wet. Zonder veel kopzorg overigens. Het is de wet die de aansluiting mist. Net als toen radiobezit zonder geldige luistervergunning ('met serieletter K...') verboden was en net als met de naoorlogse manie van smokkel in parfum en sigaretten. Iedereen doet het toch, straffen helpt niets, het verwoest alleen de levens van overigens oppassende staatsburgers. Ten lange leste past de wet zich aan. Het is een mens slechts zelden gegeven helder in de toekomst te kunnen zien. Maar één generatie verder zullen de kinderen op school bulderen van de lach als ze horen dat volwassen mannen andere volwassen mannen achtervolgden, arresteerden, veroordeelden en voor vijf of tien jaar opsloten, enkel en alleen vanwege hun voorkeur voor een bepaalde soort rookwaar. Kinderen hebben nu eenmaal een grof gevoel voor humor.
Natuurlijk wordt marihuana ooit nog eens vrijgesteld. Vanzelfsprekend komt een dag dat ook de voor de hand liggende oplossing voor het gebruik van LSD wordt gerealiseerd: net als met zweefvliegen, dat ook niet zonder gevaar is, worden verenigingen van regeringswege goedgekeurd, nieuwe leden moeten medisch en psychiatrisch worden onderzocht en krijgen gedurende een proeftijd geleidelijk grotere doses LSD (meer vlieguren) tot ze verantwoord aan zichzelf kunnen worden overgelaten. Wacht maar, zo zal het gebeuren.
De situatie lijkt nu nog somber. Zelfs voor marihuana. Geen politicus verdedigt nog in het openbaar het vrij gebruik. Dat hoeft ook niet. Een kwart van alle kiezers is nu jonger dan dertig jaar, dat zijn dus alleen nog maar de twens. Over tien jaar vormen de kiezers onder de vijfendertig jaar de meerderheid in Amerika. Voor hen is marihuana een genotmiddel als alle andere, een middel dus dat ongevaarlijk is zolang het met verstand gebruikt wordt. Het verbod is voor de jonge kiezers iets van oude mensen en dingen die voorbij gaan. Binnen tien jaar is marihuana aanvaard. Dan kunnen de inhaleerders eindelijk onbezorgd uitblazen.
Politiek in de Verenigde Staten is wezenlijk profaan, in Europa in oorsprong heilig. Ik bedoel dat in Europa de gemeenschap ooit geloofsgemeenschap was, de staat een dienaresse Gods en dus was de politiek er meer dan mensenwerk. Toen kerk en staat uiteengingen, behield de staat toch iets van de bovennatuurlijke glans die de kerk erop had afgestraald. Niet zo in Amerika. Daar is de gemeenschap nog binnen vijf generaties mensenheugenis ontstaan en dus is er weinig plaats voor gezagsmystiek, weinig ruimte voor een staat met bovenmenselijke pretenties. In Amerika regelt ieder zijn eigen zaken en de staat regelt er de zaken van alleman. Dat is althans de bedoeling. Daarmee is de politiek profaan, de politicus een publieke zakenman, geen staatsman. Dit heeft consequenties: Het bepaalt de stijl van het politieke leven.
De politiek is open. Het is een publieke zaak en dus de zaak van het publiek. Toegankelijk voor velen. En ook: met minder geheimen. Er is geen roeping en geen mysterie en zo weegt elks mening even zwaar en heeft ieders vraag een recht op antwoord. In zijn volstrektheid is dit alles natuurlijk niet waar. Het is een beetje zo, een beetje meer dan ergens anders. Maar bovendien: de Amerikanen in grote meerderheid willen het zo, ze geloven in de profane stijl en dat alleen al maakt de politiek profaan, open en dus ook vulgair en dikwijls corrupt.
De politicus kan zich voor zijn gelijk niet beroepen op een bovenmenselijke macht, maar moet zijn gelijk zien te krijgen door stemmen te werven. Dat gaat vaak ten koste van de goede smaak en van de beginselvastheid. Soms tast het ook de onkreukbaarheid aan. Dat geeft schandaal. En dat valt dan de buitenstaander nog het meest op.
Immers, politiek is hier een zaak als alle andere en een vuil zaakje in de politiek geldt niet als vuiler dan in het zakenleven. Zo is corruptie een gebeuren van alle dag. Het is regel in de beroepssport, in de caféwereld, in het bouwbedrijf. Het is regelmatige uitzondering in regering en parlement. De Amerikanen blijven er koel bij. Eindelijk is na tien jaar procederen Jimmy Hoffa, leider van de grootste vakbond in de Verenigde Staten, opgesloten wegens poging tot omkoping van een jurylid. Dat was nog het minste, maar het kon bewezen worden. Desondanks blijven zijn anderhalf miljoen transportarbeiders hem onverminderd trouw en blijft hij in de cel hun voorzitter. Voor zijn aanhang heeft Hoffa alleen maar pech gehad. Voor het grote publiek is hij één uit velen. Dezer dagen is senator Thomas Dodd uit het keurige Connecticut halfhartig berispt door zijn collega's omdat hij verkiezingsgelden achterover had gedrukt. Ze waren voor hem persoonlijk bedoeld, wierp hij tegen. Dat zou in Nederland des te erger worden opgenomen: het absolute einde van zijn loopbaan. Niet zo in de Verenigde Staten, waar het volslagen onduidelijk is wanneer financiële steun aan een politicus of ambtenaar moet worden opgevat als een verkiezingscontributie, wanneer als een gift aan hem persoonlijk en wanneer als een omkoopsom. Zelfs president Johnson raakte als senator verwikkeld in het juist afgesloten schandaal rond Bobby Baker, die ook al partijcontributies ten eigen bate had gebruikt. Het komt er eenvoudig op neer dat wat politieke vrienden 'steun aan een geestverwant' noemen, voor de politieke vijanden 'omkoperij' heet. Een corrupt politicus is er dus een met meer vijanden dan vrienden.
Dat gaat goed op voor de zwarte afgevaardigde van Harlem, Adam Clayton Powell, die zijn vrouw en zijn vriendin op regeringskosten als secretaresses had ingehuurd, maar zich persoonlijk zelden in Washington vertoonde. De afgevaardigden slikken dat heel best van hun collega's en nog het makkelijkst van zichzelf, maar Powell is zwart en had dus de zuidelijke afgevaardigden tegen zich. Door zijn tegenstanders tot het uiterste op te sarren, bereikte Powell dat hij uit het Huis gestoten werd. Waarschijnlijk een ongrondwettig besluit, zeker een hoogst onverstandige maatregel. Want nu bezorgden Powells politieke vijanden hem twintig miljoen onafscheidelijke politieke vrienden: Amerika's negers, voor wie Powell niet corrupt is, maar allereerst een neger en nu ook nog 'uitgestoten' zoals zij.
In Nederland komt corruptie nagenoeg niet voor. De bestuurders zijn er minzame betweters die zich boven het gewone volk verheven voelen. Maar ze voelen zich als regenten ook te goed om zich te laten omkopen. Daarmee is Nederland althans van één volksziekte vrij: corruptie. In plaats daarvan komt de aanmatiging van de gezagsdragers. De Amerikaanse politici staan nergens boven, maar dan ook niet boven omkoperij.
In Holland is niets onder de grond, alleen grond, doden en riolen. Maar bij het leven blijft de mens boven de zoden. Daarmee mist Nederland een dimensie: het ondergrondse... de catacomben van Parijs en Rome, Londens tube en New Yorks subway! Buiten het centrum is New York één angstige vlakte van snelwegen en woonblokken, cafetaria's, garages en woonblokken - zonder ophouden, zonder ritme, zonder structuur: Brooklyn, Bronx, Queens. Een stad, maar zonder allure, zonder betekenis, een menigte tegen elkaar geschoven gehuchten. De ondergrondse trein negeert deze woonbuurten, gaat eraan voorbij, er onderdoor. De woonwijken blijven ongezien en verdwijnen uit de werkelijkheid. Wie er niet woont, weet er niet van. De ondergrondse passagier komt pas boven waar hij wezen moet. Alles daartussen is geraas en duisternis. Door de ondergrondse wordt New York verkreukeld. De kaart schrompelt ineen tot een prop papier waarop alleen nog Manhattan, het centrum, het bankdistrict, de vermaaksbuurten overblijven; bovendien herkent iedereen zijn eigen woonwijk. In de kreukels van de kaart, diep weggevouwen, liggen de buurten waar de New Yorker niets te maken heeft. En dus is New York niet groot. Alles wat niet telt, is eenvoudig weggevouwen, overgeslagen door de ondergrondse. Elke New Yorker leeft in een tamelijk kleine stad die bestaat uit zijn kantoorwijk, zijn uitgaansbuurt, de straat waarin hij woont en die van drie, vier vrienden. Alles daartussen is weggeklapt, is alleen maar stationsnamen en reistijd in de ondergrondse.
Maar daarvoor moet de New Yorker de diepte in, waar de aarde haar eigen rechten heeft. Onder de grond heerst schemering. Nooit zal het er licht zijn, hoeveel lampen in de stations ook branden. Ondergronds wordt het licht gelig en verliest aan kracht. Alles in het onderaardse is smerig en vuil op alle manieren: stoffig, korrelig, kleverig. Dus dwaal ik door de halfdonkere, vervuilde gangen van het onderaardse op zoek naar borden Pelham Bay, het punt waar ik boven wil komen. Maar de New York Transit Authority is halverwege deze gang vergeten dat hij daarheen een trein had rijden en de borden houden op. Kaarten zijn er niet; er moeten geheimen blijven in het ondergrondse. Niemand die ik tegenkom, weet iets: ieder reist in zijn eigen vouwen, kent geen andere. Ik loop voorbij portalen en gangen en snoepautomaten die alle munten slikken, maar nooit iets daarvoor in ruil geven. Voorbij een luik op kniehoogte waarachter een ander station te zien is, met andere treinen en een nieuwe duisternis aan het eind van het perron. Om de hoek is de muur weggebroken en daarachter ligt een bouwput, waarin arbeiders een stalen toren aan het lassen zijn, hoger dan ik zien kan, niet hoog genoeg om uit het ondergrondse te geraken. Pelham Bay, waar ik heen wil, krijg ik van de Lexington Express. De rest is aftellen, 42e, 51e, 59e, 68e, stations die elk staan voor een buurt: de chique galleries van Madison Avenue, de Duitse buurt, Spaans Harlem. Alles wordt weggevouwen in geraas en duisternis. Nog verder raakt de trein bovengronds, maar schiet meteen door naar een verhoogde baan boven de daken. Daglicht en uitzicht. Niets te zien. Lege straten en verzuurde tuintjes. De stations hebben dorpse namen. Long Wood en Hunts Point. Maar niets landelijks. Een radeloze huizenvlakte. Een landschap gemaakt om te vergeten: lage huizen, fabrieksterreinen, autokerkhoven, hondenkerkhoven, kerkhoven. De stad die nooit meer ophoudt. Tot St. Lawrence Avenue. Dat is mijn Avenue. Daar woont wie ik ben komen halen. Met wie ik langs de apotheek van Ligget's loop en de rijschool van niet-slagen-niet-betalen.
Wij maken dezelfde tocht terug. Duisternis en geraas. Er valt niets te zeggen, dit is alleen maar transit. Tot Grand Central Station waar mijn territoir opnieuw begint en waar het opeens weer mogelijk is samen te lopen, te praten.
Nog in het station klinkt achter een trap gebrul. Het wordt een goddelijk, hemels schallen. Halleluja, Händel. Honderd kinderen staan op het perron de treinen weg te zingen. Vooraan staat een donkere dikke meid de maat te slaan. Het perron brult hemels mooi Halleluja. Van Händel. Het All New York Junior High School Choir op weg naar een uitvoering. Dat beleven we, want dit is ons territoir. Wij gaan de trappen op, naar eigen gebied.
Amerika heeft vijftien maal zoveel inwoners als Nederland. Dat betekent niet alleen dat Amerika van alles meer heeft; er valt ook uit af te leiden dat het in bijna alles beter is. Want, als het talent ongeveer gelijk gespreid is over de volkeren - en dat schijnt zo te zijn -dan zijn er in Amerika vijftien keer zoveel getalenteerden. Stel: één op de honderdduizend mensen is uitzonderlijk begaafd in enig opzicht. Nederland zou dan 130 wonderwezens hebben. Zeg dat die elk schitteren op een ander gebied van menselijk kunnen. Dan evenaart Amerika Nederland in al die gebieden door 130 uitzonderlijk begaafden erop los te laten. Het houdt dan nog achttienhonderd wonderwezens over voor alle andere terreinen waarin het uit wil blinken, óf, als reserves op die terreinen waarop Nederland nog concurreert.
Het is als met twee piramides, de één opgetrokken uit tweehonderd miljoen stenen - zoveel mensen als er in Amerika zijn - de ander gebouwd van dertien miljoen - overeenkomstig Nederlands bevolking: Op elke hoogte is dan Amerika's piramide breder en de top rijst ver uit boven de Nederlandse. Uiteraard heeft Amerika ook meer imbecielen en zwakzinnigen dan Nederland; onder de talentpiramide laat zich een omgekeerde piramide van wantalent denken. En opnieuw: vast en zeker is de grootste idioot een Amerikaan. Maar de zwakken trekken een land niet zozeer omlaag als de sterken het omhoogstoten.
Conclusie: Amerika is niet alleen groter, maar ook beter. Deze zelfde redenering zou opgaan voor Europa, als het één gemeenschap was en alle bevolkingen bij elkaar konden worden opgeteld. Maar zolang het verschillende landen betreft, door taal nog meer gescheiden dan door grenzen, houden ze hun natuurlijk nadeel. En dat nadeel steekt niet alleen maar in theorie of in het getallengrapje. West-Europa raakt in de praktijk snel achterop in allerlei gebieden van wetenschap en techniek. Een mooie index: In 1962 betaalde Europa vijf keer zoveel patentrecht voor het gebruik van Amerikaanse uitvindingen als Amerika uitgaf aan Europese patenten. Sindsdien is de balans nog veel verder in die richting doorgeslagen.
Niets aan te doen, een kwestie van getalsverhoudingen, zou nu de afdoener kunnen zijn. Terecht, als het daarbij bleef. Maar er zijn andere gegevens. Amerika laat het niet bij zijn gegeven voordeel. Het spant zich ook veel harder in voor onderzoek en onderwijs. Veertig procent van de kinderen tussen de zeventien en eenentwintig volgt enig voortgezet dagonderwijs. In Nederland, naar mijn schatting, nog geen tien procent. Omdat er in Amerika vijftien keer zoveel kinderen in die leeftijd zijn, is er op elke zestig Amerikaanse studenten één Nederlander die studeert. Nederland kan zijn bevolking niet vertienvoudigen, al hebben we daarvoor in de afgelopen jaren ons uiterste best gedaan. Maar het kan tenminste het onderwijs uitbreiden. Desnoods tienvoudig in twintig jaar. Daarvoor is alle reden. Nu al investeren Amerikaanse ondernemingen in Europa, brengen zelf hun deskundigen en methodes mee en huren Europees personeel voor het routinewerk. Net als Nederland dat in Afrika doet. Tegelijk krijgt het aanwezige talent in Europa onvoldoende kansen en trekt weg naar de Verenigde Staten, bijvoorbeeld omdat daar vier keer zoveel aan onderzoek wordt uitgegeven als in heel West-Europa bij elkaar. Dit zijn maar getallen. Andere schattingen leveren andere cijfers. Maar de conclusie blijft dezelfde. Van nature heeft Amerika een voorsprong. Maar bovendien en belangrijker: Amerika heeft meer over voor onderwijs en onderzoek. Er heerst in dit land een ontroerend geloof in de macht van kennis. Leren is vooruitkomen en wie vooruitkomt, krijgt deel aan het goede leven, in meer dan één betekenis. Een geweldige en voortdurende propagandacampagne prest de ouders om hun kinderen te laten doorstuderen en om zelf alsnog te gaan bijleren. Wie ook maar het zout in zijn pap verdient, zal het zich in dit land uit zijn mond sparen om zijn kinderen verder te laten leren. Schoolgeld is de grootste post op het budget van gezinnen met studerende kinderen. De Amerikanen geloven nog steeds in vooruitgang, van de enkeling, van de natie, van de wereld. Maar zij zijn tegelijk bereid de geschiedenis voort te stuwen door grote, vaak persoonlijke, inspanning.
Nederland is daarvoor blijkbaar niet te vinden. Er wordt zelfs bezuinigd op het onderwijs, alsof dat niet hetzelfde is als verspillen van talent. Als een klein land dan niet een wereldmacht in alles evenaren kan, laat het dan proberen op een paar strategische gebieden bij te blijven. Het dodenrijk Holland is te klein, te lelijk en te drassig om ook nog onderontwikkeld gebied te kunnen zijn.
Maagdeneilanden
Tot mijn onuitsprekelijke genoegen behoren de liefelijke Maagdeneilanden in de Caraïbische Zee tot het grondgebied van de Verenigde Staten en dus tot mijn onderwerp. Deze eilandjes, niet ver van Puerto Rico, werden vijftig jaar geleden overgenomen van Denemarken. Ze werden eerlijk gekocht en betaald en zijn niet, zoals zovele Amerikaanse bezittingen in de Stille Oceaan, in de loop van een halve eeuw en drie oorlogen blijven hangen aan de kiel van Amerika's slag-schepen.
De reiziger met boot of vliegtuig komt aan op St. Thomas, een winderig en heuvelig eiland, een vrijhaven, en dus vol toeristen beladen met belastingvrije drank en sigaretten; een eiland, zonovergoten en strandomzoomd en dus vol met toeristen ontdaan van jas en pak, verbrand en verveld.
Er is een boot daar die op het hele uur naar St. Jan vaart, langs kleine beboste en onbewoonde rotseilanden die ik op slag herken: Zo'n eiland heb ik uitgetekend onder de les op school. Het heette Pax, toen, en ik bezat de kaarten, schreef de wetten en verdeelde land en goed over de bewoners. Alle eilanden van schoolkinderen en fantasten waarvan wij dachten dat ze alleen bestonden in een schoolschrift of in een bank gekrast, bestaan dus echt en heten Lovango Kaai, St. Kitts of Tortola. De zee is blauw, de rotsen zijn grijs, de bomen groen, de bloemen paars, alsof dit alles met kleurkrijt was getekend. Wij, dat zijn wij met snorkels,
rugzakken en badgoed, wij gaan aan land. Iedereen rijdt rond in jeeps. Dat wist ik al. Dat had ik zelf bedacht, vijftien jaar geleden.
De mensen zijn zwart, veel zwarter dan de negers die ik ken van het vasteland. Daar hoort dus een verhaal bij en dat komt. Er is ook een blanke minderheid, kinderen van planters en Deense kolonisten. Die komen ook voor in het verhaal.
Waar is hier Amerika? Daar komt hij aangereden in technicolor en cinemascoop, met breedgerande hoed en gelooid gezicht, de ranger, de boswachter van het nationale park. Bijna heel dit eiland is natuurreservaat. Ooit is de grond hier opgekocht door de Rockefellers, die hun bezit aan de staat hebben overgedaan in een gul, maar ondoorzichtig en voor de familie heel voordelig gebaar.
De volgende dagen stellen voor ons een programma samen: het heet zomerpret, al is het nog maar nauwelijks lente, en het heeft dus witte stranden, zachte golven en onderwatervissen die aan koralen proeven. Er zijn volop palmen voor ons neergezet, tropisch struikgewas, kokosnoten op de grond en bougainville op ooghoogte. Ik zeg u: het is goed. Een pauw op het erf en 's nachts een heremietkreeft op de weg, stiekem slepend aan zijn huurschelp. Zwemmend in zee nemen wij pelikanen waar, vliegend in oostelijke richting, maar even later blijkt: hier vliegen de pelikanen zomaar in het rond. Ik besluip een kormorant, bespied een sidderrog en snijd voorzichtig cactusvruchten los. Eén dag nemen we in eigen hand: een jeep rijdt ons Kaneelbaai uit, naar de andere dus geheimzinnige kant van het eiland. Na twee uur bereiken wij Cala-bash Boom, dat - begrijp ik eindelijk - Hollands is voor 'kalabasboom', de inheemse gourd-tree. Daarmee stuit ik op geschiedenis, tref verlaten, overgroeide suikerplantages aan en verzeil, eenmaal teruggekeerd, in oude boeken. Daar staat te lezen wat op het eiland zelf verzwegen wordt. Een verhaal. Op 13 november 1733 kwamen de duizend zwarte slaven van Sint Jan in opstand. Zij verjoegen of vermoordden de blanke planters, die felle weerstand boden. Deurlo, De Wit, Zytsema en Beverhout waren daarbij. De slaven, geleid door de hoofden van hun stam, de Amani, weerstonden de aanvallen van het Deense leger en ook van Franse mariniers, tot eindelijk een invasieleger hen na zes maanden in het nauw dreef. En toen dan de opstandelingen waren ingesloten, wierpen driehonderd zich van de rotsen, de leiders van Amani stonden in een kring en met hun laatste geweer schoten ze elkander dood. Geen monument gedenkt dat, de eilanden vieren nu het feest van de vijftigste verjaardag van het Amerikaans bewind. Blank en zwart zijn hier gelijk, verzekeren mij blank en zwart steeds weer. Maar blank is de benoemde gouverneur, blank zijn de ondernemers op het eiland. Zwart is de meerderheid, die zijn eigen verleden nog niet kennen mag en dus zijn eigen toekomst niet bepalen kan.
Zo is er armoe en onwetendheid. Maar kan ik het helpen, kunnen zij het, dat dit alles wegvalt voor een paradijselijk heden?
Op zoek naar het Amerikaanse gezicht ontmoet ik generaals, gouverneurs en zakenlieden op de foto in krant en tijdschrift. Hetzelfde portret in levende lijve spreekt mij toe achter de toonbank van een drankwinkel of als buschauffeur. Het Amerikaanse gezicht. Het bestaat. Heel vervelend voor de theorie die niet aan nationale gezichten gelooft, en heel vervelend voor mij, die ook al niet in één volk, één aangezicht wil geloven. Maar als ik het nu met eigen ogen zie. Het generaalsgezicht. Neem Rockefeller. Hij ligt toevallig voor me. En nog wel op zijn zachtst en aardigst, als kunstliefhebber. Maar toch, opnieuw, nog steeds: de ingezogen lippen die verdwijnen in de mondhoeken; in het midden is een gul doch ferm randje onderlip overgelaten. De ogen toegeknepen tegen een denkbeeldig licht: dat is verte, grootheid, visie. Een diepe groeve loopt van de neusvleugels naar de mondhoeken, laten we dat de ik-heb-veel-geleden-geul noemen. Een bosje rimpels waaiert uit de ooghoek over de slaap, geen pret, geen moeheid, maar wel goed en vriendelijk bedoeld. De streng-doch-mild-plooitjes. Zo ongeveer ziet Rockefeller er uit, maar ook zijn tegenstander Ronald Reagan van Californië. En George Romney van Michigan ook al. Allemaal gouverneurs. Eisenhower had het kunnen zijn als de jaren zijn gezicht niet hadden opgeblazen tot een babyhoofd. Maar Johnson lijkt alweer, alleen zonder de aansprak op adeldom. Hij heeft het Amerikaanse gezicht, maat dan in oud gummi uitgevoerd. In een film over Kennedy staat hij achter de zonnekoning en zijn glimlach komt over alsof de lijm van zijn rubbermasker los begint te laten.
De grote Hollywood-acteurs hebben het Amerikaans gezicht: Cary Grant, Gregory Peck, Clark Gable, en ook de oudere nieuwslezers op de televisie. Bij hen gaat het samen met een houten stem, een herautentoon waardoor de berichten klinken niet alsof ze ergens zijn gebeurd, zomaar vanzelf, maar alsof het de nieuwsdienst heeft behaagd juist deze brand, juist deze oorlog vandaag voor het ademloos publiek te doen geschieden. Een houten stem en een houten hoofd, niet zo zeer dom als wel gezaghebbend, door de jaren gegroeid met duizend nerven, en met een suggestie van een restje leven, diep binnenin verborgen, zoals in oud hout. Dat is het Amerikaanse gezicht. Jean-Paul Sartre beschrijft in een zeer on-Sartriaans opstel* uit 1945 een Franse emigrant die hij in New York ontmoette: 'het gelaat van deze man is nog te expressief, hij heeft die enigszins ergerlijke bewegelijkheid van de intelligentie behouden die een Frans hoofd overal herkenbaar maakt. Maar weldra zal hij een boom zijn of een rots. Veramerikaniseerd.'
En waar het nu van komt, erfelijk en ras, óf zoals iemand mij als kind eens zei: 'Dat Hau-Knau-taaltje van die Yankee's, daar gaat je bek naar staan, nietwaar?' Een beetje waar.
Ik denk dat veel Amerikanen een idee hebben van wat een Amerikaan is. En dat is niet zingen en dansen de ganse dag. Dat is werken en- sparen en vooruitkomen en toch rechtvaardig zijn. Dat betekent de tanden op elkaar, de lippen stijf gesloten. En het betekent ook: bezinnen alvorens te beginnen, de situatie eerst eens opnemen, vóór de handdruk de vreemdeling bezien van hoofd tot voet. Vandaar die toegeknepen schattende ogen. Tegen het tiende levensjaar begint die uitdrukking in het gezicht te groeien. Vastberaden, maar niet zorgelijk. Bovenal rechtvaardig. Niet intelligent,
slim. Zonder humor, maar als het moet bereid tot lachen. Dienstbereid aan ieder die gehoorzaamt. Eenzaamheid, godsvertrouwen. En een explosie van populaire kunstgrepen, lachen, handen schudden, redevoeren, schouderkloppen. Maar alleen als het moet. Zoveel wil ik zien in sommige gezichten. Gelaatle-zen geldt tegenwoordig niet als erg respectabel. Misschien staat het ook niet in die gezichten. Ik meld alleen maar wat ik meen te zien.
Achteraf:
Er zijn ook andere gezichten die horen bij Amerika. Bijvoorbeeld het dikke kinderhoofd van sheriff Jim Clark die zwarte demonstranten opjaagt: er is niets gemoedelijks in dat vet. Veel zuidelijke rassehaters dragen zo'n hoofd en met een helm erop hoort het aan een marinier op wacht voor de ambassade of aan een MP op de Amsterdamse walletjes in een jeep achter de Amerikaanse soldaten aan. Het onbegrijpelijk schoon gewassen voorkomen van veel studenten en sportslieden - hoe krijgen ze het zó geboend?
- verraadt ook dadelijk een Amerikaanse afkomst.
In Europa wordt een Amerikaan op slag herkend. Hoe? Aan de snit van zijn pak, de grove schoenen, aan zijn haar en brosse? Of toch ook aan een huidaandoening van veel jonge Amerikanen die duizend putjes achterlaat op de wangen zonder dat ooit pokken of puisten te zien zijn die dat hadden kunnen veroorzaken? Veel vrouwen lijden aan een uitslag in het gezicht, zoals bij violisten wel onder de kin verschijnt, maar bij de Amerikaansen komt het niet van het vastklemmenvan een viool,maar van godweetwatjhet drinkwater, make-up, slechte lucht? Zulke kleinigheden kenmerken de Amerikaan evenzeer als overbeet en jeugdpuist-jes de Hollander typeren. In woorden zijn mensen het zich zelden bewust, maar aan zulke tekens herkennen ze in één opslag de buitenlander. Wie nationaal voelt, herkent in elk volk het eigene.* Het was nota bene geschreven voor de Figaro! Zie 'Individualisme et Conformisme aux Etats-Unis' in: J.-P. Sartre, Situations, III, Paris, NRF, Gallimard, 1949.
De eerste weken die ik in dit land heb doorgebracht vergingen in één adembenemende paniek. Ik had begrepen dat mijn aankomst samenviel met een totale, algehele, volslagen omkering, hervorming, revolutie, catastrofe. Een keerpunt in de geschiedenis, minstens van Amerika, eigenlijk van de gehele mensheid. Die indruk werd gewekt door radio en televisie, door krant en tijdschrift. En ik werd er wat nerveus van. Eén dag werd een wetsvoorstel aangenomen dat op slag alle achterbuurten van de metropool zou doen vervangen door glanzende torenflats. Ik haastte mij dan per taxi naar een armoewijk om de kazernewoningen nog eenmaal te zien voor ze die middag tegen de grond zouden gaan. Diezelfde middag deelde de nieuwslezer mee dat de Verenigde Naties hun precair bestaan nog hooguit drie weken zouden kunnen verlengen vanwege nijpend geldgebrek. Ik schreef een cheque zo groot als ik me kon veroorloven om de wereldvrede althans nog tien seconden te verlengen, maar reeds verscheen de officier van justitie in het beeld en kondigde op blafferige toon aan dat hij een massale oorlog gelanceerd had tegen de Maffia. Uitspraak die mij een dubbele hartklap bezorgde, ten eerste omdat dan dus de Maffia blijkbaar echt bestond, hetgeen voor mij nieuw was, ten tweede omdat dit bestaan nu in enkele dagen zou worden beëindigd. In de avonduren blijkt volgens het nieuws de beslissende slag geleverd te zijn tegen de Vietcong, en dus indirect tegen China en het gehele wereldcommunisme. Dat was alles bij elkaar genoeg voor een afwisselende dag. Dat ik dat allemaal mocht meemaken... De volgende dag was even vol gebeurtenissen. En de dag daarop al evenzeer. Een panische wereld, in Amerika, in het begin. Geleidelijk aan ging het wennen. Elke week waren vanuit de bus nog dezelfde kazernewoningen te zien in dezelfde achterbuurten. De Verenigde Naties bestonden voort, in geldgebrek, maar tóch. Maffia en politie speelden nog steeds diefje met verlos. De slotcampagne in Vietnam was allang gevolgd door een uiteindelijke en daarna een definitieve actie... Mijn ontsteltenis bleek te wijten aan een taalkundig misverstand, of zoals dat heet, een 'semantisch differentieel': de Amerikanen zijn veel guller met hun grootste woorden dan de Nederlanders, even gul als de Engelsen er zuinig op zijn. Als een Nederlandse krant de zaken aandikt voor de helft, leggen de Amerikanen het er dubbel op. De Amerikaanse overdrij-vingscoëfficient is twee keer de Hollandse. Als dat eenmaal tot de lezer is doorgedrongen, halveert hij het belang van elk bericht, waar hij bij het Nederlandse nieuws aan één korrel zout genoeg heeft. Het Amerikaanse wetenschappelijk adviesbureau dat over dit verschijnsel een rapport zou uitbrengen, zou het aldus formuleren: 'Spontane en Automatische Tekstcorrecties Impliciet in Lectuur, SATIL. (Kosten dezes $ 20.000).*
Als ik nu in mijn zondagsheilige bed de ochtendkrant lees, vermag zelfs het bericht van een derde wereldoorlog niet meer door mijn morgenwaas te breken. Ik heb de les begrepen.
Nieuws is hier niet allereerst mededeling, maar aansporing tot verder lezen, verder luisteren. Alle berichten zijn voornamelijk middel in de ene grote strijd die dag aan dag wordt uitgevochten: de strijd om de aandacht van de consument. Het nieuws dient tot verpakking van de advertenties. Mijn radionieuws bij voorbeeld, wordt mij 's morgens aangeboden door
Bayer-aspirine, een firma die belang heeft bij veel hoofdpijn. Het journaal bevat dan ook altijd wel een onheilsboodschap. En dat is dan meteen een catastrofe. Want zomaar een ongeluk houdt het publiek niet vast en bezorgt geen mens meer koppijn. Dus wordt alles opgedreven. De stijl is die van overstate-ment, overdrijving en hyperbool. Zoals in sommige landen het betaalmiddel is opgeblazen en een kippeneitje duizend droezen kost, zo is hier het taalgebruik opgepompt tot datzelfde eitje een super jumbo reuzen eerstegraads ei heet. De advertentie die de meeste aandacht weet te trekken, verkoopt het best, de krant of radio die met zijn berichten de grootste aandacht weet te veroveren krijgt de meeste advertenties en de politicus die het sterkst de aandacht op zich weet te vestigen, komt het grootst in de kranten. Zo is de aandacht van het publiek, de aandacht van consument en kiezer het meest gevraagde goed in Amerika. Een Amerikaan heeft per dag maar zestien uur aandacht en langzamerhand wordt hij er zuinig op. Dus roepen de krantenkoppen en de nieuwslezers nog luider. Alles overschreeuwt iedereen. Amerika is een schor land.
Waar moet dat heen? Naar de andere kant van de cirkel. Het duurt niet lang meer of Cadillac laat zich aanprijzen als 'een behoorlijke auto'. Als de krantenkop dan luidt: 'Het zit niet best', is het werkelijk tijd voor de schuilkelders.
New Haven, Connecticut, is een middelgrote stad, honderd mijl ten noordoosten van New York in de brede strook van staten die New England wordt genoemd, het gebied dat het eerst gekoloniseerd werd door Engelse en weldra ook door Nederlandse, Duitse en Scandinavische emigranten. Stadjes en steden als Boston, Hartford, Providence en New Haven reiken makkelijk drie eeuwen en meer terug in de geschiedenis en dat is ongeveer even lang als de meeste West-europese steden.
Ook het historisch bewustzijn is er niet minder. Er is altijd wel iemand in de familie die nog weet wanneer de stamvader voet aan land zette in Amerika. Als het kort geleden is dan ligt het nog vers in het geheugen, is het lang geleden dan is het iets om trots op te zijn. Wie zijn stamboom terug kan kweken tot de schepelingen van de Mayflower die in 1620 in Massachussets in naam des Konings een kolonie stichtten, kan zichzelf tot een soort half-adel rekenen. Wel geen echte adeldom, maar bij gebrek aan erfelijke titeldragers toch het enige wat daar in de buurt komt.
Ook New Haven toont geschiedenis: midden in het stadje ligt een open grasveld, met oude bomen en met drie kerken die van twee-en-een-halve eeuw terug dateren. Daarachter begint dan het terrein van een van Amerika's oudste en beroemdste universiteiten: Yale, gesticht in 1701 en gebouwd in een stijl nog histori-scher dan zijn geschiedenis: gothiek. Over een gebied van ongeveer een vierkante mijl staan de woongebouwen, collegezalen en bibliotheken, alles opgetrokken in natuursteen, glas-in-lood, met torentjes, spitsbogen en pronkpoorten. En niets is ouder dan een halve eeuw. Het meeste is gebouwd door werkloze Italiaanse immigranten, veelal van huis uit steenhouwers, in de jaren twintig en dertig van deze eeuw. Van binnen is in deze gebouwen alles in de stijl van Engelse clubs en colleges gehouden: houten betimmeringen, zware tafels, leren fauteuils en banken, schemerlampen, deuren met houtsnijwerk en zelfs lifthekken met smeedijzeren versieringen.Alleen al deze korte opsomming is genoeg om in naoorlogs Nederland hoon en woede op te wekken over zoveel stijlvervalsing en pronken met andermans historie. Houd die woede in en slik de spot: het is nergens aangenamer werken dan in een gothische nis aan een zware houten tafel. Het is plezierig een vriend tegen te komen in lange stenen gangen, versierd met de gebeeldhouwde hoofden van dekens en pedellen uit vroeger jaren. Het is heerlijk om in een studentenhuis een onvindbare kamer te hebben achter metersdikke muren in een labyrint van torens en transen, sluip-gangen en valse gevels. Deze bouwstijl mag dan vals in aanleg zijn, maar het is leuk leven in gothiek. En al is die stijl dan niet van de twintigste eeuw, mag hij daarom niet nu gebruikt worden? Waarom zouden de ontwerpers van deze tijd niet hun eigen betekenis mogen geven aan de vondsten van gothiek, romaans of rococo? Wat is dat eigenlijk voor purisme dat iedereen beveelt in eigentijdse stijl te bouwen?
In Yale is de gothiek een fase van het bouwbeleid geweest, waarvoor de meesten, ook hier, zich eigenlijk generen. Het was ontstellend duur, al dat hakken, smeden en metselen en het was een poging om ouder te lijken dan de eigen jaren. Maar ten lange leste was het resultaat een omgeving die gelukkig maakt en rustig voor jonge, harde werkers.
De nieuwe bouwstijl in Yale en in New Haven is nu vooruitstrevend: voorhoede-architectuur. Na de oorlog heeft een uiterst begaafde burgemeester in deze stad een grootscheepse vernieuwing van de stadskern doorgedreven. Het resultaat is uniek in Amerika en een voorbeeld voor alle steden met vernieuwingsplannen. Burgemeester Richard Lee werd gesteund door de planning-deskundigen van Yale en door een legioen van befaamde architecten. Paul Rudolph bouwde in New Haven zijn fameuze betonnen structuren: een garage en een school voor bouwkunst. De Fin Saarinen, die in New Haven kantoor hield, ontwierp een ijs-hockey-stadion waarvan alleen het onwaarschijnlijk gebogen dak op een afstand te zien is. Ook het avontuurlijke dorp van studenten-woongebouwen, met keistenen muren, schuine wanden en raamspleten is van Saarinen. Bunshaft zette een bibliotheek neer in doorschijnend wit marmer, een schenking van de gebroeders Beinecke, de spaarzegel-miljonairs. Kahn bouwde in New Haven een compact en intelligent museum. Deze architecten horen tot de grootste bouwmeesters van vandaag. Hun gebouwen zijn opvallend, kostbaar uitgevoerd, niet bijzonder efficiënt, maar gedurfd en doordacht, bovenal plezierig om in te leven.
Het stadsbestuur, dat over een minder ruim bouwbudget beschikte dan de universiteit, wist toch de architecten te vinden die oorspronkelijk en doeltreffend konden bouwen. In de negerwijk verrezen wo-ningwetwijken, elders scholen en winkelblokken, ontworpen met een oog voor het gemak van de gebruikers en met zin voor het aanzien van de wijk. Met dat alles leeft in New Haven in de architectuur een emotie die nu in Holland streng verboden lijkt: plezier in de bouwkunst.
Mars
Midden in Manhattan ligt een uitgestrekte weide met zachte glooiingen en kinderhoge rots j es, overal eekhoorns en bomen die de Indianen nog gezien hebben: Central Park. Op deze zaterdagochtend groeit daarop een publiek, een menigte toeschouwers die voorlopig niets anders te bekijken hebben dan elkaar. Zo staan honderd maal honderd maal nog veel meer scholieren en nozems en studenten en provo's en oude pacifisten en grijze socialisten en strijdbare huismoeders en maatschappelijk bewusten en heel boze zwarten en lieve schoolmeisjes allemaal elkaar op te nemen op die enorme weide op zaterdagochtend in Central Park. Zij hadden allemaal al van elkaar gehoord. In de clubbladen en in de grote pers, op de televisie en van mond tot mond, op school en in de kerk. Overal waar mensen over de oorlog in Vietnam praatten en er ongelukkig van werden, werd de afspraak gemaakt: tot ziens in Central Park op de grote lentemobilisatie voor vrede in Vietnam.
Deze ochtend is iedereen vroeg opgestaan om in de bus drie staten door te reizen of om zich te verkleden in een demonstratiepak of een gehuurde vrachtauto om te bouwen tot een rijdend podium. Langs de entree van het park voeren troepjes vrienden toneelstukken op, studenten zingen anti-oorlogsliedjes en redenaars houden toespraken in een idioom dat al tegen drie vorige oorlogen gebruikt is. Op het grasveld zelf is de oorlog al vergeten voor de vrede: op een rots die uit ziet over het hele terrein, zitten de hipsters, beschilderd en verkleed, omgeurd door wierook, en laten zich aanstaren onder het mediteren. Een groepje kinderen staat te trommelen op grote olievaten. Er is een jongen bij met een saxofoon en drie heel harde noten. Hij wordt geholpen door een paar meisjes met blokflui-ten, Indiase fluiten en rietfluitjes. Iedereen zoekt naar het spandoek van de groep, waar hij vandaag bij wil horen en wordt vrolijk als hij ziet hoeveel zich aan de afspraak gehouden hebben op deze vrije ochtend in het park. Vandaag mag iedereen meedoen met de tieners die dit terrein het eerst bezet hebben. De omstanders krijgen een speldje of een pamflet of een fluitje om op mee te piepen met de psychedelische muziek. Dat is allemaal heel nieuw en ongewoon en ontroerend. Het is een soort vrede, maar dan niet als rust en kalmte, maar als opwinding en vrolijkheid: een be in, een wees-bij. Een heel groot kinderfeest is bezig de demonstranten weg te halen uit de grote-mensenwereld.
Deze menigte moet omgevormd worden in een lint van mensen dat reiken zal tot het gebouw van de Verenigde Naties, dertig straten verder: Honderdduizend mensen, zegt de politie, drie keer zoveel, zeggen de demonstranten. Nergens is organisatie te bekennen. Een hele school kinderen marcheert in een rij achter een negermeisje met een vaandel aan. Zij vraagt een toeschouwer 'waar is de route?'. De man haalt zijn schouders op en de stoet beschrijft een grote cirkel over het gras.
Eindelijk raakt iedereen op zijn manier op de marsroute. Urenlang is de avenue vol marcherende, of wandelende, of lopende, of huppelende mensen. Een mars van honderdduizend man is indrukwekkend. Maar een wandeling van honderdduizend keer een iemand is verpletterend. Wie toekijkt op de stoep staat vijf uur lang kennis te maken met steeds weer andere mensen die iets lopen te vertellen, die bezig zijn iemand te zijn en iets te zeggen. Soms smakeloos:
'Steriliseer Johnson', 'Hitler leeft: in het Witte Huis.' Of: 'Waar blijf je Lee Harvey Oswald, nu we je werkelijk nodig hebben?' Een groepje studenten komt voorbij met een mening aan een stok, verbazend genuanceerd voor een spandoek: 'Tweede Wereldoorlog: JA, Korea: TJA, Vietnam: NEE.'Er dromt een bos voorbij van gefiguurzaagde bomen met geschilderde vogels die de koppen van Johnson, Rusk en McNamara dragen. Een tros kaalgeschoren jongens danst langs met bellen aan hun enkels op de muziek van vingercim-balen, trommels en fluiten. Zij zingen: 'Hare Rama, Hare Krishna': de psychedelische mystici.
De meeste demonstranten zijn gevestigde burgers die met tegenzin op straat komen: eenmaal in de optocht maakt die gereserveerdheid ze waardig en ernstig. Vakgenoten hebben zich gegroepeerd achter de borden van hun organisaties. Van de vakbonden is weinig te merken. Vooral de geschoolde en gespecialiseerde werkers zijn opgekomen: medici, journalisten, onderwijzers, advocaten. Veterans for peace, Jewish cul-tural clubs, psychiatrists for peace.
De sfeer slaat om als de vaandels van de grote universiteiten opdoemen: Harvard, Yale, Cornell, Columbia, New York University. Achter een spandoek dromt over de volle breedte van de avenue telkens een stratenlange colonne van studenten. Zij zijn gekomen om Johnson uit te sluiten van de academische gemeenschap, om zijn Vietnamoorlog buiten de Amerikaanse traditie te stellen. Hun hoogleraren zijn vooropgegaan in het verzet tegen de regering en nu lopen zij tussen hun studenten, alleen maar te onderscheiden door hun leeftijd. De studenten zijn dienstplichtig en leven met de dreiging van een oproep, maar zij hebben zich uitgesproken tegen uitstel voor studerenden en inlijving van alleen de werkende jeugd. De regering heeft getracht ze te paaien met volledige vrijstelling. Hun verzet is nog gegroeid. Hun vaandels zijn nu de bakens van de oppositie.
Rondom deze stoet zijn drieduizend agenten in uniform en in burger opgesteld. Zij houden zich op een afstand. Zelfs als de vlaggen van de Vietcong voorbij wuiven en spreekkoren opklinken die Johnson uitmaken voor een kindermoordenaar, houdt de politie zich achteraf. Tweeduizend demonstranten doorbreken op een gegeven ogenblik de routehekken en marcheren dwars door Fourty-Second Street, de armen in elkaar gehaakt en leuzen roepend: Heil no, we won't go. Dit zijn de veteranen van de burgerrecht-demonstraties in het zuiden, hier zijn voor het eerst ook de negers talrijk, aangevoerd door Black Powerleider Stokely Carmichael. Een groot aantal van deze demonstranten heeft diezelfde ochtend de oproepingskaart voor de militaire dienst verbrand en ziet nu een langdurige straf tegemoet. Bij het gebouw van de Verenigde Naties stuiten zij op een honderdtal agenten. Het cordon wordt gesloten, de demonstranten gaan op de grond zitten. Ze gebruiken de geweldloosheid met militaire discipline: met één commando van de cheer leaders en de aanvoerders is de mars tot stilstand gekomen. Als een agent een vlag wil afpakken, ontstaat verwarring en de onvermijdelijke vechtpartij breekt uit. Binnen tien seconden is de chaos volkomen. Nog tien seconden later is het alweer voorbij, een paar honderd agenten zijn uit alle hoeken toegeschoten en het machtsevenwicht is hersteld. Maar het is duidelijk dat enkele agenten van de situatie gebruik hebben gemaakt om er tegen de bevelen in op los te slaan: twee, drie demonstranten worden met bebloede koppen afgevoerd. Tussen de leiders van de groep en een politiecommandant ontspint zich een gespannen, maar hoogst zakelijk gesprek dat eindigt in een handdruk en een schouderklop. De politie trekt zich terug en een peloton van duizend dienstweigeraars, zwarte activisten en linkse militanten laat zich, anti-oorlogs-leuzen roepend en de vaandels van de Vietcong geheven, met een hoge politieman voorop terugvoeren naar de marsroute.
Daar gaat de optocht nog steeds voort. Bij de Verenigde Naties spreekt Martin Luther King voor een enorme menigte, dertig straten verder staan de mensen nog steeds opeengepakt. Van twaalf tot vijf blijven de demonstranten in dichte rijen uit Central Park stromen, dan zijn eindelijk al die enkelingen opgeteld tot een politieke som: de oppositie tegen het Vietnam-beleid.
Zo worden meningen geuit als daartoe de vrijheid is. Voor één dag en in één stad belichaamt deze mars alles waar Amerika om begonnen is en dat in Vietnam verloren raakt.
Recht
In 1791 werden in de pas gevestigde Republiek der Verenigde Staten van Amerika tien amendementen op de grondwet aangenomen, tezamen vormende The Bill of Rights: een opsomming van de fundamentele burgerrechten. Nu, anderhalve eeuw later, is dit document grondslag van het Amerikaanse recht en is het nagevolgd in vele nadien geschreven constituties over de hele wereld.
Uit volgende amendementen en uit een traditie van rechtspraak, geleid door het Hoge Gerechtshof, ontstond geleidelijk een stelsel van rechtswaarborgen dat de burger beschut tegen de staat, de minderheid beschermt tegen de meerderheid en de enkeling tegen de massa. Heel weinig landen - misschien Engeland -kunnen wijzen op een vergelijkbaar juridisch monument: de gezamenlijke scheppingsarbeid van rechtsgeleerden, staatslieden en bovenal van de enkeling die hardnekkig stond op zijn recht, onomkoopbaar en niet te intimideren.
Tot op de dag van vandaag bouwt Amerika deze rechten verder uit. De honderdjarige strijd voor rassen-gelijkheid werd, althans in rechte, gewonnen in 1954 methet vonnis dat naar ras gescheiden doch gelijkwaardig onderwijs onwettig verklaarde: het 'separate but equal' had afgedaan. Jonger nog zijn de nieuwe regels ter bescherming van arrestanten tegen politiegeweld en het recente verbod voor de politie om af te luisteren per telefoon of met verborgen microfoon.
De Nederlandse rechtsbescherming van de burger blijft daarbij ver ten achter.
Maar één oorzaak die dreef tot vervolmaking van de wet, was in Amerika de wantoestand van de praktijk. De arrestant behoefde bescherming van de hoogste wet, omdat hij weerloos was tegen de laagste politieman. Zelfs nu nog is de politie in Amerika vaak om-koopbaar en dikwijls onbeschoft of gewelddadig. Een chef dekt zijn mindere daarbij maar al te vaak. In de tijd van grootscheepse immigratie broeide corruptie vooral onder de politie in grote steden, waar een groot deel van de bewoners de taal niet sprak, nooit in een rechtsstaat had geleefd en dus weerloos was. Sinds de Tweede Wereldoorlog spant het lokaal bestuur zich tenminste in om de wantoestanden te bestrijden. Maar in het diepe zuiden laat het plaatselijk gezag de politie vaak begaan om de schrik erin te krijgen en zo de 'nikkers op hun plaats' te houden. Om het oordeel af te ronden, oppervlakkig en algemeen: In Amerika zijn de burgerrechten het best gewaarborgd door de wet en niet zo veilig bij de ambtenaar. In Nederland is het eerder omgekeerd, daar zijn de burgerrechten niet alle in een wetstekst uitgespeld, maar worden ze door ambtenaren meestal geëerbiedigd.
In de Eerste Wereldoorlog werden in de VS de dienstweigeraars in kampen opgesloten en vernederd en mishandeld in strijd met alle regels van de constitutie. Uit de verontwaardiging over deze rechtsschen-ding ontstond een beweging die uiteindelijk vorm kreeg in de American Civil Liberties Union, de bond voor burgerlijke vrijheden. Deze organisatie telt nu 75.000 leden en heeft overal in Amerika steeds de verdediging op zich genomen van verdachten die in hun grondrechten gekort waren: Dienstweigeraars in de Tweede Wereldoorlog, communisten in het McCarthy-tijd-perk, fascisten en leden van de Ku Klux Klan in de jaren zestig. Maar ook langharige tieners, geweigerd
op school of op hun werk, atheïsten wier kinderen voot de les gedwongen werden om te bidden, Jehova's getuigen die verplicht werden in militaire dienst te gaan, verliefden wier correspondentie door zedenmeesters bij de PTT geopend werd, uitgevers getroffen door inbeslagneming, officieren tekort gedaan in de militaire rechtspraak. De ACLU kiest geen partij, streeft alleen goede rechtsgang na en de bescherming van de individuele grondrechten. De leden, onder wie vooraanstaande rechtsgeleerden, maar meest gewone burgers, brengen het geld bijeen om advocaten te huren, rechtskundig onderzoek te doen en rapporten te publiceren. De ACLU brengt ook nieuwe ontwikkelingen op gang. Vaak in samenwerking met de NAACP, de grote organisatie van de negers, of met de vakbonden, maakt de vereniging proefprocessen aanhangig en lokt uitspraken uit. Daarmee raakt de rechtspraak betrokken in de politieke strijd. Dat lijkt gevaarlijk, maar in feite bedrijft een rechter die zich uitspreekt over de uitsluiting van negers, over dienstweigering, of over het ontslag van stakers toch al politiek. Rechtspraak is ook een manier om politieke strijdpunten op te lossen. De activiteit van de ACLU verzekert dan dat ook het standpunt wordt gehoord van de partij die niet beschikt over batterijen advocaten.
In Amerika kan de rechter de wet in strijd verklaren met de grondwet en dus ongeldig. In Nederland mist de rechter die bevoegdheid, hij kan alleen gemeenteverordeningen en andere lagere regels terzijdestellen. Dat zou dus de werkwijze van een Nederlandse organisatie ter bescherming van de grondrechten ingrijpend anders maken, maar in het geheel niet onmogelijk. Een organisatie als de American Civil Liberties Union is in Nederland ook dringend nodig: denk aan de behandeling van de boeren die weigerden hun contributie aan het landbouwschap af te dragen, aan de wonderlijke wegen van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de ondeugdelijke procedure voor het opnemen van
krankzinnigen. Een dergelijke organisatie lijkt in Nederland onmisbaar geworden nu in de laatste jaren de toch al onvolmaakte wet onveilig blijkt in de handen van het lagere bestuur. Met ontstellende regelmaat schendt de politie grondbeginselen van de rechtsbescherming bij de ordebewaring tijdens opstootjes die in ernst ver verwijderd blijven van een nood die wetten breekt. Het laat zich aanzien dat de instandhouding van het recht ook in Holland niet kan worden overgelaten aan de regenten. Een vereniging voor rechtsbescherming die zijn talrijke leden kan informeren en bij de rechtsvorming betrekken, zou de verantwoordelijkheid voor de grondrechten weer leggen waar die uiteindelijk ook in het Nederlandse stelsel hoort, bij de burgers zelf.
De ondergrondse
In elke samenleving gaat het berichtenverkeer voor het grootste deel bovengronds, langs officiële kanalen als krant, radio en televisie. Maar steeds weer duikt een ander deel onder de grond: van mond tot mond, per telefoon en brief worden berichten doorgegeven door een netwerk van vrienden of lotgenoten: bood™ schappen die uit het openbare leven worden weggedrukt, omdat ze politiek gewaagd zijn, niet helemaal legaal, of erotisch gedurfd.
Een vast bestanddeel van het onderaardse boodschap-penverkeer is overal en immer lasterpraat over de heersers van het ogenblik. Het publiek krijgt in de bovengrondse media allerlei details uit het persoonlijk leven van de leiders voorgeschoven, altijd even flatteus, zelfs de schaduwkanten worden opgediend als nobel en tragisch. Vanzelfsprekend wordt dit staatsieportret dan door het publiek in persoonlijke contacten heimelijk geretoucheerd met enkele pikante kleinigheden. Kennedy werd in zijn tijd steeds weer een maltresse toegedacht, aan Johnson wordt nu een dwangmatige seksuele grootspraak toegeschreven. Dergelijke verhalen zijn onvermijdelijk wanneer staatslieden zich zoveel moeite geven om een beeld van hun persoonlijkheid aan de kiezers op te dringen. Het publiek vult de open plekken in dat beeld naar eigen smaak aan.
Wanneer de wet verbiedt waartoe veel mensen toch een drang voelen, wordt dadelijk een ondergronds ver-
bindingsnet gelegd. De politie maakt het de prostitutie bijzonder moeilijk in de VS. Zelfs in de vermaaks-buurten van New York werven de prostituees op straat alleen met veel voorzorg en gejaagdheid. Het bedrijf bloeit niettemin in alle vijftig staten doordat de meisjes hun adressen en telefoonnummers altijd wel in handen van de clientèle weten te krijgen. Ondergronds worden de namen doorgegeven van mond tot mond of zijn adreslijsten te koop, voor de wet gemaskeerd als ledenboekjes van correspondentieclubs. In Amerika en nu ook daarbuiten gaat het berichtenverkeer over bewustzijnsverruimende middelen ondergronds. In november publiceerde het roerige hipster-blad, de East Village Other, een ingezonden stuk: een lezer had bij toeval ontdekt dat hij met een half-verrotte Spaanse peper als filter van een gewone sigaret in een aangename roes raakte. De Jackson Illusie Peper werd niet populair, maar de jacht was geopend. In allerlei gestencilde blaadjes, via vrienden, gekalkt op muren kwamen aanwijzingen door voor het gebruik van fruit en groenten als psychedelica. Een paar weken later werd een lied van Donovan nummer één op alle hitparades: Mellow yellow, zachte gele, elektrische bananen. Onbegrijpelijke woorden. Toverwoorden, zoals binnen een maand alle belangstellenden van kust tot kust hadden vernomen: schrap uit de binnenkant van een banaan de vezels, bak ze een kwartier in een hete oven, rook ze op en daar ga je! De elektrische banaan. Satori, het peilloos inzicht, binnen het bereik van de gewone man. De ondergrondse ritselde van de nieuwe verhalen, overal verschenen bananenetiketjes en een nieuw wachtwoord reisde door de wereld: banaan.
Het meest opmerkelijk in dit gebeuren was de geweldige snelheid waarmee de boodschap werd doorgegeven. In dit geval moet de ontdekking gedaan zijn door beroepsmatige hipsters, die haar doorgaven aan de existentialisten-voor-halve-dagen: die modernisten kwamen in hun werkkring of studie met andere ge-
interesseerden in contact en vandaar liep het nieuws uit naar de universiteitssteden.
Nieuwe rages, modes en politieke bewegingen groeien in de vakantie het hardst: de studenten maken thuis of op reis hun leeftijdgenoten deelgenoot van de meest recente nieuwigheden, de hipsters verzamelen zich in tevoren uitgekozen steden en verzinnen alvast het program voor het komend jaar.
Het ritme van vernieuwing en veroudering is aanmerkelijk opgevoerd sinds de commercie zich op het hipsterwezen heeft geworpen. Ontdaan van seksuele, asociale en psychedelische betekenissen doen de laatste vondsten het heel goed op de tienermarkt: ze behouden de glans van het verbodene, het ondergrondse, maar geen leraar of ouderpaar kan er aanstoot aan nemen. Nog maar nauwelijks is in San Francisco onder de modernistische beatgroepen een nieuwe stijl bedacht, flower music vol toespelingen op erotiek en bewustzijnsverruimende avonturen, of dezelfde muziek dendert in een verflenste versie alweer uit miljoenen luidsprekers. Dus zoeken de insiders dadelijk naar iets anders om zich van de buitenwereld te onderscheiden.
Er is een ondergrondse van homoseksuelen, van dagloners, van de prostitutie, van clochards, van morfinisten, van zwarte radicalen, van dienstweigeraars, van hanenvechters; overal waar mensen op algemene afkeuring en wettelijke weerstand stuiten voor hun meningen en voorkeuren, knopen zij een ondergronds verbindingsnet met hun geestverwanten. Het unieke van de jeugd-ondergrondse is, dat dezelfde gemeenschap die het berichtenverkeer ondergronds dwingt, toch brandt van verlangen om te weten wat daar in het verborgene omgaat. Zo zijn er dozijnen boeken over de nieuwe tiener, de studentenmoraal, LSD, vrije liefde, marihuana, de woeste motorrijders van Los Angeles, alles over de ondergrondse jeugdcultuur van tieners, hipsters en studenten. Playboy, Esquire, Life en Look duiken om het andere nummer ondergronds met een afkeurende frons, een zorgelijke rimpel en vooral een verlekkerde grijns. Psychiater en pastoor leveren ononderbroken commentaar. Ouders en opvoeders studeren op elke gril die de ronde doet. De jeugdcultuur is opgetrokken rond genotservaringen. Daar moet de gemeenschap tegenin, daar zijn de bovengronders door gefascineerd. Dat is youth power, de macht van de jeugd.
De noorderhoek
New York City ligt in de uiterste zuidpunt van de staat New York, die naar het westen uitloopt tot de grote meren en de Niagara watervallen en in het noorden grenst aan Canada tot even onder Montreal. Het lijkt alsof in deze puntzak de mensen, de auto's en de fabrieken allemaal onderin zijn gezakt naar de smalle slurf bij de zee. Hogerop kalmeert het landschap, maar eerst komen nog de vele voorsteden, zonder kern en zonder sfeer. Elke stedeling heeft in die dorpen voor zijn spaarcenten een stuk grond willen kopen, een huis met een tuin en een garage en bomen in de straat, kortom de droom van ieder stadsmens. Maar de droom van zijn buurman houdt hem uit zijn slaap. Er is te weinig groen en de tuintjes zijn te zuinig om aan vrije natuur te kunnen geloven, er zijn te weinig winkels, de theaters zijn te ver om de genoegens van de wereldstad te kunnen beleven.
Voorbij de voorstad wordt New York opeens een staat, een land en dus een landschap dat geleidelijk gaat glooien en heuvelen. Het heeft laag bos, korenvelden, struikgewas en dan verrast het met beekjes en meren. In het noordoosten ligt het nationale park, de Adiron-dacks. De plaatsnamen worden daar Indiaans en Frans en Hollands, alsof Engels te stedelijk is om er een landschap mee te benoemen. De brede streep die zo'n haast heeft om van New York naar Montreal te komen, houdt op en wordt een met onzekerder hand getrokken lijn, een weg langs Lake Champlain en dorpjes
als Valcourt en Keeseville. Zes jaar terug was dit een drukke route langs doorgangsplaatsjes en vakantieoorden. Nu ligt de snelweg tien mijl verderop. De dorpssfeer komt terug in dorpen met teveel lege motels en inns, teveel reclames waarvan de verf al af begint te bladderen.
Wat de Amerikanen met hun landschap doen, is onvoorspelbaar. Soms lijkt een dorp alleen bewoond door schillen en dozen, door drive-in cafetaria's en benzinestations. Elk struikje moet kapot, blad en tak eraf en dan opgesierd met neon. Een diepe kloof waarin een riviertje onderduikt, wordt voor iedereen verborgen door een reusachtig bord dat reclame maakt voor een diepe kloof waarin een riviertje onderduikt. Alle informatie staat op dat bord ordelijk aangegeven: jaar van ontdekking, lengte van de kloof in yards en toegangsprijs tot het natuurwonder. De toeristen stoppen en lezen het aandachtig in ontzag voor zoveel moois. Vlakbij staat een restaurant met souvenirwinkel. De ansichtkaarten zijn in kleur en moeten dus wel lijken. Verderop langs de route is een groot stuk bos wegge-kapt om het uitzicht vrij te maken voor een ander reclamebord dat de kinderen toeroept dat hier het dorpje North Pole ligt, de verblijfplaats van Santa Claus. In de nabijheid gaat een kabelbaan de heuvels in: veiligheidshalve is juist onder en opzij van de baan alle gewas uit de grond gerukt.
Zelfs als het publiek naar de natuur komt kijken, moet die eerst verwoest voor het landschap aanschouwd mag worden. Dat is de barbaarse aanmatiging van de exploitanten. Een uitverkoop van het landschaps-schoon: 'Alles moet weg', tot eindelijk ook de toeristen verdwijnen.
Zo gaat het toe in de ene plaats. Maar drie mijl verderop ligt dan een ander dorp eerbiedig geschaard rondom het grote witte huis van wie weet welke familie die zich hier wie weet in welke eeuw gevestigd heeft. Niemand waagt het een hand uit te steken naar de oude huizen, de grasvelden blijven ongerept en vers
gemaaid. Midden in het dorp staan oude bomen, iedereen is gek met witte verf en als het gras niet groen is, zwaait er wat. Toeristen zijn welkom, maar alleen in de country-clubs; daar speelt men golfen ziet neer op de wereld.
Een halve eeuw geleden moet het gevecht begonnen zijn: Wat te doen met die opgewonden standjes uit de grote stad, die geld hebhen, buitenhuisjes bouwen willen, coca cola drinken en ijsco's eten? Het was een verwoede strijd en soms won de familie uit het Huis door goede woorden en betere relaties. Dan bleef het dorp wat het was en het kerkhof met het graf van oudoom William, gesneuveld in de burgeroorlog, bleef midden in het dorp, afgeschut door een ligusterhaag. In het dorp vijf mijl verderop werd dezelfde strijd gestreden, maar won de andere partij, de winkelier begon een restaurant en de pachterszoon werd hotelier. De New Yorkers kwamen, kregen hun eerste les in vakantie en natuurgenoegens, en in de wijde omtrek werd elk plantje de grond in getrapt om plaats te maken voor een ontspanningscentrum. Alle begin is moeilijk. Na twee generaties stadsleven in een woonkazerne kan niemand meteen het landschap in. Er zijn voorposten nodig met ijstenten en niet teveel onaangekleed struikgewas om de overgang wat te matigen. Later krijgen de stedelingen meer moed op het land. De kinderen van de bermtoeristen durven al de heide op. Hun ouders verborgen zich nog achter camera's en keken thuis geschrokken naar wat op het plaatje stond. De nieuwe toeristen wagen het al om met onbeschermde ogen te kijken. Zij hoeven niet meer gerustgesteld door borden en gidsen die ze vertellen wat ze met eigen ogen zien. Opeens zijn de toeristenoorden met hun lelijkheid van souvenirs en panorama's ouderwets. Nieuw is om te gaan kijken wat er al was, zoals het was. De meren, de heide en de bossen, zoveel en zo uitgestrekt dat er voor ieder van de honderden miljoenen nog steeds genoeg is om alleen te zijn.
Omstreeks 1800 woonden er in Amerika vijf miljoen mensen. Het zijn er nu 200 miljoen. Meer dan de helft van de huidige bewoners van Amerika stamt af van Europese immigranten uit de negentiende eeuw. Armoede en onderdrukking dreven in die jaren een steeds zwellende stroom Europeanen naar de VS. Tussen 1810 en 1920 kwamen 28 miljoen mensen het land binnen, bijna allen Europeanen; Duitsers, Ieren en Italianen het meest. Met de Eerste Wereldoorlog nam deze toevloed echter abrupt af. De Amerikaanse economie raakte in de jaren twintig in een luwte en voor de nieuwe werkers was weinig plaats. De in Amerika altijd aanwezige onderstroom van vreemdelingenhaat won aan kracht en er werden immigratiewetten uitgevaardigd die de Aziaten uitsloten en alleen vrij toelieten wie uit Noordwest-Europa kwam: de hoek van blonde haren en blauwe ogen. De enige periode waarin meer mensen Amerika verlieten dan er binnenkwamen, was die van de jaren 1930 tot 1935. Toch vond in die tijd de aankomst plaats van een groep Europeanen die Amerika meer hebben veranderd dan alle andere immigranten in deze eeuw bij elkaar. Zij waren gering in aantal, maar beslissend door kwaliteit: de Duitse vluchtelingen. Van Albert Einstein tot Thomas Mann werd het talent van de ene cultuur, de Duitse, overgeheveld naar een nieuwe beschaving, de Amerikaanse. Het was een proces dat zich gespreid over tien jaar voltrok, onopgemerkt behalve
doof de rechtstreeks betrokkenen. Op elk terrein van wetenschap en kunst brachten de Duitse immigranten nieuw talent. Hele instituten gingen en bloc de oceaan over. De stamgasten van de Berlijnse literaire cafés zagen elkaar terug op Manhattan rond de Vijfentachtigste Straat. Een onmetelijke rijkdom aan universitaire traditie, aan expertise, kennis en aanleg kwam naar Amerika's oostkust.
Rudolf Carnap, logicus, Ludwig von Mises, econoom, Hans Morgenthau, internationaal rechtsgeleerde, Ge-org Grosz, tekenaar, Leo Strauss, filosoof, Mariene Dietrich, actrice, Mies van der Rohe, architect, Alfred Einstein, musicoloog, Erich Fromm, psychiater, Ar-nold Brecht, bestuurskundige, Edward Teller, atoomgeleerde, Karl Deutsch, politicoloog, Oskar Morgenstern, econoom, Hanna Arendt, politicologe. Iedereen kan deze lijst aanvullen met een beroemdheid op het gebied van zijn specialisme. Er is niet één tak van wetenschap waarin niet enkele van deze Duitse Amerikanen aan de top staan. Maar de Duitse immigranten voegden niet alleen meer van hetzelfde toe aan wat Amerika al had in wetenschap en kunsten. Zij brachten fundamentele vernieuwing. Zij importeerden nieuwe ideeën in de psychiatrie, met name de psychoanalyse. Zij hervormden de sociale wetenschappen tot op de bodem. Twee denkrichtingen vooral werden door de Duitse immigranten in de VS verbreid: psychoanalyse en cultuursociologie. Die twee vakken bezorgden Amerika ook zijn nationale neurosen: de gedurige en pijnlijke zelfbespiegeling van de enkeling in de psychologie en van de maatschappij in de sociologie. Tot op de dag van vandaag domineren Duitse Amerikanen in deze vakken en op de internationale congressen mag dan de officiële voertaal Engels zijn, in de wandelgangen wordt dikwijls Duits gesproken. De immigranten bleven bij voorkeur in het oosten. Nog steeds hoort bij het type van de New Yorkse intellectueel een Duits accent. Aan de oostelijke universiteiten is een groot deel van de hoogleraren uit Duitsland af-
komstig. De New School of Social Research, die lange tijd de richting aangaf in het sociale onderzoek, was speciaal opgezet en werd bemand door Duitse geleerden. Het project-Manhattan, het geheime programma voor ontwikkeling van de atoombom, dankt zijn welslagen aan Duitse atoomgeleerden. Het gewetensconflict dat de wereld daar aan heeft over gehouden, is het eerst en het scherpst uitgevochten door diezelfde fysici.
Maar de immigranten brachten meer dan hun kennis. Zij zagen in Amerika een mogelijkheid die in Europa vernietigd leek: democratie. Om dat doel te realiseren, zetten zij hun volledige persoonlijkheid in. De Duitse immigranten hebben Amerika vooral veranderd door hunaltijdontroerendeenvaakimponerendetoewijding. Het moet mede hun onderhuidse invloed zijn geweest die voorgoed een eind gemaakt heeft aan het Amerikaanse vooruitgangsoptimisme en het daaraan vast-gehaakte vooruitgangsegoïsme: laat ieder maar aan zijn lot over, dan komt alles vanzelf wel terecht, elk ingrijpen is een verstoring. Dat was de traditionele houding van een jong kapitalisme dat alleen triomfen nog geen catastrofe had gekend. De desillusie viel samen met de komst van de Duitse vluchtelingen, die opgegroeid waren in een debat tussen socialisten en conservatieven over sociale ordening en staatsingrij-pen. Uit die achtergrond brachten de immigranten een zin voor sociale rechtvaardigheid mee, een politiek verantwoordelijkheidsgevoel, dramatisch verhevigd door de ineenstorting van de Duitse republiek. De Duitse vluchtelingen verschaften de intellectuelen en literaten in Amerika een nieuw politiek idioom. Daarin nam de wanhoop een grote plaats in, maar belangrijker dan dat was het sociale bewustzijn dat zij aandroegen. De folterende vraag hoe een republiek kan omslaan in een tirannie, hoe te voorkomen in Amerika wat in Duitsland was gebeurd, ging de sociale wetenschappen beheersen. De geestesgesteldheid die daaruit groeide onder de Amerikaanse intelligentsia, roert zich
vandaag de dag in de protesten tegen het regeringsbeleid.
Wie nu de geestelijke woestijn ziet die Duitsland sinds hun vertrek geworden is, begrijpt hoeveel de Duitse immigranten Amerika gegeven hebben.
Dollar
Wat er voor één dollar te koop is: zes grote ijsco's, drie pakjes sigaretten of twee paar wollen sokken; een kaartje in een buurtbioscoop, een jockeypetje, of een grote affiche van Marlon Brando; of een broodje met worst en een kop koffie en een groot glas cola en een taartje en voor wie nog lust een appel toe en dan is er ook nog een dubbeltje over voor de fooi. De ene keer is een dollar bijna onuitputtelijk in koopkracht - twee dozijn eieren of acht pakjes shag - ergens anders is het een min papiertje waarvoor de winkeljuffrouw niet eens van haar stoel komt: in een antiekzaak of een kantoorboekwinkel. Reparateurs en monteurs beginnen niet onder de vijf dollar, artsen en apothekers ronden hun rekeningen op tien dollar af. Alles wat op maat gemaakt wordt, of het nu kleren zijn of dat het dienstverlening betreft, is veel duurder in Amerika dan elders. Artsen, kappers, maatkleerma-kers, garagehouders, timmerlieden verkopen arbeidstijd en dat is peperduur in de VS. Het is heel moeilijk om een nieuwe carburateur te laten monteren en het is vrijwel onmogelijk om de dokter naar een ziekbed te krijgen. Huisschilders en tuinmannen bestaan niet meer voor de gewone gezinnen. De mensen verdienen zoveel dat hun diensten onbetaalbaar geworden zijn zelfs voor hun medemensen die al evenveel verdienen. De welgestelde Amerikanen hebben er het geld niet voor. Dus doen ze het zelf. Dat is de armoede van de welvaart. De consumenten bewaren hun dollars om er massa-produkten mee te kopen, want die zijn verhoudingsgewijs goedkoop. Alles wat van de lopende band komt, wat voor iedereen hetzelfde is, kost weinig, is goed en constant van kwaliteit. Voor honderd dollar is er keus uit tien modellen zwart-wit televisie. Voor de helft is ,een FM-radio te koop, voor tien dollar een goed fototoestel. In een radio, foto- of huishoudwinkel is een dollar opeens vijf gulden waard. Duurzame consumptieartikelen worden in serie gemaakt, in gigantische hoeveelheden, in perfect georganiseerde en ingerichte fabrieken. Maar in een groentewinkel is een dollar niet veel meer dan een Hollandse daalder. In een bloemenwinkel is een dollar niet eens twee kwartjes waard. Daar gaat het om artikelen die veel aandacht eisen en niet machinaal gemaakt kunnen worden. Kippen worden wel in fabrieken opgefokt. Dus is één dollar zeker vier gulden waard bij de poelier.
Het is onbegonnen werk om uit te maken hoeveel een dollar eigenlijk waard is. Drie gulden zestig, de officiële koers, lijkt aan de hoge kant, behalve voor duurzaam consumptiegoed. De economische wetenschap is in deze kwestie merkwaardig hulpeloos. Er is geen algemeen aanvaarde theorie die vaststelt wat de eigenlijke ruilwaarde van de ene geldsoort tegenover de andere is. Het beste uitgangspunt is nog om na te gaan hoeveel het pakket artikelen kost dat gezinnen van vergelijkbare welstand in het ene land en in het andere zich aanschaffen. Maar wat is vergelijkbare welstand? Hetzelfde beroep? Amerikaanse mijnwerkers zijn welvarender dan hun Nederlandse collega's. Als ze al leven op hetzelfde peil, dan nog verschillen de gewoonten van land tot land. Een Hollander koopt spruitjes en een Amerikaan kiest broccoli, zijn die twee groentesoorten gelijkwaardig?
Maar even afgezien van al deze en nog heel wat andere valstrikken, wat is de eigenlijke ruilwaarde van de dollar? Na enig schuiven met cijfers die de Amerikaanse econoom Houthakker opgaf voor 1962, kom ik uit op twee en een halve gulden voor een dollar, in-plaats van drie gulden zestig.
Dat komt heel aardig overeen met de ervaring opgedaan in een jaar winkelen, wonen, eten en reizen. Wie niet te dolle eisen stelt en zich aan Amerikaanse manieren aanpast, heeft door de bank genomen van zijn dollar evenveel plezier als in Holland van zijn rijksdaalder.
De gulden die Nederland en de rest van de wereld daarboven op de dollar moeten toeleggen, noemen ze in de politiek 'wereldmacht'.
In Nederland leeft misschien een half dozijn schrijvers van wat de literatuur ze opbrengt: Van het Reve, Mulisch, Vestdijk, Wolkers en nog een paar. Dan zijn er een tiental schrijvers in het populaire genre van streekromans en detectives die van hun oeuvre alleen kunnen bestaan. Verder zullen nog een dertig of veertig auteurs een voldoende inkomen ontvangen van hun school- en handboeken. Alle andere schrijvers moeten bijverdienen in de journalistiek, de kritiek, bij radio en televisie, met tekstschrijven voor reclame, met vertalen, of gewoon op kantoor. De schone letteren brengen in Nederland bij nog niet een dozijn gezinnen brood op de plank, dichters en essayisten meegerekend. Dat is een schatting, maar een gefundeerde.
In Amerika leven vele duizenden auteurs van wat hun geschriften ze opbrengen. Daarvan zijn veel meer dan duizend romanschrijver. Dat is ook een schatting, maar een ongefundeerde. Het is ook niet eenvoudig cijfers te vinden. In Amerika is de hoge literatuur veel minder scherp afgegrensd tegen het populaire genre dan in Holland. De journalistiek is er al evenmin duidelijk gescheiden van de literatuur. In Amerika is schrijven een ambacht, de schrijver een kleine zelfstandige, ongeacht wat nu precies zijn genre is. Vandaar dat goede journalisten geregeld in boekvorm publiceren: William Manchester over de moord op Ken-nedy, Bernald Fall over de oorlog in Vietnam, James Reston over politiek in Amerika, zijn recente voorbeelden. Omgekeerd is het vanzelfsprekend dat literatoren aan krant en tijdschrift meewerken; schrijven is immers hun vak en de redacteuren zijn uit op vakwerk. Minstens een dozijn tijdschriften verschijnt elke maand met een oorspronkelijk kort verhaal of een opstel door een gerenommeerd auteur. De schrijver ontvangt daar een klein jaarloon voor. De New Yorker geeft vijfduizend dollar en meer voor een bijdrage, Playboy en Esquire blijven daar niet ver onder. Dat betekent werk, populariteit in brede lezerskring en een regelmatige verdienste voor een groot aantal auteurs. Dergelijke tijdschriften zijn niet erg avontuurlijk in de keus van hun medewerkers, ze vragen meestal alleen gevestigde talenten, maar die gunnen ze dan ook alle vrijheid.
Een schrijver wiens boek het behoorlijk doet, kan er een jaar of tien van leven. Het potentieel aantal lezers is zo enorm groot dat zelfs na jaren de royalties nog blijven binnenkomen. Een boek dat een paar weken bovenaan op de bestsellerslijst staat, verlost de schrijver voor de rest van zijn leven van alle geldzorgen: feuilletonrechten in Life of Look, elk met y| miljoen abonnees, een aparte editie voor een grote boekenclub, de filmrechten, na verloop van tijd een miljoenenoplage in pocketformaat. Dit alles nog afgezien van de verkoop van rechten naar het buitenland. Een dergelijke verkoopstrategie heeft auteurs als Vla-dimir Nabokov, Norman Mailer en Truman Capote miljonair gemaakt. Dat kon zonder dat ze hun hoogst persoonlijke stijl hoefden te versnijden. De Amerikaanse auteurs profiteren van de besparingen van de produktie in het groot: één tekst kan onbeperkt vermenigvuldigd worden met gelijkblijvende of zelfs dalende reproduktiekosten. De afzetmarkt van alle Engelstaligen is ruim genoeg om zaken te doen in grote stijl. Dat verklaart voor een groot deel de bloei van de literaire industrie in Amerika. De uitgevers richten zich bovendien bewust op een snel gegroeid en nog sneller groeiend publiek van studenten en afgestudeerden, die uit smaak of plichtsgevoel belang stellen in literatuur. Het zijn deze zelfde lezers die in nog veel grotere getale afnemers zijn van historische lectuur - niet alles gaat over Kennedy - en van boeken over psychologie en psychiatrie - niet alles gaat over seksualiteit.
Voor schrijvers geen staatssubsidie in Amerika. Toch is niet alles aan het particulier initiatief overgelaten. De grote beschermer van de literatuur is de universiteit. Honderden schrijvers zijn verbonden aan Ameri-ka's tweeduizend colleges en universiteiten. Zij geven les in 'creatief schrijven', een leervak in Amerika, of in literatuurgeschiedenis, of ze zijn ingehuurd om op kosten van de universiteit eens een jaar voor zichzelf te werken als author in residence, tot meerdere glorie van de universitaire gemeenschap. John Hersey, de auteur van De Muur en Hiroshima is bijvoorbeeld Master van een college in Yale, zeg, hoofd van een studentenwoonhuis, een sinecure die hem alle tijd geeft om te schrijven.
Een positie aan de universiteit of een beurs van één van de grote stichtingen maakt het een schrijver mogelijk zich los te maken van de eisen van de literaire markt. Hij kan een paar jaar besteden aan de voorbereiding van een nieuw boek en ook als zijn boeken niet zo goed verkopen, kan hij zich toch blij ven wijden aan de literatuur. Voor dichters is dit - ook in Amerika - nog steeds vrijwel de enige oplossing. Wie nog niet de aandacht van de kritiek heeft weten te trekken kan niet rekenen op de steun van uitgevers, universiteiten of stichtingen. Beginnende schrijvers hebben het in Amerika minstens zo moeilijk als ergens anders. Zij hebben alleen meer om op te hopen.1. Voortrekkers
Jedediah Smith was de eerste blanke die de tocht over land naar Californië volbracht. Tot dat jaar, 1828, was Amerika's westkust van de oostelijke staten gescheiden door twee oceanen: de reizigers uit Boston en New York bereikten Californië per schip over de Atlantische Oceaan, omlaag langs het Amerikaanse continent, rond Kaap Hoorn en weer omhoog over de Stille Oceaan. Sommigen riskeerden malaria en gele koorts en staken de landengte van Panama over, enkelen trotseerden Mexico's regenwouden en bergketens tussen Vera Cruz en Mazatlan. Pas in 1849 begonnen emigranten in groten getale aan de trek over land naar Californië. Het bericht van rijke goudvondsten was doorgedrongen tot de dichtbevolkte staten van het oosten. Burgervaders werden weer avonturiers, opgeschoten jongens zagen hun kans schoon. De meeste goudzoekers reisden in compagnieën van een man of vijftig met wagens, ossen en muilezels. Zij verzamelden in Missouri, vijftienhonderd kilometer ten zuidwesten van New York, gemeten langs de wegen van vandaag, en vandaar hadden zij zo nog drieduizend kilometer te reizen. De meesten hadden geen idee van woudlopen en pionieren, hun wagens bezweken onder de overlast, hun dieren kwamen om van de uitputting en dan kwam ook het eind voor de trekkers zelf. Ze verdronken in de rivieren, stierven aan de tyfus, of kwamen om bij een ongeluk met de vuurwapens die ze in overvloed hadden meegenomen uit vrees voor de Indianen. De Indianen zelf beperkten zich tot wat ongeregelde veediefstallen. Gedreven door de goudzucht legden de trekkers van 1849 moeizaam het ene karrenspoor over het andere en zo ontstond een heirbaan van kust tot kust. Voor het eerst werd Amerika één ononderbroken landmassa: een continent.
Wie vandaag, een eeuw later, onderweg naar Californië een reisjournaal van de 1849-ers ter hand neemt, heeft niet eens tijd om het uit te lezen voor zijn jet landt in de miljoenenstad Los Angeles. En toch waren de pioniers kort van stof:
'Wij maakten kamp om vier uur 's middags na een dagtocht van achttien mijl. Vandaag zochten we hout en water, maar dat bleek vergeefse moeite.' 'Joseph C. Young uit Montgomery County, Maryland, een lid van onze expeditie is een paar minuten voor zonsondergang aan tyfus gestorven.'
Californië is nog steeds drieduizend mijl ver weg. Dat is vijf koele, klamme uren met de luchtlijn, of vijf, zes dagreizen over de autoweg. De automobilist heeft al die dagen alleen maar het midden te houden tussen de witte streep rechts en de witte streep links, hij rijdt zestig mijl per uur en kijkt in zijn spiegel bij het passeren. Zo glijdt hij langzaam Californië in. Geen ontmoeting of belevenis markeert die reis, er is alleen maar landschap dat geleidelijk van kleur verschiet en alleen maar kromt of kronkelt als een verkeersbord dat uitdrukkelijk toestaat. Wat ook aan de kant gebeurt, reclameborden, autowrakken, op de weg heerst een eerbiedige stilte. Er is zo'n haast om er te komen, dat zelfs de richtingborden weggelaten zijn. Noodgedwongen rijdt de automobilist steeds maar rechtdoor, want zijwegen zijn nauwelijks gemarkeerd: wie daar zijn moet, hoort het al te weten, voor de anderen is het maar afleiding van hun concentratie op het einddoel.
Langs de weg zijn motels en cafetaria's, ontdaan van alle plaatselijkheid, identiek over het hele continent. Een motelkamer is niet een verblijf waar iemand zou kunnen wonen, nadenken of liefhebben, maar een onbestemde ruimte, nog het best beschreven als 'niet-meer-thuis-en-nog-niet-aangekomen'. Een motel of een wegrestaurant is niet 'ergens', het is 'nog niet ergens anders'. Eten is er uitstel van honger, slapen geen nachtrust, maar overnachting tussen twee dagritten. De snelwegen slaan Amerika over. Dan liever de plaatselijke wegen, dwars door stadjes en dorpen, oversteekplaatsen, scholen, landerijen. Dat geeft oponthoud. Maar daar is reizen om begonnen. Tot Californië erop volgt.
Van hier volgt een verslag van de vertraging onderweg, een journaal van de trek over land tot aan de westkust.
De straat voor mijn huis loopt van west naar oost. Ik draai mijn auto met zijn voorkant west en rijd naar Californië: kijken of het waar is wat de kaarten zeggen. Na twintig straten al verliest de autokaart het van de chaos: De George Washingtonbrug, een onbeschrijfelijk knooppunt. Maar lees: één weg komt in zes banen uit het zuiden, een ander even breed ligt langs de noordrand van de stad, een derde straat ligt parallel aan de eerste en uit het noordoosten komt een snelweg. Dat moet allemaal de brug op van New York naar New Jersey. Maar in deze vrije maatschappij mag bovendien elkeen uit beide richtingen en van elke rijbaan een andere weg op van zijn keuze. Wat nu ontstaat is een weg over een weg over een weg met afritten aan weerszijden, die zich omdraaien tot oprit naar de volgende en halverwege splijten voor een laatste gril naar een nieuwe weg, die zelfverbinding is tussen een cirkelbaan en een doorgang naar de brug. Geen kunstenaar heeft dit nog uitgeschilderd, ik ken geen beschrijving en kan hem zelf niet geven. Niemand heeft hier ooit een ander de weg kunnen wijzen. Een doorgang is alleen te vinden op de tast van bord tot bord. De kleinste vergissing wordt afgestraft, spijtoptanten moeten tien mijl doorrijden voor ze kunnen keren. Tenslotte raak ik op het bovenste wegdek van de brug en rijd New Jersey in. Ik mag kiezen tussen vier parallelle wegen en dan weer uit drie banen elk, maar vanzelf kom ik op de meest linkse baan en het verhaal houdt op voor tweehonderd mijl: de reis wordt wegdek, tot we eindelijk afslaan.
Oponthoud in Amsterdam: Amsterdam, New York. Povere Amsterdammers, die van Amsterdam nog nooit gehoord hebben, zo lelijk is hun dorp, zo troosteloos hun winkelstraat, eigendom van de Coca-Colaborden, Chevrolets van vorig jaar en doorgegroeide, dadenloze tieners. Amsterdam, New York. Twee goede tekens in de zodiac der steden: Het heeft niet geholpen.Het loopt tegen middernacht en naar het weekend. Groot tienerbal in Skaneateles. Wij zoeken onderdak. Op de parkeerplaats dezelfde sportauto's, in de jukebox dezelfde muziek als in de stad. Maar hier is het 'buiten' en dus hebben de meisjes de pijpen van hun spijkerbroeken boven de knie afgeknipt. Bermuda's heet die dracht, 'sportief' is het beste wat er van te zeggen valt. De jongens drinken bier in plaats van de 'zachte dranken’ zonder alcohol die de bijdetijdse stadsjeugd nu gebruikt. Verder geen verschil. Provinciaals bestaat niet meer. Er is nog wel verschil, maar de scheidslijn is anders komen te liggen. De tieners zijn nu grootsteeds tot in het kleinste dorp; ook in de wereldstad leven provincialen, die dat nu zijn uit vrije wil, uit voorkeur voor televisiespelletjes, familiebladen en de medische rubriek. In Skaneateles hebben de provincialen nog de overhand. De hotelier belooft stilte om twee uur. Om tien over twee is het doodstil.
De volgende ochtend inspectie van de Niagara-watervallen door de Russische premier en zijn gevolg, een uur later door mij persoonlijk. Mijn herinnering valt open op de bladzij waar een jongensboekenheld aan zijn belagers weet te ontkomen naar de andere oever, balancerend over een koord boven de watervallen. Dat was geloof ik Met een kwartje de wereld rond.
De toegangsweg en het park geven uitzicht op water, veel water, dat van Lake Ontario wordt uitgegoten in Lake Erie door de smalle tuit van de Niagara-rivier. Het versnelt, begint te kolken, rukt wat aan struiken en sleurt met stenen tot de rivier opeens ophoudt. Het landschap stopt. Het begint meteen opnieuw, maar zestig meter lager. Daartussen is de waterval, waar water valt. Over een manshoog front van zevenhonderd meter breed gaat alles de diepte in met een beweging die alle valwetten, bekend en onbekend, bewezen en weerlegd, aanschouwelijk maakt. Er zijn er, waters die het langzaam doen, in een dikke gulpende duik, andere verstuiven van schrik op de rand tot een spuitende straal waterdamp, maar ook haasten zich straaltjes over de brede waterrug zo snel als mogelijk naar beneden, waar deze hele stroom naar de verdoemenis gaat, de kolk in, en in razernij verdampt. Over dat alles staat een regenboog die met ons meewandelt en met alle toeristen en met de gidsen en de treintjes en nog meer toeristen in oliejassen op waterbestendige toffeltjes. Ze gaan het allemaal van dichtbij nog eens heel goed bekijken. De folders betogen dat dit hier voor mijn ogen nu een wereldwonder is. Dat is zeer juist.
Wegwezen. Want wie na twee uur kijken nog geen antwoord heeft, moet verderop om het landschap andere vragen te gaan stellen.
Aangekomen in Detroit, Motown, Soultown, thuisstad van de Supremes, de vieze meisjes die van kattenliefde zingen, zodat mensen het begrijpen. Detroit van Henry en Edsel Ford, die er een theater hebben en een snelweg naar ze vernoemd en ook nog de fabriek waarvan ze het hebben moeten. Het is de vierde juli, nationale feestdag, en we hebben de stad voor ons alleen. Vandaag zijn er geen lieve typistes in lila skibroeken of werkmannen in blauwe kruippakken met bril, pijp en pet om de gebouwen te verbergen en de blinde muren te maskeren. De stad ligt leeg en naakt voor ons, en god wat is ze lelijk.
Uit standsbesef zijn in het centrum een paar gore pleinen opengehouden, waarop gras is uitgezaaid: een park. Maar overal zijn open asfaltvelden waarboven in reuzenletters 'Park' staat: die zijn om te parkeren. De auto is in deze stad ingeslagen als een bom: tussen alle huizen gapen gaten, autokraters, parkeerterreinen. Maar omgekeerd zijn de huizen ernaast juist opgetrokken vanwege de auto's. Detroit bestaat van de auto-industrie: productie dit jaar rond de tien miljoen. Hier wonen Ford en Rambler, Cadillac en Oldsmobile, Chrysler, Buick en Chevrolet. Maar hun behuizing is bescheiden. Geen schitterende hoofdkwartieren en kantoortorens. Wel grote, lage dozen, onderaan en van boven versierd met wat betonnen krullen in de stijl van de jaren dertig. General Motors is het grootste concern ter wereld, Ford komt op de tweede plaats.Maar in deze stad zijn de magnaten aan het werk. Daar komt geen grapje aan te pas, zelfs geen poging om te imponeren. Dat doen de reuzenconcerns ergens anders, in New York, in Washington, in de krant en op de televisie, in Amsterdam en Tokio. In Detroit zijn ze alleen maar bezig staal om te vormen in auto's en auto's om te zetten in geld. De Amerikaanse behaagzucht is er nog maar nauwelijks doorgedrongen. Alleen aan de oever van de Detroit River staat wat beton en glas de hoogte in te reiken. De duim van de architect staat nog op die pronkgebouwen, zo haastig zijn ze neergezet. Maar als Detroit echt zou willen, bouwde het een stad even protserig en even overbluffend als de laatste luxemodellen uit het wagenpark. Detroit wil niet. De bazen willen dat hier gewerkt wordt, daarmee uit.
Vandaag is het de vierde juli, onafhankelijkheidsdag, en de arbeidersgezinnen mogen een dagje naar buiten. Geen mens is meer in de stad te vinden en zonder werkers is Detroit zo hopeloos als een badplaats in de winter, alleen veel groter.
Langs Detroit River ligt voor dertig kilometer fabrieksterrein. Soms stokt het industriegebied en begint een dorp zijn clichéverhaal van voortuintjes en kleine villa's voor de boekhouders en de baasjes van de fabrieken verderop: Wyandotte Chemicals, National Steel; rookwolken van geel en roze vergif worden over het landschap uitgelegd; feestelijke kleuren zeven dagen van de week. Een opgegeven begraafplaats ligt tegen de fabrieksmuur aan. Het gras staat er hoog, hier en daar is rond een graf het onkruid gewied, het gras gemaaid. Maar de nabestaanden maaien alleen voor hun eigen dode, de zoden ernaast laten ze ongemoeid.Eindelijk wijken de fabrieken en tref ik de Detroitenaren, langs de oever kijkend naar een bootwedstrijd en op een kleine voorstadskermis. De weg buigt om een park heen en daar onder de bomen zijn negerfamilies aan het picknicken. Met twintig man en vijf auto's vol hebben ze stoelen en bedden, broodjes, vlees en fruit aangesleept. De maaltijd is voorbij en nu is het gezelschap opgesplitst in de slapers, en de bewegers die ronddraven met bal, patat en radio. Het is dus toch een feestdag.
Het statistisch zakboek wijst de autowerkers aan als de bestbetaalde groep, hun vakbond de strijdlustigste en op één na de grootste van Amerika. Daarvan eet vandaag de arbeidersklasse in het park en speelt er honkbal met de kinderen. Ver buiten de stad. Want in Detroit zelf is het leven nog beschreven met klassieke economie: arbeid en kapitaal, de zware industrie als harde onderbouw van de volkshuishouding. Daarvan kan Amerika het doen: de luxe van de oorlog in Vietnam, de buitenlandse hulp, de grote universiteiten, reclame, televisie, mode, kunst. Detroit is de machinekamer. En juist vandaar komt het klagelijkste muziek van Amerika de: soul sound van de zwarte rock 'n roll zangers.
Achteraf:
De slotzin hierachter luidde: 'Detroit is Amerika onopgemaakt. Wie nu nog voor haar voelt, is van Amerika gaan houden.'
De negers voelden niet voor haar en ik was nog geen twee weken weg of de brand ging erin. 43 doden en een half miljard dollars schade in Detroit. In een volgende aflevering kwam te staan: 'Er is geen twijfel mogelijk: Detroit was nog maar het begin. Het broeit en het vreet in honderden steden. Een kleine minderheid van de Amerikaanse negers heeft voor het geweld gekozen. Zij zijn bewapend en er is een begin van plaatselijke ondergrondse strijdorganisaties. Een heel grote groep zwarte paupers staat op het punt in geweld los te barsten. De georganiseerde radicalen wachten af, stoken aan en gebruiken de getto's als toevluchtsoord, zoals de Vietnamezen onderduiken in de jungle. De verwoesting van de zwarte buurten in Watts, Detroit, Newark laat ze koud. De winkels en de woningen zijn toch bezit van blanken. De neger verliest alleen maar zijn schamele huisraad.' En: 'Alle factoren werken toe naar verder geweld. De zwarte massa's hebben hun geduld verloren. Zij zullen opnieuw uitbarsten in zinloze en ordeloze opstanden. Maar dat geeft de georganiseerde ondergrondse strijders gelegenheid tot actie en levert ze nieuwe leden Op. Het geduld van de gematigde leiders is niet beloond en bij gebrek aan resultaat keert hun aanhang zich van hen af. De stemming in blank Amerika is er een van onderdrukking, niet van verheffing van de zwarte armen. De begroting laat geen nieuwe uitgaven voor hervormingen toe: Amerika is verlamd door de oorlog in Vietnam.' Niemand had het van Detroit verwacht. Het ging er juist zo goed. Blijkbaar net goed genoeg om in te zien hoe beroerd het toch nog was.
Le Mans, Indianapolis, Daytona zijn de namen van de grote autosport. Daar zetten de autofabrieken tonnen gelds, een team racers en een leger monteurs in voor de grote gok om de voorkeur van de autoliefhebbers. De kleine zelfstandige komt daar allang niet meer aan te pas. Zelfs Ferrari is in Le Mans van de baan gereden door het geld en de ingenieurs van Ford. Ook rallyrijden is vrijwel onbetaalbaar geworden. Het enige wat de gewone man nog doen kan, is toekijken en zich schor juichen.
Maar in de Verenigde Staten is rond deze toppen van de autosport een ondergroei ontstaan. Een tijdverblijf voor gewone jongens die met veel geknutsel en nog meer lef hun eigen races rijden; drag-racing, stock car racing, funny cars. In al deze races rijden wagens die uit de serieproductie van de grote fabrieken stammen. Maar dat is dan wel lang geleden, want het is de sport om die auto's zo om te bouwen dat ze het uithouden op de racebaan. In drag racing gaat het erom binnen een paar honderd meter de hoogst mogelijke snelheid te bereiken. Het is alleen maar een kwestie van optrekken. De hele auto wordt afgekalfd tot alleen de sterk opgevoerde motor overblijft op een kaal chassis met enorme wielen van achteren en centimeter dunne wieltjes aan de voorkant. In sommige dragsterklassen rijden straalauto's, maar in andere alleen auto's zo uit de fabriek, vrijwel zonder veranderingen. Romeo Palamides bereikt met een jet-auto 452 kilometer per uur in 6,05 seconden. De jongens uit de buurt halen na een jaar prutsen tweehonderd kilometer binnen elf seconden. Na die uitbarsting kunnen zij alleen nog tot stilstand komen door van achteren een rem-parachute los te laten. Dat is drag racing, een explosie op wielen die opraast tot twee, driehonderd kilometer per uur en uitgewoed is in tien seconden.
Funny cars zijn stuntwagens. De man die in de Batman films de Batmobile bestuurt, rijdt in zijn vrije tijd tweehonderd kilometer per uur op de twee achterwielen van zijn Los Angeles Dart. Aan de start laat hij zijn auto in de vrijloop opdraaien tot 4500 toeren per minuut en dan ramt hij de versnelling in z'n twee. Het volgende ogenblik is Wild Bill Shrewsbury drie meter van de grond, hij schakelt naar drie en zijn auto komt neer op de achterwielen alleen en raast voort. Hij landt op de voorwielen, draait een paar maal om zijn as, springt met de auto van een verhoging, stopt, stapt uit, buigt: applaus.
Maar de echte artiesten in de sport zijn de custom builders, de hobbyisten die een seriewagen verbouwen tot een creatie naar eigen smaak. Glansverf, valse staartstukken, aerodynamische dakwelving, blote, gepolijste en verchroomde motorribben en veel sierwerk. Zij zijn autohouwers en hun sculptuur levert de modelleurs van Detroit de ideeën voor de komende sériewagens. De Mustang en de Stingray van vandaag stonden tien jaar geleden al in een achterbuurt van Los Angeles, waar een malle mechanieker al zijn vrije tijd en elke losse cent besteedde aan de creatie van zijn mobile.
De mooiste sport is stock car racing. Op een kleine baan, vierhonderd meter in het rond, rijdt een dozijn geplette, geblutste en gekneusde Chevy's, Fords en Dodges. Van binnen is alles, bodem, bank, bekleding en dashboard gesloopt en vervangen door een staketsel van zware gelaste buizen die de chauffeur moeten beschermen tegen een kraker. De motoren zijn niet eens opgevoerd, alleen maar in een zwaar stalen frame gezet. De snelheden zijn niet veel hoger dan honderd vijftig op de rechte stukken, maar op een baan die twee keer in het Olympisch Stadion kan is dat genoeg, genoeg voor een realistisch schaalmodel van de hel. De traag ronddraaiende kudde auto's barst op het zien van de startvlag uit in een panisch geweld. Het kleine stadion stikt in een dikke laag geluid en het publiek weet zich alleen maar te verdedigen door zijn longen stuk te schreeuwen. Een paar auto's vliegen uit de bocht, draaien een volle cirkel en schieten de baan weer op. Tussen de voorste auto's speelt zich in deze chaos een beheerst geweld af, met haarscherpe handigheid trachten de rijders elkaar opzij te sturen. In Ashland Racepark, Chicago, wint die avond Bud Koehler. Na vijf ronden al ligt hij uit een twaalfde positie voorop. In deze slippende, rokende en brullende meute rijdt hij met de regelmaat van een Friese klokslinger. In de bocht, waar anderen wegglijden uit de binnenbaan, blijft hij aan de rand kleven en vindt ruimte om de tegenstander voorbij te kruipen. Deze avond wint Koehler voor de 294516 keer de feature race. Hij rijdt met de zekerheid van een perfecte en ingesleten gewoonte. Koehler, 46 jaar, rijdt al achttien jaar op deze buurtbaan. In achttien jaar nooit een ongeluk, veiliger dan schoolvoetbal, zeggen de fans. Maar de slippartijen, de klappen en de rook blijven het aanzien waard. Koehler verschijnt tweemaal in de week aan de start, praat even met zijn monteurs, draait de voorrondes, stuurt door de grote race heen en strijkt zijn driehonderd dollar op. Hij geeft de kinderen een handtekening en gaat naar huis. Het publiek haat een winnaar, zegt hij, na 294 keer. De jongens uit de buurt verafgoden hem en zinnen op zijn ondergang. Budd Koehler, buurtheld in een lawaaiige en vuile buurt, in een lawaaiige en vuile sport. Een sport van de industriewijken, van de voorsteden. Arbeidersvermaak, niet fijn genoeg voor de autofabrieken, gemeden door het betere publiek, deel van het leven in een machinaal landschap waarin mannen zo groot zijn als de machine die zij beheersen.
Voorbij Chicago begint landelijk Amerika. Rollende vlaktes met maïs en graan in Illinois en Iowa, grasland met zwart melkvee in Nebraska en dan de prairies van Wyoming met hier en daar een drom koeien of een plukje wilde paarden. Naar het westen toe worden de huizen ouder en de dorpjes jonger. De vaderlandse geschiedenis van deze streken heeft nog maar honderd jaar geduurd, het is het verhaal van de uitdrijving van de Indianen, weg van de grazige weiden van het Midden Westen naar de schrale vlakten van Wyoming en eindelijk de woestijnen van Arizona in.
De Shoshones, Mesquakees en Sioux wonen nu op door de regering toegewezen gronden, in poverheid, vaak in armoe, maar onder elkaar. Het westen is boerenland geworden, met de mooiste boeren van de wereld: de cowboys op hoge, versierde laarzen, in spijkerbroeken van Levi's en Wrangler's, met zilver beslagen riemen en met breedgerande gleufhoeden op. In Cheyenne lopen deze boerenknechts RobertMitchum en John Wayne te verbeteren met revolvers in open holsters op de heup, een achter-gindse-verten-blik in de ogen en met de trage lef-pas van de prairieruiter in hun benen.
Cheyenne bestaat honderd jaar en in het stadion wordt een rodeo gehouden, een serie wedstrijden in alle takken van het boerenbedrijf. Bij het wereldkampioenschap stierenvangen met de lasso is Nederland weer eens niet van de partij, geen enkel ander land trouwens, behalve Duitsland met een enkele Kuhbursche. Zelfs onder kampioenen lukt het maar een hoogst enkele keer de stier vanaf een paard in volle draf de lus om de hals te leggen. Maar als het touw om de kop glijdt, staat de stier opeens stokstijf, er schiet een ruk door het touw en cowboy en paard verstijven op hun beurt. Dan in één sprong en met drie, vier grepen is de stier gevloerd en gekneveld, klaar voor een brandmerk of voor de slachthuizen van Chicago.
De boerenjongens uit de ommelanden maken zich nu gereed voor een race met wilde paarden. Drie, vier kerels staan uit alle macht een kwartier te rukken om de beesten naar de start te krijgen en de farmersgezinnen joelen om de paarden nog meer op te hitsen. Als het startschot klinkt, worstelen de cowboys zich op de steigerende paarden, de helpers laten los en de paarden proberen in razende galop en uit alle macht de rijders af te werpen. Binnen vijftig meter smakt de helft van de ruiters tegen de grond. De andere rijders hebben het paard in een wurggreep tussen de knieën weten te krijgen, slaan hun handen rond de hals, zetten hun tanden in de manen en zo houden ze het een volle ronde uit. De enige manier om dan weer van de op hol geslagen beesten af te komen is gewoon loslaten, vallen en van de achterpoten wegdraaien. Zelfs de winnaar kan zich geen triomfgebaar permitteren en rolt voor de voeten van de jury in het zand.
Die avond dansen de Sioux (spreek uit: Soe) in Cheyenne. Ze dragen alle kleren en versierselen die in de speelgoedafdeling van de Bijenkorf te krijgen zijn en het ziet er niet naar uit dat ze erg hun best doen. Alleen hun kinderen schieten links en rechts over het plaveisel om de toegeworpen munten op te rapen. Het publiek geniet. De nobele wilde danst op commando. Het opperhoofd gaat gewillig met de kleintjes op de kiek. Dit zijn Indianen voor geld, maar dat betekent nog niet dat de echte niet bestaan.Voorbij Rawlins, bij Fort Washakie, ligt in de berm een bord: Shoshone. Wij draaien van de weg af en komen in een verlaten nederzetting. Over de grasvelden is het geluid van een trommel te horen en langs een karre-spoor bereiken we een open plek. Rondom staan, twee rijen dik, meest oude auto's geparkeerd. Een paar donkere jongens rijden landerig op en neer op kleine paardjes. Uit een kring van bomen is met loof en takken een grote overdekte en afgeschutte ruimte opgetrokken. Bij de ingang staat een groep Indianen, gekleed naar de zede van het land in laarzen, werkbroeken en leren vesten, met brede hoeden, in cowboydracht. Wij kijken waar zij naar kijken. Onder het loofdak liggen tegen de wanden in een grote kring een honderd Indianen te dommelen of voor zich uit te kijken. In het midden bewegen groepjes dansers met trage hupjes, naar voren en dan weer naar achteren op het geluid van een grote trommel die beslagen wordt door een man of tien opzij van de ingang. Naast de trommel zitten oude vrouwen op klapstoeltjes, wuiven palmtakken en zingen hoog mee met de trommelaars. De dansers houden fluitjes in hun mond waarmee ze een korte spitse toon uitstoten. Rond hun middel dragen ze kleurige doeken, hun borst is bloot, hun nek omhangen met kralen. De oude mannen tonen het zware lichaam en de brede heupen die het meest directe teken zijn van gewicht. De oudsten dragen het haar lang en in vlechten. De dansers tillen hun gezicht en handpalmen omhoog naar een bisonkop aan een paal in het midden. Soms wordt het slaan van de drum wat luider, maar het blijft een kalm gebeuren op een hete zomernamiddag, iets wat nu eenmaal eens in het jaar gedaan moet worden; het is al duizend jaar te laat om het nog uit te leggen aan wie het niet begrijpt. De dansers gaan terug naar hun ligplaats en roken een sigaret, andere slapers staan op en huppen met kwieke voeten en een lui lichaam heen en weer.
Geen bleekgezicht te bekennen, alleen twee onverstoorbare oude dametjes en wij, die meespelen dat we er niet zijn. Van de dans begrijpen wij niets, het schouwspel komt in losse brokken op ons af, de kralen halskettingen, geborduurde doeken, een bisonkop.
Aha, wij hebben het Amerika van vóór Colombus hervonden! Maar zo eenvoudig gaat dat niet. Achter de trommelaars staan tien Indianen met draagbare taperecorders hun eigen geluid op te nemen. En als de dansers zich aankleden trekken ze gewoon een hemd en een broek aan. Er staan wigwams op het veld, grauwe zeildoeken geslagen rond schuin in elkaar gestoken palen, maar ze zijn aangevoerd in kleine vrachtauto's.
Later lees ik dat dit de Da-goo-win-net was, de mystieke zonnedans van de Shoshone's: Jacht, Weiding van de grond, Dorst. Maar ik heb nooit gejaagd, grond geweid of gedorst. Ik herken andere tekens. Het bouwjaar van de auto's, de slechte tanden van de kinderen, de huiduitslag van de baby's: armoede. Ik kan zelfs zien dat de jonge dansers er niet helemaal in geloven, maar dat ze meedoen, als het al niet uit liefde voor de eigen cultuur is, dan uit afkeer van de onze. In dit Amerika worden de Indianen in stand gehouden in eigen gemeenschappen, maar in karigheid, op schrale grond. Wie beter leven wil, moet blanke gewoonten overnemen of in een blanke wereld van onderop beginnen. Dit land heeft het nog niet kunnen opbrengen één enkele minderheid tegelijk zijn eigenaardigheid én zijn welvaart te gunnen. Deze Shoshones zijn eigenaardig.
Nebraska is een nog groene staat, waar maïs groeit, alfalfa (dat is luzerne, een voedergras) en koren. De weg ligt in een geul tussen eetbare vlaktes zover het oog reikt, zolang de rit duurt. Maar in Wyoming droogt het land op, de grijze aarde schijnt tussen het karige gras door. Geen boerderijen meer met rood-okeren schuren, alleen af en toe een grindweg die de heuvel afhobbelt naar een groepje houten opstallen aan de horizon. Geen mens te bekennen, bijna geen beesten. Af en toe een kudde koeien overgelaten aan hun eigen loomheid. De grond is wit uitgeslagen en smaakt zout: soda. Een of twee keer begint een nederzetting, benzinepomp, vijf huizen, een kleine fabriek en een 'general store’: alleswinkel, postkantoor, café. De prairie loopt dwars tussen de huizen door naar alle kanten tot de horizon.
Tegen de avond bereiken we de heuvels, daar beginnen de bossen. We stoppen om kamp te maken en uit de struiken komt een jeep met boswachters en verhalen over elanden en beren diep in het woud. Van horen zeggen weet ik dat bulldozers, tractors en motorzagen bezig zijn aan het woud te vreten, maar wij komen ze nooit tegen, zien zelfs hun sporen niet. Hele fabrieken worden met dit hout gevoerd, maar het bos groeit over de open plekken heen weer dicht.
Dagreizen, heuvelruggen, horizons van bos. Een land van bomen, verenigd in nationale wouden, bewoond door een woudvolk van lopers en hakkers en boswachters, 's zomers bezocht door stedelingen die geschrokken over de gemerkte paden schuiven of dwaas aan een beek zitten te vissen.
Het land begint te heuvelen en ongemerkt stijgen we tot een hoogvlakte. Aan de westkant sluit een bergketen het landschap af met vier, vijf wrede toppen: de Tetons, met sneeuw uit vorige seizoenen en gesteenten uit een vorige historie. Aan de voet ligt een vallei, doorsneden met beekjes die daar hun kronkelspelen houden, meertjes vormen en hoog gras laten groeien op kalm glooiende weiden. Een landschap als Lugano of Como in de beste dagen van de prentbriefkaart. Maar hier zijn geen hotels, cafetaria's en vastgelopen files auto's. Het hele gebied is nationaal park, eigendom van de staat, bestuurd vanuit Washington. Onder regeringstoezicht zijn op een paar punten centra opgetrokken met campings, bungalows, een hotel, restaurant en een winkel. Alles in vrome eerbied voor het omringende landschap, geleid door een subtiele hand die wegwijzers plaatst, paden markeert en kaarten en gidsjes uitreikt. De entree is goedkoop, overnachting billijk, bescheiden tentoonstellingen en behulpzame boswachters vertellen de stedeling wat er voor hem te zien is. De staat bewaart, vadert en verschaft genoegens. De zegeningen van het socialisme in de tuin van het kapitalisme. Over heel het land liggen in de mooiste streken nationale en staatsparken waar een verstedelijkt volk kan komen kijken naar wat het thuis moet missen. De grootste verademing in deze parken komt niet eens van het overvloedig natuurschoon, maar uit de afwezigheid van alle commercie. Niets wordt de bezoeker opgedrongen, niets hoeft en de enige regels zijn eenvoudig en aansprekend als in een beginnende gemeenschap: maak geen lawaai, werp geen vuil, wees voorzichtig met vuur. Dat begrijpt iedereen, het is de algemene wil. Verder kan iedereen voor zich en de zijnen leven. En iedereen die een baan heeft, kan zich veroorloven met zijn gezin in een van die vele parken te gaan kamperen.Ten noorden van Grand Teton ligt Yellowstone Park, het oudste van de nationale parken, met een rest van negentiende-eeuws toerisme: natuurwonderen en genezende bronnen. Het is vulkanisch land, waarin rivieren duizend meters diepe kloven hebben gesleten en waaruit eensklaps water opborrelt, in onderaardse kiezelbedden door vulkanische hitte tot stoom gekookt. Het komt omhoog in grote pluimen, constant of onderbroken, als geysers, het rommelt in modderpoelen, doorschoten met veelkleurige algengroeien het spoelt over grillige metershoge kalkstenen sculpturen, ontstaan door de aanslag die overblijft als het water bovengronds afkoelt. De bronnen wandelen over dit terrein, verplaatst door aardschokken of verschoven door aanslibsels. Met een gids in de hand verbazen de bezoekers zich over dit stuk aarde dat voor hun ogen geologie aan het bedrijven is. Uit de struiken komt af en toe een beer te voorschijn, een reuzen-eland laat zich roerloos benaderen tot op twee pas afstand. Het wild is aan de mensen gewoon geraakt en weet zich onaantastbaar. In deze parken mag de natuur de vrije natuur blijven, al zijn dan de beesten en de bomen opgesloten in de bossen, de bergen en de weiden verschanst in reservaten. Maar de Amerikanen zijn nu zo ver getemd dat ze zonder schade aan te richten in de natuur kunnen worden losgelaten.
Verschanst achter de ontoegankelijke bergketens van de Rocky Mountains ligt in het noordwesten van de Verenigde Staten de staat Washington. Een land van appels, peren en pruimen, melk en boter, bossen en beekjes. Maar in de zomer is het binnenland een geblakerde vlakte waarover een hete wind blaast. Kleine wervelstormpjes rukken aan de struiken en tillen een zuiltje zand omhoog, tien meter verder staan de bomen roerloos. De weg worstelt over kilometerslange passen door het Cascadegebergte en bereikt dan Seattle, een havenstad, ver van de zee, aan een baai die met honderd fjorden en landtongen uitloopt in de straat van Juan de Fuca, naar de Grote Oceaan, de Stille Oceaan, de Pacific, voor ons, van de Atlantische kusten, de andere kant van de wereld.
Amerika's commercie en de gestroomlijnde vormen van de massaproductie zijn hier nog niet helemaal doorgedrongen. Misschien omdat Washington een uithoek is, begrensd door de zee, Canada in het noorden, afgesloten door de hooggebergten in het oosten. Misschien omdat het een nog tamelijk jonge staat is, ver van de grote zakencentra. De Amerikaanse reuzenconcerns hebben de steden en dorpen in Washington nog niet kunnen steken in het uniform van Coca Cola, Chevrolet, Esso en Howard Johnson. De dorpjes hebben nog een rest van eigen karakter en dat is het meest te danken aan de gevels en de interieurs van winkels en cafés: de reclameborden en de winkelinrichtingen die over heel Amerika aan de middenstand worden opgedrongen, ontbreken hier, en elke zaak draagt het karakter dat de eigenaar eraan gegeven heeft. Zelfs het doorwaaide stadje Ellensburg, vergeten in de vlakte, heeft een interessante straat waar de blik van de reiziger blijft hangen aan het krullerige interieur van een kapperszaak met verweerde spiegels, roodleren stoelen en koperen voetsteunen of bij de potten en pannen van een eethuisbaas die - hoe is het mogelijk - nog zijn eigen soep kookt.
Seattle heeft de viaducten, de wegen en de sporen, de hoge gebouwen en de parkeermeters van elke Amerikaanse stad, maar de Chinezen, Japanners en Philippino's hebben daarnaast vastbesloten hun eigen omgeving opgetrokken. Langs de havenkaden en op de markt is voor het eerst weer een opgewekte chaos toegestaan. Reusachtige vissen liggen terug te staren naar de koper, onbekende kazen, vreeswekkende kruiden, tweedehandskleren doorbreken voor één keer het ritueel van voorverpakte, afgewogen en ingevroren waar. Maar zelfs hier is al een enquête aan de gang om de klanten hun motieven te ontfutselen en dan gezwind daarop een nieuwe supermarkt te bouwen. Nog even is er ruimte voor dwazen: voor een oude Griek die zijn piepkleine bar heeft volgestouwd met gedroogde boeketten, waarin de portretten van Castro, Chroestjow en Johnson. Hijzelf is gefotografeerd met een laken om, als filosoof: alles komt terecht, leert hij, alleen het geld moet afgeschaft en de mensen moeten leven als de bijen, in ijver, broederschap en vrede. Dat niemand daar nog aan gedacht heeft, zoemt de wijze. Die avond is er in Seattle een grote parade naar zeer Amerikaans gebruik. Over de grote boulevard marcheren alle drumbands uit een omtrek van tweehonderd mijl. Voorop gaat de majorette: tienerkoningin, miniheerseres, in een zilver paillettenpakje met tutu, blote benen in hoge witte laars j es en met een kolbak op; zij danst en draait met haar benen hoog, werpt een staf tollend de lucht in en vangt hem weer op tussen haar benen door. Soms passeert een heel escadron van deze animeersters, die god weet waarom in dit puriteinse land zijn toegestaan en zelfs verzonnen.Er zijn praalwagens met zweverige fantasieën in pasteltint naar hooggegrepen thema's die mij stuk voor stuk ontgaan. Op de wagens staan schoonheidskoninginnen in gouden avondjurken, vastgebonden aan een stok ter ondersteuning. Daartussendoor marcheren de dwazen van Amerika's traditie: leden van gezelligheidsverenigingen, mannen op middelbare leeftijd die zich Indiaans, Arabisch of krijgshaftig hebben uitgedost. De Oude Houtvesters, de Tempelieren van de Nijl. Grote welgedane kerels in kinderpakken. De Philippino's komen met een drumband waarachter een groep tamtam spelers. De marine heeft een detachement geleverd dat met de bajonet op het geweer levensgevaarlijke sier-exercities uitvoert. La Senorita's Drill Girls doen niets anders dan heel hard stampend op de maat voorbij lopen met kleine zaklantaarns in de hand. Maar zij hebben hun naam mee en soms zichzelf. De prijs gaat naar een groep meisjes in majorettekostuum die over de hele route een stotend en springend jazzballet vertonen. Nadat de Ieren en de Chinezen, en alle andere volksgroepen en wijken en voorsteden en alle bevriende steden zich hebben laten zien, stappen wij in en rijden zuidwaarts, langs de rotskust, rakelings langs afgronden waar onderaan de oceaan likt, door een koel en mistig landschap, naar San Francisco.
Thuis in San Francisco, een heuvelstad tussen baai en oceaan, met havenbuurt en Chinezenwijk, een wereldstad op Amsterdams formaat. Zo was Amerika bedoeld. Overal is het misgelopen, maar in Californië kregen de Amerikanen een nieuwe, laatste kans, een eeuw geleden, toen de goudzoekers en avonturiers naar de westkust trokken en met geweld en vindingrijkheid een nieuwe gemeenschap stichtten in dat eindeloze land. In San Francisco is het gelukt: een rijk leven in een weldadige omgeving.
Langs de baai in San Francisco wonen de oude rijken, met een bankrekening sinds meer dan tachtig jaar, in grote, witte huizen met uitzicht op de jachthaven. Daarachter klimt de stad naar dichtbehuisde buurten, waar de nieuwe immigranten introkken. North Beach is de uitgaanswijk waar woest havenvertier wat is bijgeschaafd voor stads jeugd en buitenlui. Een hoofdstraat is huis aan huis gewijd aan nachtclubs waar meisjes met blote borsten dansen op eentonige muziek en met een uitdrukking of het niet hun eigen lichaam is. De enige vernieuwing in het genre wordt vertoond in een klein nachtlokaal waar jonge vrouwen de schoenen van de gasten poetsen met ontblote borst.
In de Chinese wijk staan karakters meer dan manshoog in neon aan de gevel en in de etalages liggen alle producten die in Peking ontbreken. De straten ritselen van de overijver waarmee de Chinezen zaken doen. In schemerige ateliers zitten rijen vrouwen achter de naaimachine confectie in elkaar te zetten. Ze werken tegen stukloon, beneden alle arbeidsvoorwaarden, in ruimtes die de Amerikanen passend 'zweetlokalen' noemen. Maar, heeft het wijkcomité van Chinese zakenlieden zojuist verklaard: dat is juist heel pittoresk, verbetering zou deze zo typische atmosfeer bederven, geen toerist zou nog naar Chinatown komen. Dat is te somber, want de Chinese meisjes zijn heel bezienswaardig buiten de arbeidsuren, als ze minuscuul in minirokjes tonen hoe goed westers staat op oosters.
Zelfs de negerwijk is minder ellendig dan elders in dit land, de lage, houten huizen staan apart in kleine tuintjes en geven de bewoners een kans althans een heel klein stukje leven in te richten naar eigen smaak. De Franciscanen hebben het gemakkelijk in hun klimaat. Zolang zij niets bederven, maakt het weer alles goed. De zomers zijn er koel, in de late middag komt uit de zee een mist opzetten en blijft hangen tegen de heuvelruggen die de stad naar landzijde afsluiten. In de herfst wordt het warmer, alleen 's winters regent het. Eén half uur rijden over de brede wegen en de plantsoenen worden bosjes, de tuinen gaan over in weiden, de natuur wordt overmoedig en plant hele bossen met redwood-bomen honderd meter hoog en vijfhonderd jaar oud, op de heuvels wordt struikgewas neergezet en alle planten die dat willen, staan in bloei.Aan de kust is het slecht zwemmen en zonnen vanwege de steile kliffen, de zeewiervelden, een verraderlijk getij en een gedurige dichte mist. Maar landinwaarts staat de hemel strak van het licht en daar liggen meertjes en gaan snelle riviertjes met forel en zalm. In San Francisco's ommelanden wonen tussen de boeren en de gepensioneerden midden in ongerept gebied in kleine nederzettingen de oude hipsters. Al meer dan twintig jaar is dit het reservaat voor beatniks en artiesten die de maatschappij zijn uitgestapt. Soms verschijnen ze aan de weg om naar de stad te liften, langharig, baardig, met kralenkettingen, hoofdtooi of oorringen, de vrouwen met los haar en blootsvoets, twee, drie halfnaakte, verslonste maar schitterende kinderen aan de hand, nobele wilden. Ongemerkt heeft zich een nieuwe stam op het Amerikaanse vasteland gevestigd: de heilige barbaren. De jonge hippies wonen in de stad; in hun eigen Haight Ashbury-wijk: op voet van gewapende vrede met de politie, onder welwillend wantrouwen van de buurtgenoten oefenen zij zich in het nieuwe stamleven.
San Francisco ligt in dit onbedorven land omringd door satellietsteden tot twee-drie kwart miljoen mensen er een woonplaats hebben. Sommige nederzettingen zijn pas begonnen, losse huizen tegen een half ontgonnen heuvel op, andere, zoals Oakland, zijn al dichtgegroeid met kantoorblokken, krottenwijken en autovlaktes. Eén voorstad is Berkeley; daar huist rondom de universiteit 's werelds radicaalste gemeenschap buiten Peking, in een landschap met Spaanse namen, met een reisbureau-klimaat, één baai en één brug verwijderd van een wereldstad: San Francisco. Meer is niet nodig voor een mensenleven.
Het is nu tijd om te oordelen over Amerika. Niet definitief en alomvattend, maar voorlopig en op punten. De beste manier om te oordelen over een volk is te bezien wat het zichzelf aandoet, daaruit volgt wat het voor anderen betekent.
De buitenlandse bezoeker, zeker in Amerika, wandelt door geriefelijke hotels naar gastvrije huizen, bezoekt de monumenten en musea, maakt kennis met de welgestelde en geletterde burgerij. Hij krijgt van alles meer voorgeschoteld dan hij in een leven opkan. Zelfs de verveling is voor hem nieuwigheid. Het is hem nauwelijks voorstelbaar dat ook maar iemand nog onvoldaan kan zijn. Daarom heeft hij voor een oordeel de buitenstaanders en de randgroepen van de samenleving nodig. Zij staan niet los van de omringende wereld, maar ondergaan en vertolken in verscherpte vorm . wat in de middengroepen van het volk een vaag onlustgevoel blijft. New Left, Zwarte Macht, het rechts radicalisme en de hipsters vormen zulke uithoeken van de samenleving, waar het onbepaalde onbehagen van grote delen van de maatschappij overgaat in radicaal protest. Deze kritiek, gesteld tegenover en getoetst aan de eigen ervaring, kan de vreemdeling een oordeel ingeven over Amerika.
De hipsters zijn misschien de meest totale critici van de Amerikaanse samenleving. Waar de zwarte en linkse radicalen de zegeningen van Amerika willen veroveren voor groepen die daarvan nu nog uitgesloten zijn, willen de hipsters van de Amerikaanse leefwijze zelf niets weten. Zij zijn de opvolgers van de beatniks uit de jaren vijftig en de existentialisten van vlak na de oorlog. Maar de hippies zijn jong en al vóór de desillusie uitgestapt uit de maatschappij. Bij de hippies geen bitterheid, maar een nadrukkelijke blijmoedigheid, geen sarcasme maar een allesomvattend liefdesbetoon.Voor de hipsters is de grotemensenmaatschappij een dodenrijk. De spontane creativiteit wordt er doodgedrukt door de tucht op school en later door geestdodende arbeid-enkel-om-het-geld. Voor liefde is in die wereld geen plaats, alleen in het huwelijk, waarbinnen zo'n vluchtige emotie zich niet laat opsluiten. De meeste mensen zijn daarom al afgestorven nog voor ze volwassen zijn, zeggen de hippies en daarmee verklaren ze wat voor de conservatieven geldt als deugd tot een slepende ziekte. De rechtse organisaties die zich vooral bekommeren om de Amerikaanse zeden, verwijten hun tijdgenoten juist laksheid en gebrek aan discipline. Alleen tucht en ijver kunnen een mens vrij en verantwoordelijk maken. De Dochters van de Amerikaanse Revolutie of de veteranen van het American Legion zien overal moreel verval dat leidt tot verwekelijking van het Amerikaans karakter.
De hipsters zien niet in waar al die hardheid goed voor is. Zij willen leven in onmiddellijk contact met hun emoties, op de toppen van hun zintuigen. Door marihuana en LSD zijn zij ontwaakt, maar eenmaal bevrijd kan het ook zonder middelen. Wie eenmaal is aangeslagen, gaat op in zijn gevoelens, gewaarwordingen en herinneringen, bloemen, beesten en andere mensen, aan geld en werk valt niet meer te denken, dat is alleen nog maar verlies van levenstijd. De rechtervleugel ziet de waarde van een mens in zijn arbeid en zijn plichtsbetoon. Dat is een mentaliteit van bouwers en spaarders. Die moraal heeft Amerika groot gemaakt, zeggen zij. De hippies vinden dat het nu groot genoeg is. Deze samenleving dwingt tot krampachtig leven om fatsoenregels op te houden waarin het geloof al verloren is geraakt en om steeds meer bezit te verzamelen waarvan de noodzaak al verdwenen is.Het lijkt inderdaad of voor veel Amerikanen de smaak van dit leven af is. Alles is zoveel mooier op de televisie en het echte leven kan daar niet tegenop. Hoe hard de Amerikaan ook werkt voor een eigen huis, een buitenlandse reis en een gezinsleven als in de advertenties, het haalt het niet bij wat de reclames vertonen. Hij werkt zich uit de naad om nog meer spullen te kunnen kopen, moet door het kredietsysteem altijd achter zijn uitgaven aan verdienen, trimt zich in de hoop op snelle promotie tot hij er uitziet als de succesman van de plaatjes en nog schiet hij tekort, nog steeds is zijn persoonlijk leven niet zo vol en rijk als het van de populaire psychiaters moet en heeft hij het geadverteerde leven in technicolor nog niet bereikt.
Sommige mensen vinden voldoening in hun eigen plichtsbetoon en in de arbeidsdrang zelf. Zij horen van nature bij rechts. Maar veel mensen voelen zich als in een val. Niets let ze om hun leven in te richten zoals ze goeddunkt, maar niets in Amerika werkt er ook aan mee. Er is vrijheid, niet overal, maar eerder nergens, behalve in sommige buurten in de grote steden, waar de minderheden van allerlei slag elk hun eigen territoir hebben.
De hipsters zijn tijdig uitgestapt. Zij leven in primitieve anarchie, met Oosterse mystiek, uitheemse kleren en modieuze fratsen. Hun muziek en sierkunst zijn in heel Amerika doorgedrongen. Maar belangrijker dan dat, hier en nu leven zij naar hun leer en leren van dat leven. Miljoenen jonge Amerikanen worden door hun voorbeeld tot die nieuwe bestaanswijze gelokt. Zelfs als ze die niet verkiezen, kunnen ze hem niet vergeten. Rechts Amerika heeft een moraal van de noodzaak. Nu die overbodig wordt, wijzen de hipsters naar een moraal van mogelijkheden.
Naar alle gebruikelijke maatstaven hebben de zwarte rebellen in Detroit, Newark of New Haven de opstand verloren. Het kwam niet tot gezamenlijke, gerichte acties toen zij de straat beheersten, alleen tot plunderpartijen en brandstichting, voor de buitenwereld een lelijk vertoon. Toen de troepen eenmaal de zwarte buurten binnentrokken, stuitten zij op geen verzet. Eerst leek het of hier en daar kleine strijdgroepen en individuele scherpschutters opereerden. Achteraf is daar vrijwel niets van gebleken. De ravage was het werk van buurtbewoners, voorgegaan door bendes jonge negers. De bezetting van de getto's door politietroepen en vrijwilligers van de nationale garde was, zoals dat heet, gezagsherstel, en, zoals dat gaat, een hardhandige wraakoefening tegen een rebellerende bevolking. De eerste onderzoekingen, zoals die van de Detroit Free Press wijzen uit dat 'een meerderheid van de slachtoffers niet had hoeven en niet had mogen sterven'. Politie en gardisten schoten in paniek of in koelen bloede ongewapende negers dood op straat of binnenshuis. Van georganiseerde tegenstand was geen sprake.
Sinds de opstanden is blank Amerika niet opeens tot nieuwe inzichten gekomen. Voor de oorlog in Vietnam bezuinigt de regering nog steeds op onderwijs, behuizing en werkverschaffing in de getto’s en beknibbelt op de karige sociale voorzieningen. De meerderheid der blanken is nog verder vervreemd geraakt van de zwarte armen. De hardhandige onderdrukking van de onlusten heeft de negers eens temeer hun minderheidspositie ingepeperd. De rebellen in de getto's hebben op alle punten verloren. Toch heerst er onder de Amerikaanse negers een vreemde stemming van voldaanheid. De rebellie was een wanhoopsdaad. Zwart Amerika heeft er de moed der wanhoop mee gewonnen.
Het is alsof na een knellend en verstikkend samenleven eindelijk de band verbroken wordt en de partijen uit elkaar gaan. De negers hebben honderd jaar lang geprocedeerd, gedemonstreerd en geweldloze acties gehouden om hun gelijkheid binnen de blanke samenleving te veroveren. Ze zijn er ook op vooruit gegaan, maar ze zijn evenveel achtergebleven bij de blanke vooruitgang. Maar erger dan hun economische achterstelling was de gedurige vernedering van om aanvaarding te vragen en steeds weer geweigerd te worden. Er was integratie in naam, ook wel in feite, maar daarin bleek pas hoeveel blanken de zwarten niet als buren, medescholieren of collega's op het werk kunnen accepteren. De sociale minderwaardigheid van de negers werd nog onverdraaglijker toen overal gekleurde volkeren zelfstandig werden en als gelijken in de wereld werden opgenomen. Overtuigde rassenhaters vormen in Amerika een minieme minderheid. Een grote minderheid bedrijft racisme als etiquette, zij achten de omgang met negers niet gepast. Maar de grote meerderheid van de Amerikanen wil gelijkheid voor de negers, zij zien zelfs in dat de mogelijkheid daartoe onder het huidige bestel niet bestaat en dat de regering dus moet ingrijpen. Toch heeft de Amerikaanse burgerij het niet kunnen opbrengen het systeem van uitbuiting en discriminatie radicaal af te schaffen, tegen de minderheid van rassenhaters in, tegen de grote belangen en kleine egoïsmen die het in stand houden in. Zo heeft de uitsluiting van de negers kunnen voortduren, overwoekerd door welwillende gestes, goede woorden en grootse beloften. De negers werden daar niet door misleid, maar het gaf ze toch een geloof in de mogelijkheid van geleidelijke, geweldloze verbetering. Dat vertrouwen is nu verdwenen. Zwart Amerika gelooft niet langer dat het de blanken ernst is met hun emancipatie.
Het gaat de negers niet langer om huizen, baantjes en scholen. Zij hebben daar te lang voor moeten wachten, onderhandelen en demonstreren om er nog voldoening van te hebben. Het gaat nu om de waardigheid van zwart Amerika.
Amerika heeft de zwarten eronder gehouden met bot geweld en met kleine concessies. Steeds hebben de negers zich laten intimideren of laten afkopen. Nu, voor het eerst in de geschiedenis, is het initiatief aan de negers. In Amerika na Detroit vinden de zwarten de moed der wanhoop. Zelfs als nu een massaal program de negers in één keer opstootte tot het algemene welvaartspeil - dat kan - was het te laat. Amerika heeft de negers te lang en te diep vernederd. Het was niet eens de rassenhaat van een minderheid, maar de lamlendigheid van een meerderheid. Blank en zwart kunnen elkaar nu in dit land niet meer in de ogen zien. De nieuwe, radicale negerleiders vertrouwen alleen nog op de zwarten zelf en op massale, militante actie. Wat de opstandelingen in de zwarte wijken willen, weet niemand. De voormannen die zeggen voor ze te spreken, willen zwarte gemeenschappen met zwart zelfbestuur eventueel onder een centrale regering waarin de negers dan naar verhouding vertegenwoordigd zijn. Zij willen zich losmaken van de blanke samenleving. Amerika heeft nu alle argumenten verloren om ze daarvan af te houden.
Het is onmogelijk om niet van Amerika te houden. Amerika is ontzaglijk: een continent, een wereldmacht, een staat van staten en een volk van volken. Het is verleidelijk: vruchtensap bij het ontbijt, meiden met valse wimpers en krulspelden in, alle impressionisten bij elkaar in het Chicago Art Institute en een automatische versnelling in alle auto's behalve de sportmodellen. Met wat geld, een beetje geluk en een boel gezond verstand kan iedereen zijn heil vinden in Amerika.
Amerika is goed terecht gekomen, ondanks de boze feeën. De arbeiders zijn er niet verpauperd, de middenstand is niet verarmd. Welnee, iedereen heeft zijn eigen auto en een pakket elektrische apparaten naar keuze. De meesten hebben een eigen huis, aandelen, een kind op de universiteit. De corruptie is teruggedrongen door democratische leiders, aan de macht gekomen door de volksverontwaardiging. In de daartoe aangewezen woongebieden en tijdschriften heerst meer vrijheid dan waar ook ter wereld te halen valt. Het land is niet verdomd door massacultuur; integendeel, heel het geestelijk erfgoed van het mensdom ligt uitgestald in musea, bibliotheken en universiteiten en uit de populaire vermaaksgénres is een heel eigen en levendige kunstvorm ontstaan. Nergens ter wereld valt meer te beleven en te presteren dan in Amerika.
Amerika heeft problemen bij de vleet, maar het zijn tekortkomingen die horen bij de bijna volmaaktheid: chemicaliën in de etenswaren, constructiefouten in de auto's, leugens in de reclame, onveiligheid op de weg, vervuiling van de lucht, aftakeling door medicijnen - de tekorten van het teveel.
Amerika is binnen. Voor een overgrote meerderheid heeft het alle problemen opgelost die een samenleving maar voor zijn leden op kan lossen.
Voor een grote minderheid en voor de rest van de wereld niet. Amerika is er niet in geslaagd de negers een menswaardig bestaan te geven, het heeft de Indianen weggeborgen in mensenparken. De Amerikanen hebben het niet kunnen opbrengen afdoende maatregelen te treffen voor zieken, invaliden, bejaarden, kinderen, werklozen. Er blijft een hardnekkige kern van lelijke, domme, armoe. Het is dit volk onmogelijk wie anders doet of denkt te laten leven met de rechten en waarborgen die de grondwet ze gunt. Buiten Europa heeft Amerika geen land uit zijn ellende kunnen helpen. Nu besteedt het een tienvoud van het bedrag aan hulp in een verre, wrede oorlog tegen een vijand die overgaat in de boeren, vrouwen en kinderen van dat kleine land.
Voor sommigen is dat genoeg om Amerika in zijn geheel te verwerpen. De hipsters hebben zich van die samenleving afgekeerd, de negers maken zich op voor een bevrijdingsstrijd. Jonge mensen in Europa, Latijns Amerika, Azië en Afrika verafschuwen Amerika als een oud en boosaardig land. Ieder ander zou het evenzeer haten als hij iets beters wist dat ervoor in de plaats kon komen.
Het zijn de linkse radicalen in Amerika die dit dilemma het diepst beleven. Merendeels studenten, weten zij hoeveel Amerika bereikt heeft, hoeveel zij eraan te danken en nog van te verwachten hebben. Zij weten dat Amerika alle tekortkomingen van de bijna-volmaaktheid op kan lossen, maar voor hun is dat de moeite niet meer. Daarin verschillen zij van de gematigde linkervleugel die 'liberaal' heet. Zij zien verder dan hun beschermd bestaan tot in een buitenwereld van armoewijken, zwarte getto's en continenten van armoe, ziekte en onwetendheid. Ondanks alle grote woorden en beloften heeft Amerika daar vrijwel niets tegen ondernomen. De linkse radicalen kunnen dat hun land niet vergeven, net zomin als de rechtervleugel kan inzien waarom Amerika de rest van de wereld te hulp zou moeten komen.
Blank en burgerlijk Amerika heeft voor zichzelf de mooiste orde opgebouwd die mensen ooit tot stand hebben gebracht. Maar het is een orde gebaseerd op de uitsluiting van alle buitenstaanders en, voor de links radicalen, ook op hun uitbuiting. Amerika zal steeds rijker worden, met steeds meer techniek, organisatie en cultuur. Nederland - heel West-Europa trouwens -volgt op korte afstand op die weg naar de volmaaktheid. Als Amerika lelijker schijnt dan Europa, dan is het omdat de Amerikanen het uitsmijterswerk opknappen. Zij houden het Westen blank, burgerlijk en welgedaan, een witte wereld. Waar de arme en gekleurde volkeren samenkomen in nationale bewegingen en proberen met gemeenschapsvoorzieningen een moderne economie op te bouwen, daar vinden zij Amerika tegenover zich, dat ze terugstool in uitbuiting en chaos. En heel het Westen profiteert ervan.
Wie Amerika verwerpt, moet de hele westerse wereld afwijzen als een consumentenclub van welgedane, ontwikkelde, blanke burgers, die binnen zijn en de rest van de wereld buitensluiten. Europa is binnen in die witte wereld, weldra ook de Sovjet-landen en Japan. Amerika heeft voor zichzelf het meest bereikt. De rest van de mensheid staat buiten. Wie dat aanvaarden kan, is een tevreden mens.